Part 9
Pierre had hem, toen hij nog pastoor van de Sainte-Clotilde was, gekend. Hij moest van Italiaansche afkomst zijn, hoewel hij in Parijs geboren was, had Saint-Sulpice met de beste getuigschriften verlaten en was zeer intelligent, zóó eerzuchtig, dat zijn superieuren zelfs zich daarover ongerust begonnen te maken. Toen hij daarna tot bisschop van Persepolis benoemd was, verdween hij en bleef vijf jaar in Rome; wat hij daar gedaan had, was nooit iemand te weten gekomen. Na zijn terugkeer bracht hij Parijs in verbazing door zijn succesvolle propaganda, hield zich bezig met de meest verschillende dingen en was in het aartsbisdom, waar hij almachtig was, zeer populair. Speciaal richtte hij zijn kracht erop, om de inschrijvingen tot voltooiing van den dom voor den Sacré-Cœur te vertiendubbelen. Niets was hem daarvoor te veel: noch reizen, noch lezingen, noch inzamelingen, noch stappen bij ministers, ja zelfs bij Joden en vrijmetselaars. In den laatsten tijd had hij zijn arbeidsveld nog uitgebreid, trachtte hij de wetenschap met het Katholicisme te verzoenen, het Christelijke Frankrijk met de Republiek te rallieeren en predikte overal de politiek van Leo XIII, die den definitieven triomf der Kerk verzekeren moest.
Niettegenstaande de tegemoetkomendheid van dezen invloedrijken en beminlijken man kon Pierre toch geen sympathie voor hem voelen. Hij was hem slechts voor één ding dankbaar, n.l. dat hij den goeden abbé Rose tot vicaris van Saint-Pierre de Montmartre had laten benoemen, blijkbaar om het schandaal te verhinderen, dat een priester gestraft zou worden, omdat hij zich te barmhartig getoond had. Toen hij hem daar zoo op den kansel van de Madeleine terugvond en hem zijn veroveringsveldtocht hoorde voortzetten, zag hij hem weer voor zich, zooals hij hem het vorige jaar bij de Duvillards had gezien, toen hij met zijn gewone meesterschap de bekeering van Eve tot het Katholicisme, zijn mooisten triomf, tot een goed einde gebracht had. De doop, een plechtigheid van buitengewone pracht en praal, een ware galavoorstelling, die aan het stampubliek van alle groote gebeurtenissen gegeven werd, had in diezelfde kerk plaats gehad. Gérard lag, tot tranen toe geroerd, op zijn knieën, terwijl de baron triompheerde als een goed echtgenoot, die verheugd is, dat de godsdienst eindelijk de volmaakte harmonie in zijn huwelijk brengt. In sommige kringen werd beweerd, dat de familie van Eve, de oude Justus Steinberger, haar vader, in den grond der zaak niet al te boos geweest was; grijnslachend zou hij gezegd hebben, dat hij zijn dochter goed genoeg kende, om haar aan zijn ergsten vijand toe te wenschen. In bankzaken bestaan er nu eenmaal papieren, die men gaarne door zijn concurrenten laat disconteeren. Met de hardnekkige hoop op de overwinning van zijn ras zeide hij ongetwijfeld, om zich te troosten over het echec van zijn eerste berekening, dat een vrouw als Eve in een Christelijke familie een goed ontbindend middel was, dat er krachtig toe medewerken zou, om al het geld en al de macht in de handen der Joden te doen vallen.
Maar het visioen verdween, de stem van monseigneur Martha verhief zich steeds machtiger. Te midden van het rillend auditorium jubelde hij over de weldaden van den Nieuwen Geest, die eindelijk Frankrijk den vreden brengen en het zijn rang en zijn kracht teruggeven zou. Wezen overal niet onmiskenbare teekenen op een herleving? De nieuwe geest was de wedergeboorte van het ideaal, het protest van de ziel tegen het lage materialisme, de triomf van het spiritualisme over de modderlitteratuur; het was de erkende, maar op de haar toekomende plaats teruggebrachte wetenschap, die zich verzoende met het geloof van af het oogenblik, dat zij er geen aanspraak meer op maakte om in het heilige gebied van dit laatste binnen te dringen; het was de met vaderliefde ontvangen democratie, de gelegitimeerde, nu eveneens als de veelgeliefde dochter der Kerk erkende Republiek. Een idyllische ademtocht streek over de menigte: de Kerk opende haar hart voor alle kinderen; er zou nog slechts eendracht en vreugde zijn, wanneer het volk, gehoorzamend aan den nieuwen geest, zich geven zou aan den Heer der Liefde, zooals het zich gegeven had aan zijn koningen, wanneer het de eenige macht van God, den onbeperkten gebieder over lichamen en zielen, erkende.
