De drie steden: Rome

Part 11

Chapter 113,878 wordsPublic domain

Onmiddellijk nam hij Pierre mede in een der groote vensternissen, om op zijn gemak met hem te kunnen praten.

"Mijn waarde abbé, wat ben ik blij u te zien! Herinnert u zich onze prettige gesprekken nog uit den tijd, dat we elkaar bij kardinaal Bergerot ontmoetten? Ik heb u nog schilderijen aangewezen voor uw boek, miniaturen uit de veertiende en vijftiende eeuw. Voor vandaag leg ik beslag op u; ik zal u Rome laten zien, zooals niemand anders dat kan. Ik heb alles gezien, alles doorsnuffeld. Schatten zijn hier, schatten! Doch feitelijk is er maar één ding hier, daar ga je altijd weer naar terug: de Botticelli in de Sixtijnsche kapel!"

Zijn stem stierf als het ware uit; hij maakte een uitgeput gebaar van bewondering. En Pierre moest beloven zich aan hem toe te vertrouwen, met hem naar de Sixtijnsche kapel te gaan.

"U weet toch zeker wel, waarom ik hier ben?" zeide deze eindelijk. "Men vervolgt mijn boek, men heeft het bij de Indexcongregatie aangegeven."

"Uw boek? Dat is niet mogelijk!" riep Narcisse uit. "Een boek, waarvan sommige bladzijden aan den verrukkelijken Franciscus van Assisi herinneren."

Hij stelde zich welwillend ter beschikking van den priester.

"Maar onze gezant zal u van groot nut kunnen zijn. Er bestaat geen beter mensch op de wereld; hij is zeer vriendelijk en welwillend, vol oude Fransche bravoure. Vanmiddag of op zijn allerlaatst morgenochtend zal ik u aan hem voorstellen, en daar u zoo spoedig mogelijk een audiëntie bij den paus verlangt, zal hij probeeren die voor u te verkrijgen... Maar ik moet eraan toevoegen, dat het niet altijd even makkelijk is. De Heilige Vader doet hem gaarne een genoegen, maar toch lukt het hem niet altijd, zoo moeilijk is het dikwijls hem te naderen."

In werkelijkheid had Pierre er nog niet aan gedacht gebruik te maken van de hulp van den ambassadeur; in zijn onnoozelheid had hij gemeend, dat een aangeklaagde priester, die zich kwam verdedigen, van zelf alle deuren voor zich zou zien open gaan. Hij was verrukt over het aanbod van Narcisse en dankte hem zoo hartelijk alsof de audiëntie reeds verkregen was.

"En mochten er zich onverhoopt moeilijkheden voordoen," ging de jonge man voort, "dan heb ik nog altijd bloedverwanten op het Vaticaan. Ik bedoel niet mijn oom den kardinaal, die ons toch niet zou kunnen helpen, want hij komt nooit uit zijn bureau van de Propaganda en wil nooit een gunst vragen. Maar mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, die tot de vertrouwde omgeving van den paus behoort en door zijn dienst ieder oogenblik met hem in aanraking komt, is een zeer welwillend man; als het noodig is, gaan we naar hem toe, en hij zal ongetwijfeld wel een middel weten, om een audiëntie voor u te verkrijgen, hoewel zijn groote voorzichtigheid hem een enkele maal bang doet zijn, dat hij zich zal compromitteeren... Dus, dat is afgesproken, vertrouw in alle dingen maar op mij."

"Niets liever dan dat, waarde heer," riep Pierre verlicht en gelukkig uit; "u weet niet welk een balsem u mij geeft, want sedert ik hier ben, tracht iedereen mij te ontmoedigen; u bent de eerste, die mij weer wat kracht geeft door de zaken op zijn Fransch te behandelen."

