De drie steden: Parijs

Part 43

Chapter 433,961 wordsPublic domain

“O, mijnheer,” veroorloofde Pierre zich op zijn beurt te zeggen; “wat zou ik u gaarne een oogenblik medenemen naar de trieste kamer, naar dien armzaligen, ouden, afgetobden, verpletterden man, die zelfs geen woorden meer vinden kan, om zijn lijden uit te schreeuwen. Er bestaat niets rampzaligers dan zoo, aan alle goedheid en gerechtigheid wanhopend, te moeten sterven.”

Grandidier had zwijgend naar hen geluisterd. Dan kwamen dikke tranen in zijn oogen en zijn stem beefde, toen hij fluisterend zeide:

“Weet men eigenlijk wel wat het rampzaligste is? Wie kan van het ergste ongeluk spreken, als hij het ongeluk van anderen niet mede geleden heeft?... Ja zeker, het is vreeselijk voor dien armen Toussaint op zijn leeftijd niet meer te weten of er morgen nog eten voor hem zijn zal. Maar ik ken even groote ellende, verschrikkingen, die het leven nog meer vergiftigen... O, het dagelijksch brood! Welk een dwaze hoop te gelooven, dat het geluk heerschen zal, wanneer iedereen zijn dagelijksch brood hebben zal!”

Zijn beven verried het zoo smartelijke drama van zijn leven. Hij was het hoofd der fabriek, een man, die op het punt stond rijk te worden, die over het kapitaal beschikte en op wien zijn arbeiders naijverig waren; hij had een fabriek, waarin het geluk teruggekeerd was, waarvan de machines geld sloegen, zonder dat hij schijnbaar iets anders te doen had dan het in zijn zak te steken—en toch was hij de ongelukkigste van alle stervelingen, ging er geen dag voorbij, die niet door den hevigsten zielsangst bedorven werd. Voor alles moet men boeten. Deze triomphator, deze gunsteling van het geld snikte van wanhoop op zijn steeds grooter wordenden goudhoop.

Hij was zeer welwillend en beloofde Toussaint te zullen helpen. Maar wat kon hij doen? Nooit zou hij het pensioen-principe erkennen, omdat dat de negatie zelf was van het thans vigeerende loonstelsel. Hij verdedigde zijn rechten als patroon zeer krachtig en herhaalde, dat de scherpe concurrentie hem dwong die onverbiddelijk te handhaven, zoolang het tegenwoordige stelsel bestond. Het was zijn plicht op eerlijke wijze goede zaken te maken. Hij betreurde het, dat zijn arbeiders hun plan om een pensioenfonds op te richten niet uitgevoerd hadden, en gaf zelfs te kennen, dat hij ze zou aansporen het weer op te vatten.

Op zijn wangen was weer een kleur gekomen, hij ging weer geheel op in zijn leven van dagelijkschen strijd.

“Ik wou je naar aanleiding van onzen kleinen motor zeggen...”

En hij praatte lang met Thomas, terwijl Pierre intusschen wachtte. Hij ving sommige woorden op, maar kon al die technische uitdrukkingen niet begrijpen. Vroeger had de fabriek kleine stoommotoren vervaardigd, maar deze schenen in de praktijk niet te voldoen, waarom men naar een andere kracht zocht. De electriciteit, de koningin der toekomst, was door het gewicht van de toestellen, die zij vereischte, nog niet mogelijk. Er bleef dus niets anders over dan petroleum, die echter zulke inconveniënten opleverde, dat hij, die dezen door een nieuwe, tot nog toe onbekende beweegkracht vervangen zou, ongetwijfeld een rijk man worden zou. In het vinden en toepassen van die kracht lag de oplossing van het probleem.

“Ik heb nu haast,” zeide Grandidier. “Ik heb je kalm laten zoeken zonder je lastig te vallen met nieuwsgierige vragen, maar nu wordt een oplossing noodzakelijk.”

Thomas glimlachte.

