De drie steden: Parijs

Part 8

Chapter 83,837 wordsPublic domain

Maar op dat oogenblik kwam een huisknecht binnen en zeide, dat mijnheer Dutheil beneden was en den baron verzocht even in de rookkamer te komen. Duvillard vond het vreemd, want gewoonlijk kwam Dutheil naar boven, alsof hij thuis was. Maar dan bedacht hij zich, dat de afgevaardigde ongetwijfeld ernstige tijdingen uit de Kamer medebracht, die hij hem dadelijk en onder vier oogen wilde mededeelen. Hij volgde den huisknecht en liet Gérard en Silviane alleen.

In de rookkamer, een vertrek, dat door een deur met een portière direct in de vestibule uitkwam, wachtte Pierre, die nieuwsgierig rondkeek, met Dutheil. Voor alles viel hem op het bijna godsdienstig plechtige van de entrée, de zware draperieën, het mystieke licht der ramen, de oude meubelen, de geur van myrrhe en wierook. Vroolijk sloeg Dutheil met de punt van zijn wandelstok op den lagen divan, dat zoowel een liefdes- als een rustbed was.

“Zij is mooi ingericht, wat? Ja, het is een meisje, dat het klappen van de zweep kent.”

Nog geheel van streek en ongerust kwam de baron binnen. En zonder zelfs den priester te zien, vroeg hij:

“Wat hebben zij daar gedaan? Is er wat ernstigs voorgevallen?”

“Mège heeft geïnterpelleerd en de urgentie gevraagd, om Barroux te laten vallen. Enfin u kunt wel begrijpen wat hij gezegd heeft.”

“Ja, ja! Tegen de bourgeois, tegen mij, tegen jou. Altijd hetzelfde... En verder?”

“Nou, de urgentie is niet toegestaan, maar ondanks een schitterende verdediging heeft Barroux slechts een meerderheid van twee stemmen kunnen krijgen!”

“Twee stemmen! Bliksems, dan ligt hij tegen den grond en hebben we de volgende week een ministerie-Vignon.”

“Dat zeggen ze in de wandelgangen allemaal.”

Zijn wenkbrauwen samengefronst, als overwoog hij wat voor slechts en wat voor goeds een dergelijke gebeurtenis voor de wereld brengen kon, maakte de baron een ontevreden gebaar.

“Een ministerie-Vignon... Duivels, daar zouden we niet veel mede vooruitgaan. Die jonge democraten poseeren graag als beschermers der deugd; met een ministerie-Vignon zou Silviane ook niet in de Comédie komen.”

Dat was het eenige wat hij zag in de catastrophe, waaronder de geheele politieke wereld beefde. De afgevaardigde kon dan ook niet nalaten zijn eigen angst te laten doorschemeren.

“En wat moet er van ons worden?”

Die woorden herinnerden Duvillard weer aan den toestand en met een nieuw, ditmaal trotsch gebaar gaf hij zijn brutaal vertrouwen te kennen.

“Wij? Wij blijven wie wij zijn! Wij hebben toch nooit gevaar geloopen, zou ik denken! Sanier mag gerust zijn lijst publiceeren, als hij daar lust in heeft. Wanneer wij Sanier en zijn lijst al niet lang gekocht hebben, dan is dat alleen, omdat Barroux een man van eer is en ik er niet van houd mijn geld weg te smijten... Ik zeg je nog eens, dat we niets te vreezen hebben.”

Dan zag hij eindelijk abbé Froment, die zich op den achtergrond gehouden had, en Dutheil bracht hem op de hoogte van den dienst, welke deze van hem verwachtte. In den opgewonden toestand, waarin hij verkeerde, en nog geheel onder den indruk van Silviane’s strengheid, koesterde hij blijkbaar de stille hoop, dat een goede daad hen geluk zou brengen en stemde hij onmiddellijk toe den priester behulpzaam te zijn. Hij haalde een visitekaartje en een potlood uit zijn zak en ging bij het raam staan.

“Maar dat spreekt toch vanzelf, waarde abbé, ik ben heel blij een steentje bij te kunnen dragen tot uw goed werk... Luister maar wat ik schrijf: “Doe als het je blieft wat mijnheer de abbé Froment voor dien ongelukkigen man vraagt; onze vriend Fonsègue wacht slechts op een woord van jou, om te handelen!””

