De drie steden: Parijs

Part 47

Chapter 473,271 wordsPublic domain

Maar al hebben voorloopers, geleerden en wijsgeeren als Darwin, Fourier en anderen, den godsdienst van morgen gezaaid door het heilswoord toe te vertrouwen aan den toevallig voorbijstrijkenden wind—hoeveel eeuwen zullen er niet noodig zijn voor de oogst opkomt? Men vergeet altijd, dat het Katholicisme vier eeuwen noodig gehad heeft om zich te vormen en in een langdurigen, onderaardschen arbeid te ontkiemen, alvorens het opgroeide en in de volle zon heerschte. Laat men dan eeuwen geven aan dezen godsdienst der wetenschap, waarvan het kiemen overal merkbaar is, en men zal zien, dat de bewonderenswaardige denkbeelden van een Fourier zich tot een nieuw Evangelie vormen: de begeerte zal weer de hefboom zijn, die de wereld beweegt; de arbeid wordt weer door allen erkend, geëerd en als het mechanisme van het natuurlijke en wetenschappelijke leven geregeld; de hartstochtelijke krachten van den mensch worden geprikkeld, bevredigd en ten slotte voor het menschelijk geluk dienstbaar gemaakt.

De algemeene kreet naar gerechtigheid, die steeds luider en luider uit den grooten Zwijgende, uit het zoo lang bedrogen en uitgezogen volk oprijst, is slechts een kreet naar dat geluk, waarnaar alle wezens streven. Het leven moet om zichzelfswille in vrede en in de expansie van alle krachten en alle vreugden geleefd worden. De tijden zullen komen, dat het koninkrijk Gods op aarde heerschen, dat het andere leugenachtige Paradijs dus gesloten zal zijn, zelfs wanneer de armen van geest een oogenblik onder den dood van hun illusie moeten lijden, want het is een noodzakelijkheid de blinden op wreede wijze te opereeren, om hen aan hun ellende, aan den langen, vreeselijken nacht van hun onwetendheid te ontrukken.

Plotseling werd Pierre door een groote vreugde overstroomd. De zachte kreet van een kind, de kreet van den wakker wordenden Jean had hem uit zijn overpeinzingen gewekt; en plotseling had de gedachte zich van hem meester gemaakt, dat hij gered was, buiten de leugen stond, tot de goede en gezonde natuur teruggekeerd was. Met welk een huivering zeide hij tot zichzelf, dat hij zich verloren, weggevaagd uit het leven, in het Niet van den onmenschelijken God weggezonken gewaand had en dat een wonder der liefde hem daaruit gered had! Ondanks zijn vrees voor het niet te vernietigen stigma bezat hij nog zijn kracht; immers daar lag dat lieve, dierbare, flinke, vroolijke kind, geboren uit hem! Het leven had leven verwekt, de waarheid straalde triomphantelijk als de zon. Het derde experiment was genomen met Parijs en dat was beslissend, beteekende niet, zooals dat met de beide anderen, met Lourdes en Rome, een armzalige mislukking, met nog meer duisternis, nog meer smart.

Eerst had de wet van den arbeid zich aan hem geopenbaard; hij had zich een taak gesteld, o zeker een zeer nederige, dit zoo laat geleerde handwerk, maar toch in ieder geval een taak, waarbij hij geen dag ontbreken mocht, die hem de rust, dat hij zijn plicht deed, geven zou. Want het leven zelf was niets dan arbeid, de wereld bestond slechts door arbeid. Daarna had hij liefgehad, zijn redding was door het kind volkomen geworden. O, welk een lange omweg om tot deze natuurlijke en eenvoudige oplossing te komen. Wat had hij geleden; hoeveel dwalingen en aanvallen van woede hadden hem van streek gebracht, voor hij eenvoudig dat deed wat alle menschen doen! Deze radelooze, met zijn rede strijdende liefde, die liefde, welke door de absurditeiten van de wondergrot gebloed had en welke door het trotsche verval van het Vaticaan nog meer aan het bloeden gebracht was, werd eindelijk bevredigd in den echtgenoot en den vader, in den man, die in den arbeid volgens de rechtvaardige wet van het leven vertrouwde. Daarin lag de onbetwistbare waarheid, de oplossing van het geluk in de zekerheid.

Maar Bache en Théophile Morin, de kalme, van de verre toekomst zekere apostelen, waren intusschen weggegaan met de belofte weer spoedig een avond te zullen komen praten. Daar Jean nog harder begon te schreeuwen, nam Marie hem in haar armen en maakte haar onderlijfje los, om hem de borst te geven.

