De drie steden: Parijs

Part 39

Chapter 393,883 wordsPublic domain

Dit nieuwtje bracht Silviane weer in een goede luim, terwijl Dutheil nog beefde om de netelige positie, waarin hij zich bevonden had; want Rosemonde zou, als zij hem met een andere vrouw gezien had, ongetwijfeld een vreeselijke scène gemaakt hebben. Plotseling kreeg hij den inval om voor zijn mooie vriendin, zooals hij haar noemde, een flesch champagne en gebak te laten komen. Zij verging van den dorst en vond het heerlijk, dat zij zich, toen een kellner erin geslaagd was een tafeltje naast haar neer te zetten, verder kon bedrinken. Nu was alles even aardig en chic! Weer opnieuw te kunnen drinken en eten in afwachting van den dood van den man, die strakjes geguillotineerd zou worden.

Guillaume en Pierre konden niet langer blijven. Wat zij hoorden en zagen, vervulde hen met walging. Langzamerhand had de verveling van wachten alle nieuwsgierigen in de zaal en op het balkon in drinkers veranderd. De kellner had geen handen genoeg om bier, wijn, biscuits, ja zelfs koud vleesch rond te dienen. En toch waren er slechts rijke heeren uit de bezittende klasse, het gewone elegante publiek. Maar men moet den tijd, wanneer hij lang valt, wel dooden; vroolijk gelach, flauwe en wreede grappen, een heel koortsachtig lawaai steeg in den sigarenrook op. Toen de twee broers het lokaal op den rez-de-chaussée doorliepen, vonden zij daar hetzelfde gedrang, hetzelfde tumult terug, dat nog erger werd door de kerels in arbeiderspakken, die aan de als zilver glanzende toonbank wijn met liters tegelijk dronken. De kleine tafeltjes waren ook bezet; het was een voortdurend komen en gaan van mannen uit de lagere klassen, die hun dorst kwamen lesschen. En wat voor mannen waren het! Het schuim, het plebs, al de werkeloozen, die op zoek naar wat werk van af den morgenstond rondzwerven!

Buiten op de straat leden Guillaume en Pierre nog meer. In de door de gardes in bedwang gehouden menigte zag men hier slechts de opgewoelde modder van het uitschot van Parijs: de prostitutie en de misdaad, de toekomstige moordenaars, die zien wilden hoe men sterven moet. Vuile snollen met loshangende haren renden door de menigte heen onder het zingen van de liederlijkste refreinen. Andere bandieten stonden in groepjes te praten en twistten over de glorierijke wijze, waarop beroemde geguillotineerden gestorven waren.

Omtrent één waren zij het allen volkomen eens; zij spraken over hem als over een groot veldheer, als een held van onsterfelijken moed. In het voorbijgaan vingen de broeders brokstukken van vreeselijke zinnen, schandelijke fanfaronnades, van bloed druipende vuilheden op. En over dat alles lag een bestiale koorts, een bronstigheid van den dood, die dit volk tot razernij bracht: het warme, roode bloed moest nu toch maar gauw vloeien, opdat men het op den grond kon zien stroomen, erin rondtrappelen kon. Maar bij deze terechtstelling, welke niet die van een gewoon man was, kwamen ook zwijgende mannen met koortsachtig brandende oogen, die in een zichtbare overprikkeldheid, waarin men den besmettelijken waanzin van de wraak in het martelaarschap grooter voelde worden, rondslopen.

Guillaume dacht juist aan Victor Mathis, toen hij hem onder nieuwsgierigen, die het cordon der gardes in bedwang hield, meende te ontdekken. Hij stond daar in de eerste rij met zijn mager, baardeloos, bleek gezicht naast een groot, rossig, druk gesticuleerend meisje; hij bewoog zich niet, zeide geen woord en hield zijn ronde, vurige, de duisternis doordringende, strakke nachtvogeloogen op de gevangenis gericht. Een garde duwde hem ruw weg, maar geduldig en als met haat verzadigd drong hij weer naar voren, daar hij ondanks alles wilde zien, om te trachten nog meer te haten.

Toen Massot ditmaal Pierre zonder soutane zag, verwonderde hij zich in het geheel niet, maar zeide heel vroolijk:

“Zoo, mijnheer Froment, ook nieuwsgierig om het te zien?”

“Ja, ik ben met mijn broer medegekomen, maar ik ben bang, dat we niet veel zullen zien.”

“Zeker, als u hier blijft.”

