De drie steden: Parijs

Part 7

Chapter 73,949 wordsPublic domain

De gravin bedoelde de zondige verhouding tusschen haar zoon en barones Duvillard. Altijd was zij zwak geweest voor dit kind, dat zij met zooveel moeite had opgevoed, want zij alleen kende de uitputting, het jammerlijke einde van een ras, dat zich onder het mooie uiterlijk van zijn trotsche houding verborg. Zij duldde zijn luiheid, zijn niets doen, zijn genotzucht, die hem een tegenzin voor de militaire en voor de diplomatieke loopbaan ingeboezemd had. Hoe dikwijls had zij kleine domheden goedgemaakt, kleine schulden betaald, hoewel zij de geldelijke hulp weigerde van den markies, die zelfs zijn millioenen niet meer durfde aanbieden, daar zij er hardnekkig op bleef staan heldhaftig te leven van de overblijfselen van haar fortuin. Zoo was zij er ten slotte ook toe gekomen haar oogen te sluiten voor de amourette van haar zoon, daar zij heel goed begreep hoe dit alles in zijn werk gegaan was: men laat zich medesleepen—komt niet tot besef van wat er gebeurt: de man weet niet hoe hij breken moet; de vrouw houdt hem vast door zich te geven. De markies had er zich eerst bij neergelegd, toen Eve Christin geworden was.

“Je weet hoe goed Gérard is,” ging de gravin voort. “Dat is zijn kracht en tegelijk zijn zwakheid. Hoe kan ik hem verwijten doen, wanneer hij met mij weent?... Hij zal die vrouw wel moede worden.”

Markies de Morigny schudde zijn hoofd.

“Zij is nog zoo mooi... En dan is de dochter er nog. Dat zou ernstiger zijn; hij zou met haar trouwen.”

“Die mismaakte dochter!”

“Ja, ik hoor de praatjes al: een Quinsac, die om haar millioenen met een monster trouwt.”

Dat was het waarvoor zij beiden bang waren. Zij wisten alles wat er bij de Duvillards gebeurde: de teedere vriendschap tusschen de leelijke Camille en den mooien Gérard, de roerende idylle, waarachter zich het vreeselijkste drama verborg.

“O neen, dat nooit!” riep de gravin verontwaardigd uit. “Mijn zoon in die familie, neen, daar geef ik nooit mijn toestemming voor!”

Op dat oogenblik kwam generaal de Bozonnet de kamer binnen. Hij aanbad zijn zuster en kwam, zonder een enkele maal over te slaan, haar op haar jours gezelschap houden, want de oude vriendenkring was langzamerhand kleiner geworden; er waren nog slechts enkele getrouwen, die zich in dezen grijzen, somberen salon waagden, waar men zich op duizend mijlen van het werkelijke Parijs zou kunnen wanen. Om haar op te vroolijken, vertelde hij dadelijk, dat hij bij de Duvillards gedejeuneerd had, noemde de gasten, zeide dat Gérard er ook was. Hij wist, dat hij zijn zuster een groot genoegen deed door geregeld naar dat huis te gaan, waarvan hij haar het nieuws vertelde en dat hij door de groote eer van zijn tegenwoordigheid een weinig van zijn bezoedeling reinigde. Hij zelf verveelde zich niet bij de Duvillards, daar hij zich al lang naar den geest der eeuw geschikt had en zich voor alles, wat geen krijgskunde was, zeer inschikkelijk toonde.

“Die arme kleine Camille aanbidt Gérard,” zeide hij. “Aan tafel heeft zij hem met haar oogen verslonden.”

“Daarin schuilt juist het gevaar,” viel de markies hem ernstig in de rede; “een huwelijk zou, uit alle oogpunten beschouwd, iets verschrikkelijks zijn.”

