Part 12
Inmiddels was don Vigilio opgehouden met schrijven en keek Pierre met zulk een strakken blik aan, dat deze eindelijk uit beleefdheid naar hem toe ging, om afscheid te nemen. Ondanks zijn angst toegevend aan een drang om te spreken, fluisterde de secretaris:
"U begrijpt zeker wel, dat hij voor u alleen gekomen is, hij wilde alleen het resultaat van uw onderhoud met Zijne Eminentie weten."
De naam van monsignor Nani behoefde niet uitgesproken te worden.
"Gelooft u dat werkelijk?"
"Daaraan valt niet te twijfelen... En indien u van mij een goeden raad wilt aannemen, doe dan onmiddellijk uit eigen beweging wat hij van u verlangt, want het is absoluut zeker, dat u het later toch doen zult."
Dat maakte Pierre nog angstiger en wanhopiger. Met een uitdagend gebaar ging hij weg. Zij zouden wel merken, of hij gehoorzaamde. En de drie antichambres, die hij weer doorging, schenen nu nog donkerder, nog lediger, nog doodscher. In de tweede groette abbé Paparelli hem met een kleine, zwijgende buiging; in de eerste scheen de ingedommelde knecht hem zelfs niet te zien. Onder den baldakijn weefde tusschen de kwasten van den grooten rooden hoed een spin zijn net. Zou het niet beter geweest zijn het houweel te zetten in dat geheele rottende, in puin vallende verleden, opdat de zon vrij binnen schijnen en aan den gereinigden bodem de vruchtbaarheid der jeugd teruggeven kon?
VIERDE HOOFDSTUK
Den middag van dienzelfden dag wilde Pierre, daar hij toch niets anders te doen had, onmiddellijk zijn zwerftochten door Rome beginnen met een bezoek, dat hem na aan het hart lag. Onmiddellijk na de verschijning van zijn boek had een brief, dien hij uit deze stad kreeg, hem diep ontroerd en geïnteresseerd--een brief van den ouden graaf Orlando Prada, den held der Italiaansche onafhankelijkheid en eenheid, die hem, zonder hem te kennen, onder den indruk van de eerste lezing spontaan geschreven had; en die vier bladzijden bevatten een vurig protest, een kreet van het in dezen grijsaard nog jeugdige patriottische geloof, hij beschuldigde hem in zijn werk Italië vergeten te hebben, eischte Rome, het nieuwe Rome voor het één geworden en eindelijk vrije Italië op. Daarop was een heele briefwisseling gevolgd, en de priester had, hoewel hij zijn ideaal van een nieuw Katholicisme, dat de wereld redden moest, niet opgaf, den man, die hem deze brieven schreef, waarin een zoo groote vaderlands- en vrijheidsliefde brandden, van verre leeren liefhebben. Hij had hem van zijn reis op de hoogte gebracht en beloofd hem een bezoek te zullen brengen. Maar nu was de gastvrijheid, die hij in het paleis Boccanera had aangenomen, daarvoor een sta-in-den-weg, want het scheen hem na de zoo hartelijke ontvangst door Benedetta moeilijk toe, den eersten dag reeds, zonder haar te waarschuwen, den vader van den man te gaan bezoeken, van wien zij gevlucht was en tegen wien zij een eisch tot echtscheiding had ingesteld; en dit te meer, omdat de oude Orlando bij zijn zoon woonde in het kleine paleis, dat deze in de Via Venti Settembre had laten bouwen.
Vóór alles wilde Pierre dus zijn bezwaren aan de contessina zelf mededeelen. Hij had trouwens van vicomte Philibert de la Choue gehoord, dat zij voor den held een met bewondering vermengde dochterlijke liefde behouden had. En inderdaad, toen hij haar na het ontbijt de verlegenheid, waarin hij verkeerde, mededeelde, protesteerde zij onmiddellijk.
"Maar mijnheer de abbé, ga toch, ga toch gauw! U weet, dat de oude Orlando een onzer nationale sieraden is. Verwonder u er niet over, als u mij hem ook zoo hoort noemen, geheel Italië geeft hem uit liefde en dankbaarheid dezen liefkoozenden bijnaam. Ik ben opgegroeid in een wereld, die hem vervloekte, hem voor een Satan hield. Eerst later heb ik hem leeren kennen en liefhebben. Hij is de zachtste en rechtvaardigste man, die op aarde rondwandelt."
