De drie steden: Parijs

Part 4

Chapter 43,887 wordsPublic domain

De twee laatste der gasten kwamen bijna tegelijk. Eerst kwam de rechter van instructie Amadieu, een intieme huisvriend, een kleine man van vijf-en-veertig jaar, dien een onlangs gevoerd anarchistenproces op den voorgrond gebracht had. Hij had een plat, regelmatig, door een grooten blonden bakkebaard omgeven magistratengezicht, waaraan hij een scherpzinnige uitdrukking trachtte te geven door steeds een monocle, waarachter zijn oog fonkelde, te dragen. Hij was een mondain man van de nieuwe school, een uitstekend psycholoog, had een boek geschreven als antwoord op de misbruiken der criminalistische physiologie, bezat een taaie eerzucht, zag graag, dat er veel over hem gesproken werd, loerde altijd op gelegenheden opzienbarende, roem gevende processen te krijgen. Ten slotte kwam nog generaal de Bozonnet, een oom van moederszijde van Gérard, een groote, magere grijsaard met een arendsneus. Door zijn rheumatiek had hij onlangs zijn ontslag moeten nemen. Tot belooning voor zijn heldhaftig gedrag bij Saint-Privat na den oorlog tot kolonel benoemd, was hij ondanks zijn monarchistische relaties, zijn aan Napoleon gezworen eed trouw gebleven. Men vergaf hem in zijn kringen dat soort militair bonapartisme, omdat hij de republiek met groote bitterheid beschuldigde het leger den genadeslag te hebben toegebracht. Verder was hij een fatsoenlijk man, die zijn zuster, madame de Quinsac, aanbad; met het aannemen der uitnoodigingen van de barones scheen hij vooral een wensch van zijn zuster te bevredigen, als om de voortdurende aanwezigheid van Gérard in dat huis natuurlijker en verklaarbaarder te doen schijnen.

Nu echter kwamen de baron en Dutheil overdreven luid lachend uit de studeerkamer terug; blijkbaar wilden zij het doen voorkomen, alsof er niets was, dat hen hinderde. Men ging nu naar de eetkamer, waar een groot vuur brandde, welks vroolijke vlammen als voorjaarsstralen glansden tusschen de fijne, met zilverwerk en kristal beladen Engelsche meubelen van licht mahoniehout. Het in lichtgroen gehouden vertrek had in het vale daglicht een eigenaardige bekoring, terwijl de in het midden staande tafel met haar rijke couverts en haar wit, met Venetiaansche kant versierd tafellinnen, als door een wonder gebloeid scheen te hebben: een geheel veld met groote, voor den tijd van het jaar prachtige en heerlijk geurende theerozen.

De barones liet den generaal rechts en Amadieu links van zich plaats nemen. De baron had Dutheil als rechter- en Gérard als linkerbuurman. De kinderen gingen aan de beide einden van de tafel zitten, Camille tusschen Gérard en den generaal, Hyacinthe tusschen Dutheil en Amadieu. Dadelijk na de roereieren met truffels ontspon zich een vertrouwelijk en vroolijk gesprek, het gewone Parijsche dejeunergesprek, waarin de groote en kleine gebeurtenissen van den vorigen avond en van den ochtend, de waarheden zoowel als de leugens, het financieele schandaal, de politieke gebeurtenissen, de laatst verschenen roman, het laatst gespeelde stuk, kortom al die verhalen de revue passeeren, die men elkaar eigenlijk moest influisteren, maar dààr hardop vertelt.

Dapper en met zijn gewone kalme onbeschaamdheid begon de baron het eerst te spreken over het artikel in de Voix du Peuple.

“Zeg eens, hebben jullie het artikel van Sanier vanochtend gelezen? Het is een van zijn beste, er zit verve in! Maar wat een gevaarlijke gek!”

Het gezegde vroolijkte het geheele gezelschap op, want dit artikel zou, als niemand er een woord over gesproken had, als een zware last op het dejeuner gedrukt hebben.