En onmiddellijk voegde hij er als bekend journalist, voor wien alle consignes niet gelden en die graag zijn macht laat zien, welwillend aan toe:

“Wilt u met mij mede gaan? Ik ken toevallig den commissaris heel goed.”

Zonder het antwoord af te wachten, sprak hij dezen laatste aan en vertelde hem levendig en met drukke gebaren, dat het twee collega’s waren, die hij medegebracht had. Eerst aarzelde de commissaris, wilde weigeren. Dan maakte hij in de heimelijke vrees, welke de politie altijd voor de pers heeft, een moe, toestemmend gebaar.

“Komt gauw mede,” zeide Massot en trok de beide broeders voort.

Verbaasd zagen dezen, dat het politiecordon zich plotseling voor hen opende; zij waren nu op de groote, vrij gehouden ruimte. Het was voor hen, die uit de lawaaierige menigte kwamen, alsof er onder die kleine platanen een doodsche stilte en eenzaamheid heerschte. De nacht verbleekte, de schemering van het morgenrood begon als een fijne asch van den hemel te regenen.

Nadat Massot de broeders dwars over het plein gebracht had, bleef hij met hen voor de gevangenis staan en ging voort:

“Ik ga nu naar binnen, want ik wil het opstaan en het toilet maken zien. Gaat u beiden maar wat rondloopen en kijken; niemand zal u iets vragen. Straks ben ik weer bij u.”

In de schaduw stonden ongeveer een honderd personen, journalisten en nieuwsgierigen. Aan beide zijden van den korten, geplaveiden weg, die van de poort der Roquette naar de guillotine leidde, had men palen geslagen, zooals men ze in den schouwburg voor een queue neerzet. Er stonden reeds menschen tegen aan geleund, om zoo dicht mogelijk bij den veroordeelde te zijn, wanneer hij langs zou komen. Anderen liepen langzaam op en neer, terwijl zij fluisterend spraken. De beide broers kwamen dichterbij.

Onder de takken stond onder het teere groen van de eerste bladeren de guillotine. Eerst zagen zij niets dan deze; zij werd verlicht door een gaslantaarn, waarvan de vlam geel leek in den ontwakenden dag. Men was juist klaar gekomen met het opslaan, zonder dat iets anders te hooren was dan de doffe hamerslagen. De beulsknechten liepen in zwarte gekleede jassen en met hooge hoeden geduldig op en neer. Maar zij zelf—hoe gemeen en schandelijk zag zij eruit, zooals zij daar als een vuil dier plat op den grond lag, alsof zij zelf walgde van het werk, dat zij straks verrichten moest. Was dat het toestel, dat de maatschappij wreken, een voorbeeld stellen moest! Deze enkele balken vlak bij den grond, waarop twee andere korte, drie meter hooge balken, welke de valbijl tegenhielden, zich verhieven. Waar was dan het rood geschilderde schavot, waarheen een trap van tien treden leidde, dat een paar reusachtige, bloedige armen uitstrekte, de toegestroomde menigte beheerschte en het volk den afschrik van de kastijding durfde laten zien. Maar in den laatsten tijd was het dier ter aarde geworpen en daardoor gemeen, gluiperig en laf geworden. Den dag, waarop de menschelijke gerechtigheid in de armzalige rechtzaal een mensch ter dood veroordeelde, was zij zonder eenige majesteit geweest; thans op den verschrikkelijken dag, waarop zij hem terechtstelde, was het niet meer dan een afschuwelijke slachterij met behulp van de meest barbaarsche en afstootelijke werktuigen.

Guillaume en Pierre keken ernaar, terwijl afschuw en walging hun geheele wezen opwoelden. Langzamerhand werd het lichter en kwam de omgeving duidelijk uit: eerst het plein met de twee lage en grijze gevangenissen tegenover elkander, dan de verder af gelegen huizen, de wijnrestaurants, de grafsteen- en bloemenwinkels, welke hier door de nabijheid van Père-Lachaise in grooten getale gevonden werden. Men begon nu in een breeder geworden kring duidelijk de zwarte lijn der menigte te zien, de vensters en de balkons, waarop het wriemelde van hoofden; ja tot op de daken toe zaten de menschen. De kleine Roquette was in een soort tribune voor de genoodigden veranderd. In het midden van de groote, vrij gehouden ruimte bewogen zich langzaam bereden gardes. Maar de hemel werd hoe langer hoe lichter en aan gene zijde der menigte, in de geheele wijk langs de breede, eindelooze straten ontwaakte de arbeid. Langzamerhand begon men een snuiven te hooren; de machines in de gebouwen hervatten hun werk en uit het woud der hooge schoorsteenen, welke overal uit de duisternis oprezen, kronkelde reeds de rook.

