Part 38
Toen Thomas en François ’s avonds het nieuws hoorden, schenen zij niet al te zeer verrast te worden. Zij hadden die ontknooping ongetwijfeld voelen komen, en legden zich, nu hun vader zelf hun op zijn gewone kalme manier zijn beslissing mededeelde, zich erbij neder, zonder zich een opmerking te veroorloven. Maar Antoine, in wien de liefde voor de vrouw beefde, keek den vader, die den moed gehad had zich op die wijze het hart uit te rukken, met blikken vol twijfel en angst aan. Zou hij werkelijk niet onder dat offer sterven? Hij omarmde zijn vader hartstochtelijk en ook zijn beide broeders kusten hem in hun ontroering uit het volst van hun hart. Bij deze liefkoozing van zijn drie groote zoons kwam een glimlachje om zijn lippen spelen, werden zijn oogen vochtig; na de overwinning, die hij op zijn vreeselijke marteling behaald had, kon hij geen hartelijker belooning bedenken.
Maar dien avond wachtte hem nog een andere emotie. Bij het invallen van de duisternis, toen hij zichzelf weer geheel meester geworden was, zag hij, terwijl hij bezig was aan de groote tafel de dossiers en de plannen van zijn uitvinding te rangschikken, tot zijn verbazing Bertheroy, zijn leermeester en vriend, binnenkomen. De beroemde scheikundige kwam wel een enkele maal zoo eens oploopen, en Guillaume begreep de eer, die de met roem en eeretitels en decoraties overladen zeventigjarige hem door zulke bezoeken bewees, volkomen, te meer daar het voor dezen officieelen geleerde, dit lid van het Institut, moed vereischte zich te wagen bij een gedeclasseerde en paria als Guillaume. Ditmaal echter begreep deze dadelijk, dat hij uit nieuwsgierigheid kwam; hij was verlegen en durfde de papieren en plannen, die op de tafel uitgespreid lagen, niet weg te nemen.
“Wees maar niet bang,” riep Bertheroy, die ondanks zijn eenigszins ruw en onverschillig optreden zeer fijngevoelig was, “ik kom je je geheim niet ontstelen.... Laat maar gerust liggen, ik beloof je dat ik niets zal lezen.”
En vrijmoedig bracht hij het gesprek op de springstoffen, die hij ook nog steeds met een waren hartstocht bestudeerde. Hij had nieuwe ontdekkingen gedaan, die hij in het geheel niet verborgen hield. Terloops sprak hij zelfs over het rapport, dat men bij het proces Salvat van hem gevraagd had. Zijn droom was een springstof van buitengewone kracht te vinden, om dan te trachten die te beperken tot de eenvoudige rol van een gehoorzamende kracht.
“Ik weet waarachtig niet waar die dwaas de formule van zijn kruit vandaan gehaald heeft,” eindigde hij glimlachend en niet zonder bedoeling. “Wanneer jij die nog eens vindt, dan kan je tegen jezelf zeggen, dat de toekomst misschien ligt in het gebruik van springstoffen als beweegkrachten.”
En dan plotseling:
“Tusschen twee haakjes, die Salvat wordt overmorgenochtend terechtgesteld. Ik heb het daareven van een vriend van me, die op het ministerie van Justitie is, gehoord.”
Tot dat oogenblik had Guillaume met een soort wantrouwen, waarom hij zelf lachen moest, geluisterd; maar nu deed die mededeeling van Salvat’s terechtstelling hem in woede en toorn ontsteken. Toch wist hij sedert eenige dagen, dat zij ondanks de wel wat erg laat komende bewijzen van sympathie, welke den veroordeelde van alle kanten toestroomden, onvermijdelijk was.
“Dat zal een moord zijn,” riep hij heftig uit.
“Wat zal ik je zeggen? Er bestaat nu eenmaal een maatschappij en die verdedigt zich, als men haar aanvalt... En bovendien die anarchisten zijn werkelijk idioot, als zij denken, dat zij de wereld met hun bommen zullen veranderen. Je kent mijn meening; de wetenschap alleen is revolutionnair, de wetenschap zal voldoende zijn om niet alleen de waarheid te scheppen, maar ook de gerechtigheid, als gerechtigheid hier beneden tenminste bestaanbaar is. Daarom jongen, kan ik zoo verdraagzaam en rustig leven.”