Fluisterend vertelde hij hem zijn onderhoud met kardinaal Boccanera, van wien hij niet de minste hulp te verwachten had, de slechte tijdingen, die kardinaal Sanguinetti gebracht had, en ten slotte den wedijver, die, zooals hij voelde, tusschen de beide kardinalen bestond. Narcisse luisterde glimlachend naar hem en liet zich ook tot vertrouwlijke mededeelingen bewegen. Die wedijver, die voorbarige twist om de tiara, waarnaar beiden hartstochtelijk streefden, bracht reeds lang de zwarte kringen in opwinding. Het waren allerlei gecompliceerde dessous, niemand zou met zekerheid kunnen zeggen wie de uitgebreide intriges leidde. In het algemeen wist men, dat Boccanera het intransigente Katholicisme vertegenwoordigde, dat van geen compromis met de moderne maatschappij weten wilde, rustig afwachtte, dat God over Satan regeeren, het koninkrijk Rome aan den Heiligen Vader teruggegeven worden, Italië berouwvol voor zijn heiligschennis boete doen zou; Sanguinetti daarentegen, een zeer soepel en politiek man, zou voorstander zijn van even nieuwe als vermetele combinaties, een soort republikeinsche federatie van alle oude kleine Italiaansche staten onder protectoraat van den paus. In één woord het was de strijd tusschen twee tegengestelde richtingen: de eene wilde de Kerk redden door een volmaakten eerbied voor de oude traditie; de andere kondigt haar onvermijdelijken ondergang aan, indien zij weigert de evolutie der komende eeuw mede te maken. Maar dit alles was zoo vaag, zoo onbestemd, dat ten slotte de meening post vatte, dat, wanneer de tegenwoordige paus nog eenige jaren leefde, noch Boccanera, noch Sanguinetti hem zouden opvolgen.

Plotseling viel Pierre Narcisse in de rede.

"En monsignor Nani, kent u dien? Gisterenavond heb ik met hem gesproken... Kijk, daar komt hij juist binnen!"

Inderdaad kwam Nani met zijn eeuwigen glimlach en zijn blozend, vriendelijk prelatengezicht binnen. Zijn fijne soutane en zijn gordel van violette zijde schitterden in een voornaam-luxueusen en zachten glans. Hij was zeer hoffelijk tegenover abbé Paparelli, die hem eerbiedig te gemoet ging en hem vroeg wel te willen wachten tot Zijne Eminentie hem ontvangen kon.

"O," fluisterde Narcisse, die ernstig geworden was; "monsignor Nani is iemand, dien men te vriend moet houden."

Hij kende zijn geschiedenis en vertelde die Pierre half fluisterend. Te Venetië uit een adellijk, maar geruïneerd geslacht, dat verscheidene helden onder zijn leden geteld had, geboren, was hij, na zijn eerste onderricht bij de Jezuïeten ontvangen te hebben, naar Rome gekomen, om aan het Romeinsch College, dat onder leiding der Jezuïeten stond, in de theologie en wijsbegeerte te studeeren. Op zijn drie-en-twintigste jaar tot priester gewijd, was hij dadelijk als particulier secretaris met een nuntius naar Beieren gegaan en vandaar als auditor naar Brussel en Parijs, in welke laatste stad hij vijf jaar had gewoond. Alles, zijn schitterend debuut, zijn vlug begrip--hij was een der veelzijdigste en meest ontwikkelde geesten, die men zich denken kan--scheen hem voor de diplomatie te bestemmen, toen hij plotseling naar Rome teruggeroepen werd, waar men hem bijna onmiddellijk na zijn aankomst tot assessor bij het Heilig College benoemde. Toenmaals ging het gerucht, dat dit op uitdrukkelijk verlangen van den paus geschied was, die, daar hij zijn capaciteiten kende en gaarne iemand bij het Heilig College had, op wien hij kon vertrouwen, hem teruggeroepen had onder voorwendsel, dat hij te Rome veel meer diensten bewijzen kon dan bij een nuntiatuur. Nani, reeds sedert langen tijd huisprelaat, was sedert korten tijd kanunnik van de St. Pieter en apostolisch protonotarius en had, wanneer op een dag de paus een assessor vinden kon, die nog meer in zijn smaak viel, groote kans kardinaal te worden.