Toen voelde Guillaume, dat de guillotine in dat stadsdeel der ellende volkomen op haar plaats was als een eindpunt en een bedreiging. Leidden de onwetendheid, de armoede en het lijden niet tot haar? Had zij niet ieder maal, dat zij te midden van deze werkstraten opgeslagen werd, tot taak de onterfden, de door de eeuwige ongerechtigheid verbitterde en de tot verzet steeds bereide hongerlijders in toom te houden? Men zag haar niet in de wijken van rijkdom en genietingen; dezen behoefde men geen schrik aan te jagen; daar zou zij in al haar vreeselijke afzichtelijkheid nutteloos en bezoedelend voorkomen. Het tragische, het verschrikkelijke was, dat deze man, die, van ellende krankzinnig, de bom geslingerd had, nu hier op dit plein der ellende geguillotineerd zou worden.

Nu was de dag geboren; het moest tegen half vijf zijn. De opgewonden menigte daar in de verte voelde de minuut naderen. Een rilling huiverde door de lucht.

“Hij komt dadelijk,” zeide de kleine Massot, die weer uit de gevangenis kwam. “Hij houdt zich buitengewoon flink.”

Hij schilderde het ontwaken, het binnenkomen in de cel van den directeur der gevangenis, van den rechter van instructie Amadieu, van den geestelijke en van enkele andere personen, de manier, waarop Salvat, die in een diepen slaap lag, bij den eersten oogopslag dadelijk alles begreep en, hoewel bleek, onmiddellijk zichzelf volkomen meester was. Hij had zich zonder hulp aangekleed en het glas cognac en de sigaret, die de geestelijke hem aangeboden had, geweigerd, evenals hij het crucifix met een zacht, maar beslist gebaar ter zijde had geschoven. Zonder dat er een woord gesproken werd, had men vlug zijn handen achter zijn rug gebonden, zijn beenen met een los touw gebonden en zijn hemd tot aan zijn schouders uitgesneden. Hij glimlachte, toen men hem moed insprak, en richtte zich, alleen uit vrees voor een nerveuze zwakte, in zijn volle lengte op. Hij had nog slechts één verlangen, waarin zijn geheele wezen zich spande: hij wilde als held sterven, de martelaar blijven van het vurige geloof aan waarheid en gerechtigheid, waarvoor hij stierf.

“Zij zijn nu bezig het protocol op te maken,” vertelde Massot verder. “Kom wat dichter bij en ga tegen de palen staan, wanneer u hem van dichtbij wilt zien... Wilt u wel gelooven, dat ik bleeker ben en meer beef dan hij. Ik geloof, dat ik nergens meer gevoelig voor ben; maar enfin, een mensch, die sterven gaat, is niet zoo’n heel vroolijke aanblik... U weet niet wat voor pogingen men gedaan heeft, om hem te redden. Een deel der pers heeft gratie gevraagd. Maar het heeft niet mogen gelukken; de terechtstelling scheen onvermijdelijk te zijn, zelfs in de oogen van degenen, die haar als een fout beschouwden. En toch had men een zoo roerende gelegenheid hem genade te verleenen, toen zijn dochtertje, de kleine Céline, aan den president der Republiek den mooien brief geschreven heeft, welken ik het eerst in den Globe gepubliceerd heb... Dat is een brief, die er zich op beroemen kan mij bekend gemaakt te hebben.”

Bij het hooren van den naam van Céline voelde Pierre, die door het wachten op het vreeselijke schouwspel van streek was, de tranen in zijn oogen komen. Hij zag het kleine meisje met de berustende en melancholieke madame Théodore weer voor zich in het koude, kleine kamertje, waarin de vader niet meer terugkomen zou. Daaruit was hij op een ochtend vol woede met een ledige maag en brandende hersenen weggegaan en nu was hij hier aangekomen—tusschen de beide balken onder de valbijl.

