De drie steden: Parijs

Part 40

Chapter 403,730 wordsPublic domain

Guillaume, die nog steeds zwijgend verder liep en nog den laatsten blik van Salvat in zich voelde, scheen plotseling tot een definitief besluit te komen: hij keek haar met zijn brandende oogen aan en sprak het doodvonnis over haar uit.

II.

De inzegening van het huwelijk zou om twaalf uur plaats vinden, maar reeds een half uur te voren hadden de uitgenoodigden de met een buitengewone luxe gedecoreerde, met groene planten versierde en met bloemengeur doorbalsemde kerk gevuld. Op het hoofdaltaar brandden duizend kaarsen, terwijl de wijd openstaande deurvleugels in het felle zonlicht het met palmen vol staande voorportaal, de met een breeden looper belegde treden en de nieuwsgierige menigte, die zich op het plein tot in de rue Royale opgehoopt had, lieten zien.

Dutheil, die nog drie stoelen voor laatkomende dames gevonden had, zeide tegen Massot, die de namen in zijn reportersboekje opschreef:

“Wie nu nog verder komen, zullen moeten blijven staan.”

“Wie zijn die drie dames?” vroeg de journalist.

“Hertogin de Boisemont met haar twee dochters.”

“Bliksems, het geheele wapenboek van Frankrijk, de heele financieele en de heele politieke wereld schijnt hier te zijn. Het is nog mooier dan een echt Parijsch huwelijk.”

Inderdaad waren alle maatschappelijke kringen hier vertegenwoordigd. Terwijl de Duvillards de geldkoningen en de politici hier brachten, waren madame de Quinsac en haar zoon vergezeld door de grootste namen der aristocratie. De keuze der getuigen alleen reeds drukte dezen wonderbaarlijken mélange uit: voor Gérard zijn oom, generaal de Bozonnet en markies de Morigny; voor Camille, de groote bankier Louvard, haar neef, en Monferrand, minister van Financiën en minister-president. De rustige uittarting van dezen laatste, die zich onlangs in de zaken van den baron gecompromitteerd had en nu getuige van zijn dochter wilde zijn, omgaf zijn triomf met den glans van onbeschaamdheid. Om de nieuwsgierigheid als het ware nog meer te prikkelen, zou de huwelijksinzegening geschieden door monseigneur Martha, bisschop van Persepolis, agent van de pauselijke politiek in Frankrijk, apostel van het ralliement, de voor het Katholicisme veroverde Republiek.

“Wat zeg ik, een echt Parijsch huwelijk!” herhaalde Massot met een spotlachje. “Dat huwelijk is een symbool. Ja, waarde heer, de apotheose der bourgeoisie: de oude adel offert een van haar zonen op het altaar van het gouden kalf, opdat de goede God en de gendarmen, die weer de meesters van Frankrijk geworden zijn, ons van die schoften van socialisten bevrijden. Trouwens, er zijn geen socialisten meer,” verbeterde hij zich zelf. “Dien hebben ze gisterenavond een kopje kleiner gemaakt.”

Dutheil vond de opmerking heel grappig.

“Maar het is niet makkelijk gegaan,” zeide hij vertrouwelijk. “Heb je vanochtend dat smerige artikel van Sanier gelezen?”

“Ja, ja, maar ik wist het van te voren, iedereen wist het.”

En fluisterend, elkander met een half woord begrijpend, spraken zij verder. Wat de Duvillards betreft, de moeder had den minnaar slechts onder tranen en na een wanhopigen strijd aan haar dochter gegeven, alleen omdat zij Gérard gelukkig en rijk wilde zien, terwijl zij tegenover Camille haar vreeselijken haat van overwonnen mededingster koesteren bleef. Ook madame de Quinsac had een smartelijken tweestrijd moeten voeren; de gravin had in het huwelijk slechts toegestemd, om haar zoon te redden uit het gevaar, waarin hij, zooals zij wist, reeds vanaf zijn jeugd verkeerde. Zij was in haar moederlijke verzaking zóó ontroerend, dat markies de Morigny er zich ondanks zijn verontwaardiging bij neergelegd had getuige te zijn, zoodoende aan de vrouw, die hij steeds lief gehad had, het grootste offer, het offer van zijn geweten, brengend. En deze verschrikkelijke geschiedenis had Sanier dien ochtend onder doorzichtige schuilnamen in de Voix du Peuple verteld—ja, zooals altijd slecht ingelicht en tot leugens steeds bereid, had hij zelfs het middel gevonden, om nog meer vuiligheid eraan toe te voegen, want voor het succes van zijn verkoop was het noodig, dat de dagelijks door hem geopende goot een onophoudelijk zich verdikkende en steeds vergiftigde modder uitdruipen liet. Sedert de overwinning van Monferrand hem gedwongen had het schandaal der Afrikaansche sporen te laten rusten, wierp hij zich op particuliere schandalen, bezoedelde hij families, die hij tot op het hemd toe uitkleedde.

