Part 46
“Ja, ja, dat weet ik, mijn jongen. Daarom heb ik ook aan jou gedacht, aan jou alleen. Ondanks alles wat er gebeurd is, heb ik slechts vertrouwen in jou, ben jij slechts in staat mij te begrijpen en mij de belofte te doen, die mij helpen zal rustig te sterven.”
Dat was de eenige toespeling op de wreede breuk, die tusschen hen ontstaan was, nadat hij den jongen priester zonder soutane en in opstand tegen de Kerk ontmoet had. Later had hij van zijn huwelijk gehoord en wist, dat hij daarmede voor eeuwig zijn laatsten band met den godsdienst verbroken had. Maar in dit laatste uur scheen dat niet meer voor hem te tellen: hij kende het vurige hart van Pierre, en verlangde slechts naar den mensch, in wien hij een zoo mooie, hartstochtelijke naastenliefde had zien branden.
“Lieve Hemel,” ging hij voort, terwijl hij nog de kracht vond, om te glimlachen; “het is heel eenvoudig, ik wil je tot mijn erfgenaam benoemen. O, een mooie erfenis is het niet; ik geef je mijn armen, want ik heb niets anders, ik laat alleen mijn armen na.”
Drie vooral lagen hem na aan het hart; het denkbeeld, dat hij ze zonder hulp en beroofd van de enkele kruimels, die hij alleen hun gaf en waarvan zij leefden, achter zou laten, maakte hem wanhopig. In de eerste plaats de groote Oude, den ouden man, naar wien hij een avond vergeefs gezocht had, om hem naar het Asile des Invalides du Travail te brengen. Ten slotte was hij er toch opgenomen, maar drie dagen later was hij gevlucht, daar hij zich niet aan de regelen wilde onderwerpen. Hij was woest, onhandelbaar en had een onuitstaanbaar karakter, maar hij kon toch niet van honger sterven. Deze kwam iederen Zaterdag en kreeg dan twintig sous; daar had hij de geheele week genoeg aan. Dan was er verder nog een niet meer tot werken in staat zijnde oude vrouw in een krot in de rue du Mont-Cenis, voor wie hij den bakker betalen moest, die haar iederen dag brood bracht. Maar vooral had hij te doen met een arme jonge vrouw, een ongetrouwde moeder, die aan tering leed, niet meer in staat om te werken en wanhopig bij het denkbeeld, dat haar dochtertje na haar dood op straat zou staan. Hier was dus een dubbele erfenis; de moeder, die tot aan haar dood gesteund, en het dochtertje, dat later ergens fatsoenlijk ondergebracht moest worden.
“Je neemt het me niet kwalijk, beste jongen, dat ik je die onaangenaamheden nalaat... Ik heb wel getracht de goede zuster, die mij verpleegt, voor mijn klein wereldje te interesseeren, maar toen ik haar van den grooten Oude vertelde, maakte zij verschrikt het teeken des kruises. Zij is precies als mijn vriend abbé Favernier, ik ken geen meer rechtschapen ziel en toch zou ik het hem niet durven toevertrouwen, want hij heeft zoo zijn ideeën... Nogmaals, beste jongen, ik ben alleen maar zeker van jou, je moet mijn erfenis aanvaarden, als je wilt, dat ik rustig heenga.”
Pierre weende.
“Natuurlijk, met hart en ziel. Uw wil zal mij heilig zijn.”
“Goed! Ja, ik wist wel, dat je het doen zou... Dat is dus afgesproken: iederen Zaterdag twintig sous aan den grooten Oude, brood voor de oude vrouw, den dood van de jonge moeder verzachten en voor het dochtertje zorgen... O, als je eens wist hoeveel lichter nu mijn hart is! Nu kan de dood komen; hij zal zacht zijn.”
Over zijn goed, rond, sneeuwwit gezicht spreidde zich een laatste vreugde uit. Hij nam een hand van Pierre in de zijne en hield die op den rand van zijn bed, om in kalme liefde afscheid van hem te nemen. Zijn stem werd nog zwakker, terwijl hij heel zacht zijn gedachten zeide.
