Part 1
DE DRIE STEDEN
ROME
ROMAN
DOOR
EMILE ZOLA
VERTALING VAN
W. J. A. ROLDANUS Jr.
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88
EERSTE HOOFDSTUK
Door verschillende vertragingen tusschen Pisa en Civita-Vecchia kwam abbé Pierre Froment na een moeilijke en vermoeiende reis van vijf-en-twintig uur eerst tegen negen uur 's ochtends te Rome aan. Hij had slechts een handkoffertje bij zich, sprong, te midden van het gedrang der aankomst, vlug uit de coupé, ontweek, daar hij gaarne alleen zijn en zien wilde, de op hem toeschietende witkielen en droeg zelf zijn lichte bagage. Voor het station, op het Plein der Vijfhonderd, stapte hij in een der langs het trottoir gestationneerde open rijtuigen, zette zijn handkoffertje naast zich en riep den koetsier het adres toe:
"Villa Giulia, palazzo Boccanera."
Het was 3 September, een Maandag, de hemel was helder, mild en wondermooi-doorschijnend. De koetsier, een klein, rond mannetje, met schitterende oogen en witte tanden, glimlachte, toen hij aan het accent een Franschen priester herkende. Hij legde de zweep over zijn paard en het rijtuig schoot dadelijk voort in den vluggen gang, die deze zoo zindelijke en vroolijke Romeinsche rijtuigjes kenmerkt. Maar bijna onmiddellijk nadat zij de boompjes van het kleine pleintje voorbijgereden en op het plein der Thermen [1] gekomen waren, keerde hij zich om en wees, nog steeds glimlachend, wet zijn zweep op de bouwvallen.
"De Thermen van Diocletianus," zeide hij, als voorkomend koetsier, die er steeds op uit was bij de vreemdelingen in een goed blaadje te komen, ten einde zich van hun clientèle te verzekeren, in slecht Fransch.
Van de hoogten van den Viminalis, waarop het station staat, reed het rijtuigje in snelle vaart de sterk-hellende Via Nazionale af. En van dat oogenblik hield hij niet op, bij ieder monument zijn hoofd om te draaien en er met de zweep op te wijzen. In dat gedeelte van de lange straat waren slechts nieuwe gebouwen. Iets verderop rechts verhieven zich met groen bedekte heuvels, waarop een eindeloos geel en kaal gebouw, een klooster of een kazerne, oprees.
"Het Quirinaal, het paleis van den koning," zeide de koetsier.
Sedert, een week geleden, tot de reis besloten was, had Pierre alle dagen ijverig op plattegronden en in boeken de topographie van Rome bestudeerd, zoodat hij zich uitstekend had kunnen oriënteeren, zonder naar den weg te vragen. De aanwijzingen van den koetsier had hij dan ook volstrekt niet noodig. Doch de plotselinge dalingen, de onophoudelijke stijgingen, die sommige wijken als in etagevormige terrassen verdeelden, brachten hem toch telkens even in de war. Maar de stem van den koetsier verhief zich, hoewel eenigszins ironisch, en zijn zweep beschreef een wijderen kring, toen hij den naam van een reusachtig, nieuw en nog vochtig gebouw aan den linkerkant wees, een reusachtig blok van steenen, overladen met beeldhouwwerk, gevelversieringen en beelden.
"De Nationale Bank."
Lager, toen het rijtuigje een driehoekig plein opreed, zag Pierre, opkijkend, tot zijn verrukking op een hoogen, gladden muur een hangenden tuin, waarin het elegante en krachtige profiel van een honderdjarigen piniepijnboom zich in den helderen hemel verhief. Hij voelde den vollen trots en de volle bekoring van Rome.
"De villa Aldobrandini."
Nog verder en lager deed een vlug en vluchtig visioen zijn geestdrift nog meer ontvlammen. Weer maakte de straat een plotselinge bocht, toen zich plotseling in den hoek een lichte opening toonde. Van boven naar beneden gezien was het een wit plein als een zonneschacht, gevuld met een verblindend goudstof; en in die ochtendpracht rees een reusachtige marmeren zuil, die aan den kant, waar de dagvorstin haar bij haar opkomst in haar stralen baadde, als verguld was. Hij was verrast, toen de koetsier hem den naam noemde, want hij had zich haar niet zoo voorgesteld in dat verblindend witte gat te midden der naburige schaduwen.