“Een tweede Panama!” riep Dutheil uit. “Maar nu krijgen we er toch genoeg van.”

“Maar die geschiedenis met die Afrikaansche sporen is zoo helder als de dag,” begon de baron weer. “Al degenen, die Sanier zoo vreeselijk dreigt, kunnen gerust slapen. Het is niets anders dan een handigheidje, om Barroux als minister te doen vallen. Er zal wel heel gauw een interpellatie aangevraagd worden en dan heb je de poppen aan het dansen.”

“Die schandaal- en lasterpers is iets, dat Frankrijk geheel ten gronde zal richten,” zeide Amadieu. “We moesten daar wetten tegen hebben.”

De generaal maakte een toornig gebaar.

“Wetten? Waarom? Ze hebben toch niet den moed om ze toe te passen.”

Er volgde een stilte. De maître d’hôtel diende geroosterde zeebarbeelen rond. Het opdienen geschiedde zoo zacht, dat men in de warme, geurige stilte der kamer niet eens het rinkelen van het vaatwerk hoorde. Zonder dat men wist hoe, was het gesprek plotseling op een ander onderwerp gekomen.

“De reprise van het stuk is immers uitgesteld?” vroeg een stem.

“Ja,” zeide Gérard; “ik heb gehoord, dat Polyeucte op zijn vroegst in April gaan zal.”

Camille, die tot nog toe gezwegen had en den jongen man weer voor zich trachtte te winnen, keek haar vader en haar moeder met haar schitterende oogen aan. Men had het over de reprise, waarin Silviane met alle geweld wilde debuteeren. Maar de baron en de barones bleven volkomen kalm, want reeds sedert zeer langen tijd behoefden zij niets voor elkaar te verbergen. Eve was zoo gelukkig met het rendez-vous, dat zij voor dien middag gekregen had. Zij dacht alleen aan dat geluk en was in haar verbeelding reeds in het liefdesnestje, terwijl zij, zonder het zich bewust te zijn, tegen haar gasten glimlachte. De baron had het in zijn gedachten veel te druk met de nieuwe stappen, die hij bij het ministerie van Schoone Kunsten doen wilde, om het engagement met geweld door te drijven. Hij zeide alleen:

“Hoe moeten ze ook in de Comédie stukken opnieuw monteeren? Zij hebben geen vrouwen meer.”

“Wat had gisteren Delphine Vignet in den Vaudeville een prachtige japon. En niemand verstaat zoo de kunst om zich te kappen als zij.”

Toen vertelde Dutheil, terwijl hij terwille van Camille zijn woorden voorzichtig koos, de amourette van Delphine met een welbekend senator. Dan kwam een ander schandaal ter sprake, de dood van een vriendin des huizes, die te brutaal door een chirurg geopereerd was, een zaak, die bijna in de handen van Amadieu gekomen was. De generaal maakte hiervan gebruik, om—zonder eenigen overgang—zijn gewone bittere uitvallen tegen de idiote organisatie van het tegenwoordige leger te plaatsen. De oude Bordeaux fonkelde als donkerrood bloed in de kristallen glazen; een reebout met truffels had zijn eenigszins scherpen geur vermengd met den uitstervenden parfum der rozen, toen de asperges gepresenteerd werden—een vroeger zeer zeldzame primeur, die thans echter zelfs geen verwondering meer verwekte.

“Die heb je tegenwoordig den heelen winter,” zeide de baron teleurgesteld.

“En gaat vanmiddag de matinée van prinses de Hardt nog door?” vroeg Gérard op hetzelfde oogenblik.

“Ja. Ga je erheen?” was Camille’s antwoord.

“Neen, ik denk het niet. Ik zal niet kunnen,” zeide de jonge man verlegen.