“Ja, ik ben blij heen te gaan... Ik kan niet meer, ik kan niet meer. Hoeveel ik ook gaf, toch voelde ik, dat het noodig was steeds meer te geven. Hoe treurig is die machtelooze barmhartigheid, dat geven zonder hoop ooit het lijden te genezen!... En ik maakte me nogal zoo boos over jouw denkbeelden, herinner je je nog wel? Ik zei toen tegen je, dat wij elkander altijd lief zouden hebben in onze armen; en dat was waar, want anders zou je niet hier en zoo liefdevol zijn voor mij en voor hen, die ik achterlaat. Maar ondanks alles, ik kan niet meer, ik kan niet meer, en ik ga liever heen, daar de smart van anderen mij overweldigde en ik ten slotte alle mogelijke domheden beging, den geloovigen ergernis gaf, mijn superieuren boos maakte, zonder dat het mij gelukte den altijd grooter wordenden drom der ellende ook maar met één ongelukkige te verminderen.... Vaarwel, mijn lief kind! Mijn arm, oud hart gaat gemarteld in het graf, mijn oude handen zijn moe en overwonnen.”
Pierre omhelsde hem vol liefde en verliet hem met tranen in de oogen en door een diepe ontroering aangegrepen. Nooit had hij een zoo zwaarmoedige jammerklacht gehoord als deze bekentenis van de onmachtige barmhartigheid door dit reine, oude kind, dat eenvoudige hart vol verheven goedheid. O, welk een ramp—de menschelijke goedheid is nutteloos, de wereld stuwt ondanks de uit medelijden vergoten tranen, ondanks de uit zoovele handen gevallen aalmoezen sedert eeuwen denzelfden stroom van nood en ellende voort. Hier werd de dood gewenscht, hier was de Christen gelukkig aan de gruwelen van deze aarde te ontsnappen.
Toen Pierre in het atelier terugkwam, was de tafel reeds lang afgenomen. Bache en Théophile Morin zaten met Guillaume te praten, terwijl de drie zoons weer aan hun gewone bezigheden gegaan waren. Ook Marie had haar oude plekje aan het werktafeltje tegenover Grootmoeder weer ingenomen, maar van tijd tot tijd stond zij op, om te kijken of de kleine Jean met zijn dikke knuistjes op zijn borst gedrukt wel rustig sliep. Pierre, die zijn ontroering in zichzelf opsloot, boog zich met de jonge vrouw, op wier haren hij een kus drukte, over de wieg; dan bond hij zich een schort voor en ging Thomas helpen, die bezig was den motor voor het laatst te regelen.
Plotseling verdween voor Pierre het atelier, zag hij niet langer de personen, die er zich bevonden, hoorde ze niet meer. Alleen de geur van Marie bleef op zijn lippen achter. Een herinnering was voor hem opgerezen, die aan den ijskouden ochtend, waarop de oude priester hem voor den Sacré-Cœur aangesproken en hem angstig en schuw opgedragen had een aalmoes te brengen aan dien ouden man, dien Laveuve, die van ellende gestorven was als een hond op den hoek van een straat. Welk een treurige ochtend toen, welk een strijd en marteling in hem, en welk een opstanding daarna! Dien dag had hij een van zijn laatste missen gelezen en hij herinnerde zich met een huivering zijn afschuwelijken angst, de wanhoop over zijn twijfel, over zijn Niet. Het was na zijn twee jammerlijk mislukte proefnemingen: Lourdes, waar de verheerlijking van het absurde hem medelijden had doen krijgen met de poging van een terugkeer tot het oorspronkelijk geloof van de jonge, onder het juk van hun onwetendheid gebogen volkeren; Rome, dat niet in staat was tot een herleving, dat hij stervend tusschen zijn puinhoopen had zien liggen, dat weldra in het stof van gestorven godsdiensten vallen zou. In hem zelf had de naastenliefde bankroet geslagen; hij geloofde niet meer aan de genezing door de aalmoes van de oude lijdende menschheid, verwachtte nog slechts de vreeselijke catastrophe, brand en bloedbaden, die de oude schuldige en veroordeelde wereld vernietigen zouden.
De trotsche leugen, waarachter hij zich verscholen had, om de soutane te blijven dragen, de valsche positie, waarin hij verkeerde als ongeloovig priester, die kuisch en eerlijk over het geloof van anderen blijft waken, benauwde hem. Het probleem van een nieuwen godsdienst, van een nieuwe, voor den vrede der toekomstige democratieën nieuwe hoop kwelde hem zonder dat hij een te verwezenlijken oplossing tusschen de zekerheden der wetenschap en de behoefte aan het goddelijke, die de menschheid schijnt te verteren, vinden kon. Wanneer het Christendom met de idee der naastenliefde ineenstortte, dan bleef er niets over dan de gerechtigheid, de kreet, die uit aller borst opsteeg, niets van den strijd der gerechtigheid tegen de barmhartigheid in het groote, door asch zoo verduisterde, met het vreeselijke onbekende zoo vervulde Parijs, de strijd, waarin zijn hart en zijn rede tegenover elkander zouden staan. Hier in Parijs lag het derde en beslissende experiment, de waarheid, die eindelijk als de zon door de wolken breken zou, de heroverde gezondheid, de kracht en de levensvreugde.