“Maar waarom?” vroeg de generaal heel verbaasd. “Zij is niet mooi, maar als alleen mooie meisjes trouwden! En dan zijn de millioenen er ook nog! Onze lieve jongen zou daar uitstekend gebruik van kunnen maken... Ja, die liaison met de moeder! Maar lieve Hemel, dat komt tegenwoordig dagelijks voor!”

De markies maakte een gebaar van grooten afkeer. Waarom nog strijden, wanneer alles instortte? Wat moest men antwoorden aan een Bozonnet, den laatsten afstammeling van deze illustere familie, wanneer het met hem al zoo ver gekomen was, dat hij de schandelijke zeden der Republiek verontschuldigde, nadat hij zijn koning verloochend en het keizerrijk gediend had?

“Hoe kan je zoo iets zeggen?” riep de gravin, die eveneens zeer verontwaardigd was, uit. “Nooit zal ik voor een dergelijk schandaal mijn toestemming geven. Dat heb ik zooeven nog gezworen!”

“Zweer niet, zuster!” zeide de generaal. “Ik zou alleen onzen Gérard gelukkig willen zien. En we zullen toch moeten erkennen, dat hij voor niet veel deugt. Dat hij geen soldaat heeft willen worden, kan ik mij begrijpen, dat is tegenwoordig geen beroep meer. Maar dat hij geen diplomaat geworden is, dat hij niet de een of andere betrekking aanvaard heeft, begrijp ik minder goed. Zeker het klinkt heel mooi om op den tegenwoordigen tijd te schelden en te beweren dat een man uit onze kringen daarin eigenlijk geen fatsoenlijke bezigheid vinden kan, maar, als we eerlijk willen zijn, moeten we toegeven, dat alleen luilakken dat zeggen. Gérard heeft slechts één excuus: zijn weinige capaciteiten, zijn gemis aan energie en kracht.”

Tranen waren in de oogen der moeder gekomen. Zij verkeerde steeds in angst en beven, want zij kende de leugen, die zich achter het mooie uiterlijk verborg: hoe flink en sterk haar zoon ook schijnen mocht, de geringste koude kon zijn dood zijn.

“Hij is nu toch zes-en-dertig,” ging de generaal voort; “en nog leeft hij steeds ten laste van jou. Daar moest nu eindelijk eens een eind aan komen.”

Maar zij verzocht hem te zwijgen en wendde zich tot den markies.

“Wij moeten op God vertrouwen, niet waar vriendlief? Hij moet mij helpen, want ik heb nooit tegen hem gezondigd.”

“Nooit!” riep de markies uit, en hij legde in dat woord al zijn smart, al zijn liefde, al de vereering voor deze vrouw, die hij zoovele jaren aanbad, zonder dat zij een van beiden ooit gezondigd hadden.

Een nieuwe getrouwe kwam binnen en het gesprek nam een andere wending. Mijnheer de Larombardière, vice-president van het gerechtshof, was een groote, magere, kaalhoofdige, op een smal bakkebaardje na gladgeschoren man van vijf-en-zestig jaar. Zijn grijze oogen, zijn saamgeknepen mond, die ver van zijn neus afstond, en zijn vierkante, eigenzinnige kin gaven aan zijn gezicht een zeer strenge uitdrukking. De groote wanhoop van zijn leven was, dat hij, met een hinderlijk lispelen behept, zijn voortreffelijke qualiteiten in zijn ambt niet tot volle ontwikkeling had kunnen brengen, want hij liet er zich op voorstaan, dat hij een groot redenaar was. Die heimelijke marteling maakte hem prikkelbaar. In hem belichaamde zich het oude, royalistische en mokkende Frankrijk, dat slechts met tegenzin de Republiek diende, de oude, strenge, voor iedere evolutie en voor alle nieuwe opvattingen gesloten magistratuur. Afkomstig uit den kleinen ambtenaarsadel was hij een met het Orleanisme gerallieerde legitimist en beschouwde hij zich in dezen salon, waarin hij heel trotsch was den markies te ontmoeten, als den man van wijsheid en logica.