Nu luisterde Pierre met aandacht en hij vroeg zich af, waar hij reeds vroeger bijna dezelfde woorden gehoord had. En plotseling herinnerde hij het zich, hij meende monseigneur Nani weer te hooren, zooals hij sprak in het laatste onderhoud, dat zij samen gehad hadden. Hier vond hij den droom terug van een democratischen paus, die de van haar troon gestooten monarchieën aan haar lot overliet en trachtte het volk te heroveren. Kon, nu Caesar vernietigd was, de paus niet de eeuwenoude eerzucht verwezenlijken, keizer en pontifex tegelijk, de souvereine, algemeene God zijn? Het was de droom, dien hij in zijn apostel-naïeveteit eens zelf gedroomd had, toen hij zijn Nieuw Rome schreef—de droom, waarvan het werkelijke Rome hem zoo ruw genezen had. In den grond der zaak was deze priesterpolitiek, die de eeuwen aan haar zijde heeft, die zich taai en met een buitengewone soepelheid vastklemt aan de verovering en vastbesloten is uit alles voordeel te trekken, niet meer dan een huichelachtige leugenpolitiek. Welk een evolutie: de Kerk komt de wetenschap, de democratieën, de Republiek tegemoet, overtuigd, dat zij die alle, indien men haar daartoe den tijd laat, verslinden zal. Ja, de nieuwe geest! Het was de oude geest der overheersching, die zich steeds weer hernieuwt, steeds weer met denzelfden honger naar overwinning en wereldbezit!
Pierre meende onder het gehoor enkele afgevaardigden te herkennen, die hij in de Kamer gezien had. Was die groote man met den blonden baard, die zoo vroom zat te luisteren, niet een der creaturen van Montferrand? Men beweerde, dat Monferrand, vroeger een priestervreter, thans met den clerus coquetteerde. In de sacristieën begon een geheele heimelijke evolutie, het wachtwoord uit Rome deed de rondte: men moest zich railleeren met de nieuwe regeering en die, door zich er meester van te maken, langzaam aan geheel overweldigen. Frankrijk was nog steeds de oudste dochter der Kerk, de eenige natie, die nog gezond en sterk genoeg was, om den paus eenmaal weer zijn wereldlijke macht terug te geven. Men moest haar dus trachten te winnen, zelfs als republiek was zij waard, dat men zich bij haar aansloot. In die grimmige diplomateneerzucht maakte de bisschop gebruik van den minister, die het in zijn belang achtte op zijn beurt weer op den bisschop te steunen. En wie van de twee zou ten slotte den ander opeten? En tot welk een rol daalde de godsdienst af! Hij werd een verkiezingswapen, een stemmensaldo bij meerderheden, een beslìssende en geheime reden, om een portefeuille te krijgen of te behouden! De goddelijke naastenliefde was ver te zoeken. Een gevoel van groote bitterheid maakte zich van Pierre meester bij de herinnering aan den onlangs gestorven Bergerot, den laatste der groote heiligen, der reine geesten van het Fransche episcopaat, dat thans slechts uit intriganten en domkoppen scheen te bestaan.
Inmiddels liep de conférence ten einde. In een vurige peroratie, die den Parijs met het reddende symbool van het Kruis beheerschenden dom van den Sacré-Cœur daar boven op den Heiligen berg der Martelaars bezwoer, toonde monseigneur Martha dit groote Parijs, dat, dank zij de door den goddelijken adem van den nieuwen geest verleende moreele almacht, weer Christelijk en de heerscher der wereld geworden was. Door het gehoor, dat niet applaudisseeren mocht, liep een goedkeurend gemompel van verrukking; zij voelden zich zoo gelukkig door dit wonderbare einde, dat alle belangen en gewetens geruststelde. Dan verliet monseigneur Martha plechtig den kansel, terwijl het luide gestommel van weggeschoven stoelen den donkeren vrede der kerk verstoorde, welke nauwlijks verlicht werd door enkele kaarsen, die als de eerste sterren aan den schemerenden hemel fonkelden. Een ware vloed van menschen, onduidelijke en fluisterende schimmen, stroomde naar buiten. Slechts enkele vrouwen bleven op haar knieën liggen bidden.