“Heb nog een beetje geduld; ik geloof, dat ik op den goeden weg ben.”

Grandidier gaf hun beiden de hand en ging dan zijn gewone tournée door de drukke werkplaatsen maken, terwijl het gesloten paviljoen zwijgend en doorhuiverd door de ongeneeslijke smart, waarin hij dagelijks terugkeerde, op hem lag te wachten.

De zon ging reeds onder, toen Pierre en Thomas, na den heuvel van Montmartre weer beklommen te hebben, naar het groote glazen atelier gingen, dat de beeldhouwer Jahan te midden van de loodsen, werkplaatsen en barakken, die noodig waren voor de voltooiing van de basilica van den Sacré-Cœur, had, om den grooten engel, waarvoor hij een opdracht had gekregen, uit te voeren. Hier lagen groote, woeste bouwterreinen, die met alle mogelijke materiaal, met een chaos van gehouwen steenen, balken en machines bedekt waren. Tot de grondwerkers het laatste toilet aan de omgeving zouden komen maken, bleven de fundeeringsgaten open liggen, voerden gebroken trappen nog naar beneden, leidden deuren, die door enkele palen afgesloten waren, nog naar den onderbouw der kerk.

Thomas, die voor het atelier van Jahan was blijven staan, wees met zijn vinger naar een van die deuren, waardoor men tot bij de fundeeringswerken kon komen.

“Bent u nog nooit op het denkbeeld gekomen naar de fundeeringen van de basilica te gaan kijken? Het is een wereld op zichzelf en buitengewoon interessant. Ze hebben er millioenen aan verwerkt. Men moest den vasten grond onder in den heuvel zoeken en ze hebben meer dan tachtig schachten gegraven, die met beton gevuld zijn, om de kerk op die tachtig onderaardsche zuilen te bouwen... Je ziet ze niet, maar zij dragen boven Parijs dit monument van dwaasheid en hoon.”

Pierre was naar het staketsel gegaan en keek, in gedachten verzonken, naar een open deur, een soort donker portaal, vanwaar een trap naar beneden ging. Droomend dacht hij aan die onzichtbare zuilen, aan die onzichtbare energie, aan dien wil om te heerschen, welke het gebouw staande hield.

Thomas moest hem terugroepen.

“We moeten ons haasten. Het wordt donker. Wij zullen niets meer kunnen zien.”

Antoine zou op hen wachten bij Jahan, die hun een nieuwe maquette wilde laten zien. Toen zij binnentraden, waren zijn beide helpers nog bezig aan den monumentalen engel, welks vleugels zij boven op een stelling aan het uithouwen waren; Jahan zat met half-bloote en met klei bedekte handen op een laag stoeltje naar een meter hooge figuur, waaraan hij gewerkt had, te kijken.

“Zoo, zijn jullie daar? Antoine heeft al meer dan een half uur gewacht. Ik geloof, dat hij met Lise naar buiten gegaan is, om de zon over Parijs te zien ondergaan. Zij zullen dadelijk wel terug zijn.”

Dan verzonk hij, onbeweeglijk, weer in zijn zwijgende beschouwing.

Het was een naakte, staande, trotsche vrouwenfiguur van een ondanks den eenvoud der lijnen zoo verheven majesteit, dat zij reusachtig groot scheen. Haar loshangend, weelderig haar straalde als haar gezicht, welks verheven schoonheid glansde als de zon. Met haar beide uitgestrekte armen maakte zij een verwelkomend gebaar; haar beide handen openden zich voor alle menschen.

