Part 41
Dauvergne, een mooie, groote, blonde man met achter een lorgnet glimlachende blauwe oogen luisterde met de grootste welwillendheid. Hij had als minister van Openbaar Onderwijs veel succes, hoewel hij absoluut niets wist van de universiteit; maar als echt Parijzenaar uit Dijon was hij, naar men zeide, uiterst taktvol en handig, gaf feesten, waarop zijn jonge en zeer bekoorlijke vrouw schitterde, en ging als een verlicht vriend van schrijvers en kunstenaars door. Het engagement van Silviane aan de Comédie, tot nog toe zijn voornaamste werk, dat iederen anderen minister ten val gebracht zou hebben, had hem door een zeldzamen samenloop van omstandigheden populair gemaakt. Men vond dat iets onverwachts en amusants.
Toen hij begrepen had, dat Chaigneux alleen maar zekerheid wilde hebben, dat hij ’s avonds in zijn loge in de Comédie zou zitten, werd hij dubbel vriendelijk.
“Maar dat spreekt van zelf, waarde heer. Wanneer je een zoo bekoorlijk petekind hebt, laat je haar in de ure des gevaars niet in den steek.”
Monferrand, die met één oor geluisterd had, draaide zich plotseling om.
“Zeg haar, dat ik ook van plan ben te komen, zoodat zij twee vrienden meer in de zaal zal hebben.”
Duvillard boog verrukt en met van ontroering en dankbaarheid schitterende oogen, alsof de ministers hem persoonlijk een onvergetelijken dienst bewezen.
Nu eerst kreeg Chaigneux, die zelf eveneens hartelijk bedankt had, Fonsègue in het oog. Hij vloog naar hem toe en nam hem wat ter zijde.
“O, waarde collega, die zaak moest beslist in orde komen. Zij is van het allerhoogste belang.”
“Maar wat dan?” vroeg Fonsègue verbaasd.
“Dat artikel van Massot natuurlijk, dat je niet wilt opnemen.”
Ronduit verklaarde de directeur van den Globe, dat het artikel niet opgenomen zou worden. Hij verdedigde de waardigheid en den ernst van zijn blad: voor een courant, waarvan hij met zooveel moeite een voornaam orgaan van onaanvechtbare moraliteit gemaakt had, zouden dergelijke loftuitingen op een snol, ja een gewone snol, bezoedelend en bevuilend schijnen. Overigens lachte hij om de heele zaak, sprak in ruwe termen over Silviane, zeide, dat zij gerust in het openbaar haar rokken op mocht lichten, daar had hij niets tegen. Maar de Globe was iets heiligs.
“Kom, waarde collega, doe het alleen maar om mij een genoegen te doen,” drong Chaigneux wanhopig aan. “Als het artikel niet in de courant komt, zal Duvillard denken, dat het mijn schuld is. En u weet, dat ik hem noodig heb. Het huwelijk van mijn dochter zal er weer door uitgesteld worden—ik weet waarachtig niet meer wat ik doen moet.”
En toen hij zag, dat zijn persoonlijk ongeluk Fonsègue volkomen koud liet:
“Maar in uw eigen belang dan, waarde collega, in uw eigen belang. Duvillard heeft het artikel gelezen en juist omdat het zoo ophemelend is, staat hij erop, dat het in den Globe verschijnt. Bedenk toch, dat hij zeker met u breken zal.”
Een oogenblik bleef Fonsègue zwijgen. Dacht hij aan den Trans-Sahara-spoorweg? Zeide hij tot zichzelf, dat het hard zou zijn op dit oogenblik oneenigheid te krijgen, zijn deel niet te ontvangen bij de aanstaande verdeeling onder de trouwe vrienden? Maar de gedachte, dat hij voorzichtig moest zijn en afwachten, behaalde blijkbaar de overwinning.
“Neen, neen, ik kan niet, het is een gewetensquaestie.”
