Part 10
Zonder het nog duidelijk te begrijpen, voelde hij, dat een discussie onbeleefd en nutteloos zijn zou; hij koesterde nog slechts den wensch zijn boek te vertellen, het uit te leggen, het te rechtvaardigen. Maar onmiddellijk na zijn eerste woorden viel de kardinaal hem al in de rede.
"Neen, neen mijn lieve zoon. Dat zou te veel tijd in beslag nemen, en bovendien wil ik de passages lezen... Trouwens het is een regel zonder uitzondering: ieder boek, dat het geloof aantast, is verderfelijk en verdoemenswaardig. Eerbiedigt uw boek ten volle het dogma?"
"Ik meen van wel, en ik verzeker Uwe Eminentie, dat het geen oogenblik mijn bedoeling geweest is het dogma of het geloof te verloochenen."
"Dat is zeer prijzenswaardig. En wanneer dat zoo is, zou ik met u mede kunnen gaan... Doch in het tegenovergestelde geval zou ik u maar één raad kunnen geven: uit eigen beweging uw boek terug te nemen, te vernietigen, zonder te wachten, dat een besluit van de Indexcongregatie u daartoe dwingt. Wie ergernis gegeven heeft, moet die onderdrukken en ervoor boeten door in zijn eigen vleesch te snijden. Een priester heeft geen andere plicht dan deemoed en gehoorzaamheid, de volkomen vernedering en vernietiging van zijn eigen Ik, een geheel opgaan in den wil der Kerk. Ja, ik vraag u, waartoe eigenlijk überhaupt te schrijven? In de uiting van een eigen meening ligt in zekeren zin al opstand en verzet; het is altijd een verzoeking van den duivel, die u de pen in de hand drukt. Waarom de risico te loopen zichzelf te verdoemen door toe te geven aan den hoogmoed van den geest... Uw boek, mijn waarde zoon, is ook weer litteratuur, litteratuur!"
Hij herhaalde het woord met zoo'n minachting, dat Pierre het gevaar, dat de arme apostelbladzijden, welke hij geschreven had, liepen, wanneer zij onder de oogen van dezen prins, die een heilige geworden was, kwamen, onmiddellijk begreep. Hij luisterde naar hem en meende, door toenemenden angst en bewondering aangegrepen, hem grooter te zien worden.
"O, het geloof, mijn lieve zoon, het onvoorwaardelijke, onbaatzuchtige geloof, dat alleen gelooft voor het geluk om te gelooven! Welk een rust, wanneer men zich voor de mysteries buigt, zonder te trachten die te doorgronden, met de rustige overtuiging, dat men, door ze te aanvaarden, eindelijk het zekere en het definitieve bezit! Is de meest volkomen intellectueele bevrediging niet die, welke door het goddelijke gegeven wordt, terwijl het de rede verovert, schoolt en vermeerdert, zoodat zij als het ware gevuld en zonder verdere begeerte is? Wanneer het onbekende niet door het goddelijke verklaard wordt, is er voor den mensen geen duurzame vrede mogelijk. Men moet de waarheid en de gerechtigheid in Gods hand geven, als men wil, dat zij op aarde heerschen zullen. Wie niet gelooft is als een slagveld, dat bloot staat aan alle rampen. Het geloof alleen bevrijdt en geeft vrede!"
Pierre bleef een oogenblik zwijgen tegenover deze hooge gestalte, die zich oprichtte. Te Lourdes had hij de lijdende menschheid zich zien storten op de genezing van het lichaam en de vertroosting der ziel. Hier was het de intelligente geloovige, de zekerheid verlangende geest, die bevrediging vond door de hoogste genieting te vinden in het niet meer twijfelen. Nog nooit had hij zoo'n kreet van vreugde gehoord, om te leven in gehoorzaamheid en zonder vrees voor dat wat na den dood volgt. Hij wist, dat Boccanera een eenigszins hartstochtelijke jeugd gehad en zinnelijke crisissen doorgemaakt had, waarin het heete bloed zijner voorouders opvlamde; en hij verwonderde zich over de kalme majesteit, die het geloof dezen afstammeling van een zoo heftig ras verleend had. Hoogmoed en trots waren zijn eenige hartstochten gebleven.
"En toch," waagde hij het eindelijk met zachte stem te zeggen: "ook al blijft het wezen van het geloof onveranderlijk, is het mogelijk, dat de vormen wisselen... Van uur tot uur ontwikkelt alles zich, verandert de wereld."
