Part 6
Pierre werd vooral geïnteresseerd door den storm, dien de dreigende ministerieele crisis om hem heen ontketende. Om Barroux en Monferrand groepeerden zich alleen mannen als Dutheil en Chaigneux, die den grond onder hun voeten voelden wegzinken en zich afvroegen of zij dien nacht niet in Mazas [3] slapen zouden. Al hun protégé’s waren daar, allen, die door hen invloed en betrekkingen gekregen hadden en nu door hun val ook verdwijnen zouden. Men moest dan ook hun angstige blikken zien te midden van de fluisterende gesprekken, de in omloop zijnde inlichtingen en praatjes. In de groep daarnaast, die zich om den kalmen, glimlachenden Vignon gevormd had, bevonden zich de andere protégé’s, zij, die gereed stonden om eindelijk een aanval op de macht te wagen, om eindelijk invloed en betrekkingen te krijgen. Daar vlamden de oogen van hebzucht, men las er een nog in den staat van hoop verkeerende vreugde in, een gelukkige verbazing over de zich zoo onverwacht voordoende gelegenheid. Vignon vermeed het een antwoord te geven op de al te directe vragen van zijn vrienden, verzekerde alleen maar, dat hij zich niet in de quaestie mengen zou. Blijkbaar was het zijn plan Mège te laten interpelleeren en het ministerie te laten vallen, want voor dezen was hij niet bang; hij zou—zoo dacht hij—de portefeuille slechts voor het oprapen hebben.
“Monferrand is er een,” zeide de kleine Massot, “die met de wolven in het bosch meehuilt. Ik heb hem gekend als een anticlericaal, als een priestervreter, als u mij die uitdrukking niet kwalijk neemt. Maar nu meen ik te mogen verklaren—en ik zeg dat niet om u naar den mond te praten—dat hij zich met God verzoend heeft... Men heeft mij tenminste verteld, dat monseigneur Martha niet meer van zijn zijde wijkt. Dat doet je pleizier in deze nieuwe tijden, nu de wetenschap bankroet geslagen heeft en de godsdienst aan alle kanten—in de letterkunde en in de maatschappij zelf—weer opbloeit in een verrukkelijk mysticisme.”
Hij spotte zooals altijd, maar hij had het op zoo’n beminlijke manier gezegd, dat de priester wel goedkeurend knikken moest. Doch er ontstond een groote beweging, overal werd gezegd, dat Mège naar het spreekgestoelte ging; alle leden haastten zich naar de zittingzaal en lieten in de Salle des Pas perdus alleen de nieuwsgierigen en enkele persmuskieten achter.
“Ik begrijp niet waar Fonsègue blijft,” begon Massot weer. “Wat hier gebeurt interesseert hem toch ook. Maar hij is zoo sluw, dat hij er altijd zijn goede redenen voor heeft, als hij niet doet wat een ander wel doen zou... Kent u hem?”
En na het ontkennende antwoord van Pierre:
“Een kranige kop en een ware macht!... O, ik spreek vrij uit over hem, ik ben nu eenmaal niet eerbiedig aangelegd en mijn chefs zijn juist de ledepoppen, die ik het beste ken en het liefste uit elkaar haal... Fonsègue wordt in het artikel van Sanier ook heel duidelijk aangewezen. Hij is trouwens een protégé van Duvillard. Dat hij geld aangenomen heeft, staat zoo vast als een paal boven water, want hij neemt voor alles geld aan. Maar hij is altijd gedekt, krijgt het geld om aannemelijke redenen, voor publiciteit en dergelijke gepermitteerde dingen. En wanneer hij, zooals ik zoo even meende te zien, onrustig is, wanneer hij talmt hier te komen als om een moreel alibi vast te stellen, dan heeft hij de eerste domheid in zijn leven uitgehaald.”