Zij was begonnen te glimlachen, terwijl tranen haar oogen bevochtigden, ongetwijfeld bij de herinnering aan het stormachtige jaar, dat zij in dat huis doorgebracht had, waarin zij, behalve bij den ouden man, geen rustig uur had gekend. En zachter en met eenigszins bevende stem voegde zij eraan toe:
"Als u toch naar hem toegaat, zeg hem dan uit mijn naam, dat ik hem nog altijd liefheb en dat ik nooit, wat er ooit gebeuren moge, zijn goedheid vergeten zal."
Terwijl Pierre naar de Via Venti Settembre reed, riep hij zich de geheele heldengeschiedenis van den ouden Orlando, die hij zich vroeger had laten vertellen, voor den geest. Zij was een waar heldendicht en voerde hem terug naar het geloof, de dapperheid en de onbaatzuchtigheid van een ander tijdperk.
Graaf Orlando Prada, de afstammeling van een oud-adellijk Milaneesch geslacht, werd reeds in zijn jeugd door zulk een haat tegen den vreemdeling verteerd, dat hij op zijn vijftiende jaar al deel uitmaakte van een geheim genootschap, een der vertakkingen van het oude carbonarisme. Die haat tegen de Oostenrijksche overheersching was oud, stamde nog uit den tijd van de opstanden tegen de knechtschap, toen de samenzweerders zich vereenigden in verlaten hutten diep in de bosschen. En deze haat werd nog aangewakkerd door het oude ideaal van een bevrijd, aan zichzelf teruggegeven Italië, dat eindelijk weer de groote, heerschende natie, de waardige dochter van de oude veroveraars en meesters der wereld worden zou.
O, welk een vurige en heerlijke droom, om dat roemrijke land van vroeger, dat verbrokkelde en versnipperde Italië, dat aan een menigte kleine tyrannen was prijsgegeven en onophoudelijk door naburige volkeren bezet en bezeten werd, uit zijn lange schande te rukken. Den vreemdeling verslaan, de despoten wegjagen, het volk wekken uit de vernederende ellende van zijn slavernij, Italië vrij, Italië één verklaren, dat was de hartstocht, die toen in de geheele jeugd met onbluschbare vlammen oplaaide, die het hart van den jongen Orlando van geestdrift kloppen deed. Hij doorleefde zijn jeugd in een heilige verontwaardiging, in het vurige ongeduld om zijn bloed aan zijn vaderland te geven en daarvoor te sterven, als hij het niet bevrijden kon.
Orlando leefde teruggetrokken in zijn familiepaleis te Milaan, bevende onder het juk en zijn tijd met nuttelooze samenzweringen verspillend. Hij was juist getrouwd en vijf-en-twintig jaar, toen de tijding kwam van de vlucht van Pius IX en de revolutie te Rome. Onmiddellijk liet hij alles, huis en vrouw, in den steek, om, als geroepen door de stem van zijn lot, naar Rome te snellen. Het was de eerste maal, dat hij zoo uittrok, om de onafhankelijkheid te veroveren. Hoe dikwijls zou hij dat nog moeten doen, zonder ooit moe te worden. Toen leerde hij Mazzini kennen en geraakte een oogenblik in geestdrift voor de mystieke figuur van dezen unitaristischen republikein. Zelf droomend van een algemeene republiek, nam hij het devies van Mazzini: "Dio e popolo" [5] aan, volgde hij de processie, die met groote pracht en praal door het oproerige Rome trok.
Het was een tijd vol grootsche verwachtingen, die reeds door de behoefte aan een hernieuwing van het Katholicisme gekweld werd en in afwachting leefde van een menschelijken Christus, wiens taak het was de wereld een tweede maal te redden. Maar weldra trok een man, Garibaldi, die aan den dageraad van zijn epischen roem stond, hem geheel tot zich en maakte van hem een soldaat der vrijheid en eenheid. Orlando hield van hem als van een God, streed als held aan zijn zijde, maakte de overwinning bij Rieti op de Napolitanen mede, volgde den hardnekkigen patriot op zijn terugtocht, toen hij, gedwongen om Rome over te laten aan het Fransche leger van generaal Oudinot, die er Pius IX kwam herstellen, Venetië te hulp snelde. En welk een vermetel, dolzinnig waagstuk was dat! Dit Venetië, dat Manin, een tweede groote patriot, een martelaar, weer tot republiek gemaakt had en dat nu al maanden lang weerstand bood aan de Oostenrijkers!