“De schat! Het is zijn tijd, hij vergeet het niet!... Kijk eens, Pierre, ik geloof, dat hij sedert gisteren nog dikker is geworden.”

Zij lachte en Pierre kwam ook lachend naar haar toe, om het kind een zoen te geven. Dan kuste hij, door een onweerstaanbare ontroering aangegrepen, nu hij dit kleine, rose en gulzige wezentje op dien mooien, door melk opgezwollen vrouwenboezem zag, ook de moeder. Een heerlijke geur van gelukkige vruchtbaarheid steeg daaruit tot hem op en bedwelmde hem met levensvreugde.

“Maar hij zal je opeten,” zeide hij vroolijk. “Wat zuigt hij!”

“Ja, hij bijt me wel wat. Maar dat hindert niets, dat bewijst, dat hij het lekker vindt.”

Nu mengde zich ook Grootmoeder in het gesprek, terwijl een glimlachje haar gezicht verhelderde.

“Zeg, ik heb hem vanochtend gewogen. Hij is weer honderd gram zwaarder geworden. En als je eens wist, hoe zoet die lieve schat is! Het zal een zeer verstandig, braaf kereltje worden, zooals ik ze gaarne zie. Als hij vijf is, zal ik hem leeren lezen en op zijn vijftiende zal ik hem vertellen, hoe men een man wordt... Niet waar Thomas? Niet waar Antoine? Niet waar François?”

De drie groote zoons keken lachend op en knikten toestemmend, dankbaar voor de heldhaftige lessen, die zij hun gegeven had. Zij schenen er geen oogenblik aan te twijfelen, of zij zou nog twintig jaar leven, om ze ook aan Jean te geven.

In verrukking over hun liefde was Pierre voor Marie blijven staan, toen hij voelde hoe Guillaume zijn handen op zijn schouders legde. Hij keek om en zag, dat ook hij straalde en zeer gelukkig was hen zoo gelukkig te zien. De zekerheid, dat zijn broeder genezen was, dat in het werkzame huis niets dan gezondheid en blijde hoop heerschte, verdubbelde zijn geluk.

“Herinner je je nog, Pierre,” zeide Guillaume op zachten toon, “dat ik je zeide, dat je enkel en alleen door den strijd van je hart tegen je rede leedt, en dat je de rust terug zoudt vinden, wanneer je liefhadt en begreep? Je moest in jezelf onze moeder en onzen vader verzoenen, wier strijd, wier smartelijk misverstand tot in het graf voortduurde. Dat is nu geschied; zij rusten nu eindelijk in vrede in jouw tot rust gebracht hart.”

Deze woorden ontroerden Pierre diep. Een blos van vreugde kleurde zijn thans zoo opgewekt en energiek gelaat. Wel bezat hij nog steeds zijn torenvormig voorhoofd, de oninneembare vesting van de rede, die hij van zijn vader had, evenals de teedere kin, de goede lippen en oogen, die zijn moeder hem gegeven had. De twee eerste mislukte proeven waren in hem de aanvallen der moeder, de weenende teederheid, die diep bedroefd was, omdat zij niet gestild kon worden; de derde had slechts tot geluk geleid, omdat hij dien brandenden liefdeshonger bevredigd had in de vrouw, in het kind, in den werkzamen en vruchtbaren arbeid, waarbij hij gehoorzaamde aan de souvereine rede, aan den vader, die zoo luid in hem sprak. De rede alleen bleef de koningin.

“Je hebt daarmede,” ging Guillaume voort, “een goed en mooi werk gedaan, voor jou, voor ons allen, voor onze dierbare ouders, wier tot rust gekomen en één geworden schimmen nu zoo rustig in het kleine huisje van onze jeugd zijn. Ik denk zoo dikwijls aan ons lief huisje te Neuilly, dat de oude Sophie voor ons bewaakt, en ik stel mij voor, dat de veelgeliefde dooden in het duister van de groote werkkamer heerlijk rusten en op ons wachten. Welk een vrede voor hen in dat kleine, verlaten huisje! Maar al heb ik uit egoïsme jullie hier willen houden, omdat ik het geluk om mij heen wilde zien, toch moet Jean er eenmaal in gaan wonen, om het weer jong te maken.”

Op zijn beurt had Pierre de handen van Guillaume in de zijne genomen. En oog in oog vroeg hij hem:

“Ben jij gelukkig?”

“Ja, ik ben gelukkig, heel gelukkig, veel gelukkiger dan ik ooit geweest ben—gelukkig, omdat ik je liefheb, zooals ik je liefheb, omdat jij mij liefhebt, zooals niemand anders mij liefhebben kan.”