"De Trajanuszuil."
Onder aan de helling maakte de straat een laatste kromming. Steeds weer noemde in de snelle vaart de koetsier nieuwe namen: den palazzo Colonna, welks tuin door slanke cypressen omgeven is; den palazzo Torlonia, voor de helft met den grond gelijk gemaakt ter wille van nieuwe verfraaiingen; den palazzo di Venezia kaal en angstaanjagend door zijn met kanteelen voorziene muren en zijn tragische strengheid van middeleeuwsche, in het hedendaagsche burgerlijke leven vergeten vesting. Tegenover dat onverwachte aspect der dingen nam Pierre's verbazing steeds toe. Maar vooral werd hij getroffen, toen de koetsier hem triomphantelijk met zijn zweep den Corso wees, een lange, nauwe straat, nauwelijks zoo breed als de Parijsche rue Saint-Honoré, links in den vollen zonneschijn, rechts in donkere schaduwen liggend, terwijl in de verte de piazza del Popolo als het ware een ster van licht vormde: was dat nu het hart der stad, de beroemde promenade, de levende hoofdader, waarheen al het bloed van Rome stroomde?
Reeds sloeg het rijtuigje den corso Victor-Emanuele in, de voortzetting van de Via Nazionale; dat zijn de twee openingen, die van het eene einde der oude stad naar het andere, van het station tot de Heilige-Engelenbrug gesneden zijn. Links lag de ronde apsis van de kerk Il Gesù blond in de vroolijke ochtendzon. Tusschen de kerk en den loggen palazzo Altieri, dien men niet tegen den grond had durven werpen, werd de straat nauwer, kwam men in een vochtige, koude donkerte. Doch daar voorbij, vóór den gevel van de kerk Il Gesù, op het plein, scheen de zon weer verblindend en fel, terwijl in de verte, op den achtergrond van de Via d'Aracoeli, die eveneens in schaduw gehuld was, bezonde palmboomen opschoten.
"Daar ginds ligt het Capitool," zeide de koetsier.
De priester boog zich uit het rijtuigje, maar hij zag niets dan een groene vlek aan het einde van de donkere steile helling. De plotselinge overgangen van warm licht in koude schaduw deden hem huiveren. Voor den palazzo di Venezia en voor de kerk Il Gesù had hij een gevoel gehad alsof de geheele nacht van lang vervlogen dagen op hem drukte; dan bij ieder plein, bij iedere verbreeding der nieuwe straten was het als een terugkeer in het licht, in de vroolijke, milde warmte van het leven. De stralen van de gele zon vielen langs de daken af en teekenden duidelijk de violette schaduwen af. Tusschen de gevels door zag men plekken diepblauwen, zeer helderen hemel. De lucht, die hij inademde, gaf hem een bijzonderen, onbestemden smaak, een vruchtensmaak, die in hem zijn reiskoorts verhoogde.
Ondanks zijn onregelmatigheid is de corso Victor-Emanuele een zeer mooie, moderne straat; en Pierre kon zich in de een of andere groote stad met groote huurkazernes wanen. Maar toen hij langs de Cancellaria, het meesterwerk van Bramante, het karakteristieke monument in Romeinsche Renaissance, reed, kwam zijn verwondering weer en keerde hij in zijn geest terug naar de reeds geziene paleizen, naar die kale, kolossale en plompe architectuur, die reusachtige steenkubussen, die denken deden aan hospitalen of gevangenissen. Nooit had hij zich de beroemde Romeinsche paleizen zoo zonder gratie of phantasie, zoo zonder uiterlijke pracht voorgesteld. Het was beslist heel mooi, hij zou het ten slotte wel begrijpen, maar hij moest er aan wennen, zich erin leven.