"O," ging Narcisse voort, "monsignor Nani! Een superieur man, die het moderne Europa buitengewoon goed kent, en daarenboven een heilig priester, een oprecht geloovige, volkomen toegewijd aan de Kerk, maar van een geloof, dat geheel verschillend is van het bekrompen en vage theologische geloof, zooals wij dat in Frankrijk kennen! Daarom zal het u moeilijk vallen de menschen en dingen hier te begrijpen. Zij laten God in Zijn heiligdom, zij regeeren in Zijn naam, ten volle overtuigd, dat het Katholicisme de menschelijke organisatie van het Godsbestuur, de eenige, eeuwige en volmaakte is, buiten welke er slechts leugen en sociaal gevaar bestaat. Terwijl wij in onze godsdienstige twistgesprekken nog steeds hartstochtelijk over het bestaan van God discussieeren, geven zij niet eens toe, dat aan dat bestaan getwijfeld worden kan, omdat zij de door God gezonden ministers zijn; zij gaan geheel in hun rol van onafzetbare ministers op, oefenen hun macht uit tot het grootst mogelijke welzijn der menschheid, gebruiken al hun intelligentie, al hun energie om de door de volken aanvaarde meesters te blijven. Bedenk eens, een man als monsignor Nani is, na met de politiek der geheele wereld te doen gehad te hebben, sedert tien jaar te Rome met de meest kiesche en moeilijke opdrachten belast en daardoor met de meest verschillende en belangrijke zaken vertrouwd. Hij blijft heel Europa, dat in Rome komt, zien, weet alles, heeft in alles de hand. Daarenboven is hij buitengewoon bescheiden en welwillend, zóó volmaakt bescheiden schijnbaar, dat men zich onwillekeurig afvraagt, of hij met zijn zachten stap niet naar het hoogste doel van 's menschen eerzucht, naar de tiara, schrijdt."

"Nog een candidaat voor den Heiligen Stoel!" dacht Pierre, die zeer aandachtig geluisterd had, want deze Nani interesseerde hem, gaf hem een soort instinctieve onrust, alsof hij achter het blozende en glimlachende gezicht iets beangstigend oneindigs voelde. Bovendien begreep hij de verklaringen van zijn vriend maar half; de angst, die hem bij zijn aankomst in deze nieuwe wereld, een wereld, wier onverwachte aanblik al zijn verwachtingen den bodem insloeg, aangegrepen had, maakte zich ook nu weer van hem meester.

Maar monsignor Nani had de twee jonge mannen gezien en kwam hartelijk en met uitgestoken hand naar hen toe.

"Zoo, mijnheer de abbé Froment! Het is mij aangenaam u weer te zien. Ik behoef u niet te vragen, of u goed geslapen hebt, want men slaapt te Rome altijd goed... Dag, mijnheer Habert, nog altijd even gezond als toen ik u vol bewondering aantrof voor de Heilige Theresia van Bernini?... En ik zie, dat u elkaar kent. Prachtig! Mijnheer de abbé, ik mag u zeker wel verraden, dat mijnheer Habert een van de vurigste bewonderaars onzer stad is, die u de mooiste plekjes zal kunnen laten zien."

