De drie steden: Parijs

Part 44

Chapter 443,928 wordsPublic domain

“Ga dan even bij de naaister zeggen, dat ik morgenochtend mijn japon kom passen.”

Zij bedoelde haar trouwjapon, een grijszijden japon, over de groote luxe waarvan zij dikwijls grapjes maakte. Als zij erover sprak, begonnen zij en al de anderen te lachen.

“Afgesproken, beste meid,” antwoordde Guillaume, eveneens lachend. “Asschepoesters hofjapon, het brokaat en de kant van de fee, om heel mooi en gelukkig te zijn.”

Maar het lachen verstomde, en in de plotselinge stilte scheen nogmaals met luiden vleugelslag de dood te strijken, een vreeselijke koude, waarvan de huivering de harten der achterblijvenden deed verstijven.

“Maar nou ga ik toch heusch... Tot ziens kinderen!”

Pierre verzon een voorwendsel om ook uit te gaan en volgde hem na twee minuten. Om hem niet uit het oog te verliezen, behoefde hij hem slechts op de hielen te volgen, want hij wist waarheen hij ging. Een innerlijke, volkomen zekerheid zeide hem, dat hij hem terug zou vinden bij de deur, die naar de basilica leidde en waaruit hij hem den vorigen dag had zien komen. Hij trachtte dan ook niet hem onder de menigte pelgrims, die naar de kerk stroomden, terug te vinden, maar ging zoo gauw mogelijk naar het atelier van Jahan. Toen hij daar kwam, zag hij, zooals hij verwacht had, Guillaume door het staketsel sluipen en verdwijnen. Het gedrang van de groote menigte stelde hem in staat zijn broeder te volgen en ongezien door de deur te gaan. Een oogenblik moest hij blijven staan, om adem te halen, zoo benauwde hem het heftige kloppen van zijn hart.

Van het smalle portaal leidde een dadelijk donker wordende trap steil naar beneden. Pierre waagde zich met de grootste voorzichtigheid in dezen steeds dieper wordenden nacht en zette zijn voeten zacht neer, om geen leven te maken. Met zijn hand tegen den muur tastend, draaide hij rond en liet zich afdalen als in een put. Het afdalen duurde echter niet lang. Toen hij weer vasten grond onder zijn voeten voelde, bleef hij staan, durfde zich niet bewegen uit vrees zijn aanwezigheid te verraden. De duisternis was zwart als inkt. Een zware stilte, geen geluid, geen ademtocht. Welken kant moest hij uitgaan?

Hij aarzelde nog, toen hij plotseling een twintig passen voor zich een lichtstraaltje zag, een lucifer, die afgestreken werd. Het was Guillaume, die een kaars aanstak. Hij herkende zijn breede schouders en behoefde slechts door een soort gemetselde, overwelfde, onderaardsche gang het lichtje te volgen. De weg leek eindeloos en het kwam Pierre voor, dat hij in Noordelijke richting, onder het schip der basilica, liep.

Plotseling bleef het kleine lichtje stil staan. Pierre liep nog wat door, maar bleef in het donker, om te kunnen kijken. Guillaume was midden in een soort lage rotonde onder de crypt op zijn knieën gaan liggen en had het uiteinde van de kaars op den grond zelf gezet. Dan schoof hij een langen, platten steen, die een gat scheen af te sluiten, weg. De twee broers bevonden zich in de fundeeringen van de basilica, waar men een van die pijlers, een van die schachten zag, waarin beton gestort was, om het gebouw te steunen. Dicht bij dien pijler zelf bevond zich het gat, hetzij een natuurlijke spleet in den grond, hetzij een door de aardverschuiving ontstane groote scheur. In de omgeving waren andere pijlers, waarover de spleet zich door naar alle richtingen vertakkende kleine scheuren eveneens scheen uit te strekken. Toen Pierre zijn broer zoo gebukt zag als een mijnwerker, die voor de laatste maal de door hem gelegde mijn nakijkt, alvorens de lont in brand te steken, begreep hij plotseling het vreeselijke en ontzettende, dat gebeuren zou: aanzienlijke hoeveelheden van de ontzettende springstof waren hier bij verschillende gelegenheden heimelijk gebracht, het kruit in de spleet naast den pijler gestort, van waaruit het zich in de kleinere scheuren verspreidde, den bodem tot op groote diepte verzadigde en op die wijze een mijn van onberekenbare kracht vormde. Het kruit kwam tot onder den steen, dien Guillaume weggeschoven had. Hij behoefde er slechts een lucifer in te werpen en alles zou in de vlucht vliegen.