Plotseling verliet het rijtuigje den drukken corso Victor-Emanuele en sloeg kronkelende straatjes in, waarin het slechts met moeite vooruitkwam. Na de heldere zon in de drukte der nieuwe stad kwam de kalmte, de eenzaamheid der slapende en koude, oude stad. Hij riep de plattegronden, die hij bestudeerd had, in zijn geheugen terug en zeide tot zichzelf, dat hij nu in de nabijheid der Via Giulia zijn moest; en zijn steeds grooter geworden nieuwsgierigheid nam nu zelfs zoo toe, dat hij er pijn van begon te krijgen, wanhopig, dat hij er niet dadelijk meer van zag, meer van wist. Zijn verbazing de dingen niet zóó te vinden als hij ze verwacht had, en de schokken, die zijn phantasie kreeg, deden den koortsachtigen toestand, waarin hij zich sedert zijn vertrek bevond, nog erger worden, deden de vurige begeerte in hem ontstaan, om zijn nieuwsgierigheid onmiddellijk te bevredigen. Het was pas even over negenen, hij had den geheelen ochtend voor zich, om zich aan den palazzo Boccanera aan te melden: waarom zou hij zich niet dadelijk naar de klassieke plek, naar den heuveltop rijden laten, vanwaar men geheel Rome op zijn zeven heuvelen zag liggen? Toen die gedachte eenmaal bij hem opgekomen was, kwelde zij hem zóó, dat hij ten slotte eraan toegaf.
De koetsier keerde zich niet meer om en Pierre moest opstaan, om hem het nieuwe adres te geven.
"Naar San Pietro in Montorio."
De man was verbaasd, scheen hem niet te begrijpen. Met zijn zweep wees hij, dat het daarginds, heel in de verte was. Toen echter de priester bleef volhouden, begon hij weer vriendelijk te glimlachen en knikte amicaal met zijn hoofd. Goed, goed, hij had er niets tegen.
Het paard draafde te midden van den doolhof der nauwe straten in sneller tempo verder. Eerst volgden zij er een, dat als beklemd lag tusschen hooge muren en waarin de zon als onder in een put scheen. Aan het einde ervan werd het plotseling weder licht en staken zij over de oude brug van Sixtus IV den Tiber over. Rechts en links strekten zich in den ravage en tusschen het nieuwe cement der bouwwerken de nieuwe kaden uit. Aan de overzijde was de Trastevere geheel tegen den grond geworpen; het rijtuigje reed langs een breeden weg, die zooals op groote borden te lezen was, den naam Garibaldi droeg, de helling van den Janiculus op. Voor de laatste maal maakte de koetsier zijn gemoedelijk-trotsch gebaar, toen hij den naam van de triomfstraat noemde.
"Via Garibaldi."
Het paard moest zijn gang wat inhouden, en Pierre, aangegrepen door een kinderlijk ongeduld, keerde zich om, om te zien, naarmate achter hem de stad zich meer uitbreidde en ontrolde. Het stijgen duurde lang, steeds weer rezen tot aan de verre heuvels nieuwe stadswijken op. Dan vond hij in de toenemende opwinding, welke zijn hart deed kloppen, dat hij de bevrediging van zijn begeerte bedierf door haar in deze langzame en gedeeltelijke overwinning van den horizont te verbrokkelen. Hij wilde in eens alles zien, geheel Rome, de heilige stad, in één blik omvatten. En ondanks zijn hartstochtelijk verlangen had hij de kracht, niet meer om te kijken.
Boven bevindt zich een uitgestrekt terras. De kerk San Pietro in Montorio bevindt zich daar op de plaats, waar volgens de overlevering Petrus gekruisigd werd. De plaats is kaal en door te felle zomerzon roodachtig gebrand, terwijl iets verder daarachter het heldere, ruischende water der Acqua Paola in een eeuwige frischheid in dikke bellen uit de drie bekkens van de monumentale fontein stroomt. Tegen de borstwering, die langs het loodrecht op den Trastevere neerziende terras loopt, rijen zich steeds touristen, magere Engelschen, breedgeschouderde Duitschers, die, gapend van traditioneele bewondering, hun reisgids, dien zij raadplegen, om de monumenten te herkennen, in hun hand houden.
Pierre sprong vlug uit zijn rijtuig, liet zijn handkoffertje op het bankje liggen en gaf den koetsier een teeken om te wachten; deze bracht zijn rijtuigje in de rij en bleef in wijsgeerige kalmte op den bok zitten, in de volle zon, zijn hoofd voorovergebogen evenals zijn paard, beiden bij voorbaat berustend in het lange wachten, dat zij daar gewoonlijk doen moesten.
