De drie steden: Parijs

Part 36

Chapter 364,028 wordsPublic domain

“We zullen minstens tot zeven uur blijven moeten,” zeide Massot; “maar ik durf u niet aanbieden een broodje voor u te halen, want ze zouden mij niet meer binnenlaten.”

Onder de voorlezing van Salvat’s verklaring had Dutheil ieder oogenblik zijn schouders opgehaald.

“Alles wat hij zegt, is zoo vreeselijk kinderachtig! Om voor zoo iets te willen sterven! Rijken en armen zullen er altijd zijn! En het staat ook vast, dat men, als men arm is, niets anders wil dan rijk worden. Dat hij hier op deze bank zit, komt alleen, omdat het hem niet gelukt is rijk te worden.”

Pierre was zeer ontroerd en maakte zich ongerust over zijn broeder, die bleek en zwijgend naast hem zat. Hij zocht zijn hand, drukte die heimelijk en vroeg zacht:

“Voel je je niet goed? Willen we liever weggaan?”

Maar Guillaume beantwoordde zijn handdruk; hij had niets, hij zou, niettegenstaande alles hem bitter stemde, blijven tot het einde.

Nu nam de procureur-generaal Lehmann streng het woord. Men wist, dat hij, ondanks zijn stijfhoofdig Jodengezicht in alle politieke kringen relaties had en zich door zijn soepelheid steeds wist aan te sluiten bij hen, die aan het bewind waren, wat zijn vlugge carrière en de gunsten, waarmede hij overladen werd, zeer goed verklaarde. Het was algemeen bekend, dat hij de advocaat der regeering was, en inderdaad maakte hij dadelijk bij de eerste zinnen een toespeling op het dien ochtend benoemde nieuwe ministerie, op den sterken man, die het op zich genomen had de goeden gerust te stellen en de slechten te doen beven. Dan viel hij met een buitengewone heftigheid op Salvat aan, herhaalde de geheele geschiedenis, schilderde hem als een bandiet, een geboren misdadiger, een monster, dat eindelijk wel tot den lafst denkbaren aanslag komen moest.

Vervolgens werd de anarchie gegeeseld; de anarchisten waren slechts een troep vagebonden en dieven. Men had bij de plundering van het hôtel de Hardt gezien wat die apostelen der ware leer eigenlijk waren. Ziedaar, waarop de toepassing van die theorieën uitliep: op geplunderde en bevuilde huizen, tot eindelijk de groote plunderingen en moordpartijen komen zouden. Bijna twee uur sprak hij op die wijze door, waarbij hij weinig lette op waarheid en logica, doch vooral trachtte te werken op de phantasie, den schrik, die Parijs reeds drie maanden lang doorschokte, uitbuitte en het arme kleine slachtoffer als een bloedig vaandel zwaaide. En hij eindigde, zooals hij begonnen was: hij sprak den gezworenen moed in, zeide hun, dat zij hun plicht doen en den moordenaar veroordeelen konden, nu de regeering vast besloten was niet terug te wijken voor bedreigingen.

Nu sprak op zijn beurt de met de verdediging belaste advocaat. Wat hij te zeggen had, zeide hij met een werkelijk volmaakte juistheid en helderheid. Hij behoorde tot een andere school, was zeer eenvoudig, alleen geestdriftig voor de waarheid. Hij bepaalde er zich toe de geschiedenis van Salvat in het ware licht te plaatsen, aan te toonen, hoe hij van zijn jeugd af aan onder den druk van de sociale verhoudingen gestaan had, uit te leggen hoe deze laatste daad samenhing met alles wat hij geleden had, met alles, wat in zijn dwepersbrein ontkiemd was. Was zijn misdaad niet de misdaad van allen? Voelde een ieder zich niet eenigszins mede-verantwoordelijk voor deze bom, die een arme, van honger omkomende werkman was gaan werpen in de woning van een rijke, wiens naam voor hem de onrechtvaardige verdeeling: aan de eene zijde zooveel genot, aan de andere zooveel ontberingen, beteekende? Wanneer in onze onrustige en woelige tijden te midden van de brandende problemen, die opgeworpen waren, een van ons het hoofd verliest en het geluk op weldadige wijze verhaasten wil, moeten wij hem dan in naam der gerechtigheid uit den weg ruimen, terwijl toch ook geen onzer zweren kan, dat hij niet medeplichtig is aan dien dood van waanzin? Lang weidde hij uit over het historische oogenblik, waarop deze zaak zich afspeelde: zooveel schandalen, zulk een ineenstorting van alles, nu onder zoo vreeselijk lijden en strijden een nieuwe wereld zoo pijnlijk uit de oude geboren werd. En ten slotte bezwoer hij de gezworenen hun menschelijk hart te laten spreken, zich niet te laten medesleepen door de hartstochten van de straat, de verschillende klassen te verzoenen door een wijs oordeel in plaats van den strijd tot in het oneindige te rekken door den hongerlijders een nieuwen martelaar te geven, die gewroken moest worden.