Plotseling vloog Chaigneux op hen af; zijn half versleten rok was nauwelijks toegeknoopt.

“En hoe staat het met uw artikel over Silviane, mijnheer Massot? Het is nu toch goed afgesproken, dat het in de courant komt?”

Duvillard was op het denkbeeld gekomen Chaigneux, die altijd te koop en altijd bereid was als lakei dienst te doen, te gebruiken als een drijver voor het aanstaande succes van Silviane. Hij had hem tot haar beschikking gesteld en zij droeg hem allerlei vernederende werkjes op, dwong hem heel Parijs af te loopen om een claque aan te werven en triompheerende kritieken te krijgen. Zijn oudste dochter was nog niet getrouwd; nog nooit hadden zijn vier vrouwen zoo zwaar op hem gedrukt; het was een ware hel—ja, hij werd zelfs geslagen, wanneer hij den eersten van iedere maand geen duizend francs thuis bracht.

“Mijn artikel,” antwoordde Massot, “zal niet in de courant komen, waarde afgevaardigde. Fonsègue vindt, dat er voor den Globe te veel ophemeling in voorkomt. Hij heeft mij gevraagd of ik wel wist voor welk blad ik het geschreven had.”

Chaigneux werd doodsbleek. Het was een van te voren, uit een mondain oogpunt geschreven artikel over het succes, dat Silviane ’s avonds in Polyeucte in de Comédie zou behalen. Om haar een pleizier te doen, had de journalist het haar zelf voorgelezen; zij was erover in de wolken en rekende er vast op het nu gedrukt in een van de meest ernstige bladen van Parijs te lezen.

“Lieve Hemel, wat moet er van ons worden?” mompelde de ongelukkige afgevaardigde. “Het artikel moet in de courant komen.”

“Ik zou niets liever zien. Maar spreek er zelf met den patroon over... Kijk daar staat hij tusschen Vignon en Dauvergne, den minister van Onderwijs.”

“Dat zal ik zeker... Maar niet hier. Strakjes in de sacristie, bij de gelukwenschen... Dan zal ik ook Dauvergne zien te spreken, want Silviane staat erop, dat hij vanavond in de ministersloge zit. Monferrand komt ook, hij heeft het aan Duvillard beloofd.”

Massot begon te lachen en herhaalde de grap, die na het engagement der actrice de rondte door geheel Parijs gemaakt had.

“Het ministerie Silviane... Dat is hij zijn peet wel schuldig.”

Maar op dat oogenblik vloog de kleine prinses de Hardt als een wervelstorm naar hen toe.

“Weet u, dat ik geen plaats heb?” riep zij.

Dutheil dacht, dat zij hier een goeden stoel wilde hebben.

“Reken niet op mij. Ik kan er niets meer aan doen. Ik heb de grootste moeite gehad hertogin de Boisemont en haar twee dochters een plaats te geven.”

“Neen ik spreek over de voorstelling van vanavond... Je moet me, het koste wat het wil, een hoekje in een loge geven. Het zou beslist mijn dood zijn, als ik onze onvergelijkelijke, onze heerlijke vriendin niet zou kunnen toejuichen.”

Sedert zij Silviane na de terechtstelling van Salvat thuis gebracht had, legde zij een onstuimige bewondering voor haar aan den dag.

“U zult geen enkele plaats meer vinden,” verklaarde Chaigneux gewichtig. “Alles is uitverkocht. Ze hebben me tot driehonderd francs voor een fauteuil geboden.”

“Dat is zoo, tot zelfs om de klapstoeltjes is gevochten,” voegde Dutheil eraan toe. “Het spijt mij vreeselijk, maar reken niet op mij... Alleen Duvillard zou u een plaatsje in zijn loge kunnen geven. Hij heeft mij gezegd, dat hij er een voor mij zou reserveeren. Maar ik geloof, dat wij maar met ons drieën zijn, zijn zoon inbegrepen... Vraag dadelijk aan Hyacinthe of hij u laat inviteeren.”