Massot bleef bijzonderheden mededeelen en vertelde nu hoe woedend de doktoren waren, dat men het lijk niet onmiddellijk na de terechtstelling aan hen geven zou. Maar Guillaume luisterde niet meer naar hem. Op de houten palen leunend wachtte hij en staarde steeds door naar de gevangenisdeur. Een beven bewoog zijn handen, zijn gezicht had een zoo angstige uitdrukking, als moest hij zelf terechtgesteld worden. De beul was te voorschijn gekomen, een klein mannetje met een boos gezicht, die eruit zag als had hij haast. In een groep van andere heeren wezen de omstanders elkaar den chef van den Veiligheidsdienst Gascogne met zijn streng ambtenaarsgezicht en den rechter van instructie Amadieu, die glimlachte en ondanks het vroege uur reeds zeer zorgvuldig toilet gemaakt had. Hij kwam uit plicht en gewichtigdoenerij, als na het vijfde bedrijf van een beroemd drama, waarvan hij zich den schrijver waande. Uit de menigte steeg een luid lawaai op, en toen Guillaume een oogenblik opkeek, zag hij onder den bleekblauwen hemel, waaraan de zon weer triomphantelijk opstijgen zou, de beide grijze gevangenissen, de platanen in haar voorjaarskleed, de met menschen volgepropte huizen.

“Daar heb je hem! Let op!”

Wie had het geroepen? Een zacht, dof geluid, het knarsen van een opengaande deur, deed alle harten beven. Men zag niets meer dan zich uitrekkende halzen en starre blikken. Alles ademde moeilijk. Salvat stond op den drempel. Toen de geestelijke, achterwaarts loopend, voor hem uitging, om de guillotine aan zijn blik te onttrekken, bleef hij staan, want hij wilde haar zien, haar leeren kennen voor er naar toe te loopen. Rechtopstaande liet hij nu zijn naakten hals zien, zijn lang, oud geworden, door het al te ruwe leven doorgroefd gezicht, waarin zijn vlammende, droomerige oogen brandden. Een geestdrift hief hem als het ware op; hij stierf voor zijn ideaal. Toen de beulsknechten naar hem toekwamen, om hem te steunen, weigerde hij dit opnieuw. Met kleine pasjes en zoo vlug en zoo hoog opgericht als het touw, waarmede zijn beenen gebonden waren, het toeliet, liep hij voort.

Plotseling voelde Guillaume de oogen van Salvat op de zijne rusten. Onder het voortloopen had de veroordeelde hem gezien en herkend; toen hij op nauwlijks twee meter afstand langs hem ging, glimlachte hij flauwtjes en boorde zijn blik zóó diep in hem, dat Guillaume het branden daarvan steeds voelen zou. Wat voor een laatste gedachte, wat voor een uiterste wilsbeschikking liet hij hem ter overpeinzing, ter uitvoering misschien, na? Het was zoo pijnlijk, dat Pierre, bang, dat zijn broer het onwillekeurig uit zou schreeuwen, zijn hand op diens arm legde.

“Leve de anarchie!”

Salvat had het uitgeschreeuwd, maar de veranderde, verstikte stem verklonk in de diepe stilte. De enkele aanwezigen verbleekten, de verre menigte was als gestorven. Midden in de groote, vrij gehouden ruimte hoorde men het paard van een garde hinniken.

Nu volgde een voorbeeldeloos ruw en schandelijk tooneel. De beulsknechten stortten zich op Salvat, die langzaam en met opgeheven hoofd voortschreed. Twee pakten hem bij zijn hoofd, vonden echter slechts weinige haren en konden dat slechts in de laagte krijgen door aan zijn nek te gaan hangen; intusschen grepen twee anderen zijn beenen en wierpen hem ruw op de plank die begon te wankelen. Met stooten werd het hoofd in het gat gedrongen. Dan viel de bijl met een zwaren en doffen schok. Twee bloedstralen sprongen uit de doorgesneden aderen, terwijl de beenen zich krampachtig bewogen. Anders zag men niets. De beul wreef zich werktuigelijk in zijn handen, terwijl een knecht het afgesneden, van bloed druipende hoofd uit de kleine mand nam, om het in de groote te leggen, waarin het lichaam reeds door een ruk geworpen was.

O, die doffe, die zware schok van de bijl! Guillaume had hem in de verte, in de geheele wijk der ellende en van den arbeid hooren weerklinken tot in de armzalige kamers, waarin op dat oogenblik duizenden arbeiders opstonden voor hun harde dagtaak. Die schok kreeg hier een vreeselijke beteekenis, sprak de verbittering over de ongerechtigheid uit, den waanzin van het martelaarschap, de smartelijke hoop, dat het vergoten bloed de overwinning der onterfden zou verhaasten.