Dan wilde hij dadelijk weer hooren over het onderhoud tusschen Pierre en den kardinaal. Hij luisterde zeer aandachtig naar het verhaal, terwijl hij bij sommige bijzonderheden zijn hoofd schudde en dikwijls zijn fijn glimlachje onderdrukken moest. De strenge ontvangst van den kardinaal en de overtuiging van den priester, dat hij van dezen geen hulp behoefde te verwachten, verwonderden hem in het minst niet, als had hij geen ander resultaat verwacht. Maar bij den naam van kardinaal Sanguinetti en toen hij hoorde, dat deze aan kardinaal Boccanera gezegd had, dat die quaestie van het boek zeer ernstig was, scheen hij zich een oogenblik te vergeten en sprak met plotselinge heftigheid:

"Dan ben ik te laat gekomen, mijn waarde zoon! Zoodra ik van die vervolging hoorde, ben ik dadelijk naar Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti gegaan, om hem te zeggen, dat men voor uw werk een groote reclame zou maken. Is dat verstandig? Waar is dat goed voor? Wij weten, dat u wat geëxalteerd, geestdriftig en strijdlustig is. Wat zouden wij erbij winnen, indien wij een jongen priester, die met een boek, waarvan reeds duizenden exemplaren verkocht zijn, tegen ons in het krijt zou kunnen treden, tegen ons in het harnas joegen? Van den beginne af aan heb ik gewild, dat men het boek met rust liet, en ik moet eerlijk zeggen, dat de kardinaal, die een verstandig man is, dezelfde meening toegedaan is. Hij hief zijn armen ten hemel en riep opgewonden uit, dat men hem nooit raadpleegde, dat de dwaasheid nu begaan was en dat het onmogelijk was het proces tegen te houden, nu het eenmaal ten gevolge van beschuldigingen, die van de meest bevoegde zijden en om de ernstigste motieven ingebracht waren, aanhangig gemaakt was. ...Enfin, zooals hij zeide, de domheid was begaan, en ik moest iets anders bedenken."

Maar hij hield op; hij zag, dat de vurige oogen van Pierre op de zijne gericht waren en trachtten te begrijpen. Een bijna onmerkbare blos kleurde zijn gezicht, terwijl hij, zonder het onaangename gevoel, dat hij te veel gezegd had, te laten blijken, zeer onbevangen voortging:

"Ja, ik wilde u met mijn zwakken invloed helpen, om u de onaangenaamheden, waarin deze geschiedenis u ongetwijfeld brengen zal, te besparen."

In Pierre steeg bij het heimelijke besef, dat men misschien met hem speelde, een verzet op. Waarom zou hij zijn geloof, dat zoo rein, zoo geheel onbaatzuchtig, zóó brandend van Christelijke naastenliefde was, niet bekennen?

"Nooit," zeide hij, "nooit zal ik uit eigen beweging mijn boek terugnemen of vernietigen, zooals men mij aanraadt. Het zou een lafheid en een leugen zijn, want ik heb nergens berouw over, loochen niets. Waar ik geloof, dat mijn werk eenige waarheid brengt, daar kan ik het niet vernietigen, zonder een misdaad te begaan tegenover mezelf en de anderen... Nooit, verstaat u, nooit!"

Er volgde een stilte. En bijna onmiddellijk ging hij voort:

"Aan de voeten van den Heiligen Vader zal ik hetzelfde zeggen. Hij zal mij begrijpen, hij zal het met mij eens zijn!"

Nani glimlachte niet meer. Zijn gelaat was thans onbeweeglijk en als gesloten. Hij scheen de plotselinge heftigheid van den priester, dien hij dan door zijn rustige welwillendheid trachtte te kalmeeren, aandachtig te bestudeeren.

"Zeker, zeker... Gehoorzaamheid en ootmoed hebben hun groote bekoring. Maar ik begrijp heel goed, dat u vóór alles met Zijne Heiligheid zoudt willen spreken. En dan kunt u verder zien, niet waar, dan kunt u verder zien?"

En hij interesseerde zich opnieuw voor de audiëntie. Hij betreurde het zeer, dat Pierre de aanvrage niet van uit Parijs gedaan had, vóór hij naar Rome kwam; dat zou de zekerste manier geweest zijn, om die toegestaan te krijgen. Men hield in het Vaticaan niet van lawaai, en wanneer het bericht van de aankomst van den jongen priester zich verspreidde, en er over de motieven, die hem hier brachten, gesproken werd, zou alles verloren zijn.