Er werd over de laatste gebeurtenissen gesproken. De politieke gesprekken waren trouwens gauw uitgeput en liepen meestal uit op een bittere veroordeeling van menschen en feiten, want de drie heeren waren het over de gruwelen van het republikeinsche regime volkomen eens. Zij waren de ruïnes, de overblijfselen van de oude, tot bijna volkomen onmacht gedoemde partijen. De markies, een der laatsten van dien nog rijken, trotschen en koppigen adel, zweefde hoog in zijn absolute intransigentie en bleef een doode trouw. De magistraat, die tenminste een pretendent had, rekende op een wonder, toonde de noodzakelijkheid daarvan aan, wanneer Frankrijk niet in de ergste ongelukken vervallen, niet spoedig en geheel verdwijnen wilde. Wat den generaal betreft, hij betreurde van de twee keizerrijken slechts de groote oorlogen; hij had de hoop op een Bonapartistische restauratie opgegeven en beweerde, dat de Republiek, door zich niet te houden aan de keizerlijke legers en den dienstplicht in te voeren, den oorlog en het vaderland gedood had.

Toen de huisknecht vragen kwam, of de gravin abbé Froment wilde ontvangen, scheen zij zeer verbaasd.

“Wat kan die van mij willen? Laat hem binnenkomen.”

De gravin was heel vroom; zij had den priester in liefdadigheidsinstellingen leeren kennen en was door zijn ijver en door den roep van jongen heilige, waarin zijn parochianen van Neuilly hem gebracht hadden, getroffen.

Pierre, zich geheel overgevend aan zijn koortsachtige opwinding, voelde bij het binnentreden van den salon een zekere schuchterheid in zich opkomen. Eerst onderscheidde hij niets, meende in een rouwkamer te komen, een donker, waarin de vormen wazig schenen te worden en zachte stemmen fluisterden. Maar toen hij de aanwezige personen herkend had, voelde hij zich nog minder op zijn gemak: zij kwamen hem zoo triest voor, zoo veraf staande van de wereld, waaruit hij kwam en waarin hij terugkeerde. Nadat de gravin hem een stoel naast zich gewezen had, vertelde hij haar op zeer zachten toon de jammerlijke geschiedenis van Laveuve en vroeg haar steun, om hem in het Asile des Invalides du Travail opgenomen te krijgen.

“O ja, dat is die inrichting, waartoe ik op dringend verzoek van mijn zoon behoor... Maar ik heb nooit een vergadering van het comité bijgewoond, mijnheer de abbé. Hoe kan ik, die natuurlijk absoluut geen invloed heb, mij in dergelijke quaesties mengen!”

Weer rezen de gestalten van Gérard en Eve voor haar geestesoog op, want deze twee hadden elkaar voor het eerst in het Asile ontmoet, en reeds werd het altijd lijdend moederhart zwak, hoewel zij er reeds spijt van had haar naam geleend te hebben voor een van die lawaaierige liefdadigheidsinstellingen, waarvan zij het zelfzuchtige misbruik, dat ervan gemaakt werd, afkeurde.

“Mevrouw,” drong Pierre aan, “het gaat hier om een armen, ouden man, die van honger omkomt. Heb medelijden wat ik u bidden mag.”

Hoewel de priester fluisterend gesproken had, kwam de generaal naderbij.

“Zoo, nog altijd in de weer voor uw ouden revolutionnair? Geen succes gehad bij den administrateur? Ja, het is moeilijk medelijden te hebben met zulke kerels, die, wanneer zij de meesters waren, ons allen zouden wegvegen, zooals zij zeggen.”

Mijnheer de Larombardière knikte toestemmend. In den laatsten tijd was het anarchistisch gevaar een nachtmerrie voor hem.