“Die kleine prinses is heusch een beetje geschift,” zeide Dutheil. “Jullie weten toch, dat ze zichzelf voor weduwe uitgeeft. Maar in werkelijkheid moet haar man, een echte prins, die aan een koninklijke familie verwant is, met een zangeres de wereld rondreizen. Zij heeft er de voorkeur aan gegeven in haar hôtel in de avenue Kléber te blijven regeeren, dat wel de vreemdste ark van Noach is, waarin het kosmopolitisme weelderig voortwoekert.”

“Houd je mond toch, kwaadspreker!” viel de barones hem in de rede. “Wij mogen hier Rosemonde heel graag, het is een charmante vrouw.”

“Zeker,” zeide Camille; “zij heeft ons geïnviteerd en we gaan straks naar haar toe, niet waar mama?”

Om geen antwoord te behoeven te geven, deed zij, alsof zij de vraag niet gehoord had, terwijl Dutheil, die goed op de hoogte scheen te zijn, zich vroolijk bleef maken over de prinses en haar matinée, waarop Spaansche danseressen met een zoo wellustige en geile mimiek zouden optreden, dat heel Parijs zich in haar salons verdringen zou.

“Zij heeft de schilderkunst laten varen en houdt zich nu bezig met scheikunde,” voegde Dutheil er nog aan toe. “Haar salon is thans vol anarchisten... Het komt mij zoo voor, of zij jou niet met rust kan laten, beste Hyacinthe.”

Tot dat oogenblik had Hyacinthe, alsof het geheele gesprek hem koud liet, geen woord gezegd.

“O, zij verveelt mij doodelijk,” verwaardigde hij zich te antwoorden. “Ik ga alleen naar haar matinée in de hoop er den jongen lord Elson te ontmoeten, die me daar van uit Londen rendez-vous gegeven heeft. Maar ik wil graag bekennen, dat het de eenige salon is, waar ik iemand vind, met wien ik praten kan.”

“Dus ben je ook tot de anarchie overgegaan?” vroeg Amadieu ironisch.

Onverstoorbaar en met een air van de hoogste elegantie zeide Hyacinthe:

“Och, mijnheer, ik geloof, dat in dezen tijd van algemeene laagheid en vuilheid iemand van eenige distinctie niets anders dan anarchist zijn kan.”

De geheele tafel lachte. Men verwende hem veel en vond hem heel grappig. Zijn vader vooral had er groot pleizier in, dat hij—hij! een anarchist tot zoon had, terwijl de generaal, wanneer hij zijn bittere uren had, vond, dat een maatschappij, die stom genoeg was om zich door een paar schurken te laten ringelooren, niet beter verdiende dan te verdwijnen. Alleen de rechter van instructie, die bezig was een specialist in anarchistenprocessen te worden, verdedigde de bedreigde maatschappij en deelde over wat hij het leger der verwoesting en der moorden noemde, verschrikkelijke bijzonderheden mede. Maar de andere gasten bleven glimlachen en lieten zich een werkelijk verrukkelijke eendenleverpastei goed smaken. Er was zooveel ellende, men moest alles begrijpen, de dingen zouden wel op hun pootjes terecht komen.

“Maar in ieder geval,” zeide de baron op verzoenenden toon, “zou men toch iets kunnen doen. Wat? Dat weet niemand precies. Verstandige eischen neem ik bij voorbaat aan. Zoo bijvoorbeeld de verbetering van het lot van den arbeider, goede inrichtingen stichten, zooals ons Asile des Invalides du Travail, waarop we met recht trotsch kunnen zijn. Maar men moet ons niet het onmogelijke vragen.”