Boven het plein, boven de menigte hing de wijde stilte van den helderen hemel. Hoe lang had het vreeselijke geduurd? Een eeuwigheid misschien, twee of drie minuten in werkelijkheid. Eindelijk ontwaakten de menschen, schudden met bevende handen, bleeke gezichten en oogen vol medelijden, afschuw en vrees de nachtmerrie van zich af.

“Dus weer een... Dat is de vierde, wien ik een kopje kleiner maken zie,” zeide Massot, die zich allesbehalve op zijn gemak gevoelde. “Ik houd per slot van rekening toch meer van huwelijksplechtigheden... Laten we gaan; ik kan nu mijn artikel schrijven.”

Werktuigelijk volgden Guillaume en Pierre hem, staken het plein over en bevonden zich weer op den hoek van de rue Merlin. Dan zagen zij precies op dezelfde plek Victor Mathis met zijn vlammende oogen in zijn bleek en zwijgend gelaat staan. Hij kon niets duidelijk gezien hebben; maar de schok van de bijl weerklonk nog in zijn hersens. Een agent duwde hem weg en schreeuwde hem toe door te loopen; door een plotselinge woede geschokt, keek hij hem een oogenblik aan, als wilde hij hem naar de keel vliegen. Dan verwijderde hij zich kalm en ging de rue de la Roquette in, aan het einde waarvan men in het licht der opgaande zon de groote boomen van Père-Lachaise zag.

De twee broeders echter vielen midden in een scène, die zij tegen hun zin bijwoonden. Prinses de Hardt kwam eindelijk, nu het schouwspel ten einde was; haar woede was des te grooter, nu zij bij de deur van het wijnrestaurant haar nieuwen vriend Dutheil in gezelschap van een vrouw zag.

“Jij bent ook een mooie, om me zoo in den steek te laten! Het is onmogelijk om met je rijtuig erbij te komen; ik moest te voet door al dat plebs gaan en me laten beleedigen en uitjouwen.”

Wel wetend, wat hij deed, stelde hij haar onmiddellijk aan Silviane voor en fluisterde haar daarna in, dat hij een vriend een dienst bewees door met haar mede te gaan. Rosemonde, die reeds lang van verlangen brandde om de actrice te leeren kennen—de over haar loopende geruchten van haar beruchte liefdesavonturen hadden haar waarschijnlijk geprikkeld—werd dadelijk kalm en buitengewoon vriendelijk.

“Ik had zoo gaarne dat schouwspel met een artiste van uw gaven gezien; ik bewonder u zoo, zonder dat ik het u nog ooit heb kunnen zeggen.”

“U hebt niet veel verloren door uw late komst! We stonden boven op het balcon en ik heb niets gezien dan mannen, die een anderen voortduwden... Het was de moeite niet waard ervoor te komen.”

“Enfin, nu wij eenmaal kennis gemaakt hebben, hoop ik, dat u mij toe zult staan uw vriendin te zijn.”

“Zeker, ook mij zal het een genoegen en een eer zijn de uwe te mogen zijn!”

Hand in hand glimlachten zij tegen elkaar. Silviane dronken, maar toch haar rein Madonnagezichtje terugvindend, terwijl Rosemonde koortsachtig was door een nieuwe nieuwsgierigheid, want zij wilde alles, zelfs dat, proeven.

Dutheil, nu weer geheel opgelucht, had nog slechts het verlangen, om Silviane naar huis te brengen, ten einde te trachten beloond te worden voor zijn welwillendheid. Hij hield Massot, die juist aankwam, staande en vroeg hem, of hij een standplaats voor rijtuigen wist. Maar reeds bood Rosemonde het hare aan, zeide, dat de koetsier in een zijstraat wachtte, en stond er op eerst de actrice en daarna den afgevaardigde thuis te brengen. Ondanks zijn wanhoop moest hij het wel goed vinden.

“Dus tot morgen in de Madeleine,” zeide Massot vroolijk weer, terwijl hij de prinses de hand gaf.

“Ja, tot morgen, in de Madeleine en in de Comédie.”

“Dat is waar ook,” riep hij uit, terwijl hij Silviane’s hand kuste, “’s Morgens in de Madeleine en ’s avonds in de Comédie... Wij zullen voor een groot succes zorgen.”

“Daar reken ik op... Tot morgen.”

“Tot morgen.”