Weer zag Guillaume dezen zonderlingen revolutionnair voor zich opdoemen: overtuigd, dat hij in zijn laboratorium aan den ondergang der oude en afschuwelijke hedendaagsche maatschappij met haar God, haar dogma’s en haar wetten werkte, maar te zeer verlangend naar rust, te minachtend neerziend op de feiten, om zich met de dagelijksche dingen bezig te houden. Hij gaf er de voorkeur aan rustig, makkelijk en in vrede met de regeering, welke die ook wezen mocht, te leven, hoewel hij de vreeselijke geboorte van morgen voorzag en voorbereidde.
En met een gebaar op Parijs, waarover de overwinnende zon onderging, zeide hij:
“Hoor je het grommen en brommen en bruisen?... Wij onderhouden de vlam, wij brengen steeds brandstof onder den ketel. Geen oogenblik laat de wetenschap haar werk rusten; zij schept Parijs, dat, naar wij hopen, de toekomst scheppen zal.... De rest is bijzaak.”
Guillaume luisterde niet; hij dacht aan Salvat, dacht aan die vreeselijke machine, welke hij uitgevonden had en die morgen steden verwoesten zou. Een nieuwe gedachte ontstond en bloeide in hem op. Hij had zooeven den laatsten band losgemaakt, had om zich heen al het geluk geschapen, dat hij scheppen kon. O, kon hij zijn moed maar terugvinden, meester over zichzelf zijn en tenminste van het offer van zijn hart de trotsche vreugde hebben vrij te zijn, zijn leven te geven, wanneer hij het noodig oordeelde het te geven!
VIJFDE BOEK
I.
Guillaume wilde ook de executie van Salvat bijwonen; en Pierre, die zich niet gerust gevoelde, omdat hij hem niet van dat plan af had kunnen brengen, bleef ’s avonds in Montmartre, om er met hem heen te gaan. Vroeger, toen hij abbé Rose op zijn liefdadigheidsbezoeken vergezelde, had hij meermalen gehoord, dat men uit een huis op den hoek van de rue Merlin, waarin de socialistische afgevaardigde Mège woonde, de guillotine zien kon. Hij had zich dus als gids aangeboden, en daar de terechtstelling ’s ochtends tegen half vijf plaats zou hebben, gingen de beide broeders niet naar bed, maar bleven, half dommelend en slechts enkele woorden wisselend, in het groote atelier zitten. Tegen twee uur gingen zij weg.
De nacht was wonderlijk kalm en helder. In den wijden, lichten hemel scheen de volle maan als een zilveren lamp en goot haar stil droomachtig licht over het slapende Parijs, dat zich in onmetelijke verten scheen te verliezen. Men had kunnen denken het visioen van een betooverde stad van den slaap voor zich te hebben, waaruit in de uitputting van haar moeheid geen gemurmel meer opsteeg. Een meer van zachtheid en rust bedekte haar, wiegde haar in slaap en dempte tot aan het opgaan der zon het bruisen van haar arbeid en haar lijdenskreet, terwijl men in een afgelegen voorstad druk en in het geheim bezig was een guillotine op te richten, om een mensch te dooden.
In de rue Saint-Eleuthère bleven Pierre en Guillaume staan kijken naar het droomerige, nevelige, bevende, als door een sprookjesachtige schemering overgoten Parijs. Toen zij zich omdraaiden, zagen zij in het licht der volle maan de, hoewel de koepel haar nog niet kroonde, toch reeds reusachtige massa der basilica van den Sacré-Cœur. Zij scheen in dit heldere witte licht, dat de scherpe kanten tegen de groote zwarte schaduwen afteekende en daardoor accentueerde, nog grooter te worden. Zoo gezien, was zij onder den bleeken, nachtelijken hemel als een reusachtige, trotsche, uitdagende bloem. Nog nooit was zij Guillaume zoo geweldig voorgekomen, nog nooit had zij Parijs, zelfs niet in zijn sluimering, met een zoo hardnekkige en verpletterende macht beheerscht.
En dit gevoel was zóó sterk en zóó pijnlijk, dat Guillaume hardop zeide:
“Ja, zij hebben hun plaats goed gekozen! Hoe stom, dat men hen die heeft laten nemen... Ik ken geen grooteren onzin: Parijs gekroond en beheerscht door dezen tot verheerlijking van het absurde gebouwden afgodentempel! Welk een onbeschaamdheid, welk een klap in het aangezicht van de rede na zooveel arbeid, zooveel eeuwen van wetenschap en strijd! En dat juist tegenover, boven ons groot Parijs, de eenige stad in de wereld, wier voorhoofd men niet met deze vlek had mogen bezoedelen!... Te Lourdes of te Rome, à la bonne heure! Maar in Parijs, in dit zoo diep omgeploegde veld der intelligentie, waarin de toekomst kiemt! Dat is de oorlogsverklaring, dat is de brutaal erkende hoop op verovering!”
