De drie steden: Parijs

Part 45

Chapter 454,003 wordsPublic domain

“Ik zal je bevel niet gehoorzamen... Ik blijf. Nu mijn redeneering je niet van je waanzinnig plan kan afbrengen, moet je de lont maar in het kruit steken en zal ik met je sterven.”

“Jij sterven? Jij hebt er het recht niet toe, je bent niet vrij!”

“Vrij of niet, ik zweer je, dat ik met je zal sterven... En wanneer het alleen maar noodig is, die kaars in het gat te gooien, zal ik dat zelf doen.”

Hij maakte een gebaar; zijn broer dacht, dat hij zijn bedreiging uitvoeren wilde. Heftig greep hij hem bij zijn arm.

“Waarom zou jij sterven? Dat zou absurd zijn. Laten de anderen sterven! Maar jij? Waartoe zou die overbodige monsterachtigheid dienen? Je tracht mij week te maken, mijn hart te roeren.”

Doch dan geloofde hij plotseling, dat er een list achter stak.

“Je wilt die kaars niet nemen, om die erin te werpen, maar om haar uit te blazen,” mompelde hij woedend. “En je denkt, dat ik het daarna niet meer zal kunnen... Je bent slecht, Pierre!”

Dan schreeuwde Pierre op zijn beurt:

“Zeker, met alle middelen zal ik je beletten die verschrikkelijke, idiote daad uit te voeren.”

“Je wilt mij beletten...”

“Ja, ik zal aan je gaan hangen, ik zal mijn armen om je schouders klemmen, ik zal je handen tusschen de mijne verlammen.”

“Je wilt het mij beletten, ellendeling, je denkt, dat je het mij beletten zult.”

Stikkend van woede en bevend greep Guillaume Pierre aan en kraakte zijn ribben met zijn sterke spieren. Dicht tegen elkander aangedrukt, oog in oog, mond aan mond, stonden zij zoo in dien onderaardschen kerker, dien hun groote, dansende schaduwen als met woeste spookgestalten vulden. De dikke nacht omhulde hen; de bleeke pit was te midden van de duisternis niet meer dan een kleine, gele traan.

Dan begon plotseling op die diepte de stilte der aarde, die zoo zwaar op hen drukte, te dreunen en langzaam aan door diepe, verre geluidgolven in beweging te komen. Het was, als luidde de dood ergens zijn onzichtbare klok.

“Hoor je,” stamelde Guillaume; “dat is hun klok! Het uur is gekomen; ik heb me zelf gezworen te handelen, en je wilt het mij beletten!”

“Ja, ik zal het je beletten, zoolang ik leef!”

“Zoolang je leeft, wil je het mij beletten!”

Daar in de hoogte hoorde hij de Savoyarde haar vreugdetonen uitjubelen; hij zag de triomphantelijke, met de tien duizend pelgrims gevulde, in den glans van het Heilig Sacrament vlammende basilica, waarin de wierook òpkronkelde; een blinde woede greep hem aan, nu deze plotselinge hindernis hem den weg naar zijn idée fixe versperde.

“Zoolang je leeft, zoolang je leeft!” herhaalde hij buiten zichzelf. “Sterf dan, ellendeling!”

Hij bukte zich vlug, raapte een steen op en zwaaide dien met beide vuisten als een knots door de lucht.

“Ga je gang,” zeide Pierre. “Dood mij, dood je broeder eerst voor de anderen te dooden.”

Reeds viel de steen neer, maar zijn vuisten hadden blijkbaar gebeefd, want hij schampte slechts den schouder, en Pierre viel in het donker op zijn knieën.

Verwilderd, geloofde Guillaume, toen hij hem zoo op den grond zag liggen, dat hij hem gedood had. Wat was er toch tusschen hen voorgevallen? Wat had hij gedaan? Hij bleef een oogenblik met open mond en wijd opengesperde oogen staan. Hij keek naar zijn handen, meende te voelen, dat zij van bloed dropen. Dan drukte hij ze tegen zijn voorhoofd, dat van een vreeselijke pijn dreigde te barsten, als had het uitrukken van zijn idée fixe zijn schedel gespleten. En plotseling viel hij zelf luid snikkend op den grond.