Een verstijvende schrik nagelde Pierre een oogenblik als het ware aan den grond vast; hij zou niet in staat geweest zijn een stap te doen of een kreet te uiten. Hij zag de wriemelende menigte boven weer voor zich, de tien duizend pelgrims, die zich in de hooge schepen der basilica ophoopten voor de zegening van het Heilig Sacrament. De dreunende Savoyarde luidde uit alle macht, de wierook kronkelde op, de tien duizend stemmen hieven een lof- en jubellied aan. En plotseling zou een donderslag, een aardbeving volgen, een vulkaan zich openen, die in een vloed van vlammen en rook de geheele kerk met haar volk van geloovigen verslinden zou. Ongetwijfeld zou de buitengewone kracht der ontploffing, door de steunpijlers te breken en den nog weinig vasten ondergrond om te woelen, het gebouw splijten, de helft ervan op de naar Parijs afdalende hellingen tot aan de place du Marché slingeren, terwijl de rest, de koorzijde, op de plaats zelf ineenstorten zou. En welk een vreeselijke lawine zou dit brekende bosch van stellages, deze regen van reusachtige materialen op de daken beneden storten! Geheel Montmartre zelf dreigde door de kracht van den schok in een onmetelijken puinhoop veranderd te worden.

Guillaume was weer opgestaan. De op den grond geplaatste kaars, die met een rechte, hooge vlam brandde, projecteerde zijn groote schaduw, die het geheele souterrain scheen te vullen. Het kleine licht leek in al dit donker niet meer dan een onbeweeglijk, triest sterretje. Hij kwam wat dichterbij om op zijn horloge te kijken. Vijf minuten over drieën. Hij moest dus nog bijna een uur wachten. Dus ging hij geduldig op een steen zitten en bewoog zich niet meer. De kaars verlichtte zijn bleek gezicht, zijn groot, torenvormig voorhoofd, het geheele energieke gezicht, dat de schitterende oogen en de bruine snor nog altijd mooi en jong maakten. Geen van zijn gelaatstrekken bewoog, hij staarde in het Niet. Welke gedachten schoten in deze laatste minuten door zijn brein? Geen huivering in de lucht: rondom de drukkende nacht, het eeuwige, diepe zwijgen der aarde.

Toen ging Pierre, het kloppen van zijn hart bedwingend, naar hem toe. Bij dit geluid van stappen was Guillaume dreigend opgestaan, maar dadelijk herkende hij zijn broeder. Hij scheen in het geheel niet verbaasd te zijn.

“Zoo, ben je mij gevolgd?... Ik voelde wel, dat je mijn geheim wist. Maar het is een groot verdriet voor me, dat je er misbruik van maakt door naar mij toe te komen... Je hadt me die laatste smart moeten besparen.”

Pierre vouwde zijn bevende handen en wilde dadelijk smeeken.

“Broeder, broeder!”

“Neen, zeg nog niets. Wanneer je het met alle geweld wilt, dan zal ik straks naar je luisteren. Wij hebben nog bijna een uur tijd, we kunnen op ons gemak praten. Maar ik wil, dat je de nutteloosheid van alles, wat je meent me te moeten zeggen, inziet. Mijn besluit staat vast, ik heb het lang overwogen en zal slechts volgens mijn verstand en mijn geweten handelen.”

En nu vertelde hij op zijn kalme manier hoe hij, eenmaal tot een groote daad besloten, langen tijd geaarzeld had over de keuze van het gebouw, dat hij verwoesten zou. Eerst had de Opéra hem aangelokt, maar dan was die storm van woede en gerechtigheid, welke deze kleine wereld van genotzoekers wegvaagde, hem zonder eenige hoogere beteekenis, als bevlekt met lage, ijverzuchtige gevoelens toegeschenen. Vervolgens had hij aan de Beurs gedacht: daar trof hij het alles bedervende geld, de kapitalistische maatschappij, waaronder de loonarbeiders reutelen. Maar was ook dat niet iets beperkts, iets speciaals? Ook de gedachte aan het Paleis van Justitie, in het bijzonder de zaal van het gerechtshof, had hem langen tijd vervolgd. Hoe verleidelijk was het gerechtigheid te oefenen over de menschelijke gerechtigheid, den schuldige in de lucht te doen vliegen met de getuigen, met den advocaat-generaal, die hem aanklaagt, met den advocaat, die hem verdedigt, met de magistraten, die hem veroordeelen, met het nieuwsgierige publiek, dat daar komt als om een feuilleton te lezen! En welk een bittere ironie lag er in deze hoogste primitieve gerechtigheid van den vulkaan, die alles verslindt, zonder zich met bijzonderheden op te houden!