Intusschen bleven de gelukwenschen toestroomen. Het leek wel, alsof geheel Parijs defileerde. En steeds weer dezelfde glimlachende gezichten, dezelfde handdrukken. Het jonge paar en de beide families moesten, hoewel doodmoede, een verrukt gezicht blijven zetten. De hitte werd ondragelijk, een fijn stof steeg op van den bodem als bij het voorbijtrekken van groote kudden.
De kleine prinses de Hardt, die God weet waar en God weet waarmede zich verlaat had, sprong plotseling te voorschijn, viel Camille om den hals, gaf ook Eve een zoen en hield Gérard’s handen in de hare, terwijl zij hem overdreven complimenten maakte. Dan zag zij Hyacinthe, maakte zich van hem meester en nam hem mede in een hoek.
“Ik heb je iets te vragen.”
Hyacinthe zeide dien dag geen woord. Het huwelijk van zijn zuster vond hij een verachtelijke, onzegbaar vulgaire ceremonie. Weer eene en weer een, die deze vuile en gemeene wet der geslachten erkenden en de menschelijke absurditeit der wereld vereeuwigden. Hij had dan ook besloten het huwelijk zwijgend en met een hautain, afkeurend uiterlijk bij te wonen.
Ongerust keek hij Rosemonde aan, want hij was blij met haar gebroken te hebben, vreesde, dat de een of andere luim haar weer tot hem terugbrengen zou. Voor de eerste maal zeide hij dien dag iets.
“Als vriend wil ik alles voor u doen.”
Zij begon te lachen en zeide, dat het haar dood zou zijn, als zij het debuut van Silviane, wier vriendin en hartstochtelijke bewonderaarster zij was, niet zou kunnen bijwonen; zij bezwoer hem aan zijn vader te vragen haar uit te noodigen in zijn loge, waarin, zooals zij wist, nog een plaatsje vrij was.
Nu begon hij bij de gedachte, dat dit een einde van zeldzame en symbolische aesthetiek zou zijn, zelf te glimlachen. Die Silviane zou hem van Rosemonde bevrijden; deze beide vrouwen zouden de onvruchtbare liefde belichamen. Hij was—in naam der schoonheid—voor het éénslachtelijke huwelijk, dat geen kinderen voortbrengt.
“Afgesproken. Ik zal het tegen papa zeggen; er zal een plaats voor je zijn.”
Daar het défilé eindelijk verminderde en de sacristie wat leeggeloopen was, konden het jonge paar en de twee families eindelijk tusschen de roezemoezige menigte, die gedeeltelijk staan bleef, om hen nog eenmaal te zien, ontsnappen.
Gérard en Camille zouden dadelijk na de lunch naar een landgoed, dat Duvillard in Eure bezat, vertrekken. Deze lunch in het op enkele schreden van de Madeleine gelegen koninklijke hôtel in de rue Godot-de-Mauroy gegeven werd, was een nieuwe verrukking. De eetzaal op de eerste verdieping was herschapen in een buffet van wonderbaren overvloed en weelde, terwijl de groote roode salon, de kleine salon in blauw en zilver en al de openstaande luxueuze vertrekken een grootsche receptie mogelijk maakten. Hoewel men gezegd had, dat slechts de intieme vrienden der beide families uitgenoodigd waren, waren meer dan driehonderd personen aanwezig. De ministers hadden zich wegens drukke ambtelijke bezigheden verontschuldigd, maar men zag de journalisten, de magistraten en de afgevaardigden, kortom een groot gedeelte van den stroom, die door de sacristie gevloeid was, terug. Onder de uitgehongerden, die op den aanstaanden buit afkwamen, voelden de enkele gasten van madame de Quinsac zich het allerminst thuis; generaal de Bozonnet en markies de Morigny hadden haar naar een canapé in den grooten rooden salon gebracht en verlieten haar geen oogenblik.