Rosemonde, die op een avond, dat Hyacinthe haar doodelijk verveelde, in de armen van den afgevaardigde gevallen was, begreep de ironische bedoeling heel goed, maar riep toch verrukt uit:

“Ja, dat kan Hyacinthe mij niet weigeren! Dank je wel voor de inlichting, beste jongen. Je bent een aardig ventje, je weet op alles raad!... En vergeet niet, dat je mij beloofd hebt mij de politiek te leeren. O, ik voel, dat ik mij nooit voor iets zoo hartstochtelijk geïnteresseerd heb als voor de politiek.”

Zij ging weg, drong door de menigte heen en wist ondanks alles ten slotte nog een plaatsje op de eerste rij te bemachtigen.

“Een leuke wildzang!” mompelde Massot.

Toen Chaigneux den rechter van instructie Amadieu tegemoet vloog, om hem onderdanig te vragen of hij zijn fauteuil ontvangen had, fluisterde de journalist den afgevaardigde in:

“Zeg, is het waar, dat Duvillard beginnen wil met dien beruchten spoorweg door de Sahara? Een reusachtige onderneming: het gaat ditmaal over honderden en nogmaals honderden millioenen... Gisterenavond haalde op de courant Fonsègue zijn schouders ervoor op, zeide, dat het krankzinnigenwerk was, dat hij er niet aan geloofde.”

“Dat zaakje komt in orde. Voor we acht-en-veertig uur verder zijn, zal Fonsègue de voeten van den baron kussen,” zeide Dutheil met een schertsend knipoogje.

En vroolijk gaf hij te verstaan welk een gouden manna weer neer zou vallen op de trouwe vrienden, op alle mannen van goeden wil. Wanneer de storm voorbij is, schudt de vogel zijn vleugels. En in de vroolijke zekerheid van het te verwachten geschenk was hij opgewekt en spraakzaam, als had de affaire met de Afrikaansche sporen hem nooit wanhopig gemaakt.

“Bliksems,” zeide Massot, nu ernstig geworden; “dit is dus meer dan een triomf; het is de belofte van een nieuwe oogst. Dan is het ook niet te verwonderen, dat men hier elkaar half dood dringt.”

Op dat oogenblik hief het orgel een triomphantelijk begroetingslied aan. Eindelijk betrad de stoet de kerk. Terwijl deze plechtig in het heldere zonlicht de treden besteeg, ontstond onder de menigte, die tot in de rue Royale stond en het rijtuig- en omnibusverkeer stremde, een luid lawaai. Nu trad hij onder de hooge, echoënde gewelven en schreed tusschen de twee dicht op elkander gedrukte rijen genoodigden naar het hoofdaltaar. Allen waren opgestaan, allen rekten, glimlachend en brandend van nieuwsgierigheid, hun halzen uit.

Eerst schreed, achter den prachtig uitgedosten kerkdienaar, Camille aan den arm van haar vader, baron Duvillard, die trotsch en hoogmoedig als een overwinnaar liep. Zij, gehuld in een sluier van bewonderenswaardige Alençon-kant, welke vastgehouden werd door een diadeem van oranjebloesem, in een japon van geplisseerde zijden mousseline op een onderkleed van wit satijn, was zóó gelukkig, straalde zóó in het bewustzijn van haar overwinning, dat zij bijna knap leek. Zij liep rechtop; het was nauwelijks zichtbaar, dat haar linkerschouder hooger was dan haar rechter. Dan volgde Gérard met zijn moeder, gravin de Quinsac, aan zijn arm: hij zeer mooi en correct, zij voornaam en waardig in haar pauwblauw met staal- en goudparelen bestikt zijden kleed. Maar vooral was het wachten op Eve; iedereen rekte zich uit, toen zij aan den arm van generaal de Bozonnet, een der getuigen en den naasten bloedverwant van den bruidegom, verscheen. Zij droeg een kleed van vieux rose taffetas met Valenciennes-kant van onschatbare waarde; nooit had zij er jonger en blonder uitgezien. Toch zeiden haar oogen, dat zij geweend had, ofschoon zij zich tot een lachje dwong. Met de lijdende gratie van haar geheele persoonlijkheid deed zij aan een weduwe denken, verried zij het smartelijke offer, dat zij met het opgeven van den geliefden man gebracht had. Hierop kwamen de drie andere getuigen, ieder met een dame aan hun arm. Monferrand vooral, die zeer vroolijk en zonder eenige majesteit met zijn dame, een kleine, lichtzinnig uitziende brunette, lachte, werd opgemerkt. In den eindeloozen, plechtigen stoet liep ook nog Hyacinthe, wiens kostuum met de symmetrisch geplooide rokspanden bijzonder in het oog viel.