Bij het dessert ontstond er een plotselinge stilte, alsof midden in het geratel van het gesprek en in den roes van het copieuse dejeuner ieders angst opnieuw zijn hart beklemde en vrees op de verontrustende gezichten te lezen was. Men zag weer de vrees van Dutheil voor een aanklacht, de angstige woede van den baron, die zich afvroeg, hoe hij het best Silviane’s wensch zou kunnen vervullen. Dat meisje was de vlek, die op hem, den sterke en machtige, kleefde, de geheime ziekte, die hem misschien zou wegvreten en verwoesten. Maar vooral zag men op de gezichten van de barones, Camille en Gérard het vreeselijke drama, die met haat vervulde rivaliteit tusschen de moeder en de dochter, die elkaar den man, welke zij liefhadden, betwistten. De vergulde mesjes schilden sierlijk de vruchten, er waren gouden trossen druiven en allerlei suikerwerk, koeken, een ontelbaar aantal lekkernijen werden rondgediend.

Terwijl de vingerkommetjes rondgegeven werden, fluisterde een knecht de barones iets in, waarop deze zacht antwoordde:

“Laat hem maar in den salon. Ik kom dadelijk.”

En zich tot de gasten wendend:

“Mijnheer de abbé Froment wil mij spreken. Hij zal ons niet storen; ik geloof, dat u hem allemaal kent. Een echt-vrome man, voor wien ik veel sympathie heb!”

Men bleef nog even aan tafel zitten en verliet dan de eetkamer.

Pierre was midden in den kleinen salon blijven staan. Toen hij op een tafel een blad met koffie en likeuren zag staan, kreeg hij spijt, dat hij aangedrongen had ontvangen te worden, en zijn verlegenheid werd nog grooter, toen de gasten eenigszins luidruchtig, met schitterende oogen en lichtgekleurde wangen binnenkwamen. Maar de vlam der barmhartigheid en der naastenliefde was weer zoo in hem opgelaaid, dat hij die verlegenheid overwon. Ten slotte had hij nog slechts het onbehaaglijk gevoel, dat hij den vreeselijken ochtend van ellende, dien hij doorleefd had, zooveel donkerte en koude, zooveel vuil en honger brengen kwam, in dit rijke, lichte, warme, met nuttelooze en overbodige dingen volgepropte huis, tusschen deze menschen, die door hun goed dejeuner in een vroolijke stemming schenen te zijn.

Dadelijk ging de barones met Gérard naar hem toe, want door dezen was de priester, die madame de Quinsac goed kende, ten tijde van de beroemde bekeering aan de Duvillards voorgesteld. Toen Pierre zich verontschuldigde op dit uur te komen, zeide zij:

“Maar u bent altijd welkom, mijnheer de abbé... Als u mij toestaat even voor mijn gasten te zorgen, dan ben ik dadelijk tot uw dienst!”

Zij ging weer naar het blad terug, om met haar dochter de koffie en de likeuren rond te dienen. Gérard bleef bij hem en begon een gesprek over het Asile des Invalides du Travail, waar zij elkaar onlangs ontmoet hadden ter gelegenheid van de eerste steenlegging van een nieuw paviljoen, dat men dank zij een prachtige gift van honderdduizend francs van baron Duvillard kon bouwen. De stichting telde nog pas vier paviljoens, terwijl er in het oorspronkelijke plan gerekend was op twaalf, die makkelijk plaats vinden konden op de op het schiereiland Gennevilliers door de stad geschonken terreinen, zoodat de inschrijving nog steeds open stond en er veel lawaai gemaakt werd met deze liefdadigheidsinstelling, die een duidelijk antwoord zijn moest aan de booze tongen, welke de vetgemeste bourgeoisie beschuldigden niets voor de arbeiders te doen. In werkelijkheid had een prachtige kapel, die men midden op het terrein gebouwd had, twee derden van het bijeengebrachte kapitaal verslonden. Dames-patronessen uit alle kringen, barones Duvillard, gravin de Quinsac, prinses Rosemonde de Harth en nog twintig anderen, hadden tot taak de stichting door inzamelingen en bazars in het leven te houden. Maar het succes was toch voornamelijk te danken aan de gelukkige gedachte, dat men de dames van de groote zorgen der organisatie ontheven had door den hoofdredacteur van den Globe, den afgevaardigde Fonsègue, een uitstekend zakenman, tot hoofd-administrateur benoemd had. De Globe maakte voortdurend propaganda, beantwoordde de aanvallen der revolutionnairen met de onuitputtelijke barmhartigheid der leidende klassen, en zoodoende had de stichting bij de laatste verkiezingen als een triomphantelijk verkiezingswapen dienst gedaan.