Gewoonlijk was hij zoo verdraagzaam als een geleerde, voor wien de godsdiensten niet meer dan maatschappelijke verschijnselen zijn. Zelfs erkende hij gaarne de grootschheid of de lieflijkheden der Katholieke legenden. Maar het beruchte visioen van Maria Macoque [11], dat aanleiding gegeven had tot de instelling van het Heilige Hart, prikkelde hem, vervulde hem met een soort physieken afkeer. Hoe afschuwelijk was deze open, bloedende borst van Jezus, het reusachtige hart, dat de heilige in de diepe wond had zien kloppen, waarin Jezus het andere, het kleine vrouwenhart gelegd had, om het brandend van liefde terug te geven. Welke een lage en weerzinwekkende stoffelijkheid! Een slagerswinkel met ingewanden, spieren en bloed! Vooral hinderde hem de gravure, die deze afschuwelijkheid voorstelde en welke hij overal als een naïeve anatomische plaat terugvond.
Pierre zweeg en keek eveneens naar de door de maan beschenen basilica, welke als een reusachtige sprookjesvesting oprees om de aan haar voeten sluimerende stad te verpletteren en te veroveren. Toen hij er in den laatsten tijd als met zijn marteling strijdend ongeloovig priester zijn mis las, had zij hem zooveel pijn gedaan. En op zijn beurt begon hij:
“Het nationale geloftegeschenk, ja, het nationale geloftegeschenk van arbeid, gezondheid, kracht en zedelijke verheffing!... Maar zoo vatten zij het niet op. Frankrijk heeft de nederlaag geleden, omdat het verdiende gestraft te worden. Het was schuldig en moet heden boete doen. Waarvoor? Voor de Revolutie, voor een eeuw van vrij onderzoek en wetenschap, voor zijn bevrijde rede, voor zijn arbeid van initiatief en bevrijding, dat zich naar de vier hoeken der wereld verspreid heeft... Daarin bestond de ware schuld, en slechts om ons voor onzen grooten arbeid, voor al de veroverde waarheden, voor onze grooter geworden kennis, voor de nu nabije gerechtigheid te laten boeten, hebben zij daar dien reusachtigen grenssteen gezet, welken Parijs van alle kanten zien zal, maar niet zien kan zonder zich in zijn werk en in zijn roem miskend en beleedigd te gevoelen.”
Met een breed gebaar wees hij op het in het maanlicht als in een zilveren laken slapende Parijs en liep dan met zijn broeder verder de heuvels af naar de nog zwarte en verlaten straten.
Tot den buitenboulevard toe ontmoetten zij geen levende ziel; maar daar hield het leven nooit op; de wijnrestaurants, de café’s, de danshuizen hadden hun deuren nauwlijks gesloten of de op de straat geworpen ontucht en ellende zetten daar haar nachtelijk leven voort. Daar vond men allen, die geen woning hadden, de snollen, die op zoek waren naar de een of andere slaapstee, de vagebonden, die op de banken sliepen, de zwervers, die hun slag trachtten te slaan. Dank zij het medeplichtig duister borrelde de modder, en daarmede het geheele lijden, uit de onderste lagen van Parijs naar de oppervlakte. De ledige straten behoorden aan de brood- en daklooze hongerlijders, voor wie in het volle daglicht geen plaats is, behoorden aan deze wriemelende, verwarde, wanhopige massa, die alleen maar ’s nachts te voorschijn kwam. Welk een spoken van de vreeselijkste ontbering; welk een ver gesteun als van een doodsstrijd rees uit Parijs op in dezen ochtend, waarop men bij het aanbreken van den dag een mensch zou guillotineeren, ook een van dezen, een arme dus een lijdende!