Maar het plan, dat hij het langst gekoesterd had, was den Arc de Triomphe in de lucht te laten vliegen. Dat was in zijn oogen het verdoemenswaardige monument, dat den oorlog, den haat tusschen de volkeren, den valschen, zoo duur en zoo bloedig gekochten roem der groote veroveraars vereeuwigde! Deze kolos, die opgericht was voor de vreeselijkste bloedbaden, waarvoor zooveel levens nutteloos opgeofferd waren, moest gedood worden. Wanneer hij hem in den grond had kunnen doen wegzinken, dan zou hij den heldhaftigen moed bezeten hebben om geen anderen dood te veroorzaken door den zijne, om, door den steenen reus verpletterd, alleen te sterven. Welk een graf! En welk een herinnering zou hij aan de wereld achterlaten!

“Maar er was geen toegang, geen onderbouw, geen kelder,” ging hij voort. “Ik heb van het plan moeten afzien... Bovendien wil ik gaarne alleen sterven. Maar trouwens bestaat er een vreeselijker en hoogere les dan de onrechtvaardige dood van een onschuldige menigte? Evenals onze menschelijke maatschappijen door de ongerechtigheid, de ellende en de meedoogenlooze hardheid van haar raderwerk onschuldige slachtoffers maken, zoo moeten aanslagen als deze inslaan als de bliksem en op hun toevalligen weg met hun onverbiddelijke verwoesting menschenlevens vernietigen. Het is de voet van een mensch midden in een mierenhoop.”

Verontwaardigd stiet Pierre een kreet van vurig protest uit.

“Broeder, broeder, ben jij het die zoo spreekt?”

“Dat ik ten slotte deze basilica van den Sacré-Cœur gekozen heb, is, omdat zij zoo dicht bij de hand, zoo makkelijk te verwoesten is. Maar ook omdat zij mij hindert en verbittert, heb ik haar reeds sedert lang ten doode opgeschreven... Ik heb het je al meer gezegd: je kan je geen grooteren onzin denken, Parijs, ons groot Parijs, bekroond en beheerscht door dezen tot verheerlijking van het absurde gebouwden tempel. Is na zooveel eeuwen van wetenschap deze kaakslag aan het gezond verstand, deze onbeschaamde triomfzucht in het volle daglicht niet onduldbaar? Zij willen, dat Parijs berouw heeft, boete doet, omdat het de bevrijdende stad van waarheid en gerechtigheid is! Neen, neen, het behoeft slechts alles weg te vagen wat het hindert, wat het op zijn weg van bevrijding belemmert!... Laat de tempel met zijn god van leugen en knechtschap instorten! Laat hij onder zijn puinhoop het volk van zijn geloovigen verpletteren, opdat de catastrophe als een der vroegere geologische revoluties in het hart der menschheid weerklinke en verandere en herscheppe!”

“Broeder, broeder,” herhaalde Pierre buiten zichzelf; “ben jij het, die zoo spreekt? Jij, de groote geleerde met je groot hart, bent zoover gekomen! Welke rampzalige storm heeft zich van je meester gemaakt, dat je zulke afschuwelijke dingen denkt en zegt?... Op den avond, waarop wij in wanhopige liefde alles voor elkaar gebiecht hebben, heb je me je droom van een ideale anarchie verteld: de vrije harmonie van het leven, dat, aan zijn natuurlijke krachten overgelaten, het geluk scheppen zou. Maar toen kwam je in verzet tegen diefstal en moord, wierp je de daad ver van je, verklaarde en verontschuldigde je haar slechts... Wat is er toch gebeurd, dat je van het denkende brein de wreede hand, die handelen wil, geworden bent?”

“Salvat is geguillotineerd,” zeide Guillaume eenvoudig, “en ik heb zijn testament in zijn laatsten blik gelezen. Ik ben slechts de uitvoerder van zijn laatsten wil... Wat er gebeurd is? Maar alles, waaronder ik lijd, alles wat ik reeds sedert vier maanden uitschreeuw, al die gruwelen, welke ons omringen en die een einde moeten nemen!”