“Broeder, broeder, wat heb ik je gedaan? Ik ben een monster!”

Hartstochtelijk had Pierre hem weer in zijn armen genomen.

“Het is niets, Guillaume, ik heb niets, ik zweer het je! O, je huilt eindelijk, hoe gelukkig ben ik! Je bent gered, ik voel het, want je weent. Hoe heerlijk, dat je woedend werdt, dat je toorn tegen mij je boozen droom van geweld weggerukt heeft.”

“Neen, ik heb een afschuw van mijzelf!... Jou dooden, jou! Een wild beest, dat zijn broeder doodt! En de anderen, al die anderen hierboven!... Ik heb het koud, ik heb het zoo koud!”

Zijn tanden klapperden; een rilling doorhuiverde hem en deed hem verstijven. Als verdoofd scheen hij uit een droom te ontwaken; en in het nieuwe licht, waarmede zijn broedermoord alles verlichtte, scheen de daad, die hem vervolgd, bijna waanzinnig gemaakt had, hem een misdadige, door een ander ontworpen dwaasheid toe.

“Jou dooden!” herhaalde hij langzaam. “Ik zal het mij nooit vergeven. Mijn leven is uit, ik zal nooit den moed hebben nog verder te leven.”

Pierre drukte hem nog dichter tegen zich aan in zijn broederarmen.

“Wat zeg je daar? Zal dit alles geen nieuwen liefdesband tusschen ons knoopen? O, Guillaume, laat mij jou redden, zooals jij mij gered hebt, dan zullen wij nog meer één zijn!... Herinner je je dien avond in Neuilly niet meer, toen je me aan je hart drukte en mij troostte? Ik had je mijn zielsangsten gebiecht en je riep mij toe, dat ik moest leven, moest liefhebben... En daarna, broeder, heb je nog meer gedaan, heb je je liefde uit je hart gerukt en die mij gegeven. Ten koste van jouw geluk heb je mij gelukkig willen maken. Je hebt mij gered door mij het geloof te geven. Welk een geluk, dat het nu mijn beurt is, om jou te troosten, te redden, aan het leven terug te geven.”

“Neen, aan mijn hand kleeft de onuitwischbare vlek van jouw bloed. Ik kan niet meer hopen!”

“Ja, ja! Hoop in het leven, zooals je mij toegeroepen hebt! Hoop in de liefde, hoop in den arbeid!”

En in elkanders armen liggend bleven de twee broeders, in tranen badend, zacht praten. Plotseling ging de kaars uit, zonder dat zij het merkten. In den als inkt zwarten nacht, te midden van de stilte, die weer diep en verheven ingetreden was, stroomden hun liefderijke, bevrijdende tranen eindeloos. De een weende van vreugde, omdat hij zijn broederschuld betaald had, de ander van ontroering, omdat hij zich zoo dicht bij de misdaad gevoeld had in zijn hersenschim, in zijn liefde voor gerechtigheid en menschelijkheid. Maar in deze tranen, die hen rein waschten en louterden, lagen nog vele andere dingen: een protest tegen al wat lijden is, het innige gebed, dat de ellende der wereld eindelijk verzacht zou worden.

Toen schoof Pierre met zijn voet den steen weer over het gat en nam, tastend, Guillaume als een klein kind mede.