Eve, die gebroken was van moeheid en wier physieke en moreele kracht zoo goed als uitgeput was, had plaats genomen In den kleinen blauwen salon, welken haar hartstocht voor bloemen in een grooten ruiker rozen veranderd had. Zij viel bijna, zij voelde den vloer onder haar voeten beven; maar toch glimlachte zij, zag zij er mooi en bekoorlijk uit, zoo dikwijls een gast haar begroeten kwam. Een onverwachte hulp kreeg zij, toen zij monseigneur Martha zag, die zich verwaardigde de lunch met zijn tegenwoordigheid te vereeren. Hij schoof een fauteuil naast haar en begon op zijn gewone vriendelijke en innemende manier met haar te praten. Ongetwijfeld kende hij het afschuwelijk drama, den vergeefs bestreden zielsangst, die dit arme schepsel verteerde, want hij was vol vaderlijke zorg en troost voor haar. Zij sprak als een ontroostbare weduwe, die van de wereld afstand doet, en liet doorschemeren, dat God alleen nog haar toeverlaat kon zijn. Dan kwam het gesprek op het Oeuvre des Invalides du Travail, en zij zeide vast besloten te zijn haar rol als presidente in den vervolge zeer ernstig op te vatten en zich daaraan geheel te zullen wijden.
“Ik zou u in dit opzicht gaarne een raad vragen, monseigneur... Ik heb iemand noodig, om mij daarbij ter zijde te staan, en ik had gedacht daarvoor een priester te nemen, dien ik bewonder, een echten heilige, abbé Pierre Froment.”
De bisschop werd ernstig en keek verlegen voor zich, toen de kleine prinses, die met Dutheil voorbij kwam, den naam hoorde. Met haar gewone onstuimigheid trad zij op het tweetal toe.
“Abbé Pierre Froment... O ja, dat heb ik u nog niet eens verteld; ik ben hem in jacquet en broek tegengekomen. En zij hebben me verteld, dat hij met een meisje in het Bois de Boulogne fietst... Niet waar Dutheil, we hebben hem gezien.”
De afgevaardigde boog glimlachend, terwijl Eve verschrikt haar handen vouwde.
“Maar dat is niet mogelijk! Zoo’n vurige naastenliefde, zoo’n apostelgeloof!”
Eindelijk kwam de bisschop tusschenbeide:
“Ja, de Kerk wordt dikwijls door diepen rouw getroffen. Ik heb van den waanzin van den ongelukkige, over wien u spreekt, gehoord; ik heb het zelfs mijn plicht geacht hem te schrijven, maar hij heeft mijn brief onbeantwoord gelaten. Ik had zoo gaarne een dergelijk schandaal willen vermijden. Maar er bestaan nu eenmaal van die afschuwelijke krachten, die wij niet overwinnen kunnen. De aartsbisschop heeft dezer dagen het interdict over hem moeten uitspreken... U zult een ander moeten kiezen, madame.”
Het was verschrikkelijk. Eve keek Rosemonde en Dutheil aan, maar durfde geen bijzonderheden vragen; zij kon zich een schepsel, dat het gewaagd had een priester afvallig te maken, niet voorstellen. Zeker de een of andere schaamtelooze deerne, een van die wulpsche schepsels! En het scheen haar toe, dat een dergelijke misdaad haar eigen ongeluk voltooide.
En met een gebaar, dat haar groote luxe, de geurige rozen, waarin zij zich baadde, en de menigte gasten, die zich bij het buffet verdrongen, tot getuigen nam, prevelde zij:
“Ja, overal heerscht bederf. Men kan zich op niemand meer verlaten.”
Op dat zelfde oogenblik was Camille, op het punt met Gérard te vertrekken, alleen in haar jonge meisjeskamer, toen haar broer Hyacinthe bij haar kwam.
“Zoo ben je daar, jongen?... Je moet je haasten, als je me nog een zoen wilt geven... Ik ga dadelijk weg.”