En Pierre begon zijn hartverscheurend pleidooi opnieuw. Hij schilderde de vreeselijke ellende, de woningen, waarin geen brood was, de vrouwen en kinderen, die van koude klappertanden, de vaders, die het modderige Parijs afliepen voor een stuk brood. Het eenige wat hij vroeg was een paar woorden op een visitekaartje, een paar welwillende woorden der gravin, die hij dadelijk naar barones Duvillard brengen zou, om haar te bewegen de reglementen te overtreden. Zijn woorden, die van ingehouden tranen beefden, vielen onafgebroken in den somberen salon, als kwamen zij van heel verre, als gingen zij verloren in een doode wereld, waarin zij nooit weerklank vinden zouden.

Gravin de Quinsac wendde zich tot mijnheer de Morigny. Maar deze scheen volmaakt onverschillig en keek op de hautaine manier van iemand, wien dit alles niet aangaat, in het vuur—zonder eenige belangstelling voor de dingen en de wezens, waartusschen een dwaling van den tijd hem dwong te leven. Toch keek hij op, toen hij den blik der aangebeden vrouw op zich voelde rusten; hun oogen ontmoetten elkander met een oneindige zachtheid, de zoo treurige zachtheid van hun heldhaftige liefde.

“Lieve God, ik ken uw barmhartigheid, mijnheer de abbé,” zeide zij; “en ik zou niet gaarne mijn medewerking weigeren.”

Zij verliet een oogenblik den salon en kwam dan dadelijk terug met een visitekaartje, waarop zij geschreven had, dat zij volgaarne abbé Froment bij de stappen, die hij deed, ondersteunde. Hij dankte haar hartelijk en ging met van dankbaarheid bevende handen weg, alsof hij een nieuwe hoop op redding medenam uit dezen salon, waarin achter hem weer een golf van donkerte en zwijgen scheen te vallen over de oude dame en haar laatste getrouwen om haar haard: een geheele wereld, die bezig was te verdwijnen.

Buiten gekomen, stapte Pierre, nadat hij den koetsier het adres voor prinses de Hardt, avenue Kléber, gegeven had, opgelucht in zijn rijtuig. Als hij nu ook nog den steun van deze krijgen kon, behoefde hij niet meer aan succes te wanhopen. Op den pont de la Concorde was er echter zoo’n opstopping, dat het paard stapvoets moest gaan. Toen zag hij op het trottoir Dutheil, die, met een sigaar in zijn mond, vriendelijk tegen de menigte glimlachte; zorgeloos als een vogel was hij blij na de Kamerzitting de straat weer droog, den hemel weer blauw gevonden te hebben. En toen Pierre hem daar zoo vroolijk en triomphantelijk zag, kreeg hij plotseling een ingeving, zeide hij tot zichzelf, dat hij dezen jongen man, wiens rapport een zoo noodlottige uitwerking gehad had, voor zich moest trachten te winnen. Toevallig moest het rijtuig op dat oogenblik heelemaal stilstaan. De afgevaardigde herkende den abbé en glimlachte.

“Waarheen gaat de reis, mijnheer Dutheil?”

“O niet heel ver, naar de Champs-Elysées.”

“Daar kom ik ook langs, en daar ik u graag even zou spreken, zoudt u mij een groot genoegen doen in te stappen. Ik zal u afzetten waar u wilt.”

“Heel graag, mijnheer de abbé. Hindert het u niet, als ik blijf rooken?”

“Volstrekt niet.”

Het rijtuig maakte zich uit het gedrang los, stak het plein over en reed de Champs-Elysées op. Pierre begreep, dat hij maar een paar minuten had, en begon dadelijk den aanval op Dutheil, vastbesloten hem te overwinnen. Hij herinnerde zich nog den uitval van den jongen man op Laveuve in het huis van den baron, en was dan ook zeer verbaasd toen hij zich in de rede hoorde vallen met de woorden:

“O ja, uw oude dronkaard. U hebt de zaak dus met Fonsègue niet in orde kunnen brengen? Maar wat wilt u eigenlijk? Dat men hem vandaag daar nog opneemt?... Maar daar heb ik niets op tegen!”