Op dat oogenblik zag Pierre door de openstaande deur Gérard, die door Silviane uitgelaten werd. Zij was nu weer heelemaal kalm en blijkbaar nieuwsgierig naar wat Dutheil doen kwam. De aanblik van de jonge vrouw bracht hem in de grootste verbazing, zoo eenvoudig en zacht scheen zij hem toe in haar vlekkelooze madonnareinheid. In zijn droomen had hij in den tuin der onschuld nooit een verrukkelijker en bescheidener bloeiende lelie gezien.

“Wanneer u dit kaartje onmiddellijk aan mijn vrouw geven wilt,” ging Duvillard voort, “dan zult u naar prinses de Hardt moeten gaan, waar een matinée gegeven wordt.”

“Dat was ik van plan, mijnheer de baron.”

“Prachtig... U zult er mijn vrouw zeker vinden; zij zou er met de kinderen heengaan.”

Hij hield op, want hij had nu ook Gérard gezien en riep hem.

“Zeg Gérard, mijn vrouw heeft toch gezegd dat zij naar de matinée zou gaan, mijnheer de abbé kan er toch op aan, dat hij haar daar kan vinden.”

De jonge man, die juist naar de rue Matignon wilde gaan, om daar op Eve te wachten, antwoordde op zeer natuurlijken toon:

“Als mijnheer de abbé zich haast, zal hij haar nog wel vinden. Zij zou erheen gaan voor zij bij Salmon ging passen.”

Hij kuste Silviane de hand en ging weg met het indolente en onverschillige air van iemand, die zelfs van het genot blasé is.

Hoewel hij het eenigszins pijnlijk vond, moest Pierre zich door Duvillard aan de vrouw des huizes laten voorstellen. Hij maakte zwijgend een buiging, terwijl zij, eveneens zwijgend, zijn begroeting met een kuische gereserveerdheid en met een in de omstandigheden passenden takt, waartoe geen enkele ingénue, zelfs niet van de Comédie, in staat geweest zijn zou, beantwoordde. Terwijl de baron den priester uitliet, ging zij met Dutheil naar den salon terug. Zij waren nog niet achter een portière, of hij sloeg zijn arm om haar middel en wilde haar een zoen op haar lippen geven. Maar zij verzette zich nog, want zij wist, dat hij niet ernstig was, en bovendien moest hij eerst lief voor haar zijn.

Toen Pierre, overtuigd nu van het welslagen, in de avenue Kléber voor het hôtel van prinses de Hardt kwam, geraakte hij weer in een groote verlegenheid. De avenue was geheel versperd met équipages, die de gasten voor de matinée musicale brachten, terwijl zich voor de met rood fluweelen gordijnen behangen deur een zoo groot aantal genoodigden verdrong, dat hij bang was er niet door te zullen komen. Hoe zou hij daar binnen kunnen gaan? Hoe zou hij met zijn soutane de prinses te spreken kunnen vragen en een onderhoud hebben met barones Duvillard? In zijn koortsachtige opgewondenheid had hij aan die moeilijkheden niet gedacht. Hij wilde reeds te voet naar de deur gaan en trachten onopgemerkt binnen te sluipen, toen een vroolijke stem hem deed omkijken:

“Hoe is het mogelijk, mijnheer de abbé? Zie ik u nu hier weer?”

Het was de kleine Massot. Hij ging overal heen en maakte, wanneer hij, zooals hij dat noemde, de kroniekziekte had, tien verschillende dingen per dag mede, een Kamerzitting, een trouwpartij, een begrafenis enz. enz.

“Zoo, mijnheer de abbé, komt u bij onze bekoorlijke prinses naar het dansen van de Morinnetjes kijken?”

Hij zeide het spottend, want deze Morinnetjes waren een groep van zes Spaansche danseressen, die door de wulpsche zinnelijkheid van haar wiegelende bewegingen geheel Parijs toenmaals naar de Folies-Bergère [4] lieten stroomen. De grootste prikkel echter was, dat die meisjes voor de salons nog vrijmoediger dansen van de grootste zinnelijke uitgelatenheid, die men zeker in een schouwburg niet toegestaan zou hebben, bewaarden. En de beau monde verdrong zich bij de brutale, excentrieke gastvrouwen, die, zooals prinses de Hardt, voor geen enkele attractie terugdeinsden.

Toen Pierre den kleinen Massot uitgelegd had, dat hij nog steeds voor dezelfde zaak in de weer was, bood deze dadelijk aan hem als gids te dienen. Hij kende de inrichting van het hôtel, liet hem door een achterdeur binnengaan en bracht hem door een gang in een hoek van den vestibule vlak bij den ingang van dien grooten salon. Groote groene planten, die de vestibule versierden, verborgen hen bijna geheel.