Hij gaf haar een zoen en zeide dan heel pedant:
“Ik had je voor sterker aangezien. Sinds vanochtend toon je een vreugde, die mij tegen de borst stuit.”
Zij bleef hem met een kalme minachting aankijken.
“Je weet heel goed,” ging hij voort, “dat zij je Gérard, dien jij met je oogen verslindt, toch weer ontneemt, zoodra je terug bent.”
Haar wangen werden bleek, haar oogen schoten vuur en met gebalde vuisten kwam zij naar haar broeder toe.
“Zij! Zij zal hem mij weer ontnemen, zeg je?”
Zij spraken over hun moeder.
“Eerder vermoord ik haar, versta je? Laat zij op die vuiligheid niet rekenen, want den man, dien ik eenmaal heb, houd ik... En jou zou ik aanraden je gemeene praatjes voor je te houden, want je weet, dat ik je ken; je bent niet meer dan een snol en een domkop.”
Hij week achteruit, als had een adder haar scherp, zwart kopje voor hem opgericht. En in zijn gewone bangheid voor haar vond hij het beter den terugtocht te aanvaarden.
Terwijl de laatste gasten het buffet bleven plunderen, kwam het jonge paar afscheid nemen alvorens naar het station te vertrekken. Generaal de Bozonnet had een vrij grooten kring om zich verzameld en was weer over den militairen dienstplicht, die hem wanhopig maakte, begonnen; markies de Morigny moest hem terughalen op het oogenblik, dat gravin de Quinsac met bevende handen en zoo ontroerd, dat de markies de vrijheid nam haar te steunen, haar zoon en haar schoondochter Camille omhelsde. Hyacinthe was zijn vader gaan zoeken, dien men nergens vinden kon. Eindelijk ontdekte hij hem in een vensternis in een druk gesprek met Chaigneux, tegen wien hij op een heftige manier tekeer ging; hij was woedend toen hij de gewetensbezwaren van Fonsègue hoorde, want wanneer het artikel niet verscheen, was Silviane in staat het hem alleen te wijten en als straf haar deur weer voor hem te sluiten. Onmiddellijk had hij zijn triomphantelijk uiterlijk weer teruggevonden en snelde toe, om zijn dochter een kus op haar voorhoofd te geven, zijn schoonzoon de hand te drukken en hun beiden op schertsenden toon prettige dagen toe te wenschen. Eindelijk kwam het afscheid van Eve, naast wie monseigneur Martha glimlachend was blijven staan. Zij toonde een ontroerende dapperheid en putte uit haar wil, om tot het einde toe mooi te zijn, een kracht, die haar in staat stelde vroolijk en moederlijk te wezen.
Vol goedheid en waarlijk heldhaftige verzaking nam zij de eenigszins bevende hand van Gérard in de hare en hield die een oogenblik vast.
“Tot ziens, Gérard, blijf gezond en wees gelukkig!”
Dan wendde zij zich tot Camille en kuste haar op beide wangen, terwijl de bisschop met toegeeflijke sympathie naar haar beiden keek.
“Tot ziens, kind!”
“Tot ziens, moeder!”
Maar haar stemmen beefden, haar blikken hadden elkaar als flikkerende zwaarden gekruist, en toen zij elkaar kusten, hadden zij elkaars tanden gevoeld. O, die woede van Camille haar ondanks haar jaren en haar tranen nog altijd mooi en begeerlijk te zien. En welk een marteling voor de moeder te moeten aanschouwen, hoe dat jonge meisje, dat ten slotte overwonnen had, voor eeuwig haar liefde medenam! Wederzijdsche vergiffenis was onmogelijk; zij zouden elkaar haten tot in het familiegraf, waarin zij eenmaal naast elkander rusten zouden.
’s Avonds echter verontschuldigde barones Duvillard zich, om naar de opvoering van Polyeucte te gaan. Zij was moe, wilde vroeg naar bed gaan en huilde den geheelen nacht met haar hoofd in haar kussen.