In het groote atelier was Grootmoeder onverstoorbaar met haar naaiwerk doorgegaan. Nu en dan keek zij, het slaan van vieren afwachtend, naar de klok, die links van haar aan den muur hing, en vervolgens naar de basilica, welker onvoltooide massa te midden van het reusachtige geraamte der stellingen zichtbaar was. Haar naald maakte langzame, regelmatige steken; zij zelf was bleek, stil, maar heroïsch kalm. Marie, die tegenover haar zat te borduren, was zenuwachtig; haar draad brak telkens. Zij was ten prooi aan een vreemde nervositeit, een onverklaarbare onrust, waarvoor zij geen reden wist, maar die haar benauwde. De drie zoons konden niet rustig blijven werken, als werden zij door een koortsachtige opwinding aangestoken. Steeds weer trachtten zij hun aandacht bij hun werk te bepalen, maar zij beefden bij het minste geluid, keken op, zagen elkaar vragend aan. Nu en dan stond er een op, rekte zich uit, ging dan weer zitten. Maar zij spraken niet, durfden niets tegen elkander zeggen in de zware stilte, die steeds angstaanjagender werd.

Een paar minuten vóór vieren voelde Grootmoeder iets als een uitputting of misschien een behoefte, om tot zichzelf in te keeren. Nogmaals had zij op de klok gekeken, dan liet zij haar werk in haar schoot vallen en staarde naar de basilica. Van nu af aan voelde zij nog slechts de kracht in zich, om te wachten; haar oogen hield zij niet meer af van die reusachtige muren, van het bosch van balken, die zich triomphantelijk-trotsch in de blauwe lucht verhieven. Dan joeg plotseling het jubelen van de met alle kracht luidende Savoyarde haar, ondanks haar dapperheid, een huivering door de leden. Dat was de zegen: de tien duizend pelgrims vulden de kerk, het zou dadelijk vier uur slaan. Zij kon aan den aandrang, om op te staan, geen weerstand bieden en bleef met gevouwen handen en in spannende afwachting naar buiten staren.

“Wat scheelt u?” riep Thomas, die het zag. “Grootmoeder, waarom beeft u zoo?”

Ook François en Antoine waren opgestaan en vlogen naar haar toe.

“Bent u ziek? Waarom ziet u zoo bleek?”

Maar zij antwoordde niet. Mocht de kracht van de springstof de aarde toch splijten, het kleine huisje doen wegzinken in den brandenden krater van den vulkaan. Allen met vader gelijk sterven, de drie groote zoons en zij, opdat er geen tranen zouden zijn! Dat was haar zwijgend gebed. En zij wachtte en wachtte, terwijl een onweerstaanbare rilling haar doorhuiverde en haar heldere, dappere oogen in de verte staarden.

“Grootmoeder! Grootmoeder!” riep Marie radeloos, “U maakt ons bang, wanneer u niet antwoordt, wanneer u zoo in de verte staart, alsof een ongeluk in galop nadert.”

Plotseling stieten Thomas, François en Antoine, door denzelfden angst aangegrepen, denzelfden kreet uit:

“Vader is in gevaar! Vader zal sterven!”

Wat wisten zij? Niets zekers. Thomas had zich wel verwonderd over de groote hoeveelheid springstof, die zijn vader vervaardigd had, en zoowel François als Antoine kenden de oproerige gedachten, de brandende naastenliefde, die hem nooit loslieten, maar in hun eerbiedige vereering wilden zij niets van hem weten dan wat hij hun toevertrouwde, vroegen zij hem niets, bogen zij hun hoofd voor al zijn handelingen. Maar nu rees een voorgevoel, neen de zekerheid in hen op, dat de vader sterven zou: sedert den ochtend huiverde een vreeselijke catastrophe door de lucht, die hen zoo doorrilde, dat zij van koorts beefden, zich ziek en niet tot werken in staat gevoelden.

“Vader zal sterven! Vader zal sterven!”

De drie kolossen stonden naast elkaar; dezelfde angst deed hen sidderen, vervulde hen met de woeste begeerte, om het gevaar te leeren kennen, naar hem toe te snellen, om met hem te sterven, als zij hem niet redden konden. En in dit hardnekkige zwijgen van Grootmoeder streek weer in dat oogenblik de koude ademtocht langs hen, waarvan zij de aanraking reeds onder het dejeuner gevoeld hadden.