Maar de overpeinzingen van Pierre werden onderbroken, want hij moest een werktuig zoeken, dat Thomas hem vroeg, en hoorde hoe Bache zeide:
“Het kabinet heeft vanochtend zijn ontslag genomen. Vignon heeft er genoeg van. Hij bewaart zijn krachten tot later.”
“Hij is meer dan een jaar aan het bewind geweest. Dat is al heel mooi,” zeide Morin.
Na den bomaanslag van Victor Mathis, die veroordeeld was en drie weken later terechtgesteld werd, was Monferrand gevallen. Waarom behoefde men een sterken man aan het hoofd der regeering te hebben, als de bommen het land toch schrik aan bleven jagen? De voornaamste reden van zijn val was echter geweest, dat hij de Kamer door zijn wolvenhonger tegen zich ingenomen had en hij het deel van anderen zelf verslond. Ditmaal was Vignon ondanks zijn hervormingsprogramma, waarvoor men al zoo lang terugschrok, zijn opvolger geworden, maar, hoewel hij volkomen eerlijk en oprecht was, had hij slechts weinig beteekenende hervormingen tot stand kunnen brengen. Zijn handen waren gebonden; duizenden hinderpalen deden zich voor. Hij had er zich in geschikt te regeeren zooals alle anderen en men was tot de ontdekking gekomen, dat er tusschen Vignon en Monferrand slechts een verschil in nuance bestond.
“Ze noemen Monferrand weer,” zeide Guillaume.
“Ja, hij moet veel kans hebben. Er wordt hard voor hem gewerkt.”
Dan verklaarde Bache, die zich met bitteren spot over Mège vroolijk maakte, dat de collectivistische afgevaardigde door het doen vallen van ministeries, zoo’n beetje voor gek speelde; beurtelings diende hij de eerzucht van iedere partij, zonder ooit de minste kans te hebben zelf aan het bewind te komen.
“Laten zij elkander maar verslinden,” zeide Guillaume. “In hun grimmige eerzucht om te regeeren, om over het geld en de macht te beschikken, strijden zij slechts om personenquaesties. Maar dat belet niet, dat de revolutie voortgaat en de gebeurtenissen zich voltrekken. Boven alles staat de voortschrijdende menschheid.”
Pierre werd door die woorden zeer getroffen en zonk weer in zijn herinneringen terug. Het angstaanjagende experiment begon weer; hij was weer midden in het onmetelijke Parijs. Parijs, dat was de reusachtige ketel, waarin een geheele menschheid borrelde, de slechtste en de beste, het vreeselijkste heksenbrouwsel, de kostbaarste poeders vermengd met excrementen, waaruit de drank van liefde en eeuwige jeugd te voorschijn moest komen. En in dien ketel zag hij in de eerste plaats het schuim der politieke wereld: Monferrand, die Barroux den nek omdraaide, geldwolven als Fonsègue, Dutheil en Chaigneux kocht, middelmatigheid als Taboureau en Dauvergne uitbuitte en alles, tot zelfs den sectarischen hartstocht van Mège en de intelligente eerzucht van Vignon aan zijn belangen dienstbaar maakte. Dan kwam het vergiftigende geld, de zaak met de Afrikaansche sporen, die het Parlement verrot had, die van Duvillard den triompheerenden bourgeois, den openbaren verleider, den kanker der financieele wereld gemaakt had.