In de loge van Duvillard, een avant-scène de balcon, zaten dus alleen de baron, Hyacinthe, Dutheil en de kleine prinses de Hardt.
Reeds om negen uur was de zaal gevuld met het gewone roezemoezige, schitterende publiek, dat groote tooneelgebeurtenissen bezoekt. Geheel Parijs, dat ’s ochtends in de sacristie van de Madeleine gedefileerd had, vond men hier terug met dezelfde koortsachtige nieuwsgierigheid, hetzelfde verlangen naar het ongewone en buitenissige; men zag dezelfde gezichten, dezelfde glimlachjes, vrouwen, die elkaar met kleine knikjes van verstandhouding groetten, mannen, die elkander met een woord of een gebaar begrepen. Fonsègue zat met twee bevriende echtparen in de loge van den Globe. In de stalles had de kleine Massot zijn gewonen fauteuil. Ook zag men den rechter van instructie Amadieu, een der trouwe habitués der Comédie, generaal de Bozonnet en advocaat-generaal Lehmann. Maar vooral werd de aanwezigheid van Sanier, den verschrikkelijken Sanier met zijn dikken, apoplectischen kop, opgemerkt, waar hij dienzelfden ochtend nog zoo’n schandelijk artikel geschreven had. Chaigneux, die voor zichzelf slechts een bescheiden klapstoeltje gereserveerd had, liep door alle gangen, vertoonde zich op alle verdiepingen en wakkerde nog voor de laatste maal de geestdrift aan. Toen in de loge tegenover die van Duvillard de twee ministers Monferrand en Dauvergne hun plaatsen innamen, ging er een zacht huiveren door de zaal, kwam er een glimlachje op alle gezichten, want iedereen kende de rol, die zij bij het succes der debutante spelen zouden.
Toch hadden den vorigen dag nog booze praatjes de rondte gedaan: Sanier had verklaard, dat het debuut van Silviane, een algemeen bekende hoer, in de Comédie-Française, en nog wel in de zeer moreele rol van Pauline, een openlijke uittarting van het algemeen schaamtegevoel was. De buitensporige gril van het mooie meisje had trouwens al heel wat stof in de pers opgeworpen. Maar men sprak er nu al een half jaar over en Parijs, dat er al aan gewend was, stroomde in zijn behoefte, om verstrooid te worden, toe. Nog voor het gordijn opging, merkte men aan de stemming in de zaal, dat het publiek vriendelijk gezind en goedlachsch was, bereid om te applaudisseeren, als het vermaakt werd.
En werkelijk was het een buitengewoon schouwspel. Toen Silviane, kuisch gedrapeerd, in de eerste acte optrad, verbaasde zij het publiek door het zuivere ovaal van haar madonnagezichtje met den onschuldigen mond en de vlekkeloos reine oogen. Maar in het bijzonder de manier, waarop zij de rol opgevat had, verbijsterde eerst, maar bekoorde vervolgens. Van af haar vertrouwlijke bekentenis aan Stratonice en haar verhaal van den droom maakte zij van Pauline een mystieke droomgestalte, een soort kerkraamheilige, die de door de wolken rijdende Brünnhilde van Wagner op haar zadel medegenomen hebben zou. Het was volmaakt idioot, tegen alle rede en waarheid in, maar het publiek scheen er zich daardoor des te meer voor te interesseeren. Het volgde daardoor de mode, maar werd bovendien nog meer geprikkeld door het scherpe contrast tusschen deze reine lelie en de deerne met haar ignobele neigingen. Van af dat oogenblik werd het succes van bedrijf tot bedrijf grooter, in het tweede gedurende haar verklaring met Sévère, in het derde in haar scène met Félix, in het vierde in haar tooneel met Polyeucte, om het toppunt te bereiken in de zoo verheven tragische en hartverscheurende scène met Sévère. Een zacht gefluit, waarvan men Sanier verdacht, verzekerde de overwinning. Monferrand en Dauvergne gaven, zooals de couranten berichtten, het sein tot toejuichingen; de geheele zaal geraakte in vuur, Parijs klapte in zijn handen, half uit amusement, half uit ironie. Het huldigde daarbij ook Duvillard en de sterke vuist van het ministerie-Silviane, waarover men in de entr’actes gelachen had.