Langzaam en als in een droom verzonken begon Jahan weer te spreken:

“Herinner je je nog, dat ik een pendant wilde maken van de Vruchtbaarheid, die je indertijd gezien hebt met haar krachtige heupen, in staat, om een wereld te dragen. Ik had een Barmhartigheid, die ik heb laten indrogen, zoo banaal en afgezaagd vond ik die... Toen ben ik op het denkbeeld gekomen een Gerechtigheid te maken. Maar niet met zwaard en weegschaal! Niet de Gerechtigheid in toga en met baret kan mij in geestdrift brengen; neen, ik werd hartstochtelijk bezeten door die andere, die, waarop de armen en lijdenden wachten, die, welke alleen wat orde en geluk onder ons brengen kan... En toen zag ik haar zoo voor mij, naakt, eenvoudig, groot. Zij is de zon, een zon van schoonheid, harmonie en kracht, want de zon is de eenige gerechtigheid. Zij straalt aan den hemel voor allen, geeft met hetzelfde gebaar aan armen en rijken haar pracht, haar licht, haar warmte, die de bron van alle leven zijn. O, mooi, sterk, rechtvaardig zijn—dat is het geheele ideaal.”

Hij stak zijn pijp weer aan en begon hartelijk te lachen.

“Nou, ik geloof, dat de goede vrouw flink op haar beenen staat... Hoe vind je haar?”

Pierre en Thomas putten zich uit in loftuitingen. De eerste was diep ontroerd in deze kunstenaarsphantasie de gedachte terug te vinden, waarmede hij reeds zoo lang rondliep: de nabije aëra der Gerechtigheid op de puinhoopen dezer wereld, die de Barmhartigheid na zoovele eeuwen van ervaring niet voor ondergang had kunnen behoeden.

Vroolijk vertelde de beeldhouwer, dat hij hier aan deze maquette werkte, om zich wat te troosten over dien grooten poppenengel, welks banaliteit hem tot wanhoop bracht. Men had hem weer aanmerkingen gemaakt over de plooien van het kleed, die de dijen te zeer verrieden; hij had de geheele draperie moeten veranderen.

“Alles wat zij willen,” riep hij uit. “Dit is mijn werk niet meer, het is een opdracht, die ik uitvoer, zooals een metselaar een muur maakt. Er bestaat geen kerkelijke kunst meer; het ongeloof en de domheid hebben haar gedood. Maar als de sociale kunst, de echt-menschelijke kunst weer kon ontstaan—hoe heerlijk zou het wezen een van haar verkondigers te zijn!”

Hij viel zichzelf in de rede. “Waar bleven die twee kinderen, Antoine en Lise, toch.” Hij zette de deur van het atelier wijd open en nu zagen zij op het woeste bouwterrein tusschen de puinhoopen de fijne profielen van den grooten Antoine en de tengere, kleine Lise, die zich tegen het onmetelijke, door de afscheid nemende zon vergulde Parijs afteekenden. De jonge kolos steunde haar met zijn krachtigen arm, zoodat zij zonder moe te worden loopen kon, terwijl zij, met de teedere gratie van een eindelijk ontbloeide, eindelijk vrouw geworden vrouw, haar oogen met een eindeloos dankbaar glimlachje, naar de zijne opsloeg om zich geheel te geven, voor eeuwig.

“Ha, daar komen zij terug!... Het wonder heeft zich nu heelemaal voltrokken. Ik kan je niet zeggen, hoe blij ik ben. Ik was wanhopig, ik had het al opgegeven haar ooit te leeren lezen, ik liet haar dagen lang als een halve idioot onbeweeglijk en zwijgend in een hoek zitten. Toen is je broer gekomen en heeft het, ik weet waarachtig niet hoe, klaar gespeeld. Zij luisterde naar hem, begreep hem, begon met hem te lezen, te schrijven, intelligent en vroolijk te zijn. Daar haar voeten echter nog steeds dood bleven en zij haar lijdende trekken van ziekelijk dwergje behield, heeft hij haar eerst in zijn armen hier gebracht en haar gedwongen te loopen, waarbij hij haar steunde, totdat ze eindelijk loopen kon. In enkele weken is zij beslist grooter geworden, slank en bekoorlijk. Ja, waarachtig het is een tweede geboorte, een ware schepping. Kijk ze eens aan!”