De menigte verspreidde zich roezemoezig, moe, met een soort teleurstelling en onbehaaglijk gevoel. Enkele geestdriftigen bleven nog om den wagen, die het lijk van den terechtgestelde weg zou brengen, te zien vertrekken, terwijl de in het volle daglicht weggeteerd uitziende zwervers en snollen floten en elkaar nog een laatste liederlijkheid toeriepen. Vlug takelden de beulsknechten de guillotine af. Weldra zou het plein weer zijn gewone aanzien hebben.

Nu wilde Pierre ook Guillaume, die, door den doffen bijlslag als verdoofd, nog geen woord gezegd had, medenemen. Vergeefs wees hij met zijn hand naar de luiken van Mège’s woning, die te midden van al de andere wijd geopende ramen in den gevel van het hooge huis hardnekkig gesloten waren gebleven. Dit was, hoewel hij de anarchisten vervloekte, ongetwijfeld een protest van den socialistischen afgevaardigde tegen de doodstraf. Terwijl de menigte naar het vreeselijke schouwspel toestroomde, lag hij met zijn gezicht naar den muur gekeerd te droomen op welke wijze hij ten slotte de menschheid dwingen zou onder de gebiedende wet van het collectivisme gelukkig te zijn. Het verlies van een kind had zijn arm vaderhart een zwaren slag toegebracht. Hij hoestte veel, maar wilde toch leven. Wanneer hij nu door een interpellatie het ministerie-Monferrand ten val gebracht had, zou hij aan het bewind komen, de guillotine afschaffen en volkomen gerechtigheid en volkomen geluk decreteeren.

“Zie je wel, Guillaume,” herhaalde Pierre zacht, “Mège heeft zijn ramen niet opengemaakt. Toch een flinke kerel, al mogen onze vrienden Bache en Morin hem niet.”

En toen zijn broeder, geheel in gedachten verdiept, niet antwoordde:

“Kom, wij moeten naar huis.”

Beiden sloegen nu de rue de la Folie-Regnault in en kwamen door de rue du Chemin-Vert op de buitenboulevards. Op dit uur was in het heldere licht van de opgaande zon eindelijk de geheele wijk aan het werk; de lange, aan beide zijden met lage werkplaatsen en fabrieken begrensde straten leefden op in het lawaai der stoomketels, terwijl de rookpluimen der hooge, door de eerste zonnestralen vergulde schoorsteenen rose werden. Vooral op den boulevard Ménilmontant kregen zij een indruk van de exodus der arbeiders naar Parijs, die voortduurde op den boulevard de la Belleville, op den boulevard de la Villette, den boulevard de la Chapelle tot den heuvel van Montmartre en den boulevard Rochechouart. Steeds en steeds weer nieuwe scharen arbeiders en arbeidsters. Later kwamen de kleine ambtenaren, de fatsoenlijke armoede in jas en broek, heeren, die onder het harde voortloopen hun stukje brood opaten, vervolgd werden door den angst, dat zij hun huur niet zouden kunnen betalen, en niet wisten waarvan vrouw en kinderen tot aan het laatst der maand moesten eten. De zon steeg aan den horizont; de geheele mierenhoop was naar buiten gekomen, de werkdag begon weer met zijn voortdurende verspilling van energie, moed en lijden.

Nooit had Pierre de noodzakelijkheid van den verzoenenden en reddenden arbeid zoo duidelijk beseft. Reeds bij zijn bezoek aan de fabriek Grandidier en later toen hij zelf behoefte aan bezig zijn voelde, had hij al tegen zichzelf gezegd, dat daarin de wereldwet moest liggen. Maar welk een straal van hoop was het na dezen verschrikkelijken nacht, na dit vergoten bloed van den in den waanzin van zijn droom vermoorden arbeider de zon weer te zien opkomen en den eeuwigen arbeid zijn taak te zien opnemen. Zou, hoe verpletterend deze arbeid, hoe monsterachtig de onrechtvaardige verdeeling zijn mocht, toch die arbeid niet eenmaal gerechtigheid en geluk scheppen?

Plotseling zagen de beide broeders, toen zij de steile helling opgingen, boven hun hoofden tegenover zich de verheven en triomphantelijke basilica van den Sacré-Cœur. Het was niet meer een door de maan beschenen sprookjesverschijning, een spook der heerschappij, dat zich voor het nachtelijk Parijs verhief. De zon baadde haar in een gouden, trotschen, overwinnenden glans en deed haar in onsterfelijken roem opvlammen.