Nadat het bruidspaar voor de voor hen bestemde bidstoelen en de beide families op de groote, roodfluweelen en vergulde fauteuils plaats genomen hadden, begon de ceremonie met buitengewone pracht. De pastoor der Madeleine officieerde zelf; zangers van de Opera versterkten het koor voor de gezongen mis, die het orgel met een voortdurend jubellied begeleidde. Al de luxe, alle mogelijke mondaine en kerkelijke pracht werd ten toon gespreid, als had men van dit huwelijk een openbaar feest, een overwinning, de apotheose van een klasse willen maken. Ja, zelfs de onbeschaamdheid en het uittartende van dit verschrikkelijke, aan iedereen bekende en op deze wijze geafficheerde huiselijke drama gaf aan de plechtigheid den glans van een afschuwelijke grootschheid. Doch vooral voelde men dit, toen monseigneur Martha, in koorhemd en stola, zelf het huwelijk kwam inzegenen.

Hoog opgericht, blozend en frisch, glimlachte hij half en sprak de sacramenteele woorden met de verheven zalving van een hoogepriester, die gelukkig is de twee groote rijken, wier erfgenamen hij vereenigde, te verzoenen. Met ongeduld verbeidde men zijn toespraak tot de jonggehuwden. Hij overtrof er zichzelf in; zij werd een triomf voor hem. Had hij in deze kerk niet de moeder gedoopt, de nog zoo mooie blonde Eve, de door hem tot het Katholieke geloof bekeerde Jodin? Had hij niet in deze kerk zijn drie beroemde causerieën over den nieuwen geest gehouden, waarvan, naar zijn meening, het bankroet der wetenschap, het ontwaken van het Christelijk spiritualisme, de verzoeningspolitiek, die uitloopen moest op de verovering der Republiek, het gevolg was. Hij mocht zich wel de vrijheid veroorlooven zich met fijne toespelingen met zijn werk geluk te wenschen, nu hij een armen zoon der aristocratie verbond met de vijf millioen van deze burgerlijke erfgename, in wie de overwinnaars van 1789, die thans meesters der macht waren, triompheerden. Alleen de bedrogen, bestolen vierde stand, het volk, maakte het feest niet mede.

Monseigneur Martha bezegelde in deze echtgenooten het nieuwe verbond, verwezenlijkte de politiek van den paus, den heimelijken drang van het Jezuïtische opportunisme, dat de democratie, de macht en het geld verbindt, om er zich dan meester van te maken. In zijn peroratie wendde hij zich tot den glimlachenden Monferrand en scheen het woord tot hem te richten, toen hij het jonge paar een geheel in de vrees van God opgaand leven van Christelijken deemoed en Christelijke gehoorzaamheid toewenschte. Hij bezwoer de ijzeren hand Gods, de ijzeren vuist, als die van den gendarm, welke belast is met de handhaving van den wereldvrede. Iedereen was op de hoogte van de diplomatieke verstandhouding tusschen den bisschop en den minister; er moest het een of ander geheim verdrag bestaan, waardoor beiden hun autoritairen hartstocht, hun heerschzucht bevredigen konden.

“Wat zou de oude Justus Steinberger pleizier hebben, als hij zag, dat zijn kleindochter trouwde met den laatsten de Quinsac!” fluisterde Massot, die bij Dutheil was blijven staan.

“Maar zulke huwelijken zijn juist goed,” antwoordde de afgevaardigde. “Het is de mode. Joden, Christenen, bourgeoisie en adel hebben alle reden om zich te vereenigen, ten einde de nieuwe aristocratie te vormen. We hebben er een noodig, anders zou het volk ons boven het hoofd groeien.”