"Maar dat is juist niet waar!" riep de kardinaal uit, "de wereld is onwrikbaar, eeuwig onwrikbaar!... Zij trappelt heen en weer, zij verdwaalt, zij geraakt op de afschuwelijkste banen, men moet haar ieder oogenblik weer op den rechten weg terugbrengen. Dat is de waarheid... Moet de wereld, opdat de beloften van Christus in vervulling kunnen gaan, niet terugkeeren tot haar punt van uitgang, tot haar oorspronkelijke schuldeloosheid? Is het einde der dagen niet vastgesteld op den triompheerenden dag, dat de menschen in het volle bezit zijn der geheele waarheid, die het Evangelie gebracht heeft?... Neen, neen, de waarheid ligt in het verleden. Men moet zich steeds houden aan het verleden, wanneer men zich niet in het verderf wil storten. Al die mooie nieuwigheden, die fata morgana van den beroemden vooruitgang zijn niets anders dan valstrikken voor de eeuwige verdoemenis. Waartoe nog meer te zoeken, waartoe onophoudelijk het gevaar van dwalingen te loopen, waar de waarheid reeds sedert achttien eeuwen bekend is? De waarheid, maar die ligt in het roomsch-apostolisch Katholicisme, zooals de lange reeks van generaties het geschapen heeft! Welk een dwaasheid het te willen veranderen, daar zoovele groote geesten, zoovele vrome zielen er het wonderbaarlijkste van alle gedenkteekenen, er het eenige middel tot orde in deze en tot redding in de andere wereld van gemaakt hebben!"
Pierre protesteerde niet meer. Zijn hart kromp ineen, want thans kon hij niet langer meer twijfelen of hij had een onverzoenlijk vijand van zijn liefste en dierbaarste denkbeelden tegenover zich. Hij boog eerbiedig, maar tot een ijskoude verstard, hij voelde een zachten ademtocht over zijn gelaat strijken, een wind, die van verre kwam en de doodende hitte der graven met zich voerde. De kardinaal echter richtte zijn hooge gestalte op en ging op zijn eigenzinnigen toon, waaruit een trotsche moed klonk, door:
"En wanneer, zooals zijn vijanden beweren, het Katholicisme doodelijk getroffen is, dan moet het fier sterven, in zijn glorierijke ongeschondenheid... Versta mij goed, mijnheer de abbé, geen enkele concessie, geen toegeven, geen lafheid! Het is, zooals het is, anders zou het niet kunnen zijn. De goddelijke zekerheid, de onvoorwaardelijke waarheid is niet voor verandering, welke dan ook, vatbaar; de kleinste steen, die aan het gebouw ontnomen wordt, is nooit iets anders dan een oorzaak tot ineenstorting... dat is toch duidelijk, niet waar? De oude huizen, waarin men, onder voorwendsel ze te willen herstellen, de spade zet, zijn niet te redden. Men vergroot er de scheuren slechts door. Als het waar was, dat Rome in puin dreigt te vallen, dan hebben al die verbeteringen en reparaties geen ander resultaat dan dat zij de onvermijdelijke catastrophe verhaasten. En in plaats van een grootschen, verheven dood zou het een jammerlijke doodsstrijd worden, het einde van een lafaard, die zich verweert en om genade smeekt... Ik wacht af. Ik voor mij ben overtuigd, dat het schandelijke leugens zijn, dat het Katholicisme nooit krachtiger geweest is, dat het zijn eeuwigheid put uit de eenige bron des levens. Maar op den avond, dat de hemel instort, zou ik hier staan te midden van deze oude, afbrokkelende muren, onder deze oude plafonds, waarvan de balken door de wormen weggevreten worden, en fier overeind staande zou ik onder de puinhoopen sterven, mijn Credo voor een laatste maal uitsprekend."
Hij was steeds langzamer gaan spreken, in zijn stem klonk een hoogmoedige droefheid, terwijl hij met een breed gebaar naar het oude, verlaten, zwijgende paleis wees, waaruit het leven zich iederen dag iets meer terugtrok. Was het een onwillekeurig voorgevoel, streek de zachte, koude ademtocht, die van de puinhoopen kwam, ook langs hem heen? Dat zou verklaren, waarom de groote zalen zoo verwaarloosd waren, het zijden behang in flarden hing, de wapenschilden door stof verbleekt, de roode hoed door maden weggevreten werd. En deze prins en kardinaal, deze intransigente Katholiek, die zich zoo in de toenemende duisternis van het verleden terugtrok en met een dapper soldatenhart de onvermijdelijke instorting der oude wereld trotseerde, stond te midden van dit alles als iets wanhopig-grootsch en verhevens.