Reeds stond Pierre in zijn nieuwe zwarte soutane, zijn bloote handen zenuwachtig samengeknepen en brandend van koorts, tegen de borstwering en keek, keek met zijn geheele ziel. Rome! Rome! De Stad der Caesars, de Stad der Pausen, de Eeuwige Stad, die tweemaal de wereld veroverd heeft, de uitverkoren Stad van den vurigen droom, dien hij sedert maanden droomde! Daar was zij eindelijk, zag hij haar! De onweersbuien der vorige dagen hadden de groote Augustushitte verjaagd. De wondermooie Septemberochtend lag frisch onder den doorzichtig-blauwen, vlekkeloozen, eindeloozen hemel. Het was een in zachtheid badend Rome, een droom-Rome, dat zich in de heldere ochtendzon scheen te vervluchtigen. Een fijn, blauwachtig waas, maar nauwlijks zichtbaar en teer als gaas, zweefde over de dalen der lager gelegen wijken, terwijl de uitgestrekte Campagna en de verre bergen zich in een licht-rose verloren.
In den beginne kon hij niets onderscheiden, wilde hij zich tot geen enkele bijzonderheid bepalen, gaf hij zich aan geheel Rome, aan den levenden kolos, die daar op dezen door het stof van geslachten gevormden bodem voor hem lag. Iedere eeuw had als door de groeikracht van een onsterfelijke jeugd zijn roem hernieuwd. Maar wat hem vooral aangreep, wat zijn hart met groote slagen kloppen deed, dat was, dat hij Rome vond, zooals hij ernaar verlangd had: in zijn ochtend-frischheid en verjongd, licht en vroolijk, onlichamelijk bijna en in dezen helderen dageraad van een mooien dag glimlachend in de hoop op een nieuw leven.
Toen doorleefde Pierre, onbeweeglijk staande voor den verheven horizont, zijn brandende handen nog steeds saamgeknepen, in enkele minuten opnieuw de drie laatste jaren van zijn leven. O, welk een vreeselijk jaar was dat eerste geweest, dat hij in zijn klein huisje te Neuilly doorgebracht had, de deuren en ramen steeds gesloten; hij had zich ingegraven als een gewond dier, dat in doodsstrijd verkeert. Hij was met een gestorven ziel, met bloedend hart uit Lourdes teruggekomen; niets was in hem overgebleven dan asch. Stilte en nacht waren op de puinhoopen van zijn liefde en van zijn geloof neergedaald. Dagen en dagen verliepen zonder dat hij zijn aderen hoorde kloppen, zonder dat een licht opkwam, dat het duister van zijn verlatenheid verhelderde. Hij leefde als een machine, hij wachtte tot zijn moed terugkeeren zou, om het leven in naam van de souvereine rede, die hem alles had doen opofferen, weer op te vatten. Waarom was hij niet veerkrachtiger en sterker, waarom paste hij zijn leven niet kalm aan zijn nieuwe overtuigingen aan? Waarom wijdde hij zich, nu hij, trouw aan een innige liefde en met afschuw voor een meineed, de soutane niet wilde afleggen, niet aan een wetenschap, die den priester veroorloofd is, de sterrenkunde of de archaeologie? Maar iemand in hem weende, zijn moeder ongetwijfeld, een grenzenlooze teederheid die nog nooit bevredigd was en eraan wanhoopte ooit bevrediging te zullen vinden. Het was de voortdurende smart over zijn eenzaamheid, de opengebleven wond in zijn ziel, ondanks den eerbied, dien zijn herwonnen rede hem weer voor zichzelf had doen krijgen.
Dan, op een herfstavond, bij een sombere regenlucht, bracht het toeval hem in aanraking met een ouden priester, abbé Rose, vicaris aan de Sainte-Marguerite in de voorstad Saint-Antoine. Hij zocht hem op in zijn woning in de rue de Charonne, een vochtigen rez-de-chaussée, bestaande uit drie vertrekken, welke hij in een asyl voor kleine kinderen, die hij in de naburige straten vond, veranderd had. Van dat oogenblik af kwam er een geheele omkeer in zijn leven, een nieuw en machtig belang was er als het ware in binnengetreden, hij werd langzamerhand de hartstochtelijk-ijverige helper van den ouden priester. Van Neuilly naar de rue de Charonne was een lange weg. In den beginne ging hij slechts tweemaal per week, later dagelijks al 's morgens vroeg, om 's avonds pas naar huis terug te gaan.