Pierre ging op zijn teenen staan en trachtte abbé Rose te vinden, toen een hand hem aanraakte. Het was de oude priester, die hem uit de verte herkend had.
“Ik zat bij den kansel en heb je dadelijk gezien, beste jongen; maar ik wilde liever wachten, om niemand te storen... Wat heeft monseigneur mooi gesproken!”
Hij scheen inderdaad zeer onder den indruk. Maar een hartverscheurende, treurige uitdrukking lag om zijn goeden mond, om zijn heldere kinderoogen, wier glimlach gewoonlijk het goedige, ronde, bleeke gezicht verhelderden.
“Ik was bang, dat je weer weggegaan zoudt zijn zonder mij te zien, want ik heb je wat te zeggen... Je weet wel, die arme oude man, naar wien ik je vanochtend gestuurd heb en voor wien ik je verzocht je te interesseeren... welnu, toen ik thuis kwam, was daar een dame, die me dikwijls wat geld komt brengen voor mijn armen. Toen dacht ik zoo bij mezelf, dat de drie francs, die ik je gegeven had, toch eigenlijk maar een armzalige aalmoes waren; en daar die gedachte me maar niet losliet en me bleef kwellen, kon ik aan mijn verlangen geen weerstand bieden en ben ik vanmiddag naar de rue des Saules gegaan...”
Eerbiedig Het hij zijn stem dalen, om de diepe, grafachtige stilte van de kerk niet te storen. Doch ook een heimelijke schaamte deed hem stamelen, de schaamte, dat hij weer teruggevallen was in de zonde van onvoorzichtige en blinde barmhartigheid, die hem reeds zoo dikwijls door zijn superieuren verweten was. En heel zacht fluisterde hij verder:
“Ik wilde den armen man nog vijf francs brengen, maar ik heb hem dood gevonden.”
Pierre huiverde in een plotselinge rilling. Hij wilde het niet begrijpen.
“Wat dood? Die oude man, die Laveuve dood?”
“Ja, ik heb hem dood gevonden! En in welk een vreeselijke ellende! Als een oud dier, dat op een hoop lompen in een dakkamertje is gaan sterven. Niemand heeft hem in zijn laatste oogenblikken bijgestaan; hij heeft zich eenvoudig omgekeerd naar den muur. En hoe kaal en hoe koud was het in dat krot! Welk een verwaarloozing, en hoe vreeselijk voor een armen stakkerd om zoo, zonder een liefkoozing, weg te gaan. Mijn hart bloedt er nog van!”
In zijn ontsteltenis vond Pierre slechts een gebaar van opstand tegen de stomme sociale wreedheid. Was het brood, dat hij bij den ongelukkige achtergelaten en dat deze na zooveel dagen van ontbering misschien te gulzig opgegeten had, de schuld van dien dood! Of was deze de door het noodlot bepaalde ontknooping van een uitgeput, door werk en ontberingen versleten leven? Maar wat kwam eigenlijk de oorzaak erop aan! De dood was gekomen, had den ongelukkige verlost.
Maar de goede abbé Rose had zich reeds bij Gods wil neergelegd; hij wilde niets dan vergiffenis en hoop.
“Neen, neen, mijn kind, opstand en verzet zijn slecht. Wanneer wij allen schuldig zijn, kunnen wij niets dan God smeeken onze zonden te vergeten... Ik had je gevraagd hier te komen, omdat ik hoopte een goede tijding van je te krijgen, en nu moet ik je dat vreeselijke mededeelen... Laten we boete doen en bidden.”
Hij knielde neer naast de pilaar achter de zwarte, onduidelijke gestalten der vrouwen, die daar in het donker baden. Hij boog zijn witharig hoofd en verootmoedigde zich lang voor God.