Het sloeg vier uur; in een drang om voor het laatst te bidden, hief zij haar blanke handen op. En nu eindelijk zeide zij:

“Vader zal sterven. Niets kan hem redden dan de plicht om te leven!”

Alle drie wilden zij naar buiten stormen—zij wisten niet waarheen—de hindernissen neerwerpen, triompheeren over het Niet. Zoo wanhopig, zoo radeloos zagen zij er in hun onmacht, om iets te doen, uit, dat zij hen trachtte te kalmeeren:

“Vader wilde sterven, en het is zijn wil alleen te sterven.”

Zij rilden, trachtten zelf ook helden te zijn. Maar de minuten verstreken en het was alsof de groote koude met langzamen vleugelslag verdwenen was. Zoo vliegt dikwijls in de avondschemering een nachtvogel als een ongeluksbode het venster binnen, klappert in de donkere kamer rond en klapwiekt dan weer weg, den rouw met zich nemend. Zoo was het ook nu: de basilica bleef staan, de aarde opende zich niet, om haar te verzwelgen. Langzamerhand maakte de vreeselijke angst, die hun hart samenkneep, plaats voor de hoop, de eeuwige lente.

Toen Guillaume, gevolgd door Pierre, binnentrad, klonk één kreet van herleving uit aller hart:

“Vader!”

Hun kussen, hun tranen braken zijn kracht geheel; hij moest gaan zitten. Met een blik, dien hij om zich heen wierp, was hij wederom in het leven teruggekeerd, maar als een wanhopige, dien men met geweld dwingt verder te leven. Grootmoeder, die begreep hoe zwaar het hem viel, dat zijn wil gestorven was, nam glimlachend zijn beide handen, als om hem te kennen te geven, dat zij gelukkig was hem terug te zien, nu hij had ingezien, dat het zijn plicht was niet uit het leven te deserteeren. Hij leed nog zeer. Zij spaarden hem iederen uitleg. Hij vertelde niets, maar had eenvoudig met een gebaar, met een liefdevol woord Pierre als zijn redder aangewezen.

In een hoek viel Marie den jongen man om den hals.

“Mijn lieve, beste Pierre, ik heb je nog nooit een zoen gegeven. De eerste maal zal het iets voor ernstigs zijn... Ik houd van je, mijn beste Pierre, ik houd van je met heel mijn hart.”

Den avond van dienzelfden dag waren Guillaume en Pierre, toen de duisternis inviel, een oogenblik alleen in het groote atelier. De kinderen waren uitgegaan, Grootmoeder en Marie waren boven oud linnengoed aan het uitzoeken, terwijl madame Mathis, die verstel werk teruggebracht had, geduldig in een donker hoekje zat te wachten op het goed, dat de dames mede zouden brengen. De twee broers hadden haar heelemaal vergeten en praatten zacht verder.

Plotseling schrokken zij door het binnenkomen van Janzen met zijn blonden, mageren Christuskop. Hij kwam maar heel zelden, doch men wist nooit vanwaar en evenmin waarheen hij terugging. Maandenlang placht hij te verdwijnen, om dan onverwachts weer op te duiken.

“Ik vertrek vanavond,” zeide hij met zijn kalme, als een mes zoo scherpe stem.

“Ga je naar huis, naar Rusland?” vroeg Guillaume.

“O, naar huis!” antwoordde hij met een fijn, minachtend glimlachje. “Ik voel me overal thuis. In de eerste plaats ben ik geen Rus, en in de tweede plaats wil ik slechts tot de geheele wereld behooren.”

En met een breed gebaar gaf hij te kennen, dat hij een vaderlandlooze was, die zijn ideaal van bloedige broederschap over alle grenzen met zich voerde. Uit enkele woorden meenden de twee broeders op te moeten maken, dat hij naar Spanje terugging, waar vrienden op hem wachtten. Er was veel werk. Hij was kalm gaan zitten en zeide op denzelfden kouden toon:

“Ze hebben daarnet een bom in het café de l’Univers op den boulevard geworpen. Drie bourgeois zijn gedood.”

