De drie steden: Parijs

Part 42

Chapter 424,060 wordsPublic domain

Maar reeds den volgenden dag viel Guillaume in zijn droomerijen terug en Pierre’s ongerustheid begon opnieuw, toen hij opgemerkt had, dat ook Grootmoeder nooit zoo stil geweest was. Daar hij haar er niet naar vragen durfde, kwam hij eerst op de nuttelooze gedachte de drie zoons aan het praten te krijgen, want noch Thomas, noch François noch Antoine wisten iets of wilden iets weten. Alle drie deden met een glimlachende opgewektheid en in grooten eerbied en vereering voor hun vader hun werk. Naast hem levend, vroegen zij hem nooit iets over zijn werk of over zijn plannen, vonden zij, dat wat hij deed slechts rechtvaardig en goed kon zijn, en waren bereid het, zonder nader onderzoek, op de eerste vraag met hem te doen. Maar blijkbaar hield hij hen ver van ieder gevaar verwijderd, wilde hij het offer alleen brengen, was Grootmoeder zijn eenige vertrouwde, de eenige, die hij om raad vroeg en naar wie hij luisterde. Pierre zag er dan ook van af, om te trachten iets van de kinderen te weten te komen, hij maakte zich nog slechts ongerust over haar ernst, vooral sedert hij meende gemerkt te hebben, dat zij en Guillaume ieder oogenblik in haar kamer langdurige conferenties hielden. Zij sloten zich daarin op en gaven zich daar blijkbaar over aan ingewikkelde bezigheden, gedurende welke de kamer als uitgestorven scheen.

Op een dag zag Pierre Guillaume met een schijnbaar zeer zwaren handkoffer uit de kamer komen. Onmiddellijk herinnerde hij zich de vertrouwelijke mededeeling van zijn broeder: het kruit, waarvan een pond genoeg was om een kathedraal in de lucht te laten vliegen, de verschrikkelijke machine, die hij aan Frankrijk wilde geven, om het de overwinning over andere naties te verzekeren. En hij herinnerde zich ook, dat Grootmoeder alleen in het geheim ingewijd was, dat zij langen tijd, toen Guillaume bang was voor een huiszoeking der politie, op de patronen van de vreeselijke springstof geslapen had. Waarom bracht hij de hoeveelheid kruit, die hij sedert eenigen tijd fabriceerde, nu weg? Een vermoeden, een heimelijke vrees gaf hem de kracht zijn broer plotseling te vragen:

“Ben je ergens bang voor, dat je hier niets bewaren wilt? Wanneer je in moeilijkheden verkeert, kan je alles in mijn huis brengen, waar toch niemand komt zoeken?”

Verwonderd keek Guillaume hem aan.

“Ja... Ik weet, dat de arrestaties en huiszoekingen, sedert zij dien ongelukkige geguillotineerd hebben, weer opnieuw begonnen zijn. Zij schijnen te vreezen, dat de een of andere wanhopige hem wreken zal. Bovendien is het heel gevaarlijk kruit, dat zulk een verwoestende kracht heeft, hier te houden. Ik breng het liever op een veilige plaats... In Neuilly, jongen, neen, neen, dat zou niet veilig genoeg zijn!”

Hij sprak heel kalm, nauwlijks beefde hij even.

“Is alles nu klaar?” vroeg Pierre verder. “Ben je van plan eerstdaags je machine aan den minister van Oorlog te geven?”

In zijn openhartige oogen verscheen een aarzeling; hij stond op het punt te liegen. Dan kalm:

“Neen, daar heb ik van afgezien. Ik ben op een andere gedachte gekomen.”

Hij zeide het met een zoo vreeselijke vastberadenheid, dat Pierre niet durfde vragen, wat die andere gedachte was. Maar van af dat oogenblik huiverde hij onder een heimelijke onrust; van uur tot uur voelde hij uit het zwijgen van Grootmoeder en uit de steeds heldhaftiger en vrijer wordende gelaatstrekken van Guillaume, dat iets ontzaglijks, iets verschrikkelijks geboren werd, grooter werd en geheel Parijs overstroomen zou.