Een stilte volgde. In de donkerte stonden de twee broeders tegenover elkaar en keken elkander aan. Nu begreep Pierre de verandering, die in Guillaume plaats gegrepen had, dat, wat de vreeselijke ademtocht van de over Parijs strijkende revolutionnaire besmetting van hem gemaakt had. Dit vormde een deel van het dualisme, dat hem zoo tegenstrijdig deed lijken: aan de eene zijde de geleerde, die geheel opging in waarneming en ervaring, die tegenover de natuur met een voorzichtige logica te werk ging; aan de andere zijde de door broederschap, gelijkheid en rechtvaardigheid vervolgde sociale dweper, die in een vurige behoefte aan liefde het algemeen geluk eischte. Op die wijze was eerst de theoretische anarchist geboren, dat mengsel van wetenschap en hersenschimmen: de menschelijke maatschappij moest teruggegeven worden aan de wet der wereldharmonie, ieder mensch in een slechts door de liefde geregeerde vrije associatie vrij zijn.

Théophile Morin met Proudhon en Comte, Bache met Saint-Simon en Fourier hadden zijn verlangen naar het absolute niet kunnen bevredigen; alle stelsels schenen hem onvolmaakt en chaotisch toe, vernietigden elkaar wederkeerig en leidden tot dezelfde levensellende. Alleen Janzen bevredigde hem meermalen door zijn korte woorden. Dan was het tragische lot van Salvat als een giststof van het hoogste verzet komen vallen in dit hart, dat de gedachte aan ellende in opstand bracht, het onrechtvaardige lijden van armen en ongelukkigen verbitterde. Weken lang had hij in koorts, met brandende handen en door toenemenden angst dichtgeknepen keel geleefd: hij dacht aan de bom van Salvat, waarvan hij den schok nog voelde; aan de meedoogenlooze couranten, die zich op den ongelukkige gestort hadden als op een dollen hond; aan den in het Bois de Boulogne vervolgden man, die met modder bedekt en stervend van honger in de handen der politie gevallen was, aan de rechters, aan de gendarmen, aan de getuigen, aan geheel Frankrijk, aan die allen tegen één, die voor aller misdaad boeten moest; eindelijk aan de guillotine, de monsterachtige, vuile guillotine, die in naam der menschelijke gerechtigheid de niet meer goed te maken ongerechtigheid voltrok. Slechts één gedachte bleef in hem over, de gedachte aan gerechtigheid, die hem krankzinnig maakte, tot zij in zijn brein alles vernietigde en niets overliet dan de vurige voorstelling van een rechtvaardige daad, waardoor hij het onrecht weer goed maken, het eeuwige heil brengen zou. Salvat had hem aangekeken, de besmetting had gewerkt: hij leefde nog slechts in de zucht om te sterven, zijn bloed te geven, het bloed van anderen in stroomen te laten vloeien, opdat de menschheid, door schrik en afschuw aangegrepen, de gouden eeuw decreteeren zou.

Pierre begreep de hardnekkige verblinding van een dergelijken waanzin, en de gedachte, dat hij dezen niet overwinnen zou, maakte hem radeloos.

“Broeder, je bent krankzinnig, ze hebben je krankzinnig gemaakt. Er woedt een storm van gewelddadigheid; eerst is men met al te meedoogenlooze onhandigheid tegen hen opgetreden, en nu zij elkander gaan wreken, bestaat er geen reden meer, waarom het bloed zou ophouden te vloeien... Ontwaak uit dezen boozen droom, Guillaume. Het is niet mogelijk, dat jij een Salvat wordt, die doodt, een Bergaz, die steelt. Denk aan het hôtel van prinses de Hardt, dat zij geplunderd hebben, aan het arme, blonde, lieve kind, dat we met opengereten buik hebben zien liggen... Je behoort niet tot hen, broeder, je kan niet tot hen behooren! Heb erbarmen, heb medelijden!”

Met een handgebaar wees Guillaume die nuttelooze redenen af. Hij meende reeds in het rijk des doods te zijn. En wat bekommerde hij zich dan om die paar levens, welke tegelijk met het zijne in den eeuwigen levensstroom terugkeeren zouden? Nooit was er een nieuwe phase in de wereld ontstaan, zonder dat er milliarden levens door verpletterd werden.

“Maar je hadt een grootsch doel,” riep Pierre uit, om hem, door hem op zijn plicht te wijzen, te redden. “Het staat je niet vrij op deze manier uit het leven te verdwijnen.”