“Blijf hier staan, mijnheer de abbé, dan zal ik trachten de prinses te vinden en kunt u hooren, of de barones er al is.”

Het viel Pierre op, dat het hôtel geheel gesloten was: de gordijnen waren neergelaten, de kleinste spleten toegestopt, zoodat het daglicht niet binnenkomen kon, terwijl in alle vertrekken het electrisch licht onnatuurlijk sterk brandde. De warmte was reeds drukkend, de scherpe geuren van bloemen en vrouwenlichamen bezwangerden de atmospheer. Het kwam Pierre voor, als betrad hij een van die wellustige lustholen eener droomwereld, zooals het genotzoekende Parijs die verwezenlijkt. Als hij op zijn teenen ging staan, kon hij door de openstaande salondeur de ruggen van de reeds zittende vrouwen zien, heele rijen blonde en donkere nekken. De Spaanschen voerden blijkbaar een eersten dans uit. Hij zag haar niet, maar hij kon den geilen hartstocht van haar dans volgen in de huivering van al die nekken, welke zich als onder een sterken windstoot bewogen. Dan weerklonk gelach, een storm van bravo’s.

“Het is mij niet mogelijk geweest de prinses te vinden, u zult nog wat geduld moeten hebben,” kwam Massot zeggen. “Ik heb Janzen ontmoet, hij zal haar bij u brengen... Kent u Janzen niet?”

En deels uit gewoonte, deels omdat hij het prettig vond, begon hij weer te vertellen. De prinses was een goede vriendin van hem. Hij had verleden jaar, toen zij dadelijk na haar vestiging te Parijs in dit hôtel gedebuteerd had, verslag gegeven van haar eerste soirée. Hij kende de volle waarheid omtrent haar, voorzoover men die weten kon. Rijk was zij misschien, want zij gaf enorm veel geld uit. Getrouwd moest zij ook geweest zijn en wel met een echten prins, ongetwijfeld was zij het ook nu nog ondanks het feit, dat zij beweerde weduwe te zijn, want het scheen vast te staan, dat haar man, die mooi was als een aartsengel, met een zangeres reisde. Maar dat er een van de vijf op den loop was bij haar, dat stond vast als een paal boven water. Overigens was zij heel intelligent, maar buitengewoon wispelturig; nooit kon zij zich lang bij één ding bepalen, de eene liefhebberij volgde op de andere. Zoo had zij, na eerst een hartstochtelijke schilderes geweest te zijn, onlangs een passie gehad voor scheikunde, terwijl zij nu weer geheel in de poëzie opging.

“Dus u kent Janzen niet?... Janzen is de man geweest, die haar een hartstocht ingeboezemd heeft voor de scheikunde en speciaal voor de studie van ontplofbare stoffen, want u begrijpt natuurlijk even goed als ik, dat de scheikunde voor haar alleen belangrijk is, omdat zij anarchistisch is... Haar houd ik voor een Oostenrijksche, hoewel je, wanneer zij iets beweert, verstandig doet daaraan te twijfelen. En wat Janzen betreft, die zegt, dat hij een Rus is, maar hij moet een Duitscher zijn. O, een zeer bescheiden, een raadselachtig man, die geen woning en misschien ook geen naam heeft, een verschrikkelijke kerel, van wiens verleden en leven men absoluut niets weet. Ik persoonlijk weet dingen, die mij doen gelooven, dat hij medeplichtig is aan den vreeselijken aanslag in Barcelona. In ieder geval zie ik hem nu al een jaar lang te Parijs, waar hij ongetwijfeld door de politie nagegaan wordt. En niemand zal mij van mijn idée af kunnen brengen, dat hij alleen maar de amant van onze half geschifte prinses geworden is, om de politie op een dwaalspoor te brengen. Hij neemt het air aan alsof hij hier een vroolijk leventje leidt en introduceert hier allerlei excentrieke menschen, anarchisten van iedere nationaliteit en kleur, zooals bijvoorbeeld Raphanel, dien kleinen, ronden, vroolijken kerel daar, een Franschman, voor wien zijn kornuiten wel op hun hoede mogen zijn; en Bergaz, een Spanjaard geloof ik, zoogenaamd een makelaar aan de Beurs, dien dikke daar met den vreeselijken, wellustigen mond! En nog vele anderen, avonturiers en bandieten uit alle vier de windstreken! O, die vreemdelingen-kolonies: enkele aanzienlijke vlekkelooze namen, enkele werkelijk groote vermogens—maar verder wat een gespuis!”