En Garibaldi, die met een handvol mannen uittrekt, om het te ontzetten, en dertien visschersschepen huurt en er acht in de handen van zijn vijand laten moet, is verplicht naar den Romeinschen oever terug te keeren en verliest daar op jammerlijke wijze zijn vrouw Anita, wier oogen hij sluit alvorens terug te keeren naar Amerika, waar hij in afwachting van het uur van den opstand reeds gewoond had. O, die Italiaansche bodem, waarin toen allerwegen het inwendige vuur van het patriotisme gromde, waaruit in iedere stad mannen vol geloof en moed opschoten, waaruit overal oproeren en opstanden losbarstten als vulkanische erupties, en die ondanks alle tegenspoeden en tegenslagen, toch, onoverwinlijk, den triomf tegemoet ging!
Orlando keerde naar Milaan en naar zijn jonge vrouw terug en leefde daar twee jaar lang in het verborgen, verteerd door zijn ongeduldig verlangen naar den glorierijken dag, welks aanbreken zich zoo lang wachten liet. Eén geluk stilde een weinig zijn vurige begeerte: een zoon, Luigi, werd hem geboren, maar het kind kostte zijn moeder het leven. Orlando werd daardoor met diepe droefheid vervuld, en daar hij niet langer te Milaan blijven kon, waar de politie al zijn gangen naging, en hij de overheersching door de vreemdelingen niet langer dragen kon, besloot Orlando de overblijfselen van zijn vermogen te realiseeren en begaf zich naar Turijn, naar een tante van zijn vrouw, die het kind onder haar bescherming nam. Graaf Cavour, de groote politicus, werkte vanaf dat oogenblik aan de onafhankelijkheid, bereidde Piemont voor op de beslissende rol, die het spelen moest. Het was het tijdperk, waarin koning Victor Emanuel met vleiende vriendelijkheid de uit alle deelen van Italië toestroomende vreemdelingen opnam, zelfs hen, van wie hij wist, dat zij republikeinen waren en ten gevolge van opstanden de vlucht hadden moeten nemen.
De droom, de Italiaansche eenheid ten gunste van de Piemonteesche monarchie te verwezenlijken, bestond in het sluwe Huis van Savoye reeds lang en rijpte sedert jaren. Orlando wist heel goed onder welken heer hij dienst nam, maar reeds stond in zijn hart de republikein achter bij den patriot: hij geloofde niet meer aan een in naam der republiek geschapen en onder de bescherming van een liberalen paus geplaatst Italië, zooals het een oogenblik Mazzini's ideaal geweest was. Was het geen hersenschim, die generaties zou verslinden, indien men dat ideaal bleef nastreven? Zelfs wanneer de vrijheid er gevaar bij liep, wilde hij het vaderland weder opbouwen en het zijn plaats onder de zon geven. Hoe koortsachtig gelukkig was hij dan ook, toen hij bij het uitbreken van den oorlog in 1859 dienst nam; hoe klopte zijn hart tot barstens toe, toen hij na Magenta met het Fransche leger Milaan binnentrok, hetzelfde Milaan, dat hij acht jaar vroeger als wanhopig balling verlaten had. Na Solferino was het verdrag van Villafranca een bittere teleurstelling: Venetië bleef gevangen. Maar Milaan en omgeving was toch heroverd, en ook Toscane, Parma en Modena traden toe. Eindelijk vormde zich de kern van de ster, het vaderland bouwde zich om het overwinnende Piemont op.
Het volgend jaar keerde Orlando in het epos terug. Garibaldi was weer uit Amerika terug, omgeven door een geheele legende, de verhalen van zijn ridderlijke heldendaden in de pampa's van Uruguay, een buitengewonen tocht van Canton naar Lima, gingen hem vooruit; hij kwam terug, om in 1859 te vechten, het Fransche leger voor te zijn, een Oostenrijksch maarschalk onder den voet te loopen, de steden Como, Bergamo en Brescia binnen te trekken. Plotseling hoorde men, dat hij met slechts duizend man te Marsala was--de duizend van Marsala, het beroemde handjevol dapperen. Orlando streed in de voorste gelederen. Palermo bood drie dagen tegenstand, werd dan genomen. Als lievelingsluitenant van den dictator, hielp Orlando hem bij het organiseeren van het bestuur, stak vervolgens met hem de landengte over en nam aan zijn rechterhand deel aan den triomphantelijken intocht in Napels, waaruit de koning gevlucht was.