Massot ging verder den geheelen Fonsègue te schilderen. Hij was eveneens afkomstig uit la Corrèze en, men wist niet waarom, een doodsvijand van Monferrand. Vroeger advocaat te Tulle was hij naar Parijs gekomen, om het te veroveren en had het dank zij het groote ochtendblad de Globe, waarvan hij oprichter en directeur was, inderdaad veroverd. Nu bewoonde hij op de avenue du Bois de Boulogne een weelderig ingericht hôtel en er werd geen enkele nieuwe onderneming gelanceerd, waarin hij niet zijn koninklijk aandeel had. Hij was een zakengenie en maakte, om als meester over de markt te heerschen, van zijn blad gebruik als van een onberekenbare macht. Maar welk een handigheid en geduld was er voor noodig geweest, om eindelijk den naam te krijgen van een ernstig en soliden man, die met autoriteit het deugdzaamste en meest gerespecteerde blad regeerde! Hoewel hij in den grond der zaak noch aan God noch aan den duivel geloofde, had hij van die courant den steunpilaar der maatschappelijke orde, van den eigendom en van de familie gemaakt, zij was conservatief republikeinsch, sedert dat in haar belang was, maar bleef godsdienstig en predikte een geest, die de bourgeoise gerust stelde. En zoo, als erkende en geëerbiedigde macht, stak hij zijn hand in alle zakken.
“Nu ziet u, hoever je met de journalistiek komen kan, mijnheer de abbé! Vergelijk nu Sanier en Fonsègue eens. In den grond van de zaak zijn het collega’s; zij hebben ieder een wapen en gebruiken dat. Maar welk een verschil in de middelen en in de resultaten. Het blad van den eerste is feitelijk een goot, die hemzelf meesleept naar het riool, terwijl het blad van den tweede beslist tot de beste journalistiek behoort, die men zich denken kan, uitstekend verzorgd, zeer litterair, een lekkernij voor fijnproevers, een eer voor hem, die het leidt... En toch is het in den grond der zaak één en dezelfde comedie!”
Massot lachte hartelijk om zijn laatste aardigheid, maar zeide dan plotseling:
“Daar heb je Fonsègue eindelijk!”
En nog steeds lachend stelde hij den priester voor.
“Mijnheer de abbé Froment, die al een klein half uurtje op u zit te wachten... Ik zal eens gaan kijken wat er binnen gebeurt... U weet toch, dat Mège een interpellatie houdt.”
Fonsègue kreeg een kleine rilling.
“Een interpellatie... Goed, goed, ik kom dadelijk.”
Pierre keek hem aan. Het was een kleine, magere, levendige, nog jong gebleven vijftiger met een donkeren baard, fonkelende oogen en een mond, die onder zijn snor schuil ging. Verder had hij een zeer innemend uiterlijk en geest tot in het topje van zijn neus, den neus van een altijd snuffelenden jachthond.
“En waarmede kan ik u van dienst zijn, mijnheer de abbé?”
Pierre zette nu in enkele woorden zijn verzoek uiteen, vertelde van zijn bezoek aan Laveuve, gaf enkele hartverscheurende bijzonderheden en vroeg de onmiddellijke opneming van den ongelukkige in het Asile.
“Laveuve? Maar is zijn zaak al niet onderzocht?... Dutheil heeft er rapport over uitgebracht en de feiten waren zoodanig, dat we niet tot opneming hebben kunnen besluiten.”
De priester bleef aandringen.
“Ik verzeker u, mijnheer, dat uw hart van medelijden gebroken zou zijn, als u vanochtend met mij geweest was. Het is een schande den ouden man nog een uur langer in zoo’n verwaarloosden toestand te laten. Hij moet vanavond in het Asile slapen.”
“Vanavond,” riep Fonsègue uit, “maar dat is onmogelijk, absoluut onmogelijk! Daarvoor moeten eerst allerlei formaliteiten vervuld worden. Trouwens ik kan alleen geen beslissing nemen, die macht bezit ik niet. Ik ben slechts de administrateur en doe niets anders dan de bevelen van het damescomité uitvoeren.”
“Maar barones Duvillard heeft mij juist naar u gezonden en mij verzekerd, dat u alleen de noodige macht bezit, om in een uitzonderingsgeval een onmiddellijke opneming te gelasten.”
“Zoo, zendt de barones u! Dat is net iets voor haar! Zij is niet in staat een besluit te nemen en veel te bezorgd voor haar rust, om een verantwoordelijkheid te aanvaarden... Waarom wil zij, dat juist ik al die onaangenaamheden hebben moet? Neen, neen, mijnheer de abbé, ik doe beslist niets tegen onze reglementen in, ik ben niet van plan een bevel te geven, dat mij misschien in onmin met de dames zou brengen. U kent ze niet; ze zijn verschrikkelijk, zoodra zij vergaderen.”