Maar in Pierre gromde het verzet zoo luid, dat hij niet bidden kon. Hij boog zelfs zijn knieën niet, maar bleef huiverend staan. Zijn hart was als vermorzeld, zijn brandende oogen hadden geen traan. Laveuve dood, uitgestrekt op zijn hoop lompen, zijn handen krampachtig samengeknepen, als om zich vast te klampen aan zijn martelaarsleven, terwijl hij, wederom door zijn vurige naastenliefde aangegrepen en door zijn apostelijver verteerd, geheel Parijs afliep om voor hem een rein bed te vinden. O, welk een vreeselijke ironie bood dat alles! Daarvoor moest hij bij de Duvillards in den warmen salon zijn, terwijl de arme man stierf; voor dezen ongelukkigen doode was hij vervolgens naar de Kamer, naar gravin de Quinsac, naar die Silviane en naar die Rosemonde gegaan; voor dien van het leven bevrijde, van de ellende verloste had hij de menschen lastig gevallen, den vrede van sommigen gestoord, het genot van anderen bedreigd! Waartoe van het parlementshol in den kouden salon, waarin het stof van het verleden verstarde, van de uitspattingen van de bourgeois—naar de extravaganties der kosmopolitische maatschappij te vliegen, als men toch altijd te laat komt en de menschen eerst redt, wanneer zij eerst dood zijn? Hoe belachelijk, dat hij zich opnieuw door die naastenliefde had laten ontvlammen! Van dezen laatsten brand voelde hij niets meer in zich dan asch! Ditmaal waande hij zichzelf gestorven, was hij niets meer dan een ledig graf.
En deze geheele, vreeselijke leegte, dit Niets, dat hij dien ochtend na zijn mis in den Sacré-Cœur gevoeld had, werd steeds dieper en van af dat oogenblik onpeilbaar. Tegelijk met de illusoire, nuttelooze naastenliefde stortte het Evangelie in, naderde het einde van het Heilige Boek. Na eeuwen van hardnekkige pogingen mislukte de verlossing door den Christus; de wereld had tegenover de in de bedrogen en ongelukkige volkeren opstijgende behoefte van gerechtigheid een ander heil noodig. De volkeren wilden niets meer weten van het leugenachtige paradijs, waarmede men de sociale misdaden reeds zoo lang in slaap wiegde; zij eischten, dat men de vraag van het geluk op de aarde bracht. Maar hoe? Door welken nieuwen eeredienst? Door welke gelukkige vereeniging tusschen het gevoel voor het goddelijke en de noodzakelijkheid, om het leven in zijn majesteit en vruchtbaarheid te eeren? Daar begon de angst, het kwellende probleem, waarin hij ten slotte geheel onderging, hij, de priester, die met zijn gelofte kuisch te zijn en het absurde te dienen, buiten de verdere wereld stond!
Maar de constateering van het feit werd daardoor nog vreeselijker. Hij geloofde niet langer aan de goede uitwerking van de aalmoes. Barmhartig zijn was niet voldoende meer, men moest in den vervolge ook rechtvaardig zijn. Voor alles gerechtigheid—en de verschrikkelijke ellende zou verdwijnen, zonder dat men barmhartig behoefde te zijn. In dit treurige Parijs ontbrak het zeker niet aan goede harten; de liefdadigheidsinstellingen wemelden er als groene bladeren bij de eerste lentewarmte. Er waren instellingen voor alle leeftijden, alle gevaren, alle ongelukken. Men hielp kinderen, nog voor zij geboren waren, door voor de moeders te zorgen; dan kwamen de crèches, de weeshuizen voor de verschillende klassen; en nadat men zich met de volwassenen bezig gehouden had, volgde men den man op zijn levensweg; hoe ouder men werd, des te meer werd men met zorgen omringd, vermenigvuldigden zich de Asyls, de Hospitia, de Toevluchtsoorden. Alle handen strekten zich uit naar de verwaarloosden, naar de onterfden, naar de misdadigers zelfs; er waren allerlei vereenigingen tot bescherming van zwakken, instellingen tot voorkoming van misdaden, tehuizen voor de opneming van berouwhebbenden.
Bladzijden en bladzijden zou men noodig hebben om alleen die buitengewone vegetatie der barmhartigheid te beschrijven, die tusschen de straatsteenen van Parijs opwast in een prachtige opwelling van geestdrift, waarin zielegrootheid zich vermengt met wereldsche ijdelheid. Wat kwam dit alles er op aan? De barmhartigheid verzoende, louterde alles. Maar welk een vreeselijk argument was de volmaakte, belachelijke nutteloosheid van die naastenliefde! Na zooveel eeuwen van Christelijke barmhartigheid was nog geen enkele wond dichtgetrokken, was de ellende slechts grooter geworden, tot razernij gestegen! De voortdurend om zich grijpende kwaal mocht geen dag langer geduld worden van af het oogenblik dat de sociale onrechtvaardigheid er niet door genezen, zelfs niet door verminderd werd. Was het trouwens al niet voldoende, dat een man van koude en honger gestorven was, om het getimmerte van een op de aalmoes gebouwde maatschappij te doen instorten? Eén slachtoffer, en de maatschappij was reeds veroordeeld.