In de avant-scène van den baron heerschte een koortsachtig gedrang.
“Zeg,” kwam Dutheil vertellen; “die invloedrijke criticus, met wien we eens gesoupeerd hebben, is woedend. Hij blijft volhouden, dat Pauline een burgermeisje is, dat slechts op het laatste oogenblik door het wonder aangeraakt wordt, en dat het een moord is op de rol door haar dadelijk als heilige maagd op te vatten.”
“Laat hij maar kletsen,” zeide Duvillard hoogmoedig, “dan wordt erover gepraat... De hoofdzaak is, dat morgen het artikel van Massot in den Globe komt.”
Maar op dat punt waren de berichten allesbehalve gunstig. Chaigneux, die weer naar Fonsègue gegaan was, vertelde, dat deze ondanks het succes, dat hij belachelijk vond, nog aarzelde. De baron werd boos.
“Ga aan Fonsègue zeggen, dat ik het wil en dat ik een goed geheugen heb.”
Achter in de loge delireerde Rosemonde van enthousiasme.
“Ik smeek je erom, Hyacinthe, breng mij naar de loge van Silviane. Ik kan niet wachten. Ik moet haar een zoen geven.”
“Maar wij gaan er allen heen,” riep Duvillard, die het gehoord had, uit.
De couloirs waren propvol, men verdrong zich tot bij het tooneel. Doch dan deed zich een hinderpaal voor: de deur der loge was gesloten; en toen de baron klopte, antwoordde de kleedster, dat mevrouw den heeren verzocht te wachten.
“O, een vrouw komt er niet op aan,” zeide Rosemonde. en gleed vlug naar binnen. “En jij kan ook binnenkomen, Hyacinthe, dat komt er even weinig op aan.”
Silviane, half naakt, liet haar schouders en haar borst afvegen, zoo warm had zij het. Vol geestdrift vloog Rosemonde op haar af, kuste haar, en in den gloed der vlammende gaslichten en den bedwelmenden geur der bloemen, waarmede het kleine vertrek gevuld was, praatten zij bijna mond tegen mond. Hyacinthe hoorde, hoe zij met van bewondering en hartstocht brandende woorden afspraken elkaar bij den uitgang te zien en dat Silviane ten slotte Rosemonde uitnoodigde een kop thee bij haar te komen drinken.
“Je rijtuig wacht op den hoek van de rue Montpensier, niet?” zeide hij met een welwillend glimlachje tegen de actrice. “Welnu, dan zal ik de prinses daarheen brengen. Dat is wel zoo eenvoudig, dan kunnen jullie samen naar huis rijden.”
“Hoe schattig van je,” riep Rosemonde uit. “Afgesproken.”
De deur ging open; de mannen traden binnen en putten zich uit in loftuitingen. Maar men moest weer gauw terug naar de zaal voor het vijfde bedrijf. Het werd een triomf. Het publiek juichte, toen Silviane het beroemde: “Je vois, je sais, je suis désabusée” met de zielsverrukking van een heilige martelares declameerde. Toen men de artisten terugriep, bracht Parijs aan deze theatermadonna, die volgens Sanier zoo goed de rol van hoer speelde, een laatste ovatie.
Onmiddellijk ging Duvillard met Dutheil achter de coulissen, om Silviane te halen, terwijl Hyacinthe Rosemonde naar het op den hoek van de rue Montpensier staande rijtuig bracht. Dan bleef de jonge man wachten en scheen het heel aardig te vinden, toen zijn vader met Silviane kwam en deze hem met een gebaar tegenhield, toen hij ook wilde instappen.