“Ja, maar uw rapport.”

“Mijn rapport, mijn rapport! Maar de dingen veranderen al naar het standpunt, dat men inneemt... En als die Laveuve u zoo na aan het hart ligt, wil ik u volstrekt mijn hulp niet weigeren.”

Pierre keek hem verwonderd aan, hij was zoo gelukkig, dat hij niet eens behoefte gevoelde verder te spreken.

“U hebt de zaak verkeerd aangepakt,” ging Dutheil, terwijl hij zich vertrouwelijk over hem heen boog, voort. “De baron is in zijn huis heer en meester—om redenen, die u ongetwijfeld begrijpt en kent; de barones doet alles wat hij vraagt. In plaats van al dat nuttelooze heen en weer rijden, hadt u moeten trachten zijn steun te krijgen, wat u zeker gelukt zou zijn, daar hij in een uitstekende stemming was. Dan zou zij dadelijk toegestemd hebben.”

Hij begon te lachen.

“Weet u wat ik doen zal?... Ik zal den baron voor uw zaak winnen. Ja, ik ga dadelijk naar een huis, waar men zeker is hem dagelijks op dit uur te treffen.”

Hij lachte nog luider.

“Maar u kent dat huis natuurlijk even goed als ik, mijnheer de abbé. Wanneer hij daar is, kan men er zeker van zijn, dat hij niets weigert... Ik beloof u, dat hij vanavond nog de opneming van Laveuve eischen zal. Maar het zal wel een beetje laat worden.”

En dan plotseling een inval krijgend:

“Maar waarom zoudt u eigenlijk niet met mij medegaan? U krijgt dan dadelijk een paar woorden op een visitekaartje en kunt onmiddellijk, zonder een minuut te verliezen, de barones gaan zoeken... Och ja, ik begrijp heel goed, dat u u een beetje voor het huis geneert. U wilt liever alleen met den baron spreken? Dan moet u maar zoolang in een kleinen salon wachten en zal ik hem bij u brengen.”

Dit voorstel deed hem nog luider lachen, terwijl Pierre bij de gedachte, op die manier bij Silviane d’Aulnay geïntroduceerd te worden, eenigszins verlegen aarzelde. Daar was beslist zijn plaats niet. Toch zou hij naar den duivel zelf gegaan zijn en hij had dit reeds menigmaal gedaan in gezelschap van abbé Rose, wanneer zij hoopten een lijden te verzachten.

Dutheil, die hem verkeerd begreep, fluisterde nog zachter om vertrouwelijk te zeggen:

“Hij heeft daar alles betaald. U kunt gerust medegaan.”

“Dat zal ik zeker doen,” antwoordde de priester, die op zijn beurt ook begon te lachen.

Het kleine, maar zeer weelderige—de fijne en eenigszins galante weelde van een tempel—hôtel d’Aulnay lag in de avenue d’Antin, dicht bij de avenue des Champs-Elysées. De priesteres van dit heiligdom, waarin het goudgalon der oude dalmatieken in den malvekleurigen weerschijn der ramen glansden, was een kleine slanke, aanbiddelijke schoonheid van vijf-en-twintig jaar; geheel Parijs kende haar verrukkelijk madonnagezichtje, het zachte, lange, ovale voorhoofd, den fijnen neus, den kleinen mond met de vlekkelooze wangen en de naïeve kin onder het zware, dikke, het voorhoofd bedekkende, zwarte haar.