Zoo was het ook met de salons van Rosemonde: klinkende titels, echte milliardairs, maar verder de meest extravagante mengeling van internationale leugens en de onderste lagen der maatschappij. En Pierre dacht aan dat internationalisme, aan dat kosmopolitisme, aan dien zwerm van vreemdelingen, die steeds dichter op Parijs neerstrijkt. Ongetwijfeld kwam hij er om ervan te genieten als van een stad van avonturen en genot, maar hij bederft Parijs nog wat meer. Was die langzame ontbinding van de groote steden, die de wereld beheerscht hebben, dat toestroomen van alle hartstochten, van alle lusten, die opgehoopte, van uit de geheele wereld aangebrachte humus, waarop de bloem der beschaving in schoonheid en intelligentie ontluikt, dan noodzakelijk?

Maar Janzen kwam, een groote, magere jonge man van een jaar of dertig met grijze, fletse, harde oogen, een puntbaard en lange, krullende haren, die zijn bleek gezicht, dat als met een nevel overtrokken was, nog langer maakten. Hij sprak tamelijk slecht Fransch op zachten toon en zonder eenig gebaar. Hij zeide, dat hij de prinses nergens had kunnen vinden, hoewel hij haar overal gezocht had. Misschien had iemand wel haar misnoegen opgewekt en had zij zich in haar kamer opgesloten en was naar bed gegaan, het aan haar gasten overlatend zich zoo goed mogelijk te amuseeren.

“Daar is zij,” zeide plotseling Massot.

Inderdaad stond Rosemonde in de vestibule uit te kijken, alsof zij op iemand wachtte. Zij was klein en slank en scheen met haar fijn gezichtje, haar zeegroene oogen, haar teer, bewegelijk neusje en haar ietwat grooten en te bloedrooden mond, waarin prachtige tanden schitterden, meer vreemd dan mooi. Zij droeg een hemelsblauwen, met zilveren loovertjes afgezetten japon, zilveren armbanden en een zilveren diadeem in haar aschblond haar.

“Maar met alle genoegen, mijnheer de abbé,” zeide zij tegen Pierre, zoodra zij het doel van zijn bezoek wist. “En als men uw ouden man niet in het Asile wil opnemen, dan moet u hem maar hier brengen!”

Zenuwachtig bleef zij steeds naar de deur kijken. Toen de priester haar vroeg of barones Duvillard reeds gekomen was, riep zij uit:

“Neen, ik begrijp er niets van. Zij zou haar twee kinderen medebrengen. Hyacinthe heeft mij plechtig beloofd, dat hij komen zou.”

Hyacinthe was haar nieuwe gril. Dat de hartstocht voor de scheikunde plaats had moeten maken voor een voorliefde voor de decadente en symbolische poëzie, vond zijn oorzaak daarin, dat zij op een avond, toen zij met Hyacinthe over occultisme sprak, in hem een buitengewone schoonheid ontdekt had, de astrale schoonheid van de zwervende ziel van Nero. Alle teekenen wezen daar tenminste op, zeide zij.

Plotseling liet zij Pierre staan.

“Ha, eindelijk,” mompelde zij, opgelucht en gelukkig.

Zij vloog naar de deur. Hyacinthe kwam binnen met zijn zuster Camille. Maar reeds had hij den vriend, voor wien hij kwam, gezien: den jongen lord Elson, een kwijnenden, bleeken jongen man met haar als van een meisje; hij verwaardigde zich nauwlijks de hartelijke ontvangst van Rosemonde op te merken, want hij beweerde, dat de vrouw een onrein en laag dier was, dat zoowel het lichaam als den geest bezoedelde. Wanhopig over die koelheid, volgde zij de beide jonge mannen in den levenden geur en de gloeiende hitte van den salon.

Massot was zoo welwillend Camille aan te spreken en bij Pierre te brengen, die dadelijk bij de eerste woorden wanhopig werd.

“Wat, mademoiselle, is uw moeder niet medegekomen?”

Het jonge meisje, dat, zooals gewoonlijk in het donker, ditmaal pauwblauw, gekleed was, scheen zenuwachtig; haar oogen hadden een boosaardige uitdrukking en haar stem klonk sissend.