Koortsachtig trachtte hij den trots van den geleerde in hem te wekken. Hij sprak over het geheim, dat hij hem had toevertrouwd, over de oorlogsmachine, die in staat was legers te verwoesten en steden in stof te doen vallen, die hij aan Frankrijk wilde geven, opdat het, als overwinnaar in den nabijen oorlog, de bevrijder der wereld zou kunnen worden. En dat buitengewoon grootsche doel had hij opgegeven, zijn vreeselijke springstof wilde hij gebruiken, om onschuldigen te dooden, om een kerk te vernietigen, die met behulp van millioenen weer opgebouwd zou worden en waarvan men een heiligdom van martelaren maken zou!

Guillaume glimlachte.

“Ik heb mijn plan niet opgegeven, ik heb het eenvoudig veranderd. Heb ik je niet van mijn twijfel, van mijn vreeselijken tweestrijd verteld? O, te denken, dat men het lot van de wereld in zijn handen heeft, en dan te beven en te aarzelen en je af te vragen, of je ook zeker het begrip, de wijsheid hebt, om de goede beslissing te nemen! Tegenover de vlekken, die ons groot Parijs bezoedelen, tegenover al de misdaden, die wij in den laatsten tijd gezien hebben, weifelde ik, vroeg ik mij af, of het kalm, of het rein genoeg was, dat men het wagen mocht het de almacht toe te vertrouwen. Welk een ramp zou het worden, als een uitvinding als de mijne in de handen van een krankzinnig volk, misschien van een dictator, misschien van een usurpator vallen zou, die haar zou willen gebruiken, om de naties te terroriseeren en onder de gemeenste slavernij te doen bukken... Neen, ik wil den oorlog niet vereeuwigen, ik wil hem dooden.”

Met vaste stem legde hij hem zijn nieuw plan uit en Pierre vond daarin tot zijn verbazing de denkbeelden weer terug, die generaal de Bozonnet hem in tegenovergestelden zin uiteengezet had. De oorlog ging, bedreigd door zijn eigen buitensporigheden, zijn ondergang tegemoet. Vroeger, ten tijde der huurlegers, later, ten tijde van de conscriptie, toen een klein aantal door het lot aangewezen werd, was hij een stand en een hartstocht. Maar van het oogenblik af, dat de geheele wereld vechten moet, wil niemand het meer. Alle naties onder de wapenen is door de logische kracht der dingen het toekomstige einde der legers. Hoe lang zouden zij nog op dien voet van dood brengenden vrede blijven, verpletterd door steeds toenemende budgetten, milliarden uitgevend om elkaar in bedwang te houden. Welk een kreet van verlichting zou er opgaan, wanneer het verschijnen van een vreeselijke machine, die met één streek legers en steden wegveegt, den oorlog onmogelijk maken, de volkeren noodzaken zou tot algemeene ontwapening over te gaan. De oorlog zou gedood worden—hij, die zoovelen sterven liet, zou eveneens sterven. Dat was zijn ideaal, de zekerheid het dadelijk te zullen verwezenlijken, bracht hem in geestdrift.

“Alles is geregeld. Wanneer ik sterf, wanneer ik verdwijn, geschiedt dat, opdat de idee triompheeren zal... Je hebt gezien hoe ik mij in de laatste dagen geheele middagen met Grootmoeder opgesloten heb. Wij hebben toen alle documenten geclassificeerd en alle schikkingen getroffen. Zij heeft mijn aanwijzingen en zal die uitvoeren, ook al zou het haar haar leven kosten... Zoodra ik dood, onder deze steenen begraven ben, zoodra zij de explosie gehoord zal hebben, die Parijs doet schokken en de nieuwe aëra inluidt, zal zij aan iedere groote mogendheid de formule van de springstof, de teekening van de bom en van het speciale kanon, de complete dossiers, die zij onder haar berusting heeft, doen toekomen. Op die wijze geef ik aan alle volkeren het vreeselijke geschenk van verwoesting, van almacht, dat ik in den beginne slechts aan een wilde geven, opdat alle volkeren, op gelijke wijze met den bliksem gewapend, de wapenen neerleggen.”

Met open mond luisterde Pierre naar hem, als had deze vreeselijke voorstelling, waarbij het kinderlijke met het geniale streed, hem als een drijfwerk verpletterd.

“Maar waarom, nu je je geheim aan alle volkeren geeft, deze kerk in de lucht te doen vliegen, waarom te sterven?”