Het was een dolzinnig-vermetele en -dappere daad, de uitbarsting van het onvermijdelijke; allerlei verhalen van bovenmenschelijke daden deden de ronde: Garibaldi onkwetsbaar, beter door zijn rood hemd beschermd dan door het dikste harnas; Garibaldi, die de vijandelijke legers op de vlucht sloeg alleen door als een aartsengel zijn vlammend zwaard te zwaaien. Van hun kant hadden de Piemonteezen, na generaal Lamoricière bij Castelfidardo verslagen te hebben, de Romeinsche staten veroverd. En Orlando was erbij, toen de dictator, afstand doende van zijn macht, het besluit van de annexatie der beide Siciliën bij de Kroon van Italië onderteekende; evenals hij bij den heftigen kreet: "Rome of de dood!" deelnam aan de wanhopige poging, die zoo tragisch bij Aspromonte eindigde: het kleine legertje verstrooid door de Italiaansche troepen, Garibaldi gewond, gevangen genomen, verbannen naar de eenzaamheid van zijn eiland Caprera, waar hij nog slechts een eenvoudig landman bleef.
De zes daarop volgende jaren van wachten bracht Orlando te Turijn door, zelfs toen Florence als nieuwe hoofdstad gekozen werd. De senaat had Victor Emanuel tot koning van Italië uitgeroepen, en inderdaad Italië was geschapen, alleen Venetië en Rome ontbraken. Van dat oogenblik af schenen de groote slagen geëindigd te zijn, was het tijdperk der epiek afgesloten. Venetië werd aan Italië door een nederlaag geschonken. Orlando maakte den ongelukkigen slag bij Custozza mede, waarin hij tweemaal gewond werd; doch zijn hart werd nog pijnlijker getroffen door de smartelijke gedachte, dat Oostenrijk zou kunnen overwinnen. Maar in hetzelfde oogenblik verloor Oostenrijk, verslagen bij Sadowa, Venetië, en vijf maanden later wilde hij in den triomfroes te Venetië zijn, toen Victor-Emanuel onder het geestdriftige gejubel van het volk zijn intocht deed.
Rome alleen ontbrak nu nog, een koortsachtig ongeduld drong geheel Italië daarheen, en slechts de eed van het bevriende Frankrijk den paus te zullen handhaven, hield dien drang terug. Ten derden male wilde Garibaldi de legendarische heldendaden hernieuwen; vrij van alle banden wierp hij zich als een door vaderlandsliefde gedreven vrijbuitershoofdman op Rome. En ten derden male nam Orlando deel aan dien heldenwaanzin, die zich bij Mentana tegen de door een klein Fransch corps geholpen pauselijke zouaven te pletter liep. Weer gewond, keerde Orlando, bijna stervend, naar Turijn terug. Met bloedend hart moest men berusten: de quaestie was niet op te lossen. Dan kwam plotseling de donderslag van Sedan, de verplettering van Frankrijk; de weg naar Rome werd vrij. Orlando, in het staand leger teruggekeerd, maakte deel uit van de troepen, die stelling namen in de Campagna romana, om, overeenkomstig de woorden in den brief van Victor Emanuel aan Pius IX, de veiligheid van den Heiligen Stoel te verzekeren.
Het was overigens slechts een schijngevecht: de pauselijke zouaven onder generaal Kanzler moesten zich terugtrekken en Orlando was een der eersten, die door de bres in de Porta Pia de stad binnendrong. O, die twintigste September, die dag, waarop hij het grootste geluk van zijn leven ondervond, een dag van geestdrift, een dag van volkomen triomf, waarop de droom van zoovele jaren van bitteren strijd verwezenlijkt werd, de droom, waarvoor hij zijn rust, zijn vermogen, zijn geest en zijn lichaam gegeven had.