Vervolgens kwam in juiste volgorde het gezin van Duvillard, dat hij zelf infecteerde, de verschrikkelijke geschiedenis van Eve, die Gérard aan haar dochter Camille betwistte, die hem haar ontstal; de zoon Hyacinthe, die zijn maîtresse Rosemonde, een half krankzinnige, gaf aan Silviane, een bekende hoer, met wie zijn vader zich openlijk afficheerde. Dan kwam de oude, uitstervende aristocratie met de bleeke gestalten van madame de Quinsac en markies de Morigny; de oude militaire geest, welks begrafenis door generaal de Bozonnet geleid werd; de aan de regeering onderworpen magistratuur—een Amadieu, die zijn carrière met opzienbarende processen maakte, een Lehmann, die zijn requisitoir schreef in het kabinet van den minister, wiens politiek hij verdedigde; de hebzuchtige, leugenachtige, van schandaal levende pers, de eeuwige vloed van laster en vuiligheden, dien Sanier voortstuwde, de vroolijke onbeschaamdheid van den gewetenloozen Massot, die uit beroep en op bevel alles aanviel en alles verdedigde.
En evenals insecten, die een ander stervend insect, dat zijn poot gebroken heeft, zien, dat den genadestoot geven en het opvreten, zoo had deze geheele woekering van begeerten, belangen en hartstochten zich op een ongelukkigen dwaas gestort, dien armen Salvat, wiens dolzinnige misdaad allen in hun gulzigen honger, om uit zijn mager karkas van hongerlijder hun deel te krijgen, samengebracht had. En dat alles—die begeerten, gewelddaden en ontketende begeerten—borrelde in den reusachtigen ketel van Parijs; het was het onnoembare mengsel van de scherpste giststoffen, waaruit de wijn der toekomst stroomen zou in groote, zuivere golven.
Nu werd Pierre zich den wonderbaren arbeid, die zich op den bodem van den ketel onder de onreinheden en het afval voltrekt, bewust. Zijn broeder had het zoo juist gezegd: wat beteekenden in de politiek de gebreken der menschen, de zelfzuchtige en genotzuchtige drijfveeren, wanneer de menschheid met haar langzamen, maar hardnekkigen stap voorwaarts schrijdt. Wat beteekende die verdorven en ten onder gaande bourgeoisie, welke even goed op sterven ligt als de aristocratie, wier plaats zij ingenomen heeft, indien achter haar onophoudelijk de onuitputtelijke menschenreserve uit de stads- en landbevolking opstijgt. Wat beteekenden de ontucht, de verdorvenheid van het al te groote kapitalisme en van de al te groote macht, het geraffineerde, ontuchtige, bij sexueele afwijkingen verwijlende leven, waar het bewezen schijnt te zijn, dat al de hoofdsteden, al die koninginnen der wereld, slechts ten koste van de uiterste overbeschaving, van den godsdienst van schoonheid en genot, geregeerd hebben? Wat beteekenden zelfs de onvermijdelijke omkoopbaarheid, de gebreken en dwaasheden der pers, waar zij aan den anderen kant het bewonderenswaardigste instrument van ontwikkeling, het steeds openstaande, openbare geweten is en de rivier vormt, die, al stuwt zij nog zooveel vuiligheid voort, toch verder stroomt en alle volkeren naar de groote broederzee der toekomstige eeuwen brengt.
De menschelijke droesem zinkt op den bodem van den ketel; men mag niet willen, dat het goede dagelijks zichtbaar triompheert, want dikwijls zijn er jaren voor noodig, dat zich uit de vuile gisting een werkelijke hoop losmaakt. En ook al blijft de loonarbeid in de diepte van verpeste fabrieken een vorm der antieke slavernij, ook al sterven de Toussaints nog altijd als lam geworden dieren op hun armzalige sponde van honger en ellende, toch is de vrijheid op een stormachtigen dag uit den reusachtigen ketel gekomen, om haar vlucht door de wereld te beginnen. Waarom zou nu ook op haar beurt niet de gerechtigheid te voorschijn komen, zich losmaken van de slakken en in eindelijk oplichtende helderheid de volkeren herscheppen?
Maar weer verhieven de stemmen van Bache en Morin, die nog steeds met Guillaume praatten, zich en wekten Pierre uit zijn gepeins. Zij spraken over Janzen, die weer bij een tweeden aanslag te Barcelona betrokken was en naar Parijs teruggekeerd was; Bache meende hem den vorigen dag gezien te hebben. Een zoo heldere geest, een zoo koelbloedige energie, zulke gaven werden voor een zoo verfoeilijke zaak verspild!
“Wanneer ik bedenk,” zeide Morin op zijn langzamen toon; “wanneer ik bedenk, dat de verbannen Barthès in zijn armzalig klein kamertje in Brussel leeft, in de bevende hoop, dat de vrijheid eindelijk zal heerschen! Hij, aan wiens hand geen druppel bloed kleeft en die twee derde gedeelten van zijn leven in de gevangenis gezeten heeft, opdat de volkeren vrij worden!”