Massot moest desniettemin lachen om het gezicht, dat Justus Steinberger gezet zou hebben, als hij monseigneur Martha gehoord had. Inderdaad liep het gerucht, dat de oude Joodsche bankier sedert de bekeering van zijn dochter Eve, met wie hij niet meer omging, zich voor alles, wat zij zeide of deed, interesseerde, als zag hij in haar meer dan ooit een wapen van wraak en verovering tegen deze Christenen, van wier verwoesting zijn ras, naar men zeide, droomde. Nu hij Duvillard, door haar aan hem tot vrouw te geven, niet, zooals hij gehoopt had, had kunnen veroveren, troostte hij zich blijkbaar met het buitengewone geluk van zijn bloed, dat zich nu vereenigde met dat van zijn vroegere hardvochtige meesters, welke daardoor geheel ten gronde gericht werden. Was dat niet de definitieve overwinning der Joden, waarover men sprak?

Een laatste triomflied van het orgel besloot de plechtigheid. De beide families en de getuigen gingen naar de sacristie, waar de trouwacte geteekend werd en de gelukwenschen in ontvangst genomen werden.

Intusschen bleven de menschen staan en vormden zich opgewekt pratende groepjes. Monferrand werd dadelijk door velen omringd. Massot maakte er Dutheil op opmerkzaam hoe onderdanig de advocaat-generaal Lehmann hen kwam begroeten. Bijna onmiddellijk daarna verschenen de rechter van instructie Amadieu en ook de vice-president van het Hof de Larombardière, hoewel deze laatste een der laatste getrouwen van den salon der gravin was. Zij waren de vleiende en gehoorzame leenmannen der regeering, die bevordert, benoemt en afzet. Men beweerde, dat Lehmann in de zaak der Afrikaansche spoorwegen Monferrand een grooten dienst bewezen had, door sommige dossiers te laten verdwijnen. En had men den glimlachenden, door en door Parijschen Amadieu niet het hoofd van Salvat te danken?

“Die drie komen hun bedankje halen voor hun geguillotineerde van gisteren,” prevelde Massot. “Monferrand is dien ongelukkige wel grooten dank verschuldigd, want eerst heeft hij met zijn bom den val van het ministerie verhinderd, en later, toen het er om ging een man te vinden, wiens vuist sterk genoeg was om het anarchisme te worgen, heeft hij hem het voorzitterschap van den ministerraad verschaft. Wat een strijd, hè: Monferrand aan den eenen en Salvat aan den anderen kant! Een hoofd moest ten slotte vallen! Hoor, zij praten er nu over!”

Inderdaad werden de drie magistraten, die den almachtigen minister gingen begroeten, door dames, wier nieuwsgierigheid door de verslagen in de bladen koortsachtig geprikkeld was, uitgevraagd. Amadieu, die qualitate qua de terechtstelling bijgewoond had, gaf antwoord, blij, dat hij nog eenmaal gewichtig doen kon, en vastbesloten, dat, wat hij de legende van den heldenmoed van Salvat noemde, te vernietigen. Volgens hem had die misdadiger volstrekt geen waren moed getoond; slechts trots had hem staande gehouden; maar hij was zoo bang en angstig geweest, dat hij reeds dood was alvorens hij onder de bijl kwam.

“Ja, dat is de waarheid,” riep Dutheil. “Ik was er bij.”

Massot trok hem aan zijn arm, verontwaardigd, hoewel hij altijd met alles spotte.

“Jij hebt er niets van gezien. Salvat is zeer dapper gestorven; het is gemeen dezen armen drommel tot in den dood te bezoedelen.”

Maar deze voorstelling van Salvat’s laffen dood was veel te vleiend voor de ijdelheid van vele menschen. Het was als het ware het laatste brandoffer, dat men, om Monferrand aangenaam te zijn, aan diens voeten legde. Hij bleef kalm lachen als een dapper man, die slechts wijkt voor de noodzakelijkheid. Zeer vriendelijk toonde hij zich ten opzichte van de drie magistraten, die hij bedanken wilde voor de dapperheid, waarmede zij hun taak tot het einde toe vervuld hadden. Den vorigen dag had hij, na de terechtstelling, in de Kamer een overweldigende meerderheid verkregen. Overal heerschte orde, alles ging in Frankrijk zoo goed als het maar gaan kon. Toen Vignon, die als kalm speler de huwelijksplechtigheid bij had willen wonen, naderbij kwam, sprak de minister hem aan en fêteerde hem, deels uit coquetterie, deels uit taktiek, daar hij ondanks alles nog steeds bang was, dat de naaste toekomst aan dezen zoo intelligenten jongen man zou toebehooren. Toen een gemeenschappelijke vriend hun mede kwam deelen, dat het met Barroux’ gezondheid heel slecht stond en de doktoren aan zijn herstel wanhoopten, deden zij heel meewarig. Die arme Barroux! Sedert de zitting, waarin hij gevallen was, nam hij van dag tot dag af: de ondankbaarheid van het land trof hem midden in zijn hart; hij stierf aan de afschuwelijke beschuldiging van geschacher en diefstal—hij, die zoo rechtschapen, zoo eerlijk was, die zijn leven voor de Republiek gegeven had!