Op een middag, dat Thomas naar de fabriek Grandidier gaan zou, hoorden zij, dat Toussaint, de oude werkman, weer een beroerte gehad had. Thomas beloofde, dat hij in het voorbijgaan bij den armen man aan zou loopen, om te zien, of ze hem misschien met iets konden helpen. Pierre wilde medegaan, en zoo gingen zij beiden tegen vier uur weg.

In het eenige vertrek, waarin de Toussaint’s woonden, aten en sliepen, vonden zij den werkman als verpletterd op een lagen stoel bij de tafel zitten. Het was een verlamming aan één zijde van het lichaam, die behalve den arm en het been, ook het rechtergedeelte van het gezicht had getroffen, zoodat hij zijn spraak zoo goed als verloren had. Hij stiet nog slechts onverstaanbare keelklanken uit. Op zijn vijftigste jaar geleek hij wel een grijsaard, tot geen werken meer in staat. Alleen zijn oogen leefden nog, keken de kamer rond, gingen van den een naar den ander, terwijl zijn vrouw, die, hoewel zij niet genoeg eten kon, toch steeds dik bleef, in het ongeluk het hoofd omhoog hield en zoo goed mogelijk voor hem zorgde.

“Een prettig bezoek, Toussaint; mijnheer Thomas met mijnheer den abbé...”

En dan zich kalm verbeterend:

“Met mijnheer Pierre, zijn oom... Je ziet wel, dat ze je nog niet vergeten.”

Toussaint wilde spreken, maar zijn machtelooze poging bracht slechts twee dikke tranen in zijn oogen. Hij keek de bezoekers met een uitdrukking van onbeschrijfelijke troosteloosheid aan; zijn kaken beefden.

“Wind je toch niet zoo op,” zeide zijn vrouw. “De dokter zegt, dat dat heelemaal niet goed voor je is.”

Bij het binnenkomen had Pierre gezien, dat twee personen opstonden en achter in het vertrek waren gaan zitten. Tot zijn groote verbazing herkende hij nu madame Théodore en de kleine Céline, beiden netjes gekleed en er flink uitziende. Toen zij het ongeluk vernomen hadden, waren zij met de goedhartigheid van arme schepsels, die het ergste lijden hadden leeren kennen, onmiddellijk naar haar zwager en oom komen kijken. Zij schenen nu voor de ellende gevrijwaard te zijn; Pierre herinnerde zich nu hoe men hem verteld had van de algemeene sympathie, die zich, na de terechtstelling van haar vader, voor het arme meisje geopenbaard had, de talrijke geschenken, den strijd, wie haar tot zich nemen zou, totdat eindelijk een oud vriend van Salvat haar als het zijne aangenomen had en haar weer op school liet gaan, om haar later ergens in de leer te doen. Madame Théodore zelf was als verpleegster in een ziekenhuis aangesteld. Daarmede waren beiden gered.

Toen Pierre naar het jonge meisje ging, om haar een zoen te geven, zeide madame Théodore tegen haar, dat zij mijnheer den abbé—zoo bleef zij hem eerbiedig noemen—nogmaals hartelijk moest bedanken.

“Ja, u hebt ons geluk aangebracht, mijnheer de abbé. Zoo iets vergeet je niet, en ik zeg haar steeds weer, dat zij u in haar gebeden niet vergeten mag.”

“En ga je weer naar school, beste meid?”

“Ja, mijnheer de abbé, en ik vind het heel prettig. We hebben nu aan niets gebrek meer.”

Een ontroering belette haar verder te spreken en met een snik stamelde zij:

“Als die arme papa ons nog eens kon zien!”

Madame Théodore nam nu afscheid.

“Nu gaan we maar weer... Ik vind het vreeselijk treurig wat jullie nu weer overkomen is... Céline, geef je oom een zoen... Beste kerel, ik hoop, dat je weer gauw op de been zult zijn.”