“Vrijheid, vrijheid, zeker! Maar die beteekent niets, als zij niet georganiseerd wordt!” zeide Bache, terwijl hij medelijdend zijn schouders ophaalde.
En hun eeuwige discussie begon opnieuw. De eene hield het met Saint-Simon en Fourier, de ander met Proudhon en Auguste Comte. De vage godsdienstigheid van den vroegeren communard, die tegenwoordig lid van den gemeenteraad was, kwam in zijn behoefte aan een troostgevend geloof weer boven, terwijl daarentegen de professor, de voormalige Garibaldiaan, een wetenschappelijke starheid, het geloof aan den mathematischen vooruitgang der wereld behield.
Bache beschreef het laatste herinneringsfeest ter eere van de nagedachtenis van Fourier. De groep van trouwe leerlingen had kransen gebracht en redevoeringen gehouden; het was een ontroerende bijeenkomst geweest van hardnekkig aan hun overtuiging hangende, van de toekomst zekere apostelen, die vast geloofden aan het nieuwe heilswoord. Dan maakte Morin zijn zakken leeg, die steeds met kleine positivistische vlugschriften gevuld waren, waarin de naam van Auguste Comte en zijn leer als de eenig mogelijke grondslag van den verwachten godsdienst verheerlijkt werden.
En nu herinnerde Pierre zich hun vroegere disputen in zijn huisje te Neuilly, toen hij zelf, wanhopig en zoekende naar een zekerheid, de balans van de denkbeelden der eeuw trachtte op te maken. Te midden van de tegenspraken en onsamenhangendheden van al die voorloopers had hij den vasten bodem onder zijn voeten voelen wegzinken. Fourier mocht uit Saint-Simon voortgekomen zijn, hij verloochende hem toch gedeeltelijk, en terwijl de leer van dezen zich verstarde tot een soort mystiek sensualisme, scheen die van genen uit te loopen op een onaannemelijken codex van inlijving. Proudhon brak af zonder opnieuw op te bouwen. Comte, die het methodische in het leven riep en de wetenschap haar plaats aanwees door haar tot de eenige heerscheresse uit te roepen, had zelfs geen flauw vermoeden van de sociale crisis, welker golven alles dreigden mede te sleuren, en stierf, door de vrouw ter aarde geworpen, als een illuminaat der liefde. En ook deze twee mengden zich in den strijd en vochten met zoo groote verbittering en verblinding tegen de beide anderen, dat de door hen gemeenschappelijk aan het licht gebrachte waarheden verduisterd, misvormd, onherkenbaar werden.
Maar thans, na de langzame evolutie, die hem zelf veranderd had, schenen Pierre deze gemeenschappelijke waarheden verblindend, onwederlegbaar toe. In de evangeliën van deze sociale Messiassen, in den chaos van tegenstrijdige beweringen waren gelijkluidende woorden, die steeds weer terugkwamen: de verdediging van den arme, de idee van een nieuwe en rechtvaardige verdeeling der aardsche goederen, het zoeken vooral naar een arbeidswet, welke deze nieuwe deeling onder de menschen op rechtvaardige wijze mogelijk zou maken. Vormden dus deze waarheden, waarover alle geniale voorloopers het eens waren, niet den grondslag van den toekomstigen godsdienst zelf, het noodzakelijke geloof, dat deze eeuw aan de volgende zou nalaten, opdat het daaruit den menschelijken eeredienst van vrede, gemeenschapszin en liefde scheppen zou?
Met een plotselingen sprong van zijn gedachten zag Pierre zich terug in de Madeleine, waar hij luisterde naar het slot van monseigneur Martha’s causerie over den nieuwen geest. De bisschop verkondigde, dat het weer Christelijk geworden Parijs dank zij den Sacré-Cœur de meester der wereld zijn zou. Neen, neen! Parijs heerschte slechts door zijn vrijen geest; het was een leugen, dat men het met het kruis, met die mystieke dwaasheid van een bloedend hart overwonnen had. Ook al mochten zij Parijs onder de monumenten van hun trots en van hun heerschzucht willen verpletteren, ook al mochten zij, in de hoop de hand op de komende eeuw te leggen, trachten de wetenschap in den naam van een gestorven ideaal weg te vagen—de wetenschap zal hun oude heerschappij van den troon stooten en hun basilica zal door den storm der waarheid ineenstorten zonder dat het noodig is haar met een vinger aan te raken. De proef is genomen: het Evangelie van Jezus is een bouwvallige sociale codex, waarvan de menschheid slechts enkele moreele grondstellingen kan overhouden. Het oude Katholicisme valt aan alle kanten in het stof, het oude Katholieke Rome is nog slechts een veld met puinhoopen, de volkeren wenden er zich van af en willen een godsdienst, die niet een godsdienst van den dood is. In vroegere tijden ontsnapte de gebogen, door een nieuwe hoop verteerde slaaf uit zijn kerker en droomde van een hemel, waarin zijn ellende met eeuwige genietingen beloond zou worden.