Ontroerd wilde Pierre afscheid nemen, toen een kleine deur in het behang openging. Boccanera maakte een ongeduldig gebaar.
"Wat is er nu weer? Kan men mij dan geen oogenblik met rust laten?"
Maar abbé Paparelli, de dikke, stille sleepdrager, kwam toch binnen, zonder zich een oogenblik op te winden. Hij ging naar den kardinaal toe en fluisterde hem iets in het oor.
"Welke pastoor?... O, ja, Santobono, de pastoor van Frascati. Ik weet het... Zeg, dat ik hem nu niet ontvangen kan."
Weer begon Paparelli met zijn zacht stemmetje te fluisteren. Toch kon Pierre enkele woorden hooren: een dringende zaak, de pastoor moest weer vertrekken, hij had maar één woord te zeggen. En zonder de toestemming van den kardinaal af te wachten, bracht hij den bezoeker, een protégé van hem, dien hij achter de kleine deur gelaten had, binnen. Dan verdween hij zelf met de kalmte van een ondergeschikte, die, ondanks zijn nederige positie, zijn groote macht kent.
Pierre, die geheel vergeten werd, zag een reusachtig langen priester binnenkomen, grof gebouwd, een echten boerenzoon, die nog steeds in nauwe aanraking met de aarde was. Hij had groote voeten, vingers vol knobbels, een verweerd gezicht met litteekens, dat door donkere, zeer heldere oogen verlevendigd werd. Voor zijn vijf-en-veertig jaar zag hij er nog krachtig uit en geleek met zijn slecht verzorgden baard en zijn mantel, die te wijd om zijn zware, vooruitspringende beenderen hing, eenigszins op een vermomden bandiet. Maar zijn gelaatsuitdrukking was trotsch gebleven, zonder iets gemeens. Hij had een klein mandje bij zich, dat zorgvuldig met vijgeblaadjes toegedekt was.
Onmiddellijk knielde Santobono neer en kuste den ring, doch met een snel gebaar, als was het een eenvoudige, gewone beleefdheid. Dan zeide hij met de eerbiedige familiariteit van het mindere volk tegenover de grooten:
"Ik smeek Uwe eerwaardige Eminentie om vergiffenis, dat ik zoo indringerig ben. Er wachten nog vele anderen, en ik zou niet ontvangen zijn, indien mijn oude vriend Paparelli niet op het denkbeeld gekomen was mij door deze deur te laten gaan... Ik heb Uwe Eminentie een grooten dienst te vragen, een zoo grooten dienst... Maar voor alles veroorlove Uwe Eminentie mij, U een klein geschenk aan te bieden."
Boccanera luisterde ernstig naar hem. In vroegere tijden, toen hij den zomer ging doorbrengen in de villa, die de familie te Frascati bezat, had hij hem goed gekend. Die villa was een in de zestiende eeuw gerestaureerd huis met een prachtig park, waarvan het beroemde terras uitzag op de uitgestrekte en als een zee zoo kale Campagna romana. Thans was de villa verkocht en in de wijngaarden, die bij de boedelscheiding aan Benedetta ten deel gevallen waren, was graaf Prada, vóór den eisch tot echtscheiding, begonnen een geheele nieuwe wijk van kleine lusthuizen te bouwen. Vroeger had de kardinaal het niet beneden zijn waardigheid geacht op zijn wandelingen een oogenblik te gaan uitrusten bij Santobono, die, buiten de stad in een oude aan Santa Maria dei Campi gewijde kapel dienst deed. De priester bewoonde een naast die kapel staand, half vervallen huisje, waarvan een door muren omgeven tuin de grootste aantrekkelijkheid vormde. Dien tuin onderhield hij zelf met den hartstocht van een echten boer.
"Ik zou graag willen, dat Uwe Eminentie, zooals andere jaren, mijn vijgen proefde," ging hij voort, terwijl hij het mandje op tafel zette. "Het zijn de eerste vijgen van het seizoen, die ik vanochtend voor Uwe Eminentie geplukt heb. Eminentie at ze zoo graag, toen het Eminentie nog behaagde ze van den boom te komen eten. Eminentie was dan wel zoo goed mij te zeggen, dat geen vijgeboom in de wereld zulke vijgen droeg!"
De kardinaal kon een glimlach niet onderdrukken. Hij was dol op vijgen, en het was waar: de vijgeboom van Santobono was in het geheele land beroemd.