Maar toen Nani hoorde, dat Narcisse aangeboden had Pierre voor te stellen aan den Franschen gezant bij den Heiligen Stoel, scheen hij weer ongerust te worden en protesteerde daar krachtig tegen.

"Neen, neen, doe dat niet! dat zou uiterst onverstandig en onvoorzichtig zijn!... In de eerste plaats loopt u gevaar den gezant, wiens positie in die soort van zaken steeds zeer delicaat is, in ongelegenheid te brengen. En als het hem mislukt, zou het uit zijn, zoudt ge niet de minste kans hebben de gevraagde audiëntie door bemiddeling van anderen te verkrijgen, want men zou de eigenliefde van den gezant niet willen kwetsen door aan een ander wel toe te staan wat men hem weigert."

Angstig keek Pierre Narcisse aan, die weifelend en aarzelend zijn hoofd schudde.

"Inderdaad," begon Narcisse eindelijk, "hebben we onlangs voor een hoogen Franschen politicus een audiëntie gevraagd, die geweigerd is. Dat heeft een zeer onaangenamen indruk op ons gemaakt... Monseigneur heeft gelijk. Wij moeten den gezant in reserve houden en hem slechts gebruiken, wanneer alle andere middelen uitgeput zijn."

En toen hij de teleurstelling van Pierre zag, ging hij met zijn gewone welwillendheid voort:

"Ons eerste bezoek zal dus aan mijn neef op het Vaticaan zijn."

Verbaasd keek Nani den jongen man opnieuw aan.

"Op het Vaticaan? Hebt u daar een neef?"

"Ja zeker, monsignor Gamba del Zoppo."

"Gamba!... Gamba!... Ja, ja, neem me niet kwalijk, nu herinner ik het me... Wilt u probeeren door Gamba toegang te krijgen bij den paus? Het is ongetwijfeld een idee... We zullen zien... we zullen zien..."

Verscheidene malen herhaalde hij den zin om zich tijd te geven het denkbeeld bij zichzelf te overwegen. Monsignor Gamba del Zoppo was een braaf man, speelde in het geheel geen rol; in het Vaticaan was het reeds een legende geworden, dat hij een nul was. Hij amuseerde met zijn praatjes den paus, dien hij op overdreven wijze vleide en die graag aan zijn arm in de tuinen wandelde. Op die wandelingen kreeg hij makkelijk allerlei kleine gunsten. Maar hij was buitengewoon bang, hij vreesde zoo zeer zijn invloed te compromitteeren, dat hij geen verzoek waagde, zonder lang en breed overwogen te hebben of er geen schade voor hem zelf uit kon voortvloeien.

"Het idee is niet kwaad," verklaarde Nani eindelijk. "Gamba zal zeker een audiëntie voor u kunnen verkrijgen, als hij wil... Ik zal ook met hem gaan spreken en hem de zaak uitleggen..."

Ten slotte gaf hij nogmaals den raad uiterst voorzichtig te zijn. Hij waagde het zelfs te zeggen, dat men tegenover de omgeving van den paus niet wantrouwend genoeg kon zijn. Ach ja, Zijne Heiligheid was zoo goed, geloofde zoo blindelings in het goede, dat zij niet altijd haar vertrouwde gekozen had met die kritische zorgvuldigheid, welke daartoe eigenlijk noodig was. Nooit wist men tot wien men zich wendde noch in welke val men zijn voet zetten kon. Zelfs gaf hij te verstaan, dat men zich in geen geval direct tot Zijne Eminentie den Staatssecretaris wenden moest, omdat deze zelf niet vrij was en zich in het middelpunt bevond van een haard van intriges, die zijn beste bedoelingen verlamde. Terwijl hij langzaam en zalvend zoo sprak, rees het Vaticaan voor de beide anderen op als een land, dat door ijverzuchtige en verraderlijke draken bewaakt wordt, een land, waarin men geen drempel overschrijden, geen pas wagen, geen hand uitsteken kon, zonder zich van te voren vergewist te hebben, dat men er niet zijn geheele lichaam bij verliezen zou.