Zij kusten den lamme op zijn wangen en gingen weg. Toussaint, die geluisterd en rondgekeken had, volgde haar met zijn nog zoo levendige en intelligente oogen, als brandde hij van verlangen, om ook in het leven terug te keeren.

Ondanks haar gewone opgeruimdheid kon madame Toussaint een jaloersche gedachte niet onderdrukken.

“Ja, oude jongen,” zeide zij, na een kussen in zijn rug gelegd te hebben, “die twee hebben meer geluk gehad dan wij. Sedert zij dien idioot van een Salvat een kopje kleiner gemaakt hebben, lukt haar alles. Zij hebben nu altijd wat te eten.”

En zich dan tot Pierre en Thomas wendend:

“Maar wij, arme bliksems, zijn voor de haaien. Wat zal ik u zeggen? Wij zullen van honger omkomen; mijn arme man is niet geguillotineerd, hij heeft alleen maar zijn heele leven lang gewerkt, en nu is het gedaan met hem als met een oud beest, dat nergens goed meer voor is.”

Zij bood hun stoelen aan en antwoordde op hun medelijdende vragen. De dokter was reeds tweemaal geweest en had beloofd den zieke zijn spraak te zullen teruggeven, ja misschien het zóó ver te brengen, dat hij met een stok in de kamer zou kunnen loopen. Maar er was geen sprake van, dat hij ooit weer aan het werk zou kunnen gaan. Doch waartoe dienden dan die andere beloften? De oogen van Toussaint zeiden duidelijk, dat hij liever dadelijk wilde sterven. Wanneer een werkman niet meer werken en zijn vrouw niet meer onderhouden kan, is hij rijp voor de aarde.

“Er zijn menschen,” ging zij voort, “die me vragen, of we geen spaarduitjes hebben... We hadden bijna duizend francs op de spaarbank, toen Toussaint zijn eerste beroerte kreeg... Je kan je niet voorstellen hoe je sparen moet, om zoo’n som op zijde te leggen, want van tijd tot tijd wil je toch wel eens een extraatje hebben, een lekker hapje of een goede flesch wijn. En in de vijf maanden, dat hij niet werken kon, zijn met de geneesmiddelen en de versterkende middelen de duizend francs opgegaan. En nu het weer begint, zullen we niet zoo gauw weer goeden wijn of een schapenbout proeven.”

De goede vrouw, die altijd dol geweest was op een lekker hapje, verried haar angst voor de toekomst nog meer door dien uitroep dan door haar ingehouden tranen. Toch bleef zij flink en dapper; maar welk een ramp zou het voor haar zijn, wanneer zij haar kamer niet netjes meer houden, ’s Zondags niet een stuk kalfsvleesch op schotel hebben kon! Het was veel beter als men hen beiden in de goot wierp en de vuilniswagen hen medenam!

“Bestaat er niet een Asile des Invalides du Travail en zou men uw man daar geen plaatsje kunnen geven?” vroeg Thomas. “Dat is de goede plaats voor hem.”

“Och ja,” antwoordde de arme vrouw; “daar heb ik al over gehoord en ik heb er al naar geïnformeerd ook. Zij nemen geen zieken in die inrichting op. Als je er naar toe gaat, antwoorden ze, dat er voor de zieken ziekenhuizen zijn.”

Met een ontmoedigd gebaar bevestigde Pierre, dat zulk een stap nutteloos was. In een plotseling visioen zag hij zich weer door Parijs loopen van barones Duvillard, de presidente, naar den algemeenen administrateur Fonsègue, om eerst na zijn dood den armen Laveuve opgenomen te krijgen.

Maar op dat oogenblik hoorden zij het huilen van een heel jong kind, en de beide bezoekers zagen tot hun verbazing hoe madame Toussaint in het kleine kabinetje ging, waarin haar zoon Charles zoo lang geslapen had, en er met een kind van een maand of twintig uitkwam.