"Dank je zeer, mijn waarde pastoor; je herinnert je mijn kleine gebreken nog goed... En wat kan ik voor je doen?"
Hij was onmiddellijk weer ernstig geworden, want tusschen hem en den pastoor bestonden oude meeningsverschillen, die hem hinderden. Santobono, die uit Nemi, een zeer woeste streek, en uit een heftige familie, waarvan de oudste zoon door een messteek gedood was, afkomstig was, had zijn vurig-patriottische denkbeelden nooit onder stoelen of banken gestoken. Men vertelde, dat het heel weinig gescheeld had, of hij had zich bij de troepen van Garibaldi aangesloten; en op den dag, dat de Italianen Rome binnentrokken, had men hem moeten beletten de vlag der Italiaansche eenheid op zijn dak te planten. Zijn hartstochtelijke droom was, Rome als meesteres der wereld te zien, wanneer paus en koning, na zich verzoend te hebben, gemeenschappelijk zouden optreden. De kardinaal hield hem voor een gevaarlijken revolutionnair, een afvallig priester, die het Katholicisme in gevaar bracht.
"O, wat Uwe Eminentie voor mij doen kan? Wat Uwe Eminentie voor mij doen kan, als het haar behaagt," herhaalde Santobono op vurigen toon, terwijl hij zijn grove, knokkelige handen vouwde.
Doch dan zich bedenkend:
"Heeft Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti niet met een enkel woord met Uwe eerwaardige Eminentie over mijn zaak gesproken?"
"Neen, de kardinaal heeft mij alleen gezegd, dat ge me iets te vragen hadt."
Boccanera wachtte met een strenge gelaatsuitdrukking. Hij wist heel goed, dat de priester een protégé van Sanguinetti geworden was, sedert deze, als bisschop van Frascati, daar jaarlijks eenige weken ging doorbrengen. Iedere kardinaal, die het pausschap ambieert, heeft een aantal van die vrienden achter zich, die de geheele eerzucht van hun leven op zijn mogelijke verkiezing stellen: wanneer hij eens paus is, wanneer zij hem helpen het te worden, is de kans groot, dat zij in de groote pauselijke huishouding opgenomen worden. Het gerucht ging, dat Sanguinetti Santobono reeds uit een zeer moeilijk geval gered had. Hij had een kind, dat fruit wilde stelen, juist op het oogenblik, dat het over zijn muur klom, gesnapt, en het zoo'n geduchte afstraffing toegediend, dat het aan de gevolgen gestorven was. Maar tot eer van den priester moet gezegd worden, dat zijn fanatieke toewijding aan den kardinaal voornamelijk het gevolg was van de hoop, dat hij de verwachte paus zijn zou, de paus, die voorbestemd was om van Italië de eerste natie te maken.
"Nu, dan zal ik mijn ongeluk vertellen... Uwe Eminentie kent mijn broer Agostino, die twee jaar tuinman bij u in de villa geweest is. Het is een heele fatsoenlijke, zachte jongen, op wien nooit iemand iets te zeggen gehad heeft... Nu is hem--niemand kan zich verklaren hoe--een vreeselijk ongeluk overkomen; hij heeft in Genzano op een avond, dat hij op straat aan het wandelen was, een man met een messteek gedood. Ik vind het iets verschrikkelijks en ik zou graag twee vingers van mijn hand geven, om hem uit de gevangenis te houden. En nu had ik gedacht, dat Uwe Eminentie niet weigeren zou mij een getuigschrift te geven, waarin staat, dat Agostino bij Uwe Eminentie in dienst geweest is, en dat Uwe Eminentie altijd zeer tevreden over hem geweest is."
"Ik ben heelemaal niet tevreden over Agostino geweest," protesteerde de kardinaal. "Hij had een krankzinnig-heftige en opvliegende natuur, en juist omdat hij altijd met de andere bedienden overhoop lag, heb ik hem weg moeten sturen."
"O, wat doet Uwe Eminentie mij een verdriet met dat te zeggen. Het is dus waar, dat het karakter van mijn armen kleinen Agostino bedorven is! Maar de zaak is toch wel te schikken, niet waar? Uwe Eminentie kan mij daarom toch wel een getuigschrift geven--in andere woorden vervat. Een getuigschrift van Uwe Eminentie zou voor de rechtbank zoo'n goeden indruk maken."
"Dat begrijp ik heel goed," antwoordde de kardinaal. "Maar ik geef geen getuigschrift."
"Wat? Uwe eerwaarde Eminentie weigert?"