Camille kwam met een dampend kopje koffie naar hem toe:

“U een kopje koffie, mijnheer de abbé?”

“Neen, dank u, mademoiselle!”

“Een glaasje chartreuse dan?”

“Neen, werkelijk niet.”

Toen iedereen bediend was, kwam de barones naar hem terug en vroeg vriendelijk:

“En waarmede kan ik u nu van dienst zijn, mijnheer de abbé?”

Pierre begon bijna fluisterend, zijn keel werd als dichtgeknepen door een ontroering, die zijn hart luid deed kloppen.

“Ik kom een beroep doen op uw groote goedheid, mevrouw. Ik heb vanochtend in een verschrikkelijk huis in de rue des Saules achter Montmartre een schouwspel gezien, dat mij tot in het diepst van mijn ziel ontroerd heeft... U kunt u geen denkbeeld vormen van een dergelijke armoede en ellende, families zonder vuur of brood, mannen zonder werk, moeders, die geen melk meer hebben voor haar zuigelingen, kinderen, die nauwlijks kleeren aan hun lichaam hebben... En onder zooveel verschrikkingen heb ik de ergste, de afschuwelijkste gezien: op een hoop lompen, in een hoek, waar een hond zijn neus voor optrekken zou, lag een arbeider, die van ouderdom niet meer werken kan, van honger te sterven.”

Hij trachtte alles zoo omzichtig mogelijk te zeggen; hij schrok bijna van de woorden, die hij zeide, van de dingen, die hij vertelde in deze omgeving van groote luxe en genot, in tegenwoordigheid van deze met aardsche vreugde verzadigde gelukkigen, want hij voelde heel goed, dat hij hier een wanklank bracht. Hoe was hij op het denkbeeld gekomen, om op dit uur te gaan, wanneer het dejeuner juist afgeloopen is, wanneer het aroma der dampende koffie de zalige digestie streelt! Toch bleef hij doorspreken, verhief ten slotte, toegevend aan het verzet, dat hem prikkelde, zijn stem, vertelde zijn verhaal verder, noemde den naam van Laveuve, vroeg in naam van het menschelijk medelijden hulp en steun. Alle gasten waren dichterbij gekomen, om naar hem te luisteren; hij zag den baron, den generaal, Dutheil en Amadieu voor zich staan, die zwijgend, zonder een gebaar, met kleine slokjes hun koffie leegdronken.

“Kort en goed, mevrouw,” eindigde hij; “die oude man kan geen uur langer in dien vreeselijken toestand blijven, en ik hoop, dat u zoo goed zult zijn hem vanavond nog te laten opnemen in het Asile des Invalides du Travail, waar zijn aangewezen plaats is.”

Tranen waren in de mooie oogen van Eve gekomen. Zij was geheel van streek door deze treurige geschiedenis, die midden in de vreugde, welke zij van den namiddag verwachtte, vallen kwam. Daar zij indolent en zonder initiatief was, had zij het voorzitterschap van het comité slechts aanvaard onder voorwaarde, dat Fonsègue al de administratieve zorgen op zich zou nemen.

“O, mijnheer de abbé,” prevelde zij, “u verscheurt mijn hart. Maar ik kan niets, absoluut niets doen... Trouwens ik geloof, dat wij dat geval van Laveuve reeds onderzocht hebben... U weet, dat er bij ons slechts personen onder de strengste waarborgen genomen worden. Wij benoemen een rapporteur, die ons verslag moet uitbrengen. Hebt u u indertijd niet met het geval Laveuve belast, mijnheer Dutheil?”