Meer en meer verkild en weer in onzekerheid terugvallend, bleef Pierre naar hem luisteren.

"Lieve God!" riep hij uit; "ik weet heusch niet meer wat ik doen moet... U beneemt mij allen moed, monseigneur!"

Nani vond zijn hartelijk glimlachje terug.

"Ik, mijn waarde zoon? Dat zou mij zeer spijten... Ik wil u slechts herhalen: wacht, denk na! En vooral geen overijling! Er is niets geen haast bij, dat bezweer ik u, want eerst gisteren is een deskundige benoemd, die rapport over uw boek moet uitbrengen. U hebt nog een heele maand voor u... Vermijd zooveel mogelijk alle gezelschappen, leef zonder dat men van uw bestaan iets weet, bezoek Rome kalm en rustig, dat is de beste manier om uw zaak te bevorderen."

En terwijl hij de hand van den priester in zijn beide aristocratische, volle en zachte handen nam:

"U begrijpt wel, dat ik mijn redenen heb, om zoo met u te spreken... Ik zou mezelf aangeboden hebben, het zou me een eer geweest zijn u regelrecht naar Zijne Heiligheid te brengen. Maar ik wil er mij op dit oogenblik nog niet in mengen, ik geloof, dat zulks op dit oogenblik nog niet goed zijn zou. Later, wanneer niemand geslaagd is, zal ik voor u een audiëntie weten te verkrijgen. Daar verbind ik me plechtig toe... Maar vermijd, wat ik u bidden mag, intusschen woorden als nieuwe godsdienst, die ongelukkigerwijze in uw boek voorkomen en die ik u gisterenavond nog heb hooren uitspreken. Er kan geen nieuwe godsdienst zijn, mijn waarde zoon, er is slechts één eeuwige godsdienst, waarbij geen compromis of vergelijk mogelijk is, de Katholieke, Apostolische, Roomsche godsdienst. Laat eveneens uw Parijsche vrienden waar zij zijn, en reken niet al te zeer op kardinaal Bergerot, wiens groote godsvrucht hier te Rome niet genoeg gewaardeerd wordt... Ik verzeker u, dat ik dat zeg als uw vriend."

Toen hij echter zag, dat Pierre geheel overstuur en als gebroken was en niet meer wist van welken kant hij de zaak moest aanvatten, troostte hij hem opnieuw.

"Kom, kom, het zal wel gaan. Alles zal zich ten goede schikken tot heil van de Kerk en van u zelf. Maar nu moet ik u verlaten, ik zal Zijne Eminentie vandaag niet meer zien, want het is mij onmogelijk langer te wachten."

Abbé Paparelli, dien Pierre loerend achter hen had zien rondsluipen, snelde toe en zeide tot monsignor Nani, dat er nog slechts twee personen voor hem waren. Maar de prelaat antwoordde zeer vriendelijk, dat hij terug zou komen: de zaak, waarover hij Zijne Eminentie spreken wilde, had volstrekt geen haast. En met een beleefden groet aan allen ging hij heen.

Bijna onmiddellijk daarna kwam de beurt aan Narcisse. Voor hij de troonzaal binnenging, drukte hij Pierre de hand en zeide nogmaals:

"Dus dat is afgesproken. Ik zal morgen met mijn neef op het Vaticaan gaan spreken; en zoodra ik een antwoord heb, zal ik het u doen weten. Tot ziens!"

Het was over twaalven, er was niemand meer dan een der twee oude dames, die ingeslapen scheen te zijn. Aan zijn klein tafeltje schreef don Vigilio nog steeds met zijn krabbelschrift op de groote, geelachtige vellen. Slechts nu en dan keek hij van het papier op als om zich in zijn voortdurend wantrouwen te vergewissen, dat er geen gevaar voor hem was.