Antoine en Lise kwamen langzaam naderbij. Met welk leven baadde hen de avondwind, die uit de groote, door de zon bestraalde en verwarmde stad oprees! De reden, waarom hij deze plek met den verheven horizont, met de vrije, zooveel kiemen met zich voerende lucht gekozen had, om haar te onderwijzen, was ongetwijfeld, dat hij haar nergens ter wereld meer ziel, meer kracht had kunnen inblazen. Hij had de sluimerende, beweging- en gedachtelooze vrouw in zijn armen genomen, haar gewekt, geschapen, lief gehad, om op zijn beurt bemind te worden. Zij was zijn werk, zij was hij.

“Ben jij nu niet moe meer, zusje?”

Een hemelsch glimlachje kwam om haar lippen spelen.

“O, neen; het is zoo heerlijk te loopen... Met Antoine wil ik altijd wel doorloopen!”

De anderen lachten en Jahan zeide met zijn gewone opgewektheid:

“Laten we hopen, dat hij je niet te ver weg brengt. Maar ik zal jullie niet beletten gelukkig te zijn.”

Antoine was voor het beeld der Gerechtigheid gaan staan, waaraan de ondergaande zon een huivering van leven scheen te geven. Tranen kwamen in zijn kunstenaarsoogen.

“Goddelijke eenvoud, goddelijke schoonheid!” prevelde hij.

Zelf had hij onlangs een houtsnede, die de tot begrip en liefde ontwaakte Lise met een boek in haar hand voorstelde, voltooid, een meesterwerk van ontroerende waarheid. Ditmaal had hij zijn ideaal bereikt door het model direct in hout te snijden, en hoopte nu groote en oorspronkelijke werken te kunnen maken, waarin hij den geheelen tijd, waarin hij leefde, zou doen herleven.

Maar Thomas wilde naar huis terug. Zij namen afscheid van Jahan, die, nu zijn dagwerk afgeloopen was, zijn overjas aantrok, om zijn zuster naar de rue du Calvaire, waar zij woonden, te brengen.

“Tot morgen, Lise,” zeide Antoine, die zich vooroverboog, om haar een zoen te geven.

Zij ging op haar teenen staan en bood hem haar oogen, die hij voor het leven geopend had, aan.

“Tot morgen, Antoine.”

Buiten viel de schemering. Pierre, die het eerst naar buiten gegaan was, had in dit onbestemde licht een onverwacht visioen, dat hem eerst verbijsterde. Hij zag duidelijk zijn broer Guillaume uit de deur, uit het naar den onderbouw van de basilica leidende gat komen. Hij kon nog zien hoe hij vlug over het staketsel stapte, en dan deed, alsof hij toevallig hier was en uit de rue Lamarck kwam. Toen hij naar zijn beide zoons toeging en zeide, dat hij van Parijs kwam, vroeg Pierre zich af, of hij gedroomd had. Maar een ongeruste blik, dien zijn broer op hem wierp, gaf hem de zekerheid terug. Een zeer onbehagelijk gevoel, een angstaanjagende argwaan, dat hij nu eindelijk op het spoor was van al het vreeselijke, dat hij sedert eenigen tijd in het kleine, vredige en werkzame huisje voelde, maakte zich van hem meester bij het zien van den man, die anders nooit loog.

Toen Guillaume, zijn beide zoons en zijn broer dien avond in het groote, op Parijs uitziende atelier kwamen, was het zoo in donker gehuld, dat zij het voor ledig hielden. De lampen waren nog niet aangestoken.

“Zoo,” zeide Guillaume; “er is niemand.”

Dan klonk de kalme, ietwat zachte stem van François uit het donker:

“Zeker, ik ben er!”

Hij was aan zijn tafel blijven zitten; en daar het niet licht genoeg meer was om te lezen, hief hij zijn oogen van het boek op en droomde met zijn kin in zijn hand, den blik in de verte, op het in donker gedompelde Parijs gericht. Den heelen middag had hij met zijn hoofd in de boeken gezeten. De tijd van zijn examen naderde; hij leefde in een voortdurenden, ingespannen hersenarbeid.