Guillaume en Pierre wilden bijzonderheden hooren. Toen vertelde hij, dat hij toevallig voorbijkwam, de ontploffing gehoord en de ramen van het café in scherven had zien springen. Drie bezoekers waren gedood; van twee had men de identiteit nog niet kunnen vaststellen; de derde was een stamgast, een klein renteniertje, dat iederen dag zijn dominotje kwam leggen. In het café was het één woestenij: de marmeren tafeltjes waren gebroken, de kroonluchter verbogen, de spiegels met kogels doorboord. En een schrik en een opwinding en een gedrang! Ze hadden den dader dadelijk gegrepen, toen hij de rue Caumartin inslaan wilde, om te vluchten.

“Ik ben het je maar even komen vertellen,” zeide Janzen. “Het is beter, dat je het weet.”

En toen Pierre hem vroeg, wie de gearresteerde was, voegde hij eraan toe:

“Dat is juist het beroerde. Jullie kent hem. Het is de kleine Victor Mathis.”

Te laat wilde Pierre hem den naam in zijn keel terugdringen: hij herinnerde zich plotseling, dat de moeder in een donker hoekje achter hen zat. Was zij er nog? En hij zag den kleinen, bijna baardloozen Victor met het rechte, hardnekkige voorhoofd weer voor zich; de grijze oogen flikkerden vol onverzoenlijken wrok, de scherpe neus en de smalle lippen verrieden een krachtige energie, een meedoogenloozen haat. Hij was geen eenvoudige van geest, geen onterfde, maar een beschaafde, ontwikkelde bourgeois-zoon, die tot de École Normale toegelaten was. Voor zijn afschuwelijke daad bestond geen verontschuldiging, geen politieke hartstocht, geen humanitaire waanzin, zelfs niet eens het bittere leed der armen. Hij was de zuivere vernieler, de theoreticus der verwoesting, de krachtige, koelbloedige geest, die zijn ontwikkeling gebruikte, om den moord te overwegen en daaruit het werktuig van de sociale ontwikkeling te maken.

Ook was hij een dichter, een dweper, maar de vreeselijkste, dien men zich denken kon, een monster, dat slechts door zijn waanzinnigen trots, het verlangen naar een wilde onsterfelijkheid, den droom van een uit de beide armen der guillotine oprijzende dageraad verklaard kon worden. Volgens hem bestond er niets, niets dan de blinde zeis, die de wereld afmaait.

“O,” mompelde Guillaume heel zacht; “die heeft wel gedurfd.”

Maar reeds had Pierre hem liefdevol de hand gedrukt, en hij voelde, dat hij even radeloos, even opstandig was als hij zelf, dat zijn menschelijk hart, zijn geheele solidariteit in verzet kwamen. Misschien was deze laatste gruweldaad noodig om hem geheel te verpletteren en te genezen.

Ongetwijfeld was Janzen medeplichtig en hij vertelde juist, dat Victor Mathis Salvat gewroken had, toen er in het donker een luide, pijnlijke gil en dan de zware val van een lichaam op den grond weerklonk. Het was madame Mathis, de moeder, die, door het toevallig gehoorde nieuws verpletterd, als een doode massa neerviel. Op dat oogenblik kwam Grootmoeder met een lamp beneden. Het werd licht in het vertrek, ze vlogen de ongelukkige vrouw, die daar doodsbleek in haar dunne, zwarte japon lag, te hulp.