Hierop volgden nog tien gelukkige jaren in het veroverde Rome, in het Rome, dat als een vrouw, waarop men al zijn hoop gezet heeft, aangebeden, ontzien en gevleid werd. Van Rome verwachtte hij een zoo groote nationale kracht, een zoo wonderbaarlijke herleving van sterkte en jeugd voor de jonge natie! De voormalige republikein, de voormalige insurgent, die hij toch was, moest zich bukken en een senaatszetel aannemen: ging Garibaldi zelf, zijn afgod, geen bezoek afleggen bij den koning en zijn plaats innemen in het Parlement? Alleen de intransigente Mazzini had niets van een onafhankelijk Italië, dat niet tevens republiek was, willen weten. Ook een ander motief had Orlando tot toegeven bewogen: de toekomst van zijn zoon Luigi, die den dag na den intocht in Rome achttien geworden was. Al was hij ook tevreden met de kruimels van zijn vroeger vermogen, dat geheel opgegaan was in den dienst van het vaderland, hij droomde van een beter lot van het kind, dat hij aanbad.
Hij voelde heel goed, dat het heldentijdvak geëindigd was; hij wilde van hem een groot staatsman, een groot bestuurder maken, een man, die nuttig zijn zou voor de souvereine macht van morgen; en daarom had hij het koninklijk gunstbewijs, het loon voor zijn lange toewijding, niet geweigerd; hij wilde Luigi helpen, over hem waken, hem leiden. Was hij dan zelf zoo oud, zoo afgeleefd, dat hij zich niet nuttig meer maken kon bij de organisatie, zooals hij het meende geweest te zijn bij de verovering? Hij had den jongen man ambtenaar laten worden aan het Ministerie van Financiën, daar hem zijn vlug begrip van financieele quaesties opgevallen was en ook misschien omdat hij intuïtief voelde, dat de strijd thans voortgezet zou worden op financieel en economisch gebied. En weer leefde hij in een droom, steeds geestdriftig geloovend in een heerlijke toekomst; vol grenzenlooze verwachtingen zag hij hoe de bevolking van Rome verdubbelde, hoe het zich door het dolzinnige opschieten van nieuwe stadswijken uitbreidde. In zijn verrukte minnaarsoogen werd de stad weer de koningin der wereld.
Plotseling sloeg bij helderen hemel een bliksemstraal neer. Toen Orlando op een ochtend naar beneden ging, werd hij door een beroerte getroffen; zijn beide beenen waren als dood en zwaar als lood. Men had hem naar boven moeten dragen en nooit zette hij meer een voet op straat. Hij was toen zes-en-vijftig; sedert veertien jaar had hij zijn fauteuil niet meer verlaten. Hij, die vroeger zoo dapper de slagvelden van Italië afgeloopen had, was nu tot volslagen onbeweeglijkheid gedoemd. Het was jammerlijk om aan te zien--de val van een held. En het ergste was, dat de oude soldaat van uit de kamer, waarin hij gevangen zat, getuige zijn moest van het langzame ineenstorten van al zijn verwachtingen en in zijn onuitgesproken angst voor de toekomst door een vreeselijke droefgeestigheid en zwaarmoedigheid aangegrepen werd.
Sedert hij door den roes van het bezig zijn niet meer verblind werd en hij zijn lange, ledige dagen met nadenken vulde, zag hij eindelijk alles helder en duidelijk. Italië, dat hij zoo gaarne machtig in zijn triomphantelijke eenheid gezien had, handelde dwaas, snelde zijn ondergang, zijn bankroet misschien, tegemoet. Rome, dat voor hem steeds de noodwendige hoofdstad, de roemrijke stad, die haars gelijke niet had, geweest was, scheen de rol van groote moderne hoofdstad te weigeren; het was zwaar als een doode, drukte met het gewicht der eeuwen op de borst van de jonge natie. Bovendien bracht zijn zoon, zijn Luigi, hem tot wanhoop; hij verzette zich tegen iedere leiding, hij wierp zich als een der kinderen, die de verovering verslinden, op den nog warmen buit, dit Italië, dit Rome, die zijn vader alleen gewild scheen te hebben, opdat hij zelf het zou kunnen plunderen en er zich mede vetmesten.