“Wat zit je daar nog te werken?” vroeg de vader. “Waarom heb je geen lamp gevraagd?”

“Neen, ik keek naar Parijs,” antwoordde François langzaam. “Het is vreemd, hoe geleidelijk en als het ware begrijpend de avond erop nederdaalt. Het laatste verlichte deel was de berg Sainte-Geneviève, het plateau van het Pantheon, waarop alle kennis en wetenschap opgegroeid zijn. De scholen, de bibliotheken, de laboratoria worden nog door een zonnestraal verguld, wanneer de lager gelegen wijken, waarin de kooplieden wonen, reeds in het donker liggen. Ik wil niet zeggen, dat de zon speciaal van ons op de École Normale houdt, maar ik beweer, dat zij nog op onze daken schijnt, wanneer zij nergens anders meer is.”

Hij begon om zijn scherts te lachen, maar toch voelde men uit zijn woorden zijn vurig geloof aan den hersenarbeid, die volgens hem alleen waarheid brengen, gerechtigheid maken, geluk scheppen kon.

Een zwijgen volgde. Donker, onmetelijk, geheimzinnig zonk Parijs steeds meer in den nacht weg. Nu hier, dan daar, vlamden lichtjes op.

“De lampen worden aangestoken, het werk overal hervat,” zeide François.

“Zeker, de arbeid, zeker!” riep Guillaume uit. “Maar wil hij zijn vollen oogst leveren, dan moet een wil dien bevruchten... Er bestaat iets hoogers dan arbeid.”

Thomas en Antoine waren bij hem komen staan. En François vroeg als uit aller naam:

“Wat dan, vader?”

“De daad.”

De drie broeders zwegen een oogenblik, overweldigd door de plechtigheid van het oogenblik en huiverend onder de groote, donkere golven, die uit den onduidelijken oceaan der stad oprezen. Dan antwoordde een jonge stem, zonder dat men kon onderscheiden welke:

“Ook de daad is slechts arbeid.”

Maar Pierre, die den eerbiedigen vrede, het zwijgende geloof der drie zoons niet bezat, voelde zijn ongerustheid nog grooter worden. Weer richtte het verschrikkelijke, angstaanjagende iets zich raadselachtig voor hem op. En een groote huivering streek voorbij in het nu ingetreden duister tegenover dit donkere Parijs, waarin de lampen aangestoken werden voor een geheelen hartstochtelijken nacht van arbeid.

IV.

Dien dag zou er in de basilica van den Sacré-Cœur een groote plechtigheid plaats vinden: tien duizend pelgrims zouden de zegening van het Heilig Sacrament bijwonen. Tot het vastgestelde uur—vier uur—zouden de hellingen van Montmartre zwart van menschen zijn, de winkels van religieuze artikelen belegerd, de restauraties bestormd worden, in het kort een heel kermisfeest, terwijl de zware klok, de Savoyarde, over dit vroolijk gestemde volk beieren zou.

Toen Pierre dien ochtend in het groote atelier kwam, vond hij daar Guillaume en Grootmoeder alleen; een woord, dat hij opving, deed hem staan blijven en zich achter een hoogen, draaibaren boekenmolen verbergen, om verder te luisteren. Grootmoeder zat op haar gewone plaatsje voor het raam te werken. Guillaume stond voor haar.

“Alles is klaar, moeder; vandaag gebeurt het,” zeide hij zacht.

Zij liet haar werk in haar schoot vallen en keek, heel bleek, naar hem.

“Zoo!... Ben je besloten?”

“Ja, onherroepelijk. Om vier uur ben ik beneden, zal alles uit zijn.”

“Het is goed. Doe wat je wilt.”