De drie vertrekken waren niet voldoende meer, hij had er de eerste etage bij gehuurd en daar een kamer voor zich zelf gereserveerd, waar hij dikwijls slapen bleef. Zijn geheele kleine rente ging met deze hulp aan de arme kinderen, die onmiddellijk verleend moest worden, weg; en de oude priester, verrukt en tot tranen toe geroerd door deze jeugdige toewijding, die als het ware uit den hemel kwam vallen, omhelsde hem weenend en noemde hem een kind Gods.
Nu leerde Pierre de ellende, de misdadige, afschuwelijke ellende, kennen, leefde twee jaar lang met en bij haar. Het begon met kleine wezentjes, die hij op straat opraapte of die, nu het asyl in de geheele wijk bekend was, medelijdende buren bij hem brachten: jongetjes en meisjes, de allerkleinsten, die op straat terecht gekomen waren, terwijl de vaders en moeders werkten, dronken of stierven. Dikwijls was de vader verdwenen, gaf de moeder zich aan prostitutie over; dronkenschap en ontucht waren met den stilstand van het werk de woning binnengetreden. Dan kwam het nest op straat, de jongsten stierven van koude en honger in de goot, terwijl de oudsten wegvlogen, ontucht en misdaad tegemoet.
Op een avond had hij in de rue de Charonne twee kleine jongetjes, broertjes, die hem zelfs niet eens konden zeggen waar zij vandaan kwamen, onder de wielen van een zwaren lastwagen gehaald. Een anderen avond kwam hij met een klein meisje in zijn armen thuis, een blond engeltje van een jaar of drie, dat hij huilende op een bank, waar haar moeder haar te vondeling gelegd had, had gevonden. Later ging hij van die magere en jammerlijke uit het nest getuimelde vogeltjes als vanzelf tot de ouders over, drong hij van de straten de donkere holen binnen, waagde hij zich iederen dag verder in die hel, waarvan hij langzamerhand de vreeselijke verschrikking kennen leerde. Zijn hart bloedde van angst en ontzetting in het diep-treurige bewustzijn, dat zijn hulp vergeefsch was.
O, welke verschrikkelijke tochten maakte hij gedurende die twee jaar, welke zijn geheele wezen schokten, in die jammerlijke stad van ellende, den bodemloozen afgrond van menschelijk verval en menschelijke ellende! In deze wijk Sainte-Marguerite, midden in het hart van de drukke en bedrijvige voorstad Saint-Antoine ontdekte hij smerige huizen, geheele steegjes lucht- en lichtlooze woningen, vochtig als kelders, waarin, vergiftigd, een geheele bevolking ongelukkigen vervuilde en met den dood streed. Op de wankele trap gleed de voet in het opgehoopte vuil uit. Op iedere verdieping begon steeds weer dezelfde armoede, die tot de grootste onreinheid, tot de afschuwlijkste manier van samenleven vervallen was. Ramen ontbraken, de wind joeg door de vertrekken, de regen sloeg in stroomen binnen. Velen sliepen op den kalen grond zonder zich ooit uit te kleeden. Geen meubels, geen linnen, het was als het leven van dieren, zij zochten bevrediging en troost, waar zij die vinden konden.
Alle geslachten, alle leeftijden waren daar opgehoopt; al die menschen keerden door gebrek aan het allernoodzakelijkste, door zulk een armoede, dat men er om de kruimels, die van de tafels der rijken geveegd werden, vocht, tot het dierlijke terug. Het ergste daar was het zedelijk verval der menschelijke natuur: het was niet meer de vrije wilde, die in de oerwouden naakt rondliep, joeg en zijn buit opat, maar de geciviliseerde, weer tot het dier teruggekeerde mensch met al de brandmerken van zijn verval, bezoedeld, verliederlijkt, verzwakt te midden van de luxe en de verfijning van een stad, die de koningin der wereld is.
In iedere woning vond Pierre dezelfde geschiedenis terug. In den beginne was er jeugd en vroolijkheid geweest, was de wet van den arbeid moedig erkend. Daarna was de onvoldaanheid gekomen: waartoe diende het altijd te werken, als men toch niet rijk werd. De man begon te drinken, om ook zijn deel aan het geluk te hebben, de vrouw had haar huishouden veronachtzaamd, dronk soms zelfs ook, liet de kinderen in het wilde opgroeien. Het jammerlijke milieu, de onwetendheid en het op elkaar wonen hadden het overige gedaan. Nog meer was echter werkeloosheid de schuld van alles. Deze stelt er zich niet tevreden mede het overgespaarde geld op te maken, maar zij put ook den moed uit, went aan luiheid. Terwijl maandenlang de werkplaatsen leeg staan, worden de armen slap. Onmogelijk in dat zoo koortsachtig drukke en werkende Parijs het minste werk te vinden.