Tevergeefs had hij zich verzet tegen het verlaten van het ministerie, tegen het ongebreidelde speculeeren in bouwterreinen, dat door het opschieten van al die nieuwe wijken ontstaan was. Toch bleef hij hem aanbidden, was hij tot zwijgen gedoemd, vooral nadat hem de meest gewaagde financieele operaties gelukt waren, zooals bijv. de metamorphose van de villa Montefiori in een werkelijke stad, een reusachtige zaak, waarin de rijksten zich geruïneerd hadden, doch waaruit hij met millioenen tevoorschijn gekomen was. Maar zwijgend en wanhopig had Orlando in het kleine paleis, dat Luigi Prada in de Via Venti Settembre had laten bouwen, niet meer dan een klein kamertje willen hebben, waarin hij zijn dagen in kloosterachtige afzondering doorbracht met één enkelen knecht; hij wilde van zijn zoon niets anders aannemen dan die gastvrijheid en leefde verder armzalig van zijn kleine rente.
Toen Pierre in die nieuwe, op de helling en den top van den Viminalis aangelegde Via Venti Settembre kwam, werd hij getroffen door de zware pracht der nieuwe huizen, waarin de overgeërfde smaak voor het ontzaglijke duidelijk sprak. In het purperen goud van de warme namiddagzon verried deze breede triomfstraat, deze dubbele rij eindelooze en witte gevels de trotsche toekomstverwachtingen van het nieuwe Rome, de begeerte naar overheersching, die deze reusachtige gebouwen uit den grond had doen oprijzen. Doch vooral viel het ministerie van Financiën hem op, een gigantische massa, een cyclopische kubus, waarin zuilen, balkons, gevelversieringen en beeldhouwwerken zich ophoopten, een geheele, onmatige wereld, op een dag van overmoedigen trots door steenenwaanzin gebouwd. En iets verder, aan de overzijde, voor men aan de villa Bonaparte kwam, stond het kleine paleis van graaf Prada.
Toen hij zijn koetsier betaald had, bleef hij een oogenblik verlegen staan. Daar de deur openstond, was hij de vestibule binnengegaan, maar hij zag daar niemand, geen conciërge en geen knecht. Hij liep naar de eerste verdieping. De monumentale trap met marmeren leuning was een nabootsing in het klein van de overdreven afmetingen der eeretrap van het paleis Boccanera; het was dezelfde koude, kale naaktheid, getemperd door een rooden looper en roode portières, die schel afstaken tegen de witte kalk der muren. Op de eerste verdieping bevonden zich de vijf meter hooge receptievertrekken; door een half open staande deur zag hij twee in elkaar loopende salons, die, met moderne pracht, met een overvloed van fluweel en zijde, vergulde meubels, hooge spiegels, welke de weelderige consoles en tafels weerkaatsten, ingericht waren. En nog steeds zag hij geen mensch, geen levende ziel in dat verlaten huis, waarin nergens de invloed der vrouw te bespeuren viel. Hij wilde weer naar beneden gaan om te bellen, toen zich eindelijk een knecht vertoonde.
"Ik zou gaarne graaf Prada spreken."
De knecht keek den kleinen priester zwijgend aan en verwaardigde zich te vragen:
"Vader of zoon?"
"De vader, graaf Orlando Prada!"
"Gaat u dan maar naar de derde verdieping."
Dan was hij nog wel zoo goed een naderen uitleg te geven:
"De kleine deur rechts op het portaal. U moet hard kloppen, anders doet men niet open."
Inderdaad moest Pierre tweemaal kloppen. Een kleine, uitgedroogde militair, een voormalig soldaat van den graaf, die in zijn dienst gebleven was, kwam open doen en zeide bij wijze van verontschuldiging niet eerder de deur geopend te hebben, daar hij juist bezig was de beenen van zijn meester in de goede houding te leggen. Onmiddellijk diende hij den bezoeker aan, en deze werd, toen hij een kleine donkere antichambre doorgeloopen had, door het vertrek, dat hij binnenging, ten zeerste getroffen. Het was een betrekkelijk kleine, geheel kale kamer, die met een eenvoudig, blauwgebloemd papiertje behangen was.
Achter een scherm stond een ijzeren ledikant, een echt soldatenbed; verder was er geen meubelstuk te zien behalve de fauteuil, waarin de invalide zijn dagen doorbracht, een zwarte houten tafel, die bedekt was met couranten en boeken, en twee oude stoelen met stroozittingen voor de enkele bezoekers. Tegen een der muren deden enkele planken dienst als boekenkast. Maar het breede raam, waar geen gordijn voor hing, zag uit op het prachtigste panorama van Rome, dat men zich denken kon.