De reden van haar bekendheid lag juist in die zachte, verwonderde uitdrukking, deze oneindige reinheid van haar blauwe oogen, de geheele kuische onschuld, die, wanneer zij wilde, een zeldzame tegenstelling vormde met de liederlijke deerne, die zij in den grond der zaak was met haar monsterachtige, openlijk ten toon gespreide perversiteit, zooals die op de humus der groote steden opschiet. Men vertelde de allerwonderlijkste verhalen over haar neigingen en grillen. Sommigen beweerden, dat zij de dochter van een conciërge, anderen van een dokter was. In ieder geval had zij zich eenige beschaving eigen gemaakt, want, als het noodig was, ontbrak het haar niet aan geest en houding. Sedert tien jaar liep zij, gevierd om haar schoonheid, op de planken rond; ja zelfs had zij vrij aardige successen behaald in rollen van kuisch, jong meisje en liefhebbende, vervolgde vrouwen. Maar sedert er sprake van was, dat zij aan de Comédie-Française komen zou, om daar de rol van Pauline in Polyeucte te spelen, waren sommigen verontwaardigd, lachten anderen hartelijk, zoo ongerijmd scheen hun dat denkbeeld toe, dat als het ware een aanslag was op de majesteit der klassieke tragedie. Zij echter wilde het nu eenmaal en was er met de onbeschaamdheid van een deerne, aan wie de mannen nooit iets hebben kunnen weigeren, zeker van, dat zij haar wil doorzetten zou.

Dien dag was Gérard, die niet wist hoe hij zijn tijd moest dooden, voor hij om vier uur Eve in de rue Malignon verwachten kon, op het denkbeeld gekomen bij de in diezelfde buurt wonende Silviane op te loopen. Zij was een vroegere vlam van hem en hij was een der getrouwen van het kleine hôtel gebleven, waarin hij zelfs dikwijls lang bleef, wanneer het knappe jonge meisje zich verveelde. Maar hij had haar in een woedende stemming aangetroffen en lag lui uitgestrekt in een der diepe fauteuils van den in oud goud gehouden salon naar haar klachten te luisteren. Zij stond voor hem in een geheel witten japon—heelemaal wit, juist zooals Eve aan het dejeuner—sprak hartstochtelijk en overtuigde hem ten slotte, daar hij aan zooveel jeugd en schoonheid geen weerstand bieden kon. Onwillekeurig vergeleek hij haar met de andere; en nu reeds had hij genoeg van dat rendez-vous; zulk een moreele en physieke moeheid greep hem aan, dat hij veel liever in dezen fauteuil zou blijven zitten.

“Versta je, Gérard,” riep zij ten slotte uit; “niet dat, niet dat zal ik hem toestaan, zoolang hij mij mijn benoeming niet brengt.”

Baron Duvillard kwam binnen. Dadelijk werd zij zoo koud als ijs; zij ontving hem met de uitdrukking van een beleedigde, jonge koningin, die een verklaring verwacht; hij glimlachte verlegen, want hij voorzag een storm en bracht bovendien nog slechte tijdingen. Zij was de zweer aan het ondanks het verval van zijn ras nog zoo sterke en krachtige lichaam van dien man. Zij was ook het begin der gerechtigheid en der boetedoening, daar zij het opgehoopte goud met beide handen naar zich toe trok en de hongerenden en van koude rillenden door haar wreedheid wreekte. Het was jammerlijk te zien hoe deze gevreesde en gevleide man, voor wien staten beefden, hier bleek werd van angst, deemoedig zich boog en door zijn begeerte voor die vrouw in een seniele, stamelende kindschheid terugviel.

“Als je eens wist, lieve vriendin, hoe druk ik het gehad heb. Een hoop vervelende zaken, conferenties met aannemers en het regelen van een moeilijke publiciteitsquaestie. Ik was al bang, dat ik je niet even de hand zou kunnen komen kussen.”

Hij kuste haar hand, maar zij liet haar arm weer koel en onverschillig vallen en keek hem slechts aan, wachtend op wat hij haar te zeggen zou hebben; en zij bracht hem daardoor in zoo’n verlegenheid, dat hij begon te transpireeren en te stamelen, geen woorden meer vinden kon.