's Avonds komt de man huilend thuis; overal heeft hij zijn armen aangeboden, het is hem zelfs niet gelukt voor straatveger in aanmerking te komen, want het baantje is gewild en je hebt er protectie voor noodig. Is het niet monsterachtig dat in deze groote stad, waar de millioenen op het plaveisel fonkelen en rinkelen, een man, die werk zoekt, dat niet vinden en daarom niet eten kan. De vrouw eet niet, de kinderen eten niet. Dan komt de zwarte honger, de verdierlijking, dan het verzet en de opstand; alle maatschappelijke banden worden onder die schandelijke onrechtvaardigheid tegenover arme schepsels, die hun zwakheid ter dood veroordeelde, verbroken. En op welk een lijdenssponde valt de oude werkman, wiens armen door vijftig jaren van zwaren arbeid geheel opgebruikt zijn, zonder dat hij een cent ter zijde heeft kunnen leggen, neer om te sterven? Of moest men hem op den dag, dat hij, daar hij niet meer werken kon, niet meer at, met een hamer moeten afmaken als een tot niets nut meer zijnd lastdier? Bijna allen sterven in het ziekenhuis. Anderen verdwijnen, zonder dat iemand zich om hen bekommert, medegesleept door den modderstroom der straat. Op een ochtend vond Pierre in een walgelijk krot op half vergaan stroo er een, die verhongerd was, daar, terwijl de ratten zijn gezicht afgeknaagd hadden, een week gelegen had, zonder dat iemand naar hem had omgekeken.
Maar op een avond van den laatsten winter vloeide zijn hart van medelijden over. 's Winters wordt het lijden der ongelukkigen in die onverwarmde krotten, waar de sneeuw door de spleten dringt, afzichtelijk. De Seine kruit, de grond is met ijs bedekt, verschillende takken van industrie moeten stilliggen. In de wijken der voddenrapers, die tot niets doen gedwongen zijn, loopen benden jongens blootsvoets en nauwlijks gekleed, hongerig en hoestend rond en worden door plotselinge windvlagen der tering weggemaaid. Hij vond heele huisgezinnen, moeders met vijf of zes kinderen, op elkaar gedrukt, om het toch maar 'n beetje warm te hebben, en die in drie dagen niets gegeten hadden.
En toen kwam die vreeselijke avond, toen hij achter in een donkere gang doordrong in die jammerkamer, waar een moeder zich en haar vijf kinderen uit wanhoop en honger gedood had, een drama van ellende, waar heel Parijs eenige uren van zou huiveren. Geen meubelstuk meer, geen stuk linnengoed meer, alles was stuk voor stuk in de naastbijzijnde bank van leening gebracht. Alleen het fornuis rookte nog. Op een half ledigen stroozak was de moeder neergevallen, toen zij haar jongste, een zuigeling van drie maanden, voedde; een droppel bloed parelde nog op haar borst, waarnaar de gulzige lippen van den kleinen doode zich uitstrekten. De twee meisjes, drie en vijf jaar oud, twee aardige blondinetjes, sliepen daar ook naast elkaar haar eeuwigen slaap, terwijl van de beide oudere jongens de een met zijn hoofd tusschen zijn handen, tegen den muur aangedrukt lag en de andere op den grond zijn doodsstrijd gestreden had, als had hij zich op zijn knieën voortgesleept, om het raam open te maken.
Toegeschoten buren vertelden de alledaagsche, vreeselijke geschiedenis: een langzame ondergang, de vader, die geen werk meer vond en misschien aan den drank geraakt was; de huisbaas, die, het wachten moede, dreigde het huisgezin op straat te zetten; de moeder, die, het hoofd verliezend, wilde sterven en haar nest met haar sterven liet, terwijl de vader vergeefs half Parijs afliep om werk te vinden. Toen de commissaris van politie bezig was de doodsoorzaak vast te stellen, kwam de ongelukkige juist thuis; en nadat hij gezien, nadat hij begrepen had, sloeg hij als een gedold rund neer en begon hij te brullen met zulke jammerlijke doodskreten, dat de geheele straat, door ontzetting aangegrepen, mede weende.