Weer was het voor Pierre een onzegbare smart. Dat arme, ongelukkige schepsel! Hij herinnerde zich haar, zooals hij haar bij abbé Rose gezien had—een zoo bescheiden, zich op den achtergrond houdende arme, die nauwlijks leven kon van de armzalige rente, die het verbitterde ongeluk haar gelaten had. Een rijke familie uit de provincie, een liefdesroman, een vlucht in de armen van den geliefde, dan de tegenspoed, de achteruitgang van het huishouden, de dood van den man. En in haar weduwschap was haar, na het verlies van de enkele stuivers, die haar in staat gesteld hadden haar zoon op te voeden, niets overgebleven dan deze zoon, haar Victor, haar afgod, voor wien zij een schitterende toekomst droomde. En nu hoorde zij plotseling, dat die zoon de vloekwaardigste moordenaar was, dat hij een bom in een café geworpen en drie mannen gedood had.

Toen madame Mathis dank zij den goeden zorgen van Grootmoeder weer tot bewustzijn kwam, brak zij in een eindeloos snikken uit en stiet zulke hartverscheurende jammerkreten uit, dat de handen van Pierre en Guillaume elkaar weer zochten en vonden, terwijl hun geschokte, genezen zielen in elkander samensmolten.

V.

Vijftien maanden later dejeuneerden op een prachtigen, gouden Septemberdag Bache en Théophile Morin bij Guillaume in het atelier tegenover het onmetelijke Parijs.

Naast de tafel stond een wieg, waarvan de gordijntjes waren dichtgetrokken; daaronder sliep Jean, een dikke jongen van vier maanden, de zoon van Pierre en Marie. Dezen waren, eenvoudig om de maatschappelijke rechten van het kind te beschermen, op de mairie te Montmartre burgerlijk getrouwd, hoewel het bij hen vastgestaan had het daarbuiten te doen, wanneer zij geen maire zouden hebben kunnen vinden, die een oud-priester had willen trouwen. Dan waren zij, om Guillaume, die hen bij zich had willen houden, ten einde den familiekring uit te breiden, een genoegen te doen, in het kleine huisje blijven wonen te Montmartre, terwijl zij dat te Neuilly overlieten aan de hoede van Sophie, de oude dienstbode. En zoo vloot gedurende de bijna veertien maanden, dat zij elkaar toebehoorden, het leven rustig voort.

Trouwens om het jonge paar had slechts vrede, liefde en arbeid geheerscht. François, die met alle diploma’s de École Normale verlaten had, zou naar een lyceum in het Westen gaan, want hij wilde zijn verplichten proeftijd in het onderwijs doormaken, om het dan later op te geven en zich geheel aan de wetenschap te wijden. Antoine had een groot succes gehad met een serie bewonderenswaardige houtsneden, gezichten op en straattooneelen uit Parijs, en zou in de volgende lente met Lise Jahan, die dan achttien jaar zijn zou, trouwen. Maar van de drie zoons triompheerde vooral Thomas, die dank zij een geniaal idee van zijn vader, den beroemden kleinen motor gevonden en geconstrueerd had. Na het ineenstorten van al zijn reusachtige en hersenschimmige plannen had Guillaume op een ochtend de plotselinge ingeving gekregen om de door hem ontdekte en nu nutteloos geworden springstof te gebruiken als beweegkracht en te trachten haar voor den motor, dien zijn oudste zoon nu al zoo lang voor de fabriek Grandidier bestudeerde, in de plaats van petroleum aan te wenden. Hij was met Thomas aan het werk gegaan en had een nieuw mechanisme uitgevonden, waarbij hij op tallooze moeilijkheden stuitte, die echter na een jaar van ingespannen arbeid overwonnen waren. Nu hadden vader en zoon het wonder verwezenlijkt het stond daar op een eikenhouten onderstel gereed om zich in beweging te zetten, zoodra men de laatste hand eraan gelegd had.