“Lieve hemel, ja, dat is de kleine van Charles. Hij sliep in het bed van zijn vader en nou is hij wakker geworden. Stelt u voor, dat ik hem juist verleden week Woensdag, een dag voordat Toussaint die beroerte kreeg, van de min gehaald had, omdat zij dreigde hem op straat te zetten, daar Charles, die den verkeerden weg op gaat, haar niet meer betaalt. Ik dacht zoo, dat, nu Toussaint weer aan het werk was, één mondje meer er niet op aan kwam. En nu hij eenmaal hier is, kan ik hem toch moeilijk op straat zetten.”

Al pratend liep zij sussend met het kind heen en weer, om het tot bedaren te brengen. En zij kwam weer terug op die beroerde geschiedenis met het dienstmeisje van den wijnhandelaar aan de overzijde, dat hij zoo stom geweest was met jong te schoppen en dat nu als de eerste de beste lichtekooi er met een anderen man vandoor gegaan was. En als Charles nu nog maar werkte zooals vroeger, voordat hij in dienst geweest was! Toen verzuimde hij geen uur en bracht hij zijn volle loon thuis! Maar nu had hij het land aan het werk, had hij zijn eigen ideeën en zat hij, al ging hij nog niet zoover als die idiote Salvat om bommen te werpen, den halven dag bij socialisten en anarchisten, die zijn hoofd op hol brachten. Het was werkelijk jammer te moeten zien, dat een zoo flinke en sterke jongen zoo den verkeerden kant opging! Maar in de buurt werd beweerd, dat er veel zoo waren, dat de beste en meest intelligente arbeiders genoeg hadden van de ellende, van het werk, dat hun niet genoeg opleverde, om te eten, en dat zij ten slotte liever alles zouden verwoesten, dan oud te worden zonder de zekerheid, dat zij tot hun dood hun brood zouden hebben.

“Ja, de zoons lijken niet veel meer op hun vaders. De jongens van tegenwoordig zullen niet meer het geduld van mijn armen, ouden Toussaint hebben, die zich gewoon doodgewerkt zou hebben. Weet u wat Charles zeide, toen hij dezer dagen zijn vader met verlamde armen en beenen en tong op dien stoel zag zitten? Hij werd boos en schreeuwde, dat hij zijn heele leven een idioot geweest was, om zich zoo voor de bourgeoisie af te jakkeren, die hem nu zelfs geen glas water voor belooning geven zou... En toen is hij, want zijn hart is goed, gaan huilen als een kind.”

Het kind huilde niet meer, maar toch bleef zij er mede op en neer loopen en drukte het tegen haar goed grootmoederhart. Haar zoon Charles zou niets voor hen kunnen doen; hoogstens nu en dan een paar francs, en dan nog moeilijk. Vastgeroest als zij in haar gewoonten was, wilde zij niet probeeren haar oud beroep van linnennaaister weer op te vatten; trouwens het zou al moeilijk zijn om buitenshuis het huishouden te gaan doen, nu zij behalve dit kleine kind ook dit groote nog had, dat zij zou moeten voeren en verschoonen. Wat zou er nu van hun drieën moeten worden? Zij wist het niet en beefde, hoe moederlijk-dapper zij ook schijnen wilde!

Pierre en Thomas voelden hoe een diep medelijden zich van hen meester maakte, toen zij in dit zoo zindelijke vertrek van arbeid en ellende dikke tranen over de wangen van den verpletterden, onbeweeglijk op zijn stoel zittenden Toussaint zagen stroomen. Hij had naar zijn vrouw geluisterd, keek naar haar en naar het arme kleine wezentje, dat op haar armen sliep; nu hij niet meer spreken kon, ontlastte hij zijn hart in tranen.

“Kom, wind je toch niet zoo op,” zeide madame Toussaint. “Nu het eenmaal zoo is, is het zoo.”