"Absoluut... Ik weet, dat gij een priester zijt, op wiens moraliteit niets te zeggen valt, dat gij uw heilig ambt met ijver vervult, dat gij een zeer aanbevelenswaardig iemand zijn zoudt zonder uw politieke denkbeelden. Doch uw broederliefde brengt u op een dwaalspoor, ik kan niet liegen, om u ter wille te zijn."
Santobono keek hem verbaasd aan, begreep niet, dat een prins, een almachtig kardinaal, zich met zulke onbeteekenende gewetensbezwaren ophield, wanneer het om een messteek ging, de meest gewone en ieder oogenblik voorkomende zaak in de nog woeste streken der Romeinsche Kasteelen.
"Liegen, liegen," prevelde hij; "wanneer je alleen het goede, dat iemand heeft, zegt, is toch geen liegen! En Agostino heeft toch wel wat goeds. In een getuigschrift hangt alles af van de zinnen, waarin het gekleed is."
Hij had het zich nu eenmaal in het hoofd gezet en hij kon niet begrijpen, dat iemand weigeren kon den rechter door een handige voorstelling van de zaken op een dwaalspoor te brengen. Toen hij eindelijk inzag, dat hij niets krijgen zou, maakte hij een wanhopig gebaar; zijn vaal gelaat kreeg een uitdrukking van heftigen wrok, terwijl zijn donkere oogen vlamden van ingehouden toorn.
"Goed, goed! Iedereen ziet de waarheid op zijn manier. Ik zal het aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti gaan vertellen. En ik smeek Uwe eerwaarde Eminentie mij niet kwalijk te nemen, dat ik haar voor niets gestoord heb... Misschien zijn de vijgen nog niet heelemaal rijp, maar ik zal de vrijheid nemen tegen het eind van het seizoen, wanneer zij heelemaal goed en zoet zijn, nog een mandje te brengen... Duizendmaal dank en duizendmaal heil en zegen aan Uwe eerwaarde Eminentie."
Achteruit loopend ging hij weg met buigingen, die zijn knokige gestalte in tweeën vouwden. Pierre, die met groote belangstelling het tooneel gevolgd had, vond in hem de belichaming van de lagere geestelijkheid van Rome en omgeving, waarover men hem voor zijn reis zoo dikwijls gesproken had. Dat was niet de scagnozzo, de arme, hongerige priester, die ten gevolge van de een of andere minder mooie geschiedenis uit de provincie komt en zoekend naar zijn dagelijksch brood door Rome zwerft. Deze soort vormt een schaar van bedelaars in soutane, die in de kruimels der Kerk hun geluk zoeken, elkaar gulzig de missen bestrijden en met het mindere volk in de meest beruchte kroegen zitten. Ook was het niet de priester uit de ver afgelegen provincies, die, volmaakt onwetend en kras bijgeloovig, boer met de boeren was, die door zijn biechtkinderen als huns gelijke behandeld werd, welke in hun groote vroomheid hem nooit verwisselden met God en neerknielden voor den heilige van hun parochie, maar niet voor den man, die van hem leefde. In Frascati kreeg de pastoor van een kleine kerk negenhonderd francs en had geen andere uitgaven dan voor vleesch en brood, wanneer hij den wijn, de vruchten en de groenten uit zijn eigen tuin haalde. Deze priester was niet onontwikkeld, wist iets van theologie, van geschiedenis, vooral de geschiedenis van Rome's vroegere grootheid, die zijn patriotisme ontvlamd had, zoodat hij steeds weer van de nabije wereldheerschappij droomde, die voor het wedergeboren Rome, de hoofdstad van Italië, weggelegd was. Maar welk een onafzienbare afstand nog tusschen deze dikwijls zeer waardige en intelligente lagere geestelijkheid en den hoogeren clerus, de hoogwaardigheidbekleeders van het Vaticaan! Alles wat niet minstens prelaat was, bestond niet.
"Duizendmaal dank en moge alles naar wensch van Uwe eerwaarde Eminentie gaan."
Toen Santobono eindelijk weg was, wendde de kardinaal zich weer tot Pierre, die eveneens boog, om afscheid te nemen.