Hun harten vereenigden zich in deze innige broederliefde—de meest volkomen en heldhaftigste liefde, die den eenen mensch in den anderen kan doen opgaan. Zij omhelsden elkaar, terwijl Marie, haar kind aan haar borst houdend, glimlachend en met tranen in haar oogen naar hen keek.

Thomas had intusschen de laatste hand aan den motor gelegd en bracht dien eindelijk in beweging. Het was een wonder van lichtheid en kracht en had, gezien de buitengewone energie, die hij ontwikkelde, zoo goed als geen gewicht. Hij werkte met volkomen rust, geruisch- en reukloos. De heele familie stond verrukt om hem heen, toen een bezoeker, de geleerde en steeds hartelijke Bertheroy binnenkwam. Guillaume verwachtte hem, want hij had hem gevraagd naar de functionneering van den motor te komen kijken.

Onmiddellijk uitte de groote scheikundige een kreet van bewondering, en toen hij het mechanisme nagekeken en de toepassing van de springstof en beweegkracht begrepen had, wenschte hij Guillaume en Thomas geestdriftig geluk.

“Het is een wonder, dat je daar geschapen hebt, waarvan de toepassing een onberekenbare sociale en menschelijke beteekenis krijgen zal. Ja, zeker, in afwachting van den electrischen motor, dien we nog niet hebben, is dit de ideale motor. Thans bezitten wij de mechanische trekkracht voor alle soorten voertuigen, is de luchtvaart mogelijk, het probleem van de op haar plaats blijvende kracht definitief opgelost. Welk een reuzenstap, welk een plotselinge vooruitgang! Afstanden bestaan nu bijna niet meer, alle wegen zijn geopend, de menschen kunnen eindelijk broederlijk met elkaar verkeeren... Dit is een groote weldaad, een mooi geschenk, dat je aan de wereld geeft.”

Dan sprak hij schertsend over de nieuwe, een zoo geweldige kracht bezittende springstof, waarvan de ontdekking nu op deze weldadige toepassing uitgeloopen was.

“En ik dacht nog al, Guillaume, dat jij met al je geheimdoenerij de formule ervan voor mij verbergen wilde, omdat je heel Parijs in de lucht wou laten vliegen.”

Guillaume werd ernstig.

“Daar heb ik ook een oogenblik aan gedacht,” zeide hij, even verbleekend.

Maar Bertheroy bleef lachen en deed, alsof hij daarin slechts een scherts zag, hoewel hij een koude rilling over zijn lichaam huiveren voelde.

“Nu beste vriend, je hebt er beter aan gedaan de menschheid dit wonder te schenken, waarvan de uitvoering zeker niet zonder moeite en gevaar geweest is. We hebben hier dus een springstof, die de menschen vernietigen moest en nu ten slotte hun welzijn verhoogen zal. Alles loopt altijd goed af, dat herhaal ik uit den treure.”

Bij het hooren van deze verheven en verdraagzame gemoedelijkheid werd Guillaume geroerd. Het was zoo: wat vernietigen moest, diende den vooruitgang—de bedwongen vulkaan werd arbeid, vrede, beschaving. Hij had zelfs zijn oorlogs- en overwinningsmachine opgegeven en zich tevreden gesteld met deze laatste uitvinding, die de uitputting der menschheid verlichtte, haar arbeid tot de noodzakelijke en voldoende krachtsinspanning beperkte. Hij zag daarin een weinig meer gerechtigheid, al de gerechtigheid, die hij voor zijn deel had kunnen scheppen. En toen hij zich omkeerde en de basilica van den Sacré-Cœur zag, kon hij zich de besmetting van den waanzin, die zich een oogenblik van hem meester gemaakt had en hem van een dwaze, nuttelooze vernietiging had doen droomen, niet begrijpen. Een booze, uit de ellende, uit de verspreide giststoffen van woede en wraak ontstane ademtocht was langs hem gestreken. Maar welk een verblinding om te gelooven, dat verwoesting en moord een vruchtbare daad kon zijn, die den bodem bezaaide voor een rijke en gelukkige oogst! Men bereikt het doel der gewelddaad dadelijk en zij dient nergens anders voor dan dat zij zelfs bij hen, voor wie men doodt, het gevoel van solidariteit prikkelt. Het volk, de groote menigte komt in verzet tegen den enkeling, die gerechtigheid meent uit te oefenen. Een vulkaan, o zeker, maar de vulkaan is de geheele aardkorst, de geheele volksmassa, die door den onweerstaanbaren druk der inwendige vlam opgeheven wordt, om een vrije maatschappij opnieuw te scheppen. En hoe groot de heldhaftigheid van hun waanzin ook zijn mag, moordenaars zijn nooit iets anders dan moordenaars, wier daad afschuw zaait.