Toen Guillaume en Pierre de rue des Martyrs afliepen, zag de eerste op een bank een ouden man liggen, wiens bloote voeten uit smerige, gapende schoenen staken; met een zwijgend gebaar wees hij ernaar. Enkele passen verder maakte Pierre een zelfde gebaar naar een jong meisje, dat, in lompen gehuld, met open mond tegen een deur zat te slapen. Zij behoefden elkander niet te zeggen welk medelijden, welke woede hun hart in opstand bracht. Nu en dan kwamen twee politieagenten voorbij: schudden de ongelukkigen wakker, dwongen ze op te staan en weer verder te loopen. Ook wel namen zij, wanneer ze hun verdacht voorkwamen of niet gauw genoeg gehoorzaamden, hen mede naar een politiepost. En dan ontstond naast de ellende van deze onterfden de wrok, de besmetting der cachotten, die dikwijls van een eenvoudigen vagebond een dief of een moordenaar maakte.
In de rue des Martyrs en in de rue du Faubourg-Montmartre veranderde het beeld der nachtelijke bevolking, en de beide broeders kwamen nu nog slechts late nachtwandelaars tegen, vrouwen, die langs de huizen slopen, mannen en vrouwen, die elkander sloegen. Verder op de groote boulevards zag men mannen, die uit de clubs kwamen; heeren staken op den drempel van hooge, zwarte huizen, waarin slechts de vensters van één verdieping den nacht verlichtten, hun sigaar aan. Een dame in avondtoilet en met een grooten mantel aan, liep langzaam met een vriendin voort. Enkele rijtuigen reden nog rond; andere stonden al uren lang als dood, terwijl de koetsier en het paard sliepen. Naarmate zij verder op de boulevards kwamen—de boulevard Bonne-Nouvelle na den boulevard Poissonnière en de andere, de boulevard Saint-Denis, de boulevard Saint-Martin tot de Place de la République—begon de ellende en het lijden weer: verlatenen en hongerlijders, al het afval van de menschheid, die in den nacht op straat geworpen waren; maar reeds verscheen het leger der straatvegers, om het vuil van den vorigen dag weg te nemen en te maken, dat Parijs zich niet over al de op één dag opgehoopte onreinheid zou behoeven te schamen.
Maar vooral toen de broers na den boulevard Voltaire de wijken la Roquette en Charonne naderden, voelden zij, dat zij weer in een omgeving van den arbeid kwamen, waarin dikwijls gebrek was aan brood en het leven een smart is. Pierre voelde zich hier dadelijk weer heelemaal thuis, want van die lange, volkrijke straten was er niet één, die hij niet honderdmaal doorloopen had, wanneer hij met den goeden abbé Rose de radeloozen bezocht, zijn aalmoezen bracht en de kleinen uit de goot opraapte. Al de drama’s, die hij medegemaakt had, alle kreten, tranen en al het bloed, al de vaders, moeders en kinderen, die van gebrek, onreinheid en verwaarloozing stierven, rezen als een vreeselijk visioen voor hem op. In die vreeselijke sociale hel had hij ten slotte zijn laatste hoop achtergelaten, was hij zelf snikkend gevlucht, overtuigd, dat barmhartigheid niets meer dan een tijdpasseering der rijken, belachelijk en nutteloos is. En nu hij dezen ochtend de nog even treurige, de nog eeuwig aan de ellende gewijde wijk terugzag, kwam datzelfde gevoel met buitengewone kracht weer in hem terug. Was de oude man, dien abbé Rose op een avond weer tot het leven teruggeroepen had, niet den vorigen dag van honger gestorven? Was hij het meisje, dat hij zelf na den dood van haar ouders in zijn armen had medegenomen, later niet eens tegengekomen, toen zij gilde onder de vuist van een souteneur? Met legioenen waren de ongelukkigen, die niet meer gered konden worden, te tellen! Welk een benauwend zwijgen, welk een diepe duisternis heerschte in deze arbeidersstraten, waarin de slaap de trouwe makker van den dood schijnt te zijn! De honger sluipt door de straten, het ongeluk jammert, spookachtige, onduidelijke gestalten loopen voorbij en verliezen zich in de donkerte.
Hoe verder Guillaume en Pierre kwamen, des te meer stootten zij op donkere menschengroepen. De geheele kudde nieuwsgierigen bewoog zich stampvoetend in de richting van de guillotine. Zij stroomden uit alle hoeken van Parijs samen, als voortgestuwd door een koortsachtigen drang naar dood en bloed. Maar ondanks het doffe stampen van deze menigte bleven de straten donker, werd geen enkel venster aan de voorzijde verlicht, hoorde men zelfs niet het ademen van de door uitputting gebroken arbeiders, die eerst later bij de ochtendschemering van hun jammerlijke lijdenssponden zouden opstaan.