Er volgde een angstwekkende stilte. De stem van Guillaume scheen uit de verte, als reeds van buiten de wereld, te komen. Men voelde, dat hij niet meer aan het wankelen was te brengen, geheel opging in zijn tragischen droom, in zijn idée fixe van martelaar. Grootmoeder keek hem met haar bleeke, heldhaftige oogen aan. Zij was in het lijden van anderen, in de verzaking en toewijding van een onverschrokken hart, dat nog slechts door de idee van plicht tot geestdrift gebracht werd, oud geworden; zij had hem geholpen de kleinste bijzonderheden te regelen, kende dus zijn vreeselijk plan. Maar al mocht de rechtdoenster in haar na de vele ongerechtigheden, die zij gezien en waaronder zij geleden had, het denkbeeld van een vreeselijke boetedoening, van een reiniging der wereld door de vlammen van den vulkaan aanvaarden, toch geloofde zij te zeer aan de noodzakelijkheid om het leven tot aan het einde toe dapper onder de oogen te zien, dan dat zij den dood ooit goed en vruchtbaar zou kunnen vinden.

“Beste jongen,” ging zij zacht verder; “ik heb je plan zien rijpen; het heeft me noch verbaasd noch tot verzet geprikkeld; ik heb het beschouwd als den bliksem, als het hemelvuur zelf, verheven-rein en verheven-krachtig. Sedert heb ik je geholpen; ik wilde je geweten en je wil zijn... Maar ik zeg je nogmaals: men mag het leven niet in den steek laten.”

“Het is nutteloos er verder over te spreken, moeder! Ik heb mijn leven gegeven, ik kan het niet terugnemen... Wilt u dus niet meer mijn wil zijn, zooals u dat noemt, mijn wil, die achterblijven en handelen moet?”

Zij antwoordde niet, maar vroeg langzaam ernstig op haar beurt:

“Het geeft dus niets, dat ik van de kinderen, van mij, van het huishouden spreek? Je hebt alles goed overwogen en bent vast besloten?”

En toen hij eenvoudig ja zeide, herhaalde zij:

“Het is goed... Doe wat je wilt... Ik zal achterblijven en handelen. Wees niet bang, je testament is in goede handen. Alles wat we samen vastgesteld hebben, zal uitgevoerd worden.”

Weer zwegen zij. Dan vroeg zij nog:

“Om vier uur dus, op het oogenblik der inzegening?”

“Ja, om vier uur.”

Zij keek hem nog steeds met haar bleeke oogen aan. En deze blik vol oneindige dapperheid, maar ook vol diepe droefheid, vervulde hem met een plotselinge ontroering. Zijn handen beefden, toen hij vroeg:

“Mag ik u een zoen geven, moeder?”

“Graag jongen! Al beschouw ik de plicht anders dan jij, toch zie je, dat ik je respecteer en dat ik van je houd.”

Zij omhelsden elkaar en toen Pierre achter den molen te voorschijn kwam, zat Grootmoeder al weer kalm te werken, terwijl Guillaume heen en weer liep en een plank van zijn laboratorium in orde maakte.

’s Middags moesten zij voor het dejeuner een oogenblik op Thomas wachten, die te laat was. De beide andere zoons, François en Antoine, die reeds lang thuis waren, maakten zich lachend boos en zeiden, dat zij van honger vergingen. Marie had juist slagroom gemaakt, waarop zij heel trotsch was; zij riep, dat ze alles zouden opeten en dat laatkomers niets kregen. Toen Thomas eindelijk kwam, werd hij met hoongelach ontvangen.

“Maar het is mijn schuld niet,” legde hij uit. “Ik ben zoo dom geweest door de rue de la Barre terug te komen. Je weet niet hoe propvol het daar is. Het lijkt wel, alsof al de tien duizend pelgrims daar gekampeerd hebben. Ik heb hooren vertellen, dat er zooveel als mogelijk was in het asyl Saint-Joseph ondergebracht zijn. De anderen hebben onder den blooten hemel moeten slapen. Nu zitten ze zoowat overal en nergens te eten. Je durft bijna je voet niet neer te zetten uit vrees, dat je er een zult dood trappen.”