Hij werd opgewekter en verdedigde zich schertsend; maar hij had reeds het vaste besluit genomen niets te doen. Plotseling verscheen Dutheil weer en stormde blootshoofds de wandelgangen in, om de afwezigen, die belang hadden bij de discussie, welke zoo juist een aanvang genomen had, te verzamelen.
“Wat, ben jij daar nog, Fonsègue. Ga gauw naar je plaats. Het wordt ernst!”
Hij was alweer weg. De afgevaardigde haastte zich echter volstrekt niet, alsof de verdachte geschiedenis, die de zittingzaal in een hartstochtelijke opwinding bracht, hem in geen geval nadeel berokkenen kon. Hij glimlachte nog steeds, hoewel een licht, zenuwachtig beven hem met zijn oogleden deed knippen.
“Neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé, maar u ziet, dat mijn vrienden mij noodig hebben. Ik herhaal u, dat ik absoluut niets voor uw protégé kan doen.”
Maar Pierre wilde dit antwoord nog niet als definitief aannemen.
“Neen, neen, mijnheer, ga u nu maar uw zaken doen, dan wacht ik zoolang wel hier... Neem geen besluit, zonder er rijpelijk over na te denken. Men haast u op het oogenblik en ik voel, dat u niet met onverdeelde aandacht naar mij luistert. Wanneer u strakjes terugkomt en u geheel aan het geval wijden kunt, zult u, daar ben ik zeker van, toestaan wat ik u vraag.”
En hoewel Fonsègue hem bij het weggaan verzekerde, dat hij zijn besluit niet zou kunnen veranderen, bleef Pierre hardnekkig en ging weer op het bankje zitten, ook al zou hij tot ’s avonds moeten wachten. De Salle des Pas perdus was nu bijna geheel ledig en leek nu nog droefgeestiger en killer met haar Laokoöon en haar Minerva en met haar kale wanden; zij maakte den indruk van een banaal station, waar het gewoel van de eeuw doortrok, zonder het hooge plafond te verwarmen. Nooit nog was een valer, onverschilliger daglicht door de groote glazen deuren binnengevallen, waarachter men den kleinen, ingesluimerden tuin met zijn spaarzaam wintergroen zag. Geen geluid van de stormachtige zitting ernaast drong hier door; slechts een doodelijke stilte viel neer uit het zwaarmoedige gebouw, waardoor een rilling van troosteloosheid ging, die ongetwijfeld van heel ver, uit het geheele land gekomen was.
Dat was het wat Pierre nu in zijn overpeinzingen niet losliet. De geheele oude, vergiftigde wond lag hier in haar ettering bloot. De langzame parlementaire verrotting had zich uitgebreid en greep nu het sociale lichaam aan. Zeker boven de lage intriges, boven het drijven van persoonlijke eerzucht stond wel de hoogere strijd der principes, stond de voortschrijdende geschiedenis, die het verleden wegvaagde en trachtte in de toekomst meer waarheid, gerechtigheid en geluk te scheppen; maar wat hielp dat, wanneer men in de vreeselijke dagelijksche praktijk niets zag dan de ontketening van egoïstische begeerten, den eenigen drang om zijn buurman te worgen en alleen te triompheeren. Tusschen de verschillende groepen ontdekte men niets dan een strijd om de macht en om de bevrediging, die de overwinning geeft. Links en rechts, katholieken, republikeinen, socialisten en al die ontelbare partijschakeeringen waren niets dan etiquetten, welke denzelfden brandenden dorst naar heerschen en regeeren classificeerden. Alle vragen trokken zich samen tot één vraag, wie van deze, gene of nog een derde partij Frankrijk in zijn macht hebben zou, om ervan te genieten, om zijn gunsten te verdeelen onder zijn beschermelingen. En het ergste was, dat de groote slagen, de dagen en weken, welke ermede verloren gingen dezen op genen en genen weer op dien te laten volgen, op niets anders uitliepen dan op een allerdwaast heen en weer trappelen op dezelfde plaats, want alle drie beteekenden even veel of even weinig; er bestonden tusschen hen slechts vage verschillen, zoodat de nieuwe meester hetzelfde werk bedierf als zijn voorganger, daar hij, zoodra hij aan het bewind kwam, noodzakelijkerwijze zijn programma’s en beloften vergeten moest.