"In één woord, mijnheer de abbé, het komt mij voor, dat de zaak van uw boek slecht staat. Ik zeg u nog eens, dat ik niets precies weet, dat ik het dossier niet gezien heb. Maar daar het mij bekend was, dat mijn nicht Benedetta zich voor u interesseert, heb ik er met kardinaal Sanguinetti, die daareven hier was, over gesproken. Maar hij zelf weet er niet meer van dan ik, want het dossier bevindt zich nog in handen van den secretaris. Het eenige, dat hij mij mededeelen kon, was, dat de aanklacht van aanzienlijke, zeer invloedrijke personen uitging, en dat zij liep over talrijke bladzijden, waarin men de aanstoot gevende passages zoowel wat betreft de kerkelijke tucht als het dogma naar voren gebracht heeft."
Zeer ontroerd door de gedachte, dat verborgen vijanden hem in het donker vervolgden, riep hij uit:
"O, aangeklaagd, aangeklaagd! Als Uwe Eminentie eens wist, hoe dat woord mij pijn doet. En aangeklaagd voor beslist onwillekeurige misdaden, omdat ik enkel en alleen vurig den triomf der Kerk gewild heb... Ik zal mij voor de voeten van den Heiligen Vader werpen en mij verdedigen."
Boccanera richtte zich plotseling in zijn volle lengte op. Een diepe plooi groefde zich in zijn voorhoofd.
"Zijne Heiligheid kan, wanneer het Haar goeddunkt, alles, zelfs u ontvangen en u absolutie geven... Maar luister naar mij, ik raad u nogmaals aan uit eigen beweging uw boek terug te nemen, het eenvoudig en dapper te vernietigen, voor u te storten in een strijd, die u slechts de schande brengen zal verpletterd te worden... Denk er over na!"
Onmiddellijk had Pierre berouw gehad, dat hij van een bezoek aan den Paus gesproken had, want hij voelde, dat dit beroep op het hoogste gezag den kardinaal moest kwetsen. Twijfel was echter niet meer mogelijk: de kardinaal zou tegen zijn werk zijn. Hij had geen andere hoop meer dan door zijn omgeving druk op hem uit te oefenen, door hem te smeeken neutraal te blijven. Hij had hem openhartig, vrijmoedig gevonden, ver verheven boven de heimelijke intriges, die, zooals hij hoe langer hoe meer begon te begrijpen, om zijn boek gespannen werden. Hij nam dan ook met grooten eerbied voor den persoon van den kardinaal afscheid.
"Ik dank Uwe Eminentie uit den grond van mijn hart en beloof alles, wat Uwe Eminentie zoo goed is geweest tegen mij te zeggen, ernstig te zullen overwegen."
In de antichambre zag Pierre vijf of zes personen, die gedurende zijn audiëntie gekomen waren en nu wachtten. Er waren een bisschop, een prelaat en twee oude dames; en toen hij, alvorens weg te gaan, don Vigilio wilde begroeten, zag hij dien tot zijn groote verbazing in gesprek met een langen, blonden jongen man, een Franschman, die even verbaasd uitriep:
"Wat, u hier, mijnheer de abbé? U hier in Rome?"
De priester aarzelde een oogenblik.
"O, mijnheer Narcisse Habert, neem me niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Het is werkelijk onvergeeflijk van mij, want ik wist, dat u sinds een jaar aan het gezantschap geattacheerd bent."
Slank, flink gebouwd, zeer elegant had Narcisse een mooien tint, lichtblauwe, bijna malvekleurige oogen, een blonden, kroezenden baard en droeg zijn blonde lokken op Florentijnsche wijze over het voorhoofd weggeknipt. Hij stamde uit een zeer rijke, militant-Katholieke rechtersfamilie en had een oom, die tot de diplomatie behoorde, wat over zijn carrière beslist had. Zijn plaats te Rome was als het ware aangewezen, waar hij over invloedrijke bloedverwanten beschikken kon: hij was de aangetrouwde neef van kardinaal Sarno, wiens zuster te Parijs getrouwd was met zijn oom, een notaris; germain neef van den geheimen kamerheer, monseigneur Gamba del Zoppo, een zoon van een zijner tantes, die in Italië met een kolonel getrouwd was. Om die redenen had men hem geattacheerd aan het gezantschap bij den Heiligen Stoel, waar men zijn eenigszins fantastische allures, zijn vurigen hartstocht voor de kunst, die hem steeds weer tot zwerftochten door Rome aanspoorde, duldde. Verder was hij een zeer beminlijk man en zeer gedistingeerd, bovendien in den grond der zaak zeer practisch en buitengewoon ervaren in financieele quaesties. Soms gebeurde het, zooals dien ochtend, dat hij met zijn moede, eenigszins geheimzinnige manier van doen in opdracht van den gezant bij een kardinaal over een ernstige zaak kwam spreken.