Zij was den kleine weer op bed gaan leggen; toen zij terugkwam, wilden Thomas en Pierre haar over mijnheer Grandidier, den werkgever van Toussaint, spreken, toen er een nieuw bezoek kwam. Zij wachtten een oogenblik.

Het was madame Chrétiennot, de vrouw van den kleinen ambtenaar, de tweede, achttien jaar jongere zuster van Toussaint. De mooie Hortense, die van de ramp gehoord had, kwam nu haar sympathie betuigen, ofschoon haar man haar genoodzaakt had bijna geheel met haar familie, waarvoor hij zich schaamde, te breken. Zij had een goedkoop zijden japon aan en een hoed met roode papavers op, dien zij reeds driemaal vermaakt had; maar ondanks dien luxe voelde men het gebrek, hield zij haar voeten om haar afgeloopen schoenen onder haar rokken verborgen. Een miskraam had haar leelijk gemaakt en het verwelken van haar blonde schoonheid verhaast.

Reeds op den drempel scheen het angstaanjagende uiterlijk van haar broeder, de kaalheid van het lijdensvertrek, dat zij betrad, haar te verstijven. Na hem een zoen gegeven te hebben, begon zij dadelijk over haar eigen lot te jammeren, bang als zij was, dat men haar iets vragen zou.

“Je bent zeker vreeselijk te beklagen, beste meid. Maar als je eens wist... Iedereen heeft zijn zorgen... Zoo ben ik door de positie van mijn man genoodzaakt een hoed te dragen en fatsoenlijk gekleed te gaan, maar je kunt je niet voorstellen hoeveel moeite het mij kost rond te komen... Met drie duizend francs inkomen doe je niet veel, vooral als er dadelijk zevenhonderd francs voor huur afgaat. Je zult zeggen, dat we goedkooper zouden kunnen wonen, maar dat gaat niet, want ik heb een salon noodig voor de visites, die ik krijg. Reken nu zelf maar... En dan heb ik mijn twee dochters nog; Lucienne is onlangs met pianospelen begonnen en Marcelle heeft veel aanleg voor teekenen... Tusschen twee haakjes, ik zou ze graag medegebracht hebben, maar ik was bang, dat het een te groote ernst voor haar zijn zou. Je neemt het toch niet kwalijk, wel?”

En zij vertelde nog van andere onaangenaamheden, welke zij door het treurige einde van Salvat met haar man gehad had. Deze, een ijdele, kleinzielige, opvliegende man, was woedend, dat hij nu een geguillotineerde in de familie van zijn vrouw had; hij werd hard tegenover de ongelukkige vrouw, door haar de schuld te geven van hun financieele moeilijkheden, haar verantwoordelijk te stellen voor zijn eigen middelmatigheid. Het bekrompen bureauleven maakte hem dagelijks “zuurder”; verschillende avonden kwam het tot heftige woordenwisselingen, maakte zij hem woedend, door hem te vertellen, dat zij, toen zij nog winkeljuffrouw bij een confiseur in de rue de Martyrs was, had kunnen trouwen met een dokter, die haar mooi genoeg vond. Nu de vrouw leelijk werd en de man zich zelfs met zijn gedroomde vier duizend francs salaris tot eeuwige zorgen veroordeeld zag, heerschte er in het huishouden voortdurend een onaangename, knorrige, twistzieke stemming, die, ondanks den zoo duur betaalden roem “een fijne mijnheer en een fijne dame” te zijn, even ondraaglijk was als de diepste ellende van de arbeidershuisgezinnen.

“Enfin,” zeide eindelijk madame Toussaint, die genoeg kreeg van de jeremiades van haar schoonzuster, “je hebt toch het geluk gehad geen derde kind te krijgen.”

Hortense zuchtte opgelucht.