Pierre voelde zulk een golf van bitterheid in zich opstijgen, dat hij niet langer in deze kerk kon blijven, waarin de schaduwen steeds meer neerdaalden op de groote, aan het kruis genagelde witte Christusbeelden. Alles begon zich in het donker te hullen, hij hoorde niets meer dan het wegstervende geprevel der gebeden, de jammerklachten der vrouwen, die, in de diepe donkerte reeds niet meer zichtbaar, knielend lagen te bidden.
Toch aarzelde hij weg te gaan, zonder nog een woord gesproken te hebben met abbé Rose, wiens naïef-geloovig smeeken het geluk en den vrede der menschen aan den goeden wil van het Onzienlijke overliet. Hij wilde hem niet storen en stond reeds op het punt om weg te gaan, toen de abbé uit eigen beweging opkeek.
“Wat is het toch moeilijk op verstandige wijze goed te zijn! Monseigneur Martha heeft mij weer verwijten gedaan, en wanneer ik God niet had, die mij vergeeft, zou ik sidderen voor mijn zieleheil.”
Een oogenblik bleef Pierre onder de porticus van de Madeleine, op het hooge bordes staan, dat het plein beheerscht. Voor hem lag de rue Royale, die zich uitstrekte tot de breede Place de la Concorde, waar zich de obelisk en de beide fonteinen verheffen, terwijl nog verder de colonnade van de Kamer van Afgevaardigden den horizont afsloot. Het was een perspectief van verheven grootschheid; langzaam omsluierde de schemering den hemel, schoof de gebouwen verder terug en gaf hun het onaardsch-bevende en wazige van een droom. Geen stad ter wereld bezit op dit vage uur, wanneer de beginnende nacht den steden iets droomachtigs, de oneindigheid van menschelijke onmetelijkheid geeft, dit decor van chimerische praal en grandiose pracht.
Tegenover deze zich voor hem openende ruimten weifelend, bleef Pierre onbeweeglijk staan en vroeg zich af, waarheen hij gaan zou, nu alles, wat hij sedert dien ochtend zoo vurig gewenscht had, ineengestort was. Wilde hij nog steeds naar het hôtel Duvillard in de rue Godot-de-Mauroy gaan? Hij wist het niet meer. Dan keerde de irriteerende herinnering met haar wreede ironie terug. Waartoe diende het, nu Laveuve gestorven was? Waartoe den tijd te dooden, op straat rond te loopen, om tot zes uur te wachten? De gedachte, dat hij een woning had, dat het het eenvoudigste was naar huis terug te gaan, kwam zelfs niet in hem op. Het scheen hem toe, dat hij nog een belangrijk iets te doen had, zonder dat hij zou kunnen zeggen wat. Dat iets was overal en zoo ver, zoo verward en zoo moeilijk, dat hij het zeker niet tot stand brengen zou. Als waren zijn beenen van lood ging hij met bonzende en kloppende slapen het bordes af en bleef dan nog een oogenblik op de bloemenmarkt rondloopen, een wintermarkt, waarop de eerste azalea’s zich rillend ontplooiden. Vrouwen kochten viooltjes en Nizza-rozen. Hij keek ernaar, alsof die geurige, teere en fijne pracht hem interesseerde. Doch dan maakte zich een plotselinge afschuw van hem meester en ging hij verder, de richting van de boulevards in.
Daar liep Pierre zonder te weten waarheen, zonder te weten waarom, recht voor zich uit. De invallende duisternis verraste hem als een onverwacht natuurverschijnsel. Hij had zijn blik hemelwaarts geslagen en zag met verwondering, dat deze zeer zacht verbleekte, terwijl de dunne zwarte kokers der schoorsteenen er eindelooze strepen op vormden. Ook vielen de groote gouden letters van de uithangborden, waarin het daglicht wegstierf, hem op. Nooit nog had hij het bonte kleurengewemel der gevels, de beschilderde ramen, de schreeuwende reclamebilletten, de prachtige winkels, die als voor iedereen toegankelijke salons en slaapkamers in het volle licht stonden, opgemerkt. En welk een gedrang, welk een buitengewoon gewriemel op den rijweg, langs de trottoirs, tusschen de blauwe, roode en gele zuilen en kiosken! Vanwaar kwamen al die menschen? Waarheen gingen al die equipages? Hoe verdoovend, hoe angstaanjagend!