Toen zij op de place Voltaire kwamen en Pierre de menigte zag, die zich daar reeds verdrong, begreep hij, dat het onmogelijk was in de rue de la Roquette te komen. Bovendien zou die straat natuurlijk afgezet zijn. Toen kwam hij op het denkbeeld om verderop de achter de gevangenis om loopende rue de la Folie-Regnault te nemen, ten einde van daaruit op den hoek van de rue Merlin te komen.
En inderdaad was het daar eenzaam en donker. De ontzaglijke massa der gevangenis met haar groote, kale, door de maan beschenen muurvlakten scheen niet meer dan een koude, sedert eeuwen doode steenhoop. Aan het einde van de straat kwamen zij weder in een menigte, in een dichte, wriemelende menigte, waarin slechts de bleeke vlekken der gezichten te onderscheiden waren. Met groote moeite drongen zij door tot het huis, dat Mège op den hoek van de rue Merlin bewoonde. Maar de luiken op de vierde verdieping—Mège’s etage—waren hermetisch gesloten, terwijl voor al de andere ramen, die wijd openstonden, zich hoofden bewogen en beneden het wijnrestaurant propvol met menschen zat, die in afwachting van het schouwspel een lawaai als een oordeel maakten.
“Ik durf niet aankloppen bij Mège,” zeide Pierre.
“Neen, neen, geen quaestie van!” riep Guillaume. “Laten we hier maar binnengaan. We zullen van het balkon af wel kunnen zien.”
De zaal op de eerste verdieping had een groot balkon, dat reeds dicht met dames en heeren bezet was. Toch gelukte het den broers zich ertusschen te dringen en zij bleven daar eenige oogenblikken staan en trachtten het donker in de verte te doorboren. Tusschen de twee gevangenissen, de groote en de kleine Roquette, verbreedde de oploopende straat zich tot een soort vierkant plein, dat door vier platanengroepen, die naast de trottoirs geplant waren, beschaduwd werd. De lage gebouwen, de kwijnende boomen, de geheele armzalige, leelijke omgeving scheen zich op gelijke hoogte met de aarde uit te strekken onder den onmetelijken hemel, waarin, nu de maan ter kimme ging, de sterren weer verschenen. Het plein was geheel ledig; slechts meer naar achteren was een zwakke, onduidelijke beweging waar te nemen, terwijl twee rijen gardes de menigte in bedwang hielden en in alle zijstraten terugdreven. Vijf verdiepingen hooge huizen waren er aan de eene zijde slechts op den hoek van de veel te ver verwijderde rue Saint-Maur en aan de andere zijde alleen op de hoeken van de rue Merlin en de rue de la Folie-Regnault, zoodat het zelfs uit de best gelegen vensters bijna onmogelijk was iets van de terechtstelling te zien. De nieuwsgierigen op de straat zagen slechts de ruggen der gardes, wat echter het steeds grooter worden van den menschenstroom, waaruit men het toenemend lawaai hoorde opstijgen, niet belette.
Dank zij de gesprekken van de dames, die reeds lang over den rand van het balkon lagen te loeren, konden de twee broeders eindelijk toch iets zien. Het was half vier en de guillotine moest reeds opgericht zijn. Die flauwe, onduidelijk zich bewegende gestalten voor de gevangenis onder de boomen waren de beulsknechten, die de valbijl vastmaakten. Een lantaarn ging langzaam op en neer, vijf of zes schaduwen dansten op den grond. Verder echter was er niets te zien; het plein geleek op een groot, donker gat, waartegen van alle kanten de onophoudelijk sterker wordende golfslag der bruisende, onzichtbare menigte sloeg. Aan den anderen kant zag men niets dan de als vuurtorens hel verlichte wijnrestaurants. De armzalige arbeiderswijk sliep nog, de werkplaatsen en stellingen bleven donker, uit de hooge, koud geworden fabrieksschoorsteenen pluimde nog geen rook.
“Wij zullen niets zien,” zeide Guillaume.