“Maar wie bekent ook?” herhaalde Monferrand. “Het publiek begrijpt dat niet.”

Op dat oogenblik kwam Duvillard, zijn vaderrol in den steek latend, naar hen toe; van nu af aan werd de triomf van den minister nog grooter door den zijne. Was hij niet de meester, was hij niet het geld, de eenige vaste, eeuwige macht, die boven deze ééndaagsche macht, boven die zoo snel van hand tot hand gaande ministerportefeuilles stond? Monferrand regeerde en zou verdwijnen; Vignon zou regeeren en verdwijnen—Vignon, die reeds aan zijn voeten lag, daar hij zeer goed wist, dat men zonder de millioenen der financieele mannen niet regeeren kan. Was hij dus niet de eenige triomphator, die voor vijf millioen een zoon der aristocratie kocht, die als het ware de belichaming van de almachtig geworden bourgeoisie geworden was, die heerschte als onbeperkt koning, als meester van den algemeenen rijkdom en niets daarvan wilde prijsgeven, zelfs niet onder het springen van bommen. Dit feest was zijn feest; hij alleen zette zich aan het festijn, weigerde toe te stemmen in een nieuwe deeling, nu hij alles veroverd had, alles bezat en nog slechts tegen zijn zin aan de arme drommels van arbeiders, die de Revolutie vroeger bedrogen had, de kruimels van zijn tafel overliet.

Van dit oogenblik af was de zaak der Afrikaansche spoorwegen nog slechts een oude, in een commissie begraven, weggegoochelde zaak. Al degenen, die erin gecompromitteerd waren, de Dutheils, de Chaigneux, de Fonsègue’s lachten in hun vuistje, nu zij bevrijd waren door de ijzeren vuist van Monferrand en mede omhoog geheven werden door den triomf van Duvillard. Het gemeene artikel van Sanier, dat de Voix du Peuple dien ochtend gepubliceerd had, die vuile onthullingen, telde zelfs niet meer mede; men haalde er slechts zijn schouders voor op, zoo moe was het met modder gevoede, met onthullingen en laster oververzadigde publiek al die sensatie-schandalen geworden. Nog slechts één koortsachtige gruweling maakte zich van de menigte meester; het gerucht van het eerstdaags tot stand komen van de beroemde Trans-Sahara-baan, die millioenen op de trouwe vrienden zou doen regenen.

Terwijl Duvillard amicaal met Monferrand en Dauvergne, die zich bij hen gevoegd had stond te praten, zeide Massot fluisterend tegen zijn hoofdredacteur Fonsègue:

“Dutheil heeft mij daareven verteld, dat hun Trans-Sahara-baan klaar is en ze de zaak in de Kamer zullen wagen. Zij zeggen zeker te zijn van het succes.”

Maar Fonsègue was skeptisch gestemd.

“Onmogelijk; zij zullen niet zoo gauw opnieuw durven beginnen.”

Toch had de tijding hem ernstig gemaakt. Ten gevolge van zijn onvoorzichtigheid met de Afrikaansche sporen was hij zoo bang geworden, dat hij zichzelf gezworen had in den vervolge zijn voorzorgsmaatregelen te nemen. Maar dat behoefde niet zoo ver te gaan, om zich buiten alle zaken te houden. Men moest wachten, ze bestudeeren, maar mededoen, aan alles mededoen.

Juist toen hij naar den groep van Duvillard en de twee ministers keek, zag hij een ronselen van Chaigneux, die in de sacristie recruten werven bleef voor de tooneelvoorstelling van dien avond. Hij stak den loftrompet over Silviane, wakkerde de nieuwsgierigheid aan, voorspelde een enorm succes. Dan ging hij naar Dauvergne en zeide, terwijl zijn lange ruggegraat in tweeën boog:

“Waarde minister, ik moet u een verzoek doen uit naam van een schoone dame, wier overwinning vanavond niet volkomen zijn zou, wanneer u u niet verwaardigt uw goedkeuring daaraan te hechten.”