Het dejeuner was zóó opgewekt, dat Pierre het overdreven, ja bijna gekunsteld vond. De kinderen wisten blijkbaar niets van het vreeselijke íets, dat in de schitterende zon van dien middag steeds onzichtbaar tegenwoordig was. Guillaume glimlachte als alle dagen; hij was misschien alleen wat bleeker en zijn stem had een liefkoozend zachten klank. Grootmoeder echter had nog nooit zoo zwijgend en ernstig aan deze broederlijke tafel gezeten, aan het hoofd waarvan zij als vereerde en gehoorzaamde koningin-moeder zat. De slagroom van Marie had een groot succes; ze overlaadden haar met complimentjes en deden haar blozen. Plotseling viel weer een diepe stilte in; een doodelijke koude blies over de gezichten en deed hen verbleeken, terwijl de kleine lepels de borden ledigden.

“O, die klok!” riep François uit. “Het is als een obsessie!”

De Savoyard was begonnen te luiden, een zwaar gebeier, welks golven zich hardnekkig over het reusachtige Parijs uitbreidden. Allen luisterden.

“Duurt dat tot vier uur zoo?” vroeg Marie.

“Om vier uur zal je nog wel anders hooren. Dan is het een gejubel, een triomfgezang!”

Guillaume glimlachte nog steeds.

“Ja, als je niet wilt, dat je trommelvlies springt, zal je de ramen moeten sluiten. Het ergste is, dat Parijs het hooren moet of het wil of niet.”

Grootmoeder bleef zwijgend en onbeweeglijk zitten. Antoine hinderde het meest de afschuwelijke handel in religieuze plaatjes, die de pelgrims elkaar ontrukten, die bonbonnière-Jezusvoorstellingen met open borst en bloedend hart. Er was niets afstootelijkers te bedenken. Toen zij van tafel opstonden, moesten zij hard praten, om elkaar te kunnen verstaan.

Dan gingen allen weer aan het werk. Grootmoeder begon weer aan haar eeuwig naaiwerk, terwijl Marie naast haar zat te borduren. De drie zoons hadden weer plaats genomen aan hun tafel en verdiepten zich in hun arbeid, waarvan zij nu en dan opkeken, om een enkel woord te wisselen. Tot half drie scheen Guillaume ook geheel in zijn werk op te gaan. Pierre alleen liep op en neer en zag hen allen als in een boozen droom; de meest onschuldige woorden kregen voor hem een verschrikkelijke beteekenis. Gedurende het dejeuner had hij moeten zeggen, dat hij wat hoofdpijn had, om zijn gedruktheid te verklaren; nu wachtte hij, keek hij, luisterde hij met een toenemenden angst.

Even voor drie uur nam Guillaume, na op zijn horloge gekeken te hebben, zijn hoed.

“Ik ga eens uit.”

De drie zoons, Grootmoeder en Marie keken op.

“Ik ga uit... Tot ziens.”

Toch ging hij niet. Pierre voelde, hoe hij zich, door een vreeselijken innerlijken strijd geschokt, vermande en al zijn krachten inspande om niet te beven en niet bleek te worden. Wat moest het hem kosten, dat hij zijn drie zoons nog niet een laatste maal omhelzen kon, als hij geen vermoedens wilde opwekken, zij zouden hem beletten zich op te offeren! En hij overwon met een uitersten heldenmoed.

“Tot straks, kinderen!”

“Tot straks, vader... Komt u weer gauw terug?”

“Ja, ja... Maak je maar niet ongerust om mij! Werk maar rustig door.”

Grootmoeder bleef hem in haar verheven zwijgen met haar strakke oogen aanstaren. Maar haar had hij een zoen gegeven. Hij keek haar aan; hun blikken smolten een oogenblik samen; zij herhaalden voor elkaar nogmaals alles wat hij gewild, wat zij beloofd had, hun gemeenschappelijken droom van waarheid en gerechtigheid.

“Zeg, Guillaume,” riep Marie vroolijk; “wil je, als je door de rue des Martyrs komt, een boodschap voor mij doen?”

“Natuurlijk.”