Onoverwinlijk keerden Pierre’s gedachten weer terug naar Laveuve, dien hij een oogenblik vergeten had. O, wat bekommerde die ongelukkige oude man, die daar op zijn lompen van honger lag te crepeeren, er zich om of Mège het ministerie-Barroux zou doen vallen en een ministerie-Vignon aan het bewind komen zou? Op die wijze zouden er honderd, tweehonderd jaren moeten verloopen voor er brood was in de dakkamertjes, waar de verminkten van den arbeid, de oude, kreupel geworden lastdieren liggen te reutelen. En achter Laveuve stond de geheele ellende, het geheele volk der onterfden en der armen, die in doodsstrijd verkeerden en gerechtigheid eischten, terwijl de voltallige Kamer zich hartstochtelijk opwond om te weten, aan wien de natie toebehooren, wie haar verslinden zou. De modder stroomde tot aan den rand, de afschuwelijke, bloedende wond lag schaamteloos bloot als een kankergezwel, dat het organisme wegvreet en het hart aantast. Welk een walging boezemde dat schouwspel in, hoe verlangde men naar het wrekende mes, dat gezondheid en vrede teruggeven zou.
Pierre zou niet hebben kunnen zeggen hoe lang hij in dat gepeins verzonken was, toen wederom een verward lawaai de zaal vulde. Verschillende Kamerleden kwamen weer terug en vormden druk gesticuleerende groepen. Dan hoorde hij plotseling Massot naast zich zeggen:
“Het is nog niet gevallen, maar het scheelt toch een beroerd beetje. Ik geef geen sou meer voor zijn leven.”
Hij bedoelde het ministerie. Dan vertelde hij aan een pas aangekomen collega het verloop der zitting. Mège had heel goed en met een buitengewoon vurige verontwaardiging tegen de verrotte en verrottende maatschappij gesproken, maar had, zooals altijd, zijn doel voorbijgestreefd en juist door zijn heftigheid de Kamer bang gemaakt. Toen Barroux dan ook de verdaging van de interpellatie voor een maand gevraagd had, behoefde hij slechts woorden te geven aan zijn verontwaardiging, die trouwens zeer oprecht was, want een heilige toorn tegen de infame campagnes, die een zekere pers voerde, vervulde hem. Moest de smaad van Panama zich hernieuwen? Zou de volksvertegenwoordiging zich door nieuwe dreigementen met onthullingen laten intimideeren? Het eenige doel was, om de republiek zelf onder een vloed van schanddaden te verdrinken. Neen, neen, het uur was gekomen, om tot zichzelf in te keeren, om in vrede te werken, zonder dat op schandaal beluste personen in staat gesteld zouden worden den algemeenen vrede te verstoren. En de Kamer, op wie deze woorden indruk gemaakt hadden en die bang was op den langen duur het geduld van de kiezers met die telkens nieuwe modder uit te putten, had de interpellatie voor een maand verdaagd. Maar, hoewel Vignon zich met opzet niet in de discussie gemengd had, had zijn geheele groep tegen het ministerie gestemd, zoodat de door Barroux verkregen meerderheid slechts twee stemmen bedroeg—een belachelijke meerderheid.
“Maar dan zal het ministerie ontslag vragen,” zeide een stem tot Massot.
“Ja, het gerucht gaat. Maar Barroux is taai... In ieder geval zullen zij, wanneer zij mochten aanblijven, binnen acht dagen tegen den grond liggen, te meer daar Sanier woedend is en beweert morgen de lijst met namen te publiceeren.”
Inderdaad zag men Barroux en Monferrand haastig en terneergeslagen en door hun ongeruste protégé’s gevolgd, voorbijkomen. Men vertelde, dat het geheele kabinet zou vergaderen, om een beslissing te nemen. Dan kwam Vignon, omgeven door zijn vrienden, terug. Hij straalde van vreugde, die hij echter voor zijn vrienden trachtte te verbergen, want hij wilde niet te vroeg victorie kraaien; maar de oogen van zijn groep fonkelden, een geheele troep jachthonden, die wachtten op het naderende uur van den buit. Zelfs Mège triompheerde. Op twee stemmen na had hij het ministerie doen duikelen! Alweer een! En dat van Vignon zou hij ook ten val brengen. En dan zou hij eindelijk regeeren!