En op zijn beurt lachend, verklaarde Guillaume, dat hij geheel genezen was.

“U hebt gelijk, alles eindigt altijd goed, want alles schrijdt de waarheid en gerechtigheid tegemoet. Maar er zijn soms duizend jaren mede gemoeid. Wat mij betreft, ik zal mijn nieuwe springstof eenvoudig in den handel brengen, opdat zij, die het verlof daartoe krijgen, zich door de vervaardiging ervan rijker kunnen maken... Ik zie er van af de wereld te revolutionneeren.”

Maar daar kwam Bertheroy tegen in verzet. Met een hartstocht, waarin de kracht van zijn zeventig jaar duidelijk aan het licht kwam, wees hij op den kleinen motor.

“Maar dat is de revolutie, de ware, de eenige revolutie. Hiermede en niet met bommen brengt men de revolutie in de wereld! Niet door verwoesten, maar door scheppen heb je een revolutionnaire daad verricht... Hoe dikwijls heb ik het je niet gezegd, de wetenschap alleen is revolutionnair, de eenige, die boven de armzalige politieke gebeurtenissen en het ijdele drijven van partijgangers en eerzuchtigen uit, aan de toekomstige menschheid werkt en voor haar de waarheid, de gerechtigheid en den vrede voorbereidt... O beste jongen, als je aan de wereld wat meer geluk geven wilt, dan behoef je slechts in je laboratorium te blijven, want het toekomstige geluk kan slechts uit de ovens der geleerden geboren worden.”

Hij zeide het op eenigszins schertsenden toon, maar men voelde dat hij tot in het diepst van zijn ziel overtuigd was van wat hij zeide; met minachting zag hij op alles wat geen wetenschap was, neer. Hij had zich zelfs niet verwonderd, toen Pierre zijn soutane afgelegd had, en nu hij hem hier met vrouw en kind vond, bleef hij even vriendelijk als altijd.

De motor snorde ondanks zijn wonderbare snelheid nauwlijks merkbaar, als een bromvlieg in de zon. De geheele gelukkige familie stond er omheen en glimlachte vol vreugde over deze overwinning. Daar zag plotseling de kleine Jean, die eindelijk genoeg gedronken had en nog een melkbaard om zijn mondje had, de machine, het mooie, van zelf loopende speelgoed. Zijn oogen schitterden, in zijn wangen kwamen kuiltjes en met gilletjes van vreugde stak hij zijn kleine knuistjes uit.

Marie deed lachend haar onderlijfje dicht en droeg hem erheen, opdat hij het speelgoed beter zou kunnen zien.

“Dat is mooi, hè schat? Dat draait, dat is sterk, dat leeft, zie je wel?”

Allen hadden schik om het verbaasde en verrukte gezicht van het kind, dat de machine had willen aanraken, om te begrijpen.

“Ja,” herhaalde Bertheroy; “het leeft en is sterk als de zon, als de groote zon daar, die over het reusachtige Parijs straalt en daar menschen en dingen doet rijpen. Parijs zelf is ook een motor, Parijs is de ketel, waarin de toekomst kookt, en waaronder wij, geleerden, het eeuwige vuur onderhouden... Met dit wonder, dat den arbeid van ons groote Parijs in de geheele wereld nog uitbreiden zal, ben jij, beste Guillaume, de stoker, de scheppende arbeider der toekomst.”