“Neen, zij kon niet... zij moest gaan passen bij Salmon. Wij hebben ons op de tentoonstelling verlaat en zij heeft zich onderweg bij hem laten afzetten.”

Zij had, in de hoop daardoor het rendez-vous van haar moeder in de rue Matignon te verhinderen, het bezoek aan de tentoonstelling handig weten te rekken, en nu maakte het haar woedend, dat haar moeder, dank zij die leugen van het passen, toch had bewerkt nog op tijd te zijn.

“Maar zou ik,” vroeg Pierre naïef, “als ik nu direct naar Salmon ging, mijn kaartje daar niet kunnen afgeven?”

Het denkbeeld scheen haar zoo grappig, dat zij in een schril gelach uitbarstte.

“Het zal de vraag zijn, of u haar daar nog vindt. Zij had nog een andere, dringende afspraak, daar zal zij nu wel heen zijn.”

“Dan zal ik hier maar wachten. Zij komt u toch zeker hier halen?”

“Ons halen? Wel neen, ik zeg u toch, dat zij een andere belangrijke afspraak heeft. Mijn broer en ik gaan alleen terug.”

Een steeds grootere bitterheid vergiftigde haar smartelijke ironie. Begreep die priester dan heelemaal niets, dat hij haar die naïeve vragen deed, welke als een mes in haar hart woelden. Hij moest het toch weten, iedereen wist het immers.

“Wat spijt mij dat vreeselijk,” ging hij zóó verdrietig voort, dat de tranen hem in de oogen kwamen. “Het is nog altijd voor dien armen ouden man. Ik heb een aanbeveling van uw vader, en mijnheer Gérard had mij gezegd...”

Hier werd hij verlegen en in zijn goddelijke onbekommerdheid, slechts door zijn eenigen hartstocht, de naastenliefde vervolgd, ging hem plotseling een licht op.

“Ja, ik heb uw vader en mijnheer de Quinsac zooeven gesproken...”

“Ik weet het, ik weet het!” antwoordde zij met het lijdend gezicht van iemand, die alles weet. “Nu, mijnheer de abbé, wanneer u papa gesproken en een aanbeveling voor mama gekregen hebt, dan zult u moeten wachten, tot mama klaar is met haar zaken... Maar die duren dikwijls lang. U kunt tegen zes uur naar het hôtel gaan, maar ik durf u niet verzekeren, dat u haar dan al vinden zult.”

Haar oogen schitterden moorddadig, ieder van haar woorden had iets woest-spottends, iets snijdends als messen, waarmede zij den nog altijd prachtigen hals van haar moeder had willen doorboren. Nog nooit had zij haar zoo gehaat, haar zoo haar schoonheid, haar vreugde, haar geluk zoo bemind te worden, misgund. En de ironie, die in het bijzijn van den onschuldigen priester over haar maagdelijke lippen kwam, was een stroom verborgen modder, waarin zij haar trachtte te verdrinken.

Maar nu kwam Rosemonde, zenuwachtig als altijd, naar haar toe en nam haar mede.

“Kom toch mee, lieveling, zij zijn verrukkelijk, bedwelmend.”

Janzen en de kleine Massot volgden de prinses. Alle mannen kwamen op het gerucht, dat de Spaanschen weer een dans zouden beginnen, aangesneld en verdrongen zich in den salon.

Toen Pierre weer buiten kwam, bleef hij een oogenblik als versuft en met knippende oogen in het volle daglicht staan. Het was nog geen half vier, zoodat hij nog ruim twee uur wachten moest, vóór hij naar het hôtel in de rue Godot-de-Mauroy gaan kon. Wat moest hij doen? Hij betaalde zijn koetsier, want hij wilde liever, nu hij toch allen tijd had, zachtjes de Champs-Elysées afwandelen. Dat zou misschien de koortsachtige opwinding, die zijn handen deed gloeien, wat kalmeeren. En in zijn hartstochtelijke naastenliefde, die naarmate zich hinderpalen voordeden, steeds hooger oplaaide, had hij nu nog slechts één haast: het goede werk, dat hij eindelijk zeker waande, voltooien. Hij dwong zich zijn pas in te houden, zachtjes de prachtige avenue, die de zon opgedroogd had en die nu onder den blauwen lentehemel door een groote menigte opgevroolijkt werd, af te wandelen.