“Alle duivels!” mompelde de kleine Massot. “Chaigneux en Dutheil zien er uit als een paar honden, die een rammeling gehad hebben. Maar kijk eens naar Fonsègue, dan zie je wat anders. Wat een kerel, hè?... Bonsoir, ik maak, dat ik wegkom!”
Hij gaf zijn collega de hand; hij wilde niet blijven, hoewel de zitting nog niet opgeheven was en er weer een belangrijke quaestie—maar natuurlijk voor leege banken—behandeld werd.
Pierre was opgestaan, om nogmaals zijn verzoek aan Fonsègue te doen. Maar deze was hem voor en zeide haastig:
“Neen, heusch niet, mijnheer de abbé, ik zeg u nogmaals, dat ik beslist weiger de verantwoordelijkheid van een dergelijke overtreding van onze reglementen op mij te nemen. Er is een rapport uitgebracht en de zaak is definitief beslist. Hoe kan ik dus anders handelen dan ik doe?”
“Mijnheer,” zeide de priester smartelijk, “het gaat hier om een ouden man, die honger heeft, die koude lijdt en sterven zal, wanneer hij niet geholpen wordt.”
Met een wanhopig gebaar scheen de hoofdredacteur van den Globe de muren tot getuigen te roepen, dat hij er niets aan kon doen. Ongetwijfeld was hij bang voor de een of andere onaangename geschiedenis voor zijn blad, waarin hij het Asile des Invalides du Travail als verkiezingswapen misbruikt had. En misschien ook maakte de heimelijke angst, waarin de zitting hem gebracht had, hem hardvochtig.
“Ik kan niets doen, ik kan niets doen... Maar ik zou natuurlijk niets liever zien dan dat u mij door het damescomité zoudt dwingen iets te doen. U hebt reeds den steun van barones Duvillard, tracht ook dien van de andere dames te krijgen.”
Vastbesloten tot het einde toe te strijden, zag Pierre daarin een laatste middel, om zijn doel te bereiken.
“Ik ken gravin de Quinsac; ik zou dadelijk naar haar toe kunnen gaan.”
“Ja, dat is uitstekend! Ga naar gravin de Quinsac; neem een rijtuig en tracht ook prinses de Hardt te spreken. Die heeft tegenwoordig veel invloed... Probeer de toestemming van die dames te krijgen, ga dan om zeven uur naar de barones terug, vraag aan haar een brief, die mij dekt, en kom dan bij mij op de courant. Om negen uur is uw man dan in het Asile.”
Hij sprak nu op vroolijk-ongedwongen toon en scheen, nu hij geen gevaar meer liep in moeilijkheden te geraken, zeker van het succes. De priester vatte weer nieuwen moed.
“Ik ben u hoogst dankbaar, mijnheer; u zult een reddingswerk doen.”
“Maar u begrijpt toch, hoop ik, dat ik niets liever zou willen. Ja, als wij met een woord de ellende genezen, honger en dorst voorkomen konden!... Maar haast u, u hebt geen minuut te verliezen.”
Zij gaven elkaar de hand en Pierre haastte zich weg. Het was niet makkelijk, want de groepen waren grooter geworden; de woede en de angst van de zitting vormden hier een stormachtigen tegenstroom, zooals een steen, die midden in een poel geworpen wordt, de modder opwoelt en het verborgen vuil naar de oppervlakte doet stijgen. Hij moest zich met zijn ellebogen een weg banen door die menigte, door de rillende en bevende lafheid van sommigen en de onbeschaamde brutaalheid van anderen, door de vuile bezoedelingen, die de meesten tengevolge van de onvermijdelijke besmetting der omgeving gekregen hadden. Maar hij nam een nieuwe hoop met zich mede, en het scheen hem toe, dat, wanneer hij dezen dag een leven redde, wanneer hij dezen dag iemand gelukkig maakte, dat het begin van de verlossing, een kleine aflaat voor de domheden en zonden van de zelfzuchtige en vraatzuchtige politieke wereld zijn zou.