Nu de wetenschap echter dezen leugenachtigen hemel, dat bedrog van een leven na den dood vernietigd heeft, is de slaaf, de arbeider, het moede te sterven, om gelukkig te worden, eischt gerechtigheid en geluk op aarde. Dat is na de achttien eeuwen van onmachtige naastenliefde de nieuwe hoop: de gerechtigheid. O, hoe zal men, wanneer na duizend jaar het Katholicisme niets meer is dan een zeer oud, dood bijgeloof, zich verbazen, dat de voorvaderen dien godsdienst van kwelling en van het Niet hebben kunnen dulden: God een beul, de mensch gecastreerd, bedreigd, gemarteld, de natuur een vijandin, het leven vervloekt, de dood alleen zoet en bevrijdend! Twee duizend jaar lang zal het voorwaarts schrijden der menschheid belemmerd zijn geweest door de afschuwelijke idee, dat men den mensch al het menschelijke, dat hij bezit, ontnemen moet: begeerten, hartstochten, den vrijen geest, den wil, de daad, zijn geheele kracht. Maar welk een blij ontwaken zal het zijn, wanneer de maagdelijkheid geminacht, de vruchtbaarheid weer een deugd zal worden, wanneer onder het hosanna der bevrijde natuurkrachten de begeerten geëerd, de hartstochten nuttig gemaakt, de arbeid verheerlijkt, het leven bemind zal worden en de eeuwige schepping der liefde verwekken zal!
Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! Pierre herinnerde zich dezen kreet, die hem te Lourdes ontsnapt was, dien hij te Rome bij het zien van de ineenstorting van het oude Katholicisme herhaald had! Maar het was niet meer dezelfde koortsachtige haast, de kinderlijke, ziekelijke hardnekkigheid, waarmede hij vroeger verlangde, dat een nieuwe God zich dadelijk openbaren, een nieuw ideaal met zijn dogma’s en zijn eeredienst als het ware uit den grond oprijzen zou. Zeker, het goddelijke schijnt voor den mensch even onmisbaar te zijn als brood en water; de naar het mysterievolle smachtende mensch heeft zich daar steeds weer op geworpen en schijnt geen anderen troost te hebben dan in het onbekende onder te gaan. Maar wie zou kunnen zeggen of de wetenschap niet eenmaal dien dorst naar het hiernamaals lesschen zal? Wanneer zij de veroverde waarheid is, dan is zij en zal zij ook altijd de te veroveren waarheid zijn. Zal voor haar niet altijd een ruimte overblijven voor de begeerte om te weten, voor de zuivere, ideale hypothese? En is bovendien die behoefte aan het goddelijke niet eenvoudig de behoefte om God te zien?
Maar wanneer de wetenschap dezen wensch om alles te weten en te kunnen, steeds meer bevredigt, kan men dan niet gelooven, dat hij eens bevredigd worden en samensmelten zal met de liefde voor de bevredigde waarheid? Een godsdienst der wetenschap, dat is de aangewezen, zekere, onvermijdelijke oplossing van den langen marsch der menschheid naar het weten. Wanneer zij eenmaal door alle verschrikking der onwetendheid heen gegaan is, zal zij daar als in een natuurlijke haven aankomen en haar vrede eindelijk in zekerheid vinden. En was het als het ware niet reeds een aanwijzing van dezen godsdienst, dat de idee der dualiteit, van God en van het heelal, op zijde gezet wordt, de idee der eenheid, van het monisme hoe langer men op den voorgrond treedt, de eenheid de solidariteit met zich brengt, de eenige levenswet door de evolutie, uit het eerste aetherpunt, dat zich verdicht heeft om de wereld te scheppen, ontstaat?