Bijna twee uur, dat hij niets doen kon, terwijl de ongelukkige Laveuve daar op zijn lompen in het ijskoude dakkamertje met den dood worstelde. Een plotseling verzet, een onweerstaanbaar ongeduld kwam weer in Pierre op, deed hem weer harder loopen, om barones Duvillard dadelijk te vinden en van haar het reddende bevel te krijgen. Hij vermoedde wel, dat zij hier ergens in de buurt, in een van die bescheiden straatjes was. Welk een wanhopige toorn maakte zich van hem meester bij de gedachte, dat hij, om een leven te redden, zoo wachten moest, totdat zij klaar zijn zou met datgene, waarover haar dochter met zulke moordlustige blikken sprak. Hij meende een vreeselijk gekraak te hooren: het kraken der ineenstortende burgerlijke familie; de vader bij een hoer, de moeder in de armen van een minnaar, broeder en zuster, die alles wisten, van wie de eerste langzamerhand tot de liederlijkste perversiteiten afgleed, en de tweede in haar woedende razernij haar moeder dien minnaar ontstelen wilde, om met hem te trouwen. De equipages reden in snellen draf de schitterende avenue af, de menigte stroomde langs de zijwegen, en al die menschen waren vroolijk en mooi, zonder dat zij schenen te vermoeden, dat ergens aan het einde een gapende afgrond was, waarin zij hals over kop neervallen en verdwijnen zouden.

Toen Pierre bij den Cirque d’été kwam, zag hij tot zijn groote verwondering Salvat weer, ditmaal op een bank. De arbeider moest, na vergeefs naar werk gezocht te hebben, hier uitgeput van vermoeienis en honger, neergevallen zijn. Toch was onder zijn jas nog altijd de bult zichtbaar, ongetwijfeld het stuk brood, dat hij mee naar huis bracht. Met moe afhangende armen en achterover tegen de bank leunend, keek hij met zijn droomerige oogen naar de kinderen, die met groote moeite kleine zandhoopjes bij elkaar schepten en die dan met hun voeten weer uittrapten. Zijn roodgerande oogen werden vochtig, een eindeloos zacht glimlachje speelde om zijn arme, bleeke lippen. Ditmaal wilde Pierre, die door een onrust aangegrepen werd, naar hem toegaan en hem aanspreken. Maar Salvat stond wantrouwend op, verwijderde zich in de richting van den Cirque, waar juist een concert ten einde liep, en sloop langs de deur van dit feestgebouw, waarin twee duizend samengeperste menschen naar de muziek luisterden.

V.

Toen Pierre op de place de la Concorde kwam, herinnerde hij zich plotseling de afspraak, die hij met abbé Rose tegen vier uur in de Madeleine gemaakt en in al dit koortsachtige heen en weer loopen vergeten had. Hij was al te laat. Blij, dat hij door die afspraak den tijd makkelijker door zou kunnen komen, versnelde hij zijn pas.

Bij zijn binnentreden in de kerk zag hij tot zijn verbazing, dat het reeds bijna geheel donker was. Slechts een paar kaarsen brandden: het schip lag in diepe schaduwen gedompeld, en te midden van dat halfdonker sprak een hooge, duidelijke stem, zonder dat men in den beginne van het talrijke auditorium iets anders zag dan de kale en verwarde massa van de in aandachtig luisteren onbeweeglijke hoofden. Monseigneur Martha stond op den kansel en was bijna aan het einde van zijn derde voordracht over den Nieuwen Geest. De beide eerste voordrachten hadden groote sensatie gemaakt, zoodat geheel Parijs aanwezig was—dames uit de hoogste kringen, politici, schrijvers, allen medegesleept door de welsprekendheid van den redenaar met zijn knappe, warme voordracht en de breede gebaren van een groot tragediespeler.

Pierre wilde die plechtige aandacht, die rillende stilte, waarin alleen het woord van den geestelijke klonk, niet verstoren. Hij zou straks abbé Rose wel zoeken en bleef tegen een pilaar geleund staan. Een schuin vallende, uitstervende straal van het laatste daglicht viel door het raam juist op den redenaar, die in zijn wit koorhemd groot en krachtig scheen en bijna nog niet grijs was, ofschoon hij de vijftig reeds gepasseerd was. Hij had mooie trekken, donkere, levendige oogen, een krachtigen neus en een scherp geteekende kin en mond. Maar het meest opvallend aan hem was, het meest nam hij allen voor zich in door zijn sympathieke verschijning, de steeds blijvende uitdrukking van groote beminlijkheid, die het gebiedende van zijn gezicht verzachtten, ja bijna deden verdwijnen.