In de droefgeestige stilte, die weer neerviel, bleef Pierre nog een oogenblik onbeweeglijk in de groote vensternis staan. Hoe vol angst was zijn arme, gevoelige dwepersziel. Toen hij Parijs verliet, had hij alles zoo eenvoudig, zoo natuurlijk gevonden! Men beschuldigde hem onrechtvaardig: welnu, hij ging zich verdedigen, kwam aan, wierp zich voor de voeten van den paus, die welwillend naar hem luisterde. Was de paus niet de levende godsdienst, de geest, die begrijpt, de gerechtigheid, die de waarheid maakt! En was hij niet vóór alles de Vader, de afgezant van de eindelooze vergiffenis, van de goddelijke barmhartigheid, wiens armen geopend bleven voor alle kinderen der Kerk, zelfs de meest schuldigen? Moest hij zijn deur niet wijd open laten staan, opdat de nederigsten van zijn kinderen zouden kunnen binnentreden, om hem hun leed te klagen, hun schuld te bekennen, hun gedrag te verklaren, uit de bron der eeuwige goedheid te drinken? En op den eersten dag van zijn aankomst sloten zich alle deuren, viel hij in een vijandige wereld, bezaaid met valstrikken en versperd door afgronden. Allen riepen hem toe op zijn hoede te zijn, alsof hij de ernstigste gevaren liep, wanneer hij zich daarin waagde. De wensch den paus te spreken was een exorbitante aanmatiging, een zoo moeilijke zaak, dat zij de belangen, de hartstochten en de invloeden van het Vaticaan in beweging bracht. Het waren raadgevingen zonder eind, handigheden, die lang besproken werden, taktieken van generaals, die een leger ter overwinning leiden, onophoudelijk nieuw ontstaande verwikkelingen te midden van duizenden intriges, die men onder zich voelde voortwoekeren! Groote God, wat was dat alles heel anders dan de verwachte liefderijke ontvangst, dan het huis van den herder aan den weg, dat voor alle schapen, de gedweeë en de verdwaalde, openstaat!

Wat Pierre echter het meest bang maakte was, dat hij voelde, dat zich in de donkerte iets slechts bewoog. Kardinaal Bergerot verdacht, aangezien voor een revolutionnair, zoo compromitteerend, dat men hem aanried zijn naam niet meer te noemen! Hij zag weer den minachtend-spottenden trek om den mond van kardinaal Boccanera, wanneer hij over zijn collega sprak. En monsignor Nani, die hem waarschuwde woorden als nieuwe godsdienst niet meer te gebruiken, alsof het voor allen niet duidelijk was, dat die woorden den terugkeer van het Katholicisme tot de oorspronkelijke reinheid van het Christendom beteekenden? Was dat dan een der misdaden, die bij de Indexcongregatie aangegeven waren? Hij begon langzamerhand te vermoeden, wie die aanklagers waren, en hij werd bang, want hij was zich thans bewust, dat een onderaardsche aanval, een krachtige poging gedaan werd om zijn werk neer te slaan en te vernietigen. Alles wat hem omgaf, scheen hem nu verdacht toe. Hij wilde zijn krachten verzamelen, om zich heen zien en die zwarte kringen in Rome, die hij nooit verwacht had daar te zullen aantreffen, bestudeeren. Maar in het verzet van zijn apostelgeloof zwoer hij zichzelf een plechtigen eed, dat hij, zooals hij reeds gezegd had, nooit zou wijken of toegeven, niets zou veranderen, geen bladzijde, geen regel van zijn boek, dat hij in het openbaar als het onwankelbare getuigenis van zijn geloof zou handhaven. Wanneer het moest, zou hij de Kerk verlaten, een afvallige worden, den nieuwen godsdienst blijven prediken, een nieuw boek schrijven--het ware Rome thans, zooals hij het nu vaag begon te zien.