“Ja, dat is zoo, want ik weet waarachtig niet, hoe we het groot hadden moeten krijgen. Afgezien nog van het feit, dat Chrétiennot mij de vreeselijkste scènes maakte en zeide, dat hij, wanneer ik zwanger was, daaraan onschuldig was en mij, als er een derde kind kwam, zou laten zitten en ergens anders gaan wonen. Je weet, dat ik bij die miskraam bijna gestorven ben. Het was iets vreeselijks; ik ben er nog niet heelemaal boven op. De dokter zegt, dat ik te weinig eet en dat ik mij sterk voeden moet. Maar dat geeft allemaal niets, ik was er erg blij om.”

“Dat begrijp ik, want je wou niets liever.”

“Natuurlijk wilden we niets liever... Chrétiennot riep steeds, dat hij van vreugde zou dansen... En toch... en toch...”

Een plotselinge ontroering deed Hortense’s stem beven.

“Toen de dokter ons aankeek en zeide, dat het een jongen was, deed het mij zoo’n pijn, dat ik bijna stikte; en ik heb heel goed gezien, dat Chrétiennot zich omkeerde om zijn gezicht niet te laten zien... We hebben twee meisjes... het zou dus een genot geweest zijn een zoon te hebben...”

Tranen stroomden uit haar oogen en stamelend ging zij voort:

“Maar daar we ons nu eenmaal niet de weelde veroorloven kunnen er een te hebben, is het beter, dat hij niet gekomen is. Voor zichzelf en voor ons heeft hij er goed aan gedaan terug te keeren vanwaar hij kwam... Maar toch blijft het diep treurig, er is werkelijk te veel beroerdigheid in het leven!”

Zij stond op en wilde, na haar broer nogmaals omhelsd te hebben, weggaan, daar zij bang was voor een nieuwe scène, wanneer haar man haar bij zijn thuiskomst niet vond. Maar zij bleef nog een oogenblik staan en vertelde, dat zij ook haar zuster, madame Théodore, en de kleine Céline gezien had. En met iets van jaloezie in haar stem zeide zij:

“Mijn man stelt er zich mede tevreden zich iederen ochtend op zijn bureau te gaan afbeulen. Hij zal zich nooit een kopje kleiner laten maken en het zal niemand ooit invallen Lucienne en Marcelle een lijfrente na te laten... Enfin, verlies den moed maar niet; laten we hopen, dat alles nog terecht komt.”

Toen zij weg was, wilden Pierre en Thomas, alvorens zelf naar de fabriek te gaan, weten, of mijnheer Grandidier, de eigenaar van de fabriek, op zich genomen had Toussaint te helpen. Hij had nog slechts een vrij vage belofte gedaan, waarom zij besloten voor den ouden werkman, die vijf-en-twintig jaar de firma gediend had, een goed woordje te doen. Ongelukkigerwijze was het reeds lang bestaande plan van een hulp- of pensioenfonds, waartoe vóór de crisis, waarvan de fabriek zich nu herstelde, voorbereidende maatregelen genomen waren, door allerlei complicaties en hindernissen mislukt. Anders zou Toussaint misschien het recht gehad hebben invalide te zijn zonder heelemaal van honger te sterven. Voor den door ziekte getroffen arbeider bestond er behalve in den rechtvaardigheidszin van zijn patroon alleen hoop in de barmhartigheid.

Daar de kleine van Charles opnieuw begon te huilen, nam madame Toussaint hem weer in haar armen en liep met hem op en neer.

Thomas drukte de gezonde hand van den verlamde in de zijne.

“Wij komen terug, we zullen je niet aan je lot overlaten. Je weet, dat we je graag mogen lijden, omdat je een flink, dapper werkman bent... Reken op ons, we zullen alles doen wat we kunnen.”

Zij lieten den ongelukkigen, huilenden man, die alleen nog goed was voor het abattoir, in de sombere kamer achter met zijn vrouw, die het huilende kind wiegde—een ongelukkige meer, die nu zoo zwaar op het oude echtpaar drukte en later eveneens in ellende aan den onrechtvaardigen arbeid crepeeren zou.