De afgevaardigde dronk juist zijn glaasje chartreuse uit.

“Ja zeker, dat heb ik... Die kerel heeft u aardig voor den gek gehouden, mijnheer de abbé. Hij is heelemaal niet ziek, en wanneer u geld achtergelaten hebt, kunt u er zeker van zijn, dat hij het onmiddellijk na uw vertrek is gaan verdrinken. Want hij is altijd dronken en bovendien heeft hij het afschuwelijkste karakter, dat je je denken kan. Hij scheldt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op de bourgeois en zegt, dat hij, wanneer hij nog armen had, de geheele wereld in de lucht zou laten vliegen. Trouwens hij wil niet eens in het Asile, dat is, volgens zijn zeggen, een echte gevangenis, waarin je bewaakt wordt door begijntjes, die je dwingen naar de mis te gaan; een vuil klooster, waar je ’s avonds om negen uur naar bed moet! En zoo zijn er zoovelen, die hun vrijheid met koude, honger en dood boven het Asile verkiezen... Laten die Laveuve’s maar op straat krepeeren, wanneer zij weigeren bij ons te komen, zich in onze asyls te verwarmen en te eten!”

De generaal en Amadieu knikten toestemmend, maar Duvillard was edelmoediger.

“Neen, neen, een mensch is een mensch en je moet hem helpen zelfs tegen zijn wil.”

Eve, die wanhopig was, bij de gedachte, dat men haar haar middag ontnemen zou, zocht allerlei uitvluchten.

“Ik verzeker u, dat ik aan handen en voeten gebonden ben. Mijnheer de abbé, twijfel niet aan mijn hart noch aan mijn toewijding. Maar hoe kan ik, zonder dat er een paar dagen mee heengaan, het damescomité bij elkaar krijgen, en zonder dat kan ik onmogelijk een besluit nemen, vooral niet in een geval, dat reeds onderzocht en waarin een beslissing genomen is.”

Plotseling vond zij een oplossing.

“Maar wat ik u raden zou, mijnheer de abbé; ga dadelijk naar mijnheer Fonsègue, onzen hoofd-administrateur. In een dringend geval kan hij alleen handelen, want hij weet, dat de dames een onbeperkt vertrouwen in hem hebben en alles, wat hij doet, goedkeuren.”

“U zult Fonsègue in de Kamer vinden,” voegde Dutheil eraan toe; “maar ik betwijfel of u rustig met hem zult kunnen spreken, want het belooft een warme zitting te worden.”

Pierre drong niet langer aan en besloot onmiddellijk naar Fonsègue te gaan en in ieder geval de opneming van den ongelukkige, wiens beeld hem vervolgde, nog vóór den avond door te drijven. Hij bleef nog eenige minuten staan praten met Gérard, die hem een middel aan de hand deed om den afgevaardigde te overtuigen: hij moest hem wijzen op de slechte uitwerking, die een dergelijke geschiedenis hebben kon, wanneer zij in de revolutionnaire bladen ruchtbaarheid kreeg. De andere gasten begonnen ook aanstalten tot vertrek te maken. Alvorens weg te gaan, vroeg de generaal aan zijn neef, of hij hem ’s middags nog zien zou bij zijn moeder, wier jour het was: een vraag, waarop de jonge man met een ontwijkend gebaar antwoordde, toen hij zag, dat Eve en Camille naar hem keken. Dan nam Amadieu, die zeide, dat hij voor een dringende zaak in het Paleis van Justitie zijn moest, afscheid. En weldra volgde Dutheil hem, om naar de Kamer te gaan.