Pierre werd door die woorden zeer getroffen, en weer rees voor hem de voorstelling op van den reusachtigen ketel, den van den eenen rand van den horizont tot den anderen gevulden ketel, waarin de komende eeuw geboren zou worden uit de buitengewone vermenging van goed en kwaad. Maar nu zag hij boven de hartstochten, de eerzuchtige pogingen, de gebreken uit den geweldigen gepraesteerden arbeid, den heldhaftigen handenarbeid en de fabrieken en werkplaatsen, het glorierijke zoeken van de intellectueele jeugd, die hij aan het werk wist, die in stilte studeerde, geen enkele verovering der ouderen prijs gaf en niets liever wilde dan het gebied daarvan uitbreiden. Dat is de exaltatie van Parijs, in welks reusachtigen schoot de toekomst zich ontwikkelt, waaruit deze, licht als het morgenrood, zal springen. Evenals de oude wereld het nu in doodsstrijd liggende Rome bezeten had, zoo heerschte Parijs nu onbeperkt over den modernen tijd; het is het middelpunt der volkeren in die voortdurende beweging, welke hen met de zon van het Oosten naar het Westen, van beschaving tot beschaving draagt. Het is het brein—een geheel groot verleden heeft het voorbestemd om onder alle steden de inwijdster, de beschaafster, de bevrijdster te zijn. Gisteren riep het den naties den kreet “Vrijheid” toe, morgen zou het haar den godsdienst der wetenschap, de gerechtigheid, het door de democratieën verwachte nieuwe geloof brengen. Het was ook de goedheid, de vroolijkheid, de zachtmoedigheid, de hartstocht om alles te weten, de edelmoedigheid, om alles te geven. In de werklieden van zijn voorsteden, in de boeren van zijn omliggende landerijen bezit het onuitputtelijke hulpbronnen, oneindige reserven aan menschen, waaruit de toekomst zonder te tellen putten kan. De eeuw ging met Parijs ten einde, de volgende eeuw zou met Parijs beginnen.

Marie uitte een zachten kreet van bewondering en wees met een gebaar op Parijs.

“Kijk toch eens, kijk toch eens! Parijs geheel in goud, Parijs bedekt door zijn goudoogst.”

Allen stonden verrukt, want werkelijk was het lichteffect buitengewoon prachtig. Het was het effect, dat Pierre reeds meer gezien had: de schuin staande zon overstroomde het onmetelijke Parijs met een goudstof. Maar ditmaal was het niet meer het uitzaaien, waarbij de chaos der daken en gebouwen op een bruinen, door den een of anderen reuzenploeg omgewoelden akker geleek en de goddelijke zon handenvol stralen uitwierp als goudkorrels, die overal heenvlogen.

Het was ook niet meer de stad met haar duidelijk onderscheiden wijken—in het Oosten de door grauwen rook omgeven arbeiderswijk, in het Zuiden de rustig-vroolijke studentenwijk, in het Westen de breede wijk der rijken, in het midden de koopliedenwijk met haar sombere straten. Het scheen alsof hetzelfde kiemen van het leven, hetzelfde bloemenveld de geheele stad bedekt had, in harmonie bracht en er één grenzenloos, met dezelfde vruchtbaarheid bedekt veld van maakte. Graan, graan overal, een oceaan van graan, waarvan de gouden deining van het eene einde van den horizont naar het andere rolde. Zoo baadde de schuin staande zon Parijs in gelijke pracht: het was de oogst na het zaad.

“Kijk toch eens, kijk toch eens!” riep Marie weer. “Geen hoekje, dat zijn garve niet heeft; tot zelfs de laagste daken zijn vruchtbaar. En overal dezelfde rijkdom van aren, alsof er niet meer dan één enkele verzoende en broederlijke aarde is... Jean, kleine Jean, kijk toch eens hoe mooi het is!”

Pierre was bij haar komen staan en drukte zich bevend tegen haar aan. Grootmoeder en Bertheroy glimlachten over deze toekomst, die zij niet meer zien zouden, terwijl achter Guillaume de drie groote zoons ernstig en vol hoop stonden.

Toen hief Marie in een mooi, geestdriftig gebaar het kind met haar beide armen in de hoogte, bood het aan het onmetelijke Parijs, gaf het hem als een verheven geschenk.

“Daar Jean, kleine lieveling! Jij zult dat alles oogsten en den oogst in de schuur zetten!”

Het door de goddelijke zon met licht bezaaide, vlammende Parijs droeg in haar glorie den toekomstigen oogst van waarheid en gerechtigheid.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Hospitaal te Parijs voor oude, zieke en gebrekkige vrouwen.

[2] De wandelgang der Kamer.

[3] Gevangenis voor gedetineerden bij Parijs.

[4] Bekende mondaine schouwburg te Parijs.

[5] Het type van den halven geleerde, die sterk tegen den godsdienst gekant is.

[6] Zoo wordt in Fourier’s stelsel de kazernewoning voor een “phalanx”, een ongeveer zestienhonderd à tweeduizend zielen omvattende associatie genoemd.

[7] Cabet’s communistische kolonie in Nauvoo (Illinois).

[8] Een niet-officieele makelaar in effecten.

[9] Secte van zieners en dwepers.

[10] Wat wij gruwelkamer zouden kunnen noemen.

[11] Een non (1647–1690), die door haar visioenen aanleiding gaf tot de invoering van de vereering van het Heilige Hart van Jezus, en in 1864 door Pius IX heilig verklaard werd.