In het nu zoo vroolijke, rustige huisje oefende Grootmoeder ondanks haar hoogen leeftijd nog steeds het oppergezag uit. Allen gehoorzaamden haar en zij was overal, zonder schijnbaar ooit haar stoel voor het werktafeltje te verlaten. Sedert de geboorte van Jean sprak zij erover hem op te voeden, zooals zij Thomas, François en Antoine opgevoed had. De heerlijke dapperheid der opoffering vervulde haar en zij scheen te gelooven, dat zij niet sterven zou, zoolang zij de haren leiden, liefhebben, redden moest. Marie verwonderde er zich over; zij zelf was, sedert zij haar kind voedde, ondanks haar goede gezondheid en voortdurende opgewektheid dikwijls moe. Op die wijze had Jean twee moeders, die naast zijn wiegje waakten, terwijl Pierre, die de hulp van Thomas geworden was, aan den blaasbalg trok, nu en dan reeds enkele onderdeelen maakte en zijn leertijd als werktuigkundige bijna te boven was.

Dien dag had de aanwezigheid van Bache en Théophile Morin het dejeuner nog vroolijker gemaakt dan gewoonlijk; de tafel was reeds afgenomen en de koffie werd juist binnengebracht, toen een kleine jongen, de zoon van een conciërge uit de rue Cortot, naar mijnheer Pierre Froment kwam vragen. Met stamelende woorden vertelde hij, dat mijnheer de abbé Rose heel ziek was, op sterven lag en mijnheer Pierre Froment vragen liet, om dadelijk, dadelijk te komen.

Diep ontroerd ging Pierre met den jongen mede. In de rue Cortot vond hij in den kleinen, vochtigen, op een smallen tuin uitzienden rez-de-chaussée abbé Rose stervend, maar nog bij zijn volle bewustzijn. Een non verpleegde hem en scheen door de komst van dezen bezoeker, dien zij niet kende, heel verbaasd en ongerust. Pierre begreep dan ook dadelijk, dat de stervende bewaakt werd en dat hij een list gebruikt had, om hem door den zoon van den conciërge te laten halen. Maar toen de abbé haar op zijn goedig ernstigen toon gevraagd had hen een oogenblik alleen te laten, waagde zij het niet zich tegen dien laatsten wensch te verzetten, en verwijderde zich.

“O, beste jongen, wat verlangde ik ernaar, om nog eens met je te praten. Ga daar op dien stoel dicht bij het bed zitten, opdat je me kunt verstaan, want dit is het einde, vanavond zal ik er niet meer zijn. En ik heb je zoo’n grooten dienst te vragen.”

Pierre was diep geschokt hem zoo uitgeteerd en met een zoo wit gezicht te vinden, waarin nog slechts zijn onschuldige, liefdevolle oogen glansden.

“Maar ik zou veel eerder gekomen zijn als ik geweten had, dat u naar mij verlangde. Waarom hebt u mij niet laten halen? Wordt u bewaakt?”

Om de lippen van den abbé speelde een verlegen glimlachje van schaamte en bekentenis.

“Je moogt het gerust weten, beste jongen, ik heb weer domheden uitgehaald. Ja, ik heb zonder onderzoek aan menschen, die het blijkbaar niet verdienden, aalmoezen gegeven. Enfin een heel schandaal; in het aartsbisschoppelijk paleis hebben ze me verweten, dat ik den godsdienst in gevaar bracht. Toen zij hoorden, dat ik ziek was, hebben zij mij deze goede zuster gezonden, uit vrees, dat ik op het stroo zou sterven en de lakens van mijn bed geven zou, als ze het mij niet beletten.”

Hij hield even op om adem te halen.

“Je begrijpt, dat die goede zuster—o, zij is een heel vrome vrouw—hier is, om mij te verplegen en mij te beletten om op mijn sterfbed nog dwaasheden te doen. Ik moest dus door een kleine list, die God mij, naar ik hoop, vergeven zal, haar waakzaamheid om den tuin te leiden. Het gaat natuurlijk om mijn armen! Om over hen met jou te spreken, verlangde ik er zoo vurig naar je te zien.”

“Spreek, ik sta tot uw beschikking met hart en ziel,” zeide Pierre met tranen in de oogen.