“Dus afgesproken, van vier tot vijf bij Silviane,” zeide de baron, die hem uitliet, tegen hem. “Kom me bij haar vertellen, wat er in de Kamer gebeurd is ten gevolge van dat beroerde artikel van Sanier. Ik moet het toch weten... Ik zelf zal naar het ministerie van Schoone Kunsten gaan, om die zaak van de Comédie in orde te brengen, en dan heb ik nog verschillende dingen te doen, conferenties met aannemers en een belangrijke publiciteitsquaestie, die ik nog regelen moet.”

“Ja, van vier tot vijf bij Silviane, zoo als gewoonlijk,” zeide de afgevaardigde, die toch alles behalve gerust was over de wijze, waarop het met die beroerde geschiedenis van de Afrikaansche sporen zou afloopen.

En allen hadden reeds den ongelukkigen Laveuve, die met den dood worstelde, vergeten; allen liepen hun zorgen, hun hartstochten na: het drijfwerk had hen weer gegrepen; zij waren weer onder den molensteen gekomen, in de wilde jacht van Parijs, die hen met zich voerde en in een heftigen schok tegen elkander botsen liet, waarbij het erom ging, wie het eerst over de lichamen der anderen zijn doel bereiken zou.

“Dus u gaat met ons mee naar de matinée van de prinses, mama?” vroeg Camille, die haar moeder en Gérard bleef opnemen.

“Ja, dadelijk... Maar ik kan niet blijven, want ik heb vanmorgen een telegram van Salmon gekregen, dat ik beslist om vier uur mijn japon moet komen passen.”

Aan het beven van Eve’s stem voelde Camille, dat haar moeder loog.

“O, ik dacht, dat u morgen pas moest passen... Nu, dan zullen wij u na afloop der matinée met het rijtuig bij Salmon komen halen.”

“Neen, dat is volstrekt niet noodig, beste meid! Je weet nooit van te voren, wanneer je klaar bent, en als ik nog tijd vinden kan, ga ik naar de modiste.”

Een heimelijke woede deed een moordlustige vlam in de donkere oogen van Camille ontbranden. Er was geen twijfel meer mogelijk aan het rendez-vous. Maar ondanks haar hartstochtelijken drang, om een hinderpaal uit te denken, kon zij, durfde zij de zaak niet verder drijven. Zij had vergeefs getracht Gérard smeekend aan te zien, maar deze wendde zijn hoofd af en stond gereed om te vertrekken. Pierre, die, sedert hij bij de Duvillards kwam, van heel veel dingen op de hoogte was, voelde, dat zich hier een vreeselijk zwijgend drama afspeelde.

Uitgestrekt in een fauteuil, beet Hyacinthe op een aethercapsule, de eenige likeur, die hij gebruikte. Dan zeide hij:

“Ik ga naar de tentoonstelling Lis. Heel Parijs verdringt zich daar. Er is een beeld “De verkrachting van een ziel”, dat men bepaald gezien moet hebben.”

“Maar ik wil er heel graag met jullie naar toe gaan,” zeide de barones. “We kunnen er, vóór naar de prinses te gaan, wel even inloopen.”

“Graag, graag!” riep Camille uit, die anders gewoonlijk hardvochtig den spot dreef met de symbolistische schilders, maar nu blijkbaar hoopte een middel te vinden haar moeder op te houden.

En zich dan tot een glimlachje dwingend:

“Ga jij niet met ons mee naar Lis, Gérard?”

“Neen, dank je wel!” antwoordde de graaf. “Ik heb behoefte om wat te loopen. Ik zal abbé Froment naar de Kamer brengen.”

Met een handkus nam hij afscheid van moeder en dochter. Het was hem juist ingevallen, dat hij tot vier uur naar Silviane kon gaan, bij wie hij vrij op kon loopen, sedert hij een nacht bij haar geslapen had.

“Het doet je goed wat frissche lucht in te ademen,” zeide hij tot den priester, toen zij op de ledige, stille binnenplaats gekomen waren. “Ze stoken te hard en die vele bloemen geven je hoofdpijn.”