Dien arbeid, den inspannenden, hijgenden en morrenden handenarbeid vonden Pierre en Thomas in de fabriek terug. De dunne schoorsteenen op de daken bliezen hun rhythmischen stoomadem uit, als regelden zij de ademhaling zelf van den gemeenschappelijken arbeid. In de verschillende werkplaatsen heerschte een voortdurend druk bezig zijn, smeedde, vijlde, perforeerde een heel volk van arbeiders te midden van de vliegende drijfriemen en de stampende machines. De dagtaak eindigde in de koortsachtige krachtsinspanning, die gewoonlijk aan het luiden van de bel voorafgaat.

Toen Thomas naar mijnheer Grandidier vroeg, antwoordde men hem, dat de patroon na het dejeuner niet meer geweest was, waaruit hij dadelijk begreep, dat zich in het paviljoen met de altijd gesloten luiken, waarin de fabrikant sedert twee jaar met zijn krankzinnige vrouw leefde, weer een vreeselijke scène afspeelde. Van uit de kleine, bijna geheel uit glas gebouwde werkplaats, waar Thomas gewoonlijk arbeidde en waarheen hij nu zijn oom medenam, om zoo lang te wachten, kon men dat uiterlijk zoo rustige paviljoen zien. Plotseling meenden zij een luiden, hartverscheurenden kreet te hooren; dan klonk het als het janken van een geslagen dier. Pierre en Thomas luisterden met bleeke gezichten en keken elkaar bevend aan. Dan hielden de kreten plotseling op en zonk het paviljoen in zijn diepe grafstilte terug.

“Gewoonlijk is zij, naar het schijnt, heel kalm,” zeide Thomas op fluisterenden toon, “en zit zij dagen lang als een klein kind op het tapijt. Hij houdt van haar, brengt haar naar bed, helpt ze opstaan, liefkoost ze en maakt ze aan het lachen! Welk een diep treurig bestaan!... Maar heel zelden heeft zij aanvallen; dan wordt zij woest, wil bijten en zich dooden door zich tegen den muur te gooien, moet hij met haar vechten, want niemand anders dan hij raakt haar aan. Hij tracht dan haar in bedwang te houden, neemt haar in zijn armen, om haar te kalmeeren.... Maar vandaag is het al heel erg. Zoo’n aanval heeft zij, geloof ik, nog nooit gehad.”

Na verloop van een kwartier kwam, toen het heelemaal stil geworden was, Grandidier blootshoofds en nog doodsbleek uit het paviljoen. Toen hij langs de glazen werkplaats ging en Thomas en Pierre daar zag, kwam hij naar binnen en leunde, als iemand, die door een duizeling overvallen wordt, tegen een aambeeld. Zijn zacht, energiek gelaat had een angstige, lijdende uitdrukking behouden; naast zijn linkeroor bloedde een diepe schram.

Onmiddellijk wilde hij spreken, strijden, in zijn werkzaam leven terugkeeren.

“Ik ben erg blij, dat ik je zie, Thomas. Ik heb over wat je me omtrent onzen motor verteld hebt, nagedacht. We moeten er nog eens over praten.”

Toen de jonge man zijn diepe droefheid zag, kreeg hij een barmhartige ingeving: hij dacht, dat een plotselinge afleiding, het ongeluk van een ander, hem misschien uit zijn verdooving zou rukken.

“Daarvoor ben ik juist gekomen... Maar laat ik u eerst vertellen, dat we van dien ongelukkigen Toussaint komen, die weer een beroerte gehad heeft. Het is verschrikkelijk om te zien in welk een ontbering die man na zooveel jaren van arbeid achterblijft.”

Hij legde den nadruk op de vijf-en-twintig jaar, die de oude arbeider in de fabriek gewerkt had, sprak over de rechtvaardigheid, die gebood rekening te houden met alles wat die man van zijn leven gegeven had, en eischte, dat de fabriek hem zoowel uit een oogpunt van billijkheid als uit medelijden helpen zou.