“Opdat men mij gelooven zal,” riep hij met een geweldige kracht uit. “Het gebouw moet tegen den grond liggen en ik eronder. Wanneer de proef niet genomen, wanneer het ontzettende niet de vreeselijke, verwoestende kracht van de springstof verkondigt, zal men mij voor een visionnairen uitvinder uitmaken... Veel dooden, veel bloed, opdat het bloed voor eeuwig ophoude te vloeien.”

Dan kwam hij met een groot gebaar weer op de noodzakelijkheid der daad terug.

“En bovendien heeft Salvat mij deze daad der gerechtigheid nagelaten. Dat ik haar nog uitgebreid heb door er een beteekenis aan toe te voegen, door haar te gebruiken, om het einde van den oorlog te verhaasten, is, omdat ik een intellectueel, een geleerde ben. Misschien zou het beter geweest zijn, als ik maar een eenvoudige van geest was en kwam als de vulkaan, die den bodem verandert, maar de zorg, om een menschheid te herscheppen, aan het leven overlaat.”

De kaars brandde op, en Guillaume stond op van den steen, dien hij geen oogenblik verlaten had. Hij keek op zijn horloge: nog tien minuten. Door den zwakken tocht, welken zijn bewegingen veroorzaakte, begon het licht te flikkeren. Het was alsof de duisternis dichter werd door het steeds aanwezige gevaar van de open mijn, die een vonk in de lucht kon doen vliegen.

“Het is dadelijk tijd... Kom, Pierre, geef mij een zoen en ga weg. Je weet hoeveel ik van je houd, welk een liefde voor jou weer in mijn oud hart ontwaakt is. Heb mij dus ook lief, vind de kracht, mij genoeg lief te hebben, om mij naar mijn eigen zin en volgens mijn geweten te laten sterven... Geef mij een zoen en ga weg zonder nog om te kijken.”

Zijn groote liefde deed zijn stem beven; hij streed, drong zijn tranen terug, en reeds buiten de menschheid, buiten de wereld staande, kon hij zich overwinnen.

“Neen, broeder, je hebt mij niet overtuigd,” zeide Pierre, zonder zijn tranen te verbergen, “en juist, omdat ik zooveel van jou houd, als jij van mij, ga ik niet... Nogmaals het is onmogelijk, je kunt niet de gek, de moordenaar zijn, die je wezen wilt.”

“Waarom? Ben ik niet vrij? Ik heb mijn leven van alle plichten, van alle banden vrij gemaakt... Mijn zoons zijn volwassen, hebben mij niet meer noodig. Mijn hart had nog slechts één boei: Marie en die heb ik aan jou gegeven.”

Pierre voelde, hoe hem door die woorden een sterk argument in handen gegeven werd, en maakte er hartstochtelijk gebruik van.

“Dus je wilt sterven, omdat je mij Marie gegeven hebt. Beken het, je hebt haar nog altijd lief.”

“Neen,” riep Guillaume; “ik heb haar niet meer lief, ik zweer het je. Ik heb haar aan jou gegeven. Ik heb haar niet meer lief.”

“Dat geloofde je, maar je ziet nu heel goed, dat je haar nog lief hebt; want nu ben je heelemaal van streek, terwijl je daareven onbewogen bleef onder al de verschrikkelijke dingen, die we gezegd hebben... Omdat je Marie verloren hebt, wil je sterven.”

Guillaume rilde en op zachten toon, als ondervroeg hij zijn eigen hart, zeide hij:

“Neen, neen, het zou een bezoedeling zijn van mijn hoog doel, wanneer een liefdesmart mij tot die vreeselijke daad gebracht had... Neen, neen, ik heb er vrijwillig toe besloten, ik voer haar uit zonder eenig persoonlijk belang, alleen uit naam der gerechtigheid en voor de menschheid, tegen den oorlog, tegen de ellende.”

En dan in een kreet vol lijden:

“Het is slecht van je, broeder, heel slecht om zoo mijn stervensvreugde te vergallen. Ik heb al het geluk, waartoe ik in staat was, om mij heen geschapen; ik was gelukkig, dat ik jullie allen gelukkig achterliet, en nu kom jij mijn dood bederven... Neen, hoe ik mijn hart ook onderzoek, het bloedt niet meer; ik heb Marie niet meer lief zooals ik jou lief heb.”

Maar zijn onrust bleef: hij was als het ware bang, dat hij zichzelf voorloog. En langzamerhand maakte een woede zich van hem meester:

“Luister, Pierre, nu is het genoeg! De tijd dringt... Voor de laatste maal, ga! Ik beveel het je, ik wil het!”