“Natuurlijk heb ik mij ook met jouw belangen bezig gehouden; ik ben naar het ministerie van Schoone Kunsten geweest, waar men mij een formeele belofte gegeven had... O, men is daar nog altijd zeer op jouw hand!... Maar, stel je voor, die idioot van een minister, die Taboureau, een oude professor uit de provincie, die niets van ons Parijs kent, heeft zich beslist tegen je benoeming verzet en zegt, dat je, zoo lang hij aan het bewind is, nooit in de Comédie-Française debuteeren zal.”

“En?” was het eenige woord, dat over haar lippen kwam.

“Wat moet ik verder doen? Je kan toch een minister niet laten vallen, om jou de rol van Pauline te laten spelen.”

“En waarom niet?”

Hij deed, alsof hij lachte, maar het bloed drong naar zijn slapen en zijn geheele lichaam beefde van angst.

“Maar wees toch niet zoo koppig, mijn kleine Silviane. Je bent zoo aardig, als je wilt... Zet toch dat denkbeeld van dit debuut uit je hoofd. Je speelt een gevaarlijk spel, want wat zou je je ergeren, als het eens op een fiasco mocht uitloopen! Je zoudt geen tranen genoeg hebben, om te huilen... En bovendien je kunt me zooveel andere dingen vragen, die ik je graag geven zou. Daar, zeg maar wat je hebben wilt en je krijgt het onmiddellijk.”

Schertsend trachtte hij haar hand weer te nemen. Maar heel waardig deed zij een paar stappen terug.

“Niet dàt meer, niet dàt meer, zoolang ik de rol van Pauline niet gespeeld heb; begrepen?”

Hij had het begrepen: dat beteekende een gesloten slaapkamer, geen zoen zelfs meer in haar hals. Hij kende haar genoeg, om te weten met welk een strengheid zij hem van haar lichaam zou spenen. Uit zijn samengesnoerde keel kwam nog slechts een soort dof gebrom, terwijl hij bleef trachten de quaestie nog van een schertsenden kant op te nemen.

“Wat is zij ondeugend vandaag, hè?” ging hij door, zich tot Gérard wendend. “Wat heb je haar toch gedaan, dat ik ze in zoo’n toestand vind?”

Maar de jonge man bleef lui liggen en gaf geen antwoord; hij gevoelde geen lust slagen, die niet voor hem bestemd waren, op te vangen.

Maar nu kende de woede van Silviane geen grenzen meer.

“Wat hij gedaan heeft? Hij heeft me beklaagd, dat ik afhang van een man als jij bent, van een, die zoo zelfzuchtig en ongevoelig is voor beleedigingen, waarmede ik overstelpt word. Moest jij niet het eerst van verontwaardiging uit je vel springen? Hadt je mijn engagement aan de Comédie niet moeten eischen als een eerherstel? Want per slot van rekening is het een echec voor jou, en wanneer men mij niet waardig oordeelt, dan treft die beleediging jou ook... Maar ik ben maar een snol, niet waar?... Zeg het maar dadelijk, dat ik een snol ben, die uit achtenswaardige huizen weggejaagd wordt.”

Zij bleef doorrazen met vloeken en grove woorden, die steeds weer over haar zoo vinnige lippen kwamen, wanneer zij woedend was. Vergeefs smeekte de baron, die heel goed wist, dat een enkel woord van hem een nog grooteren stortvloed van gemeene woorden veroorzaken zou, den graaf met een blik tusschenbeide te komen; maar deze, wiens liefde voor den vrede hen menigmaal met elkaar verzoende, bewoog zich niet: hij was te slaperig, om zich met de zaak te bemoeien. Dan eindigde zij plotseling met den slag van een bijl, die alle gunsten afhouwt.

“Enfin, mijn waarde, je moet maar zien hoe je het klaar speelt, dat ik debuteer, maar vóór dien tijd niets hoor, zelfs niet het puntje van mijn pink!”

“Goed, goed!” prevelde Duvillard met een wanhopigen grijnslach; “we zullen het wel in orde brengen!”