En medegevoerd door zijn somber gepeins liep Pierre nog steeds machinaal recht voor zich uit. De avond kwam, de eerste lantaarns werden aangestoken; het was het schemeruurtje van Parijs, het uur, dat de duisternis nog niet is ingetreden, dat de electrische bollen in den verdwijnenden dag glanzen. Aan alle kanten fonkelden de vonken der lampen, staken de winkels licht aan in hun etalages. Weldra zouden op de boulevards de levendige sterren der rijtuigen als een wandelende melkweg trekken tusschen de in de verblindende pracht als van het volle zonlicht schitterende trottoirs. En in het geschreeuw der koetsiers, in het gedrang der voetgangers bruiste het laatste haasten van de zakenstad Parijs, het Parijs der hartstochten, de verbitterde strijd om liefde en geld. Het zware dagwerk was gedaan, de genotsstad Parijs werd licht en begon den feestnacht. De koffiehuizen en de restaurants fonkelden en stelden achter de hooge, vlekkelooze ramen hun toonbanken van schitterend metaal, hun kleine witte tafeltjes en hun verleidelijke vruchten en mandjes met oesters ten toon. En dit zoo met de eerste lantaarns ontwakende Parijs was reeds aangegrepen door een genotzuchtige vroolijkheid, liet zich medesleepen door de ontketende begeerte naar al wat te koop is.
Pierre werd bijna omvergeloopen. Een troep couranten-jongens baande zich met de avondbladen een weg door de menigte. Speciaal een nieuwe editie van de Voix du Peuple veroorzaakte een oorverdoovend, het geratel der wielen overstemmend lawaai. Met regelmatige tusschenruimten lieten ruwe stemmen steeds weer den roep weerklinken: “Leest de Voix du Peuple, het nieuwe schandaal der Afrikaansche sporen, het echec van het ministerie, twee-en-dertig omgekochten in de Kamer en in den Senaat.” En deze opschriften waren met reusachtige letters op de als standaarden in de hoogte gezwaaide exemplaren te lezen. De menigte bleef zich voorthaasten, gewoon als zij was aan deze met gemeenheden gedrenkte modder. Enkele mannen bleven staan en kochten de courant, terwijl snollen, die op zoek waren naar een diner, haar rokken over straat lieten sleepen en, schuinsche blikken naar de terrassen der café’s werpend, op een toevalligen minnaar wachtten. En dit onteerend uitschreeuwen der couranten, dit uitschreeuwen, dat als een bezoedeling en een slag in het gezicht was, scheen de doodsklok van den dag te zijn, die bij den aanvang van den beginnenden nacht van pleizier, de begrafenis der natie verkondigde.
Nu herinnerde Pierre zich nogmaals zijn ochtend, dacht aan dat verschrikkelijke huis in de rue des Saules, waar zooveel ellende en lijden opgehoopt was. Hij zag weer de als een riool zoo vuile binnenplaats, de walgelijke trappen, de vuile, koude en kale kamers, de families, die elkaar eten betwistten, waar losloopende honden hun neus voor zouden hebben opgetrokken, moeders met uitgedroogde borsten, die schreeuwende kinderen sussend heen en weer droegen, oude mannen, die als beesten in een hoek neergevallen waren en tusschen allerlei vuil van honger stierven. En dan trok de verdere dag aan zijn geestesoog voorbij—de pracht, de rust, de vreugde der salons, die hij doorgeloopen had, de onbeschaamde en brutale glans van het financieele, het politieke en het mondaine Parijs. En eindelijk kwam hij in de schemering in het Parijs—Gomorra en het Parijs—Sodom, dat voor den nacht, voor de gruwelen van dien medeplichtigen nacht fel òplichtte. En deze vloekwaardige monsterachtigheid van dit alles loeide onder den bleeken hemel, waaraan de eerste sterren rein en bevend fonkelden.