Maar Pierre gaf hem een teeken om te zwijgen. Hij had in een eleganten heer, die dicht naast hem stond, den vriendelijken afgevaardigde Dutheil herkend en meende vast, dat hij in gezelschap was van de kleine prinses de Hardt, die, daar hij haar medegenomen had naar het proces, nu ook heel goed bij de terechtstelling kon zijn. Doch weldra zag hij, dat de dicht tegen hem aan gedrukte, warm ingestopte jonge vrouw de mooie Silviane met haar madonnagezichtje was. Trouwens zij verborg zich heelemaal niet, maar zij begon hardop te praten, zoodat de beide broeders al heel gauw op de hoogte waren. Blijkbaar was zij dronken. Duvillard, Dutheil en andere vrienden zaten met haar aan het souper, toen zij plotseling om een uur hoorde, dat Salvat terechtgesteld zou worden en den inval kreeg, om daarnaar te gaan kijken. Vergeefs had Duvillard getracht haar van haar plan af te brengen, en daar hij ditmaal woedend wegging, daar het hem tegen de borst stuitte getuige te zijn van de terechtstelling van den man, die zijn hôtel in de lucht had willen laten vliegen, had zij Dutheil alles beloofd wat hij zou willen, indien hij haar luim bevredigde. Hoewel hij een afschuw had van alle akelige tooneelen, had zijn vurige, steeds weer teleurgestelde begeerte naar Silviane de overwinning behaald.
“Hij snapt niet, dat je zoo iets aardig vindt,” zeide zij, sprekend over den baron. “Maar enfin, morgen ligt hij toch weer aan mijn voeten.”
“De vrede is dus weer gesloten?” vroeg Dutheil. “Heb je hem, sedert je verbintenis aan de Comédie geteekend is, zijn rechten als heer en meester weer teruggegeven?”
“Wat, de vrede?” riep zij uit. “Geen quaestie van, versta je? Ik heb eenmaal gezworen: niet zóóveel, alvorens mijn debuut plaats gehad heeft... Wanneer ik ’s avonds van het tooneel af kom, zullen we verder zien.”
Beiden lachten zij. Om haar het hof te maken, vertelde Dutheil hoe Dauvergne, de nieuwe minister van Openbaar Onderwijs en Schoone Kunsten dadelijk alles in het werk gesteld had om de moeilijkheden, welke tot nog toe de deuren van de Comédie voor haar luim en de wanhopige pogingen van Duvillard gesloten hielden, uit den weg te ruimen. Een charmant iemand, die Dauvergne, een hand als fluweel, het sieraad en de bloem zelf van dit zeer populaire ministerie, welks ijzeren vuist de vreeselijke Monferrand was.
“Hij zeide, lieve vriendin, dat een mooi meisje overal op haar plaats is.”
En toen zij zich gevleid tegen hem aan drukte:
“En overmorgenavond dus de reprise van Polyeucte, waarin je zult triompheeren... Wij komen je allemaal toejuichen.”
“Ja, overmorgen, juist op denzelfden dag, dat de baron zijn dochter uithuwelijkt. Dat zal een dag vol emoties worden.”
“Waarachtig, dat is zoo, dien dag trouwt onze vriend Gérard met mademoiselle Camille Duvillard. De menschen zullen zich eerst in de Madeleinekerk verdringen en dan in de Comédie. Ja, je hebt gelijk, er zullen dien dag in de rue Godot-de-Mauroy heel wat hartkloppingen zijn.”
Weer begonnen zij te lachen en met een afschuwelijke ruwheid en meedoogenlooze toespelingen grappen te maken over den vader, de moeder, den minnaar en de dochter.
“Zeg beste jongen, het begint me hier aardig te vervelen. Ik zie niets en ik zou vlak bij willen zijn, om goed te kunnen zien... Je moest me naar de guillotine brengen.”
Dat bracht hem in verlegenheid, te meer daar zij op dat oogenblik Massot op straat zag en hem met gebaren en luide woorden riep. Van het balcon naar het trottoir ontwikkelde zich een heel gesprek.
“Niet waar Massot, een afgevaardigde heeft overal toegang en kan een dame brengen waar hij wil?”
“Geen quaestie van! Massot weet heel goed, dat een afgevaardigde zich meer nog dan een ander voor de wet buigen moet.”
Bij dien uitroep van Dutheil begreep de journalist, dat hij het balkon niet verlaten wilde.
“Neen, u hadt een uitnoodiging moeten hebben, mevrouw. Dan had men u een plaatsje gegeven voor een der ramen van de Petite-Roquette. Een vrouw mag nergens anders komen... Maar u behoeft u heusch niet te beklagen; u hebt daar een prachtig plaatsje.”
“Maar ik zie heelemaal niets, beste Massot.”
“U zult in ieder geval meer zien dan prinses de Hardt, die ik in haar rijtuig in de rue du Chemin-Vert gezien heb, dat de politie niet door wil laten.”