“Neen, vanavond niet. Ik heb bezoek van een vriendin.”
Het lachende gezichtje van Rosemonde was achter in het rijtuig opgedoken. Hij bleef met open mond staan, toen het rijtuig met de beide vrouwen wegreed. Hij, die sedert zooveel dagen in de weer was, om in genade aangenomen te worden.
“Wat zal ik je zeggen!” zeide Hyacinthe tegen Dutheil, die zelf wat gechoqueerd was. “Zij hing mij de keel uit en toen heb ik haar aan Silviane gegeven.”
Verbijsterd stond Duvillard nog steeds op het trottoir; toen Chaigneux, die uitgeput naar huis ging, hem herkende; hij vloog op hem toe en zeide, dat Fonsègue zich bedacht had en het artikel van Massot opnemen zou.
Hyacinthe nam zijn vader mede en troostte hem als een verstandig kameraad, voor wien de vrouw een onrein dier is.
“Ga mee naar huis... Nu dat artikel verschijnt, kan je het haar morgenochtend brengen. Ze zal dan zeker open doen.”
De beide mannen, die loopen wilden, wandelden rookend en slechts nu en dan een woord wisselend, de op dat uur verlaten en droefgeestige avenue de l’Opéra op, terwijl over het ingeslapen Parijs een eindelooze weeklacht streek, de doodsstrijd van een wereld.
III.
Sedert de executie van Salvat was Guillaume buitengewoon stil gebleven. Hij scheen gepreoccupeerd, verstrooid. Uren achter elkaar werkte hij, maakte hij het zoo gevaarlijke kruit, waarvan hij alleen de formule kende, en waarbij hij door niemand geholpen wilde worden. Andere malen ging hij uit, om na lange eenzame wandelingen uitgeput thuis te komen. In den familiekring bleef hij ook verder zeer vriendelijk, dwong hij zich tot een glimlachen, maar wanneer men iets tot hem zeide, scheen hij, plotseling opschrikkend, als uit een verre gedachtenwereld te komen.
Pierre haalde zich in het hoofd, dat zijn broer te veel gerekend had op de heldhaftigheid van zijn verzaking en het verlies van Marie hem ondragelijk was. Was het niet de gedachte aan hem, die hem geen oogenblik losliet; verlangde hij niet naar haar, hoe meer de voor het huwelijk vastgestelde datum naderde? Op een avond waagde hij het uiting te geven aan zijn vrees, hem nogmaals aan te bieden op reis te gaan, te verdwijnen.
Reeds bij de eerste woorden viel Guillaume hem in de rede:
“Pierre, beste jongen! Ik houd te veel van jou, ik houd te veel van jou, om berouw te hebben over mijn daad... Neen, nu ik jullie samen gelukkig zie, ben ik zelf gelukkig, geven jullie mij moed en kracht... En heusch, je vergist je, ik heb niets; mijn werk neemt zeker mijn gedachten heelemaal in beslag.”
Dien avond was hij buitengewoon vroolijk en opgewekt. Onder het middagmaal vroeg hij of de behanger gauw de beide kamertjes, die Marie boven het laboratorium had, in orde zou komen maken voor het jonge paar. Marie, die, sedert de datum voor het huwelijk bepaald was, kalm en glimlachend, zonder overhaasting of verlegenheid wachtte, begon hem nu vroolijk te vertellen wat zij wilde: een met rood katoen van twintig sous per meter behangen kamer; meubelen van verlakt vurenhout, zoodat zij zou kunnen denken buiten te zijn; en eindelijk een tapijt, want een tapijt was voor haar het toppunt van luxe. Zij lachte en hij lachte vroolijk en vaderlijk mede, zoodat Pierre tot de overtuiging kwam, dat hij zich vergist had.