In de vestibule hield een nieuw incident Pierre nog even op. Er heerschte daar een groote opwinding ten gevolge van een ruzie tusschen een man en een der boden, die den man den toegang geweigerd had, na gezien te hebben, dat de kaart, die hij toonde, een oude kaart was, waarop de datum weggekrabd was. De man, die eerst grof en brutaal was geweest, drong niet verder aan en scheen door een plotselinge schuchterheid aangegrepen te zijn. Pierre herkende tot zijn verbazing in dien slecht gekleeden man Salvat, dien hij ’s morgens had weg zien gaan, om werk te zoeken. Ditmaal was hij het werkelijk—groot, mager, verwilderd met vlammende dwepersoogen in zijn bleek hongerlijdersgezicht. Hij had zijn zak met gereedschappen niet meer bij zich; zijn in flarden hangende jas was dichtgeknoopt en puilde aan den linkerkant uit, waarschijnlijk door een stuk brood, dat hij eronder gestopt had. Teruggejaagd door de boden, ging hij weer verder en liep langzaam op goed geluk af den pont de la Concorde over, als iemand, die niet weet, waarheen hij gaat.
IV.
In den ouden, verkleurden salon Louis XVI met grijze betimmering zat gravin de Quinsac op haar gewone plaatsje naast den schoorsteen. Met haar lang en voornaam gelaat, haar ietwat strenge kin en met haar nog mooie oogen onder het naar de ouderwetsche mode uit haar jeugd opgemaakte, fijne, grijze haar geleek zij sprekend op haar zoon. Ondanks haar trotsche koelheid kon zij vriendelijk en innemend zijn.
Na een lange stilte begon zij weer met een kleine handbeweging tegen markies de Morigny, die aan den anderen kant van den schoorsteen, waar hij sedert jaren denzelfden fauteuil had, zat:
“Ja, beste vriend, ge hebt groot gelijk, de lieve God heeft ons in een verschrikkelijken tijd vergeten.”
“Ja, wij zijn het geluk voorbijgevlogen,” zeide hij langzaam; “en daar hebben wij beiden schuld aan.”
Met een tweede gebaar legde zij hem droef glimlachend het zwijgen op. En weer viel een stilte in; geen geluid van de straat drong door in dezen droefgeestigen rez-de-chaussée, die achter op de binnenplaats van een oud hôtel in de rue Saint-Dominique, bijna op den hoek van de rue de Bourgogne, lag.
De markies was een oude man van vijf-en-zeventig jaar, negen jaar ouder dan de gravin. Hoewel hij klein en mager was, maakte hij met zijn gladgeschoren gezicht met de diepe, correcte rimpels toch een voornamen indruk. Hij behoorde tot een der oudste families van Frankrijk en was een der laatste legitimisten, die, ofschoon hij geen hoop meer had, ondanks alles trouw bleef aan de gestorven monarchie. Zijn nog altijd op eenige millioenen geschat vermogen was als het ware geïmmobiliseerd door zijn weigering om het in dienst te stellen van de werken der eeuw en het op die wijze vruchten te doen dragen. Men wist, dat hij de gravin, zelfs nog tijdens het leven van graaf de Quinsac, heimelijk had liefgehad en na den dood van dezen, toen de hoogstens veertigjarige weduwe zich met een rente van vijftien duizend francs op dezen vochtigen rez-de-chaussée had moeten terugtrekken, haar zijn hand aangeboden had. Doch zij aanbad haar toenmaals tienjarigen zoon Gérard, die zeer teer van gezondheid was; en uit een soort moederlijke schaamte, uit een bijgeloovige vrees, dat zij hem verliezen zou, wanneer zij een nieuwe liefde en een nieuwen plicht in haar leven bracht, had zij alles voor dien jongen opgeofferd. De markies echter, die zich erbij neergelegd had, bleef haar met zijn geheele ziel aanbidden, maakte haar nog het hof als op den eersten avond, dat hij haar gezien had. Nooit had er iets tusschen hen bestaan; zelfs geen kus hadden zij elkander gegeven.
Toen hij haar daar zoo treurig zitten zag, was hij bang haar misnoegen opgewekt te hebben en voegde hij eraan toe:
“Ik zou je graag gelukkiger gemaakt hebben, maar ik heb het niet gekund, en dat is zeker alleen mijn schuld.—Maak je je bezorgd over Gérard?”
Zij knikte van neen, om dan te zeggen:
“Zoolang de zaken blijven, zooals zij zijn, mogen we niet klagen, lieve vriend, want wij hebben ze aanvaard.”