Het was reeds over zessen, toen mijnheer de Larombardière met zijn scherp en zoo grappig stemmetje aan de jury de talrijke vragen, die haar gesteld werden, voorlas. Dan trok het Hof zich weer terug en begaf de jury zich weer naar de zaal, waar zij moest beraadslagen, terwijl men den aangeklaagde wegleidde. Onder het publiek heerschte een lawaaierige spanning, een koortsachtig-ongeduldig geroezemoes. Weer waren dames flauw gevallen; ook een heer, die niet tegen de benauwde hitte bestand was, had men uit de zaal moeten brengen. De anderen echter bleven hardnekkig wachten; geen enkele ging weg.

“Het zal niet lang duren,” zeide Massot. “De gezworenen hebben het doodvonnis in hun zak medegebracht. Ik heb naar hen gekeken, toen die kleine advocaat zoo flink tegen hen sprak. Je kon ze nauwlijks zien, maar hun in het donker gedompelde gezichten hadden een slaperige uitdrukking. Ik zou wel eens willen weten, wat er in hun hersens omging?”

“En hebt u nog altijd honger?” vroeg Dutheil aan de prinses.

“O, ik verga... Ik zal onmogelijk eerst naar huis kunnen gaan. U zult ergens iets met me moeten gaan gebruiken!... Maar het is toch wel interessant om te zien hoe met een Ja en een Neen over het leven van een mensch beslist wordt.”

Toen Pierre merkte hoe koortsachtig opgewonden en wanhopig Guillaume was, had hij diens hand weer in de zijne genomen. Geen van beiden sprak een woord in de diepe troosteloosheid, welke zich om tallooze redenen, die zij zelf niet precies zouden hebben kunnen omschrijven, van hen meester maakte. Het kwam hun voor alsof al de menschelijke ellende, hun eigen ellende, de liefde, de hoop, de smart, waaronder zij leden, in deze zaal zweefden, die doorhuiverd werd door het drama, dat de zelfzucht van sommigen en de lafheid van anderen hier zouden afspelen.

“Heb ik niet gezegd, dat het niet lang zou duren,” vroeg Massot.

En inderdaad kwam na een beraadslaging van een kwartier de jury weer binnen en schuifelde met luid schoenenlawaai langs de eikenhouten bank. Dan verscheen ook het Hof weer. De spanning in de zaal was verdubbeld. Sommigen waren opgestaan, anderen stootten onwillekeurig lichte kreten uit. De voorzitter der jury, een dikke man met een rood, breed gezicht, moest wachten voor hij het woord nemen kon. Dan zeide hij met een scherpe, eenigszins stotterende stem:

“Op eer en geweten, voor God en de menschen, het antwoord der jury luidt op de vraag: Moord? Ja, met meerderheid van stemmen.”

De avond was bijna gevallen, toen Salvat weer binnengeleid werd. Terwijl hij zich, eveneens staande, tegenover de half in het donker gehulde jury bevond, werd zijn gelaat door de laatste zonnestralen verlicht. De rechters zelf verdwenen, hun roode toga’s schenen zwart. Welk een aanblik bood dit magere, vleeschlooze gezicht van Salvat, die met droomerige oogen luisterde, terwijl de griffier de beslissing der jury voorlas!

Toen het weer stil werd, zonder dat er van verzachtende omstandigheden sprake was, begreep hij alles en lichtte zijn gelaat, dat een kinderlijke uitdrukking behield, op.

“Dus de dood? Dank u, heeren!”

Dan wendde hij zich naar het publiek en trachtte in het toenemend donker de gezichten van zijn kameraden, die hij wist, dat daar waren, te zien. Ditmaal had Guillaume den beslisten indruk, dat hij hem herkend had, hem nog eenmaal een liefdevollen groet toezond, waarin hij nogmaals zijn dankbaarheid uitdrukte voor het stuk brood, dat hij op een dag van ellende van hem gekregen had. Maar blijkbaar had hij ook Victor Mathis gegroet, want weer zag Guillaume achter zich den jongen man met wijd opengesperde, starre oogen en een verschrikkelijke uitdrukking om zijn mond.

Het overige, de laatste vragen, de overwegingen van het Hof, de uitspraak van het vonnis, alles werd bedekt door de deining, die de zaal in beweging bracht. Onbewust had men eenig medelijden gekregen en aan de bevrediging, waarmede het doodvonnis opgenomen werd, paarde zich eenige verbijstering.

Toen Salvat tusschen de gendarmen werd weggeleid, stiet hij met doordringende stem den kreet uit:

“Leve de anarchie!”

Niemand nam aanstoot aan dien kreet. Het publiek verspreidde zich in een gevoel van malaise, als had de overmatige inspanning de hartstochten afgestompt. Werkelijk het schouwspel was te lang en te afmattend geweest. Het deed goed weer frissche lucht in te ademen.

In de salle des Pas-Perdus kwamen Guillaume en Pierre langs Dutheil en de prinses, die aangesproken waren door generaal de Bozonnet en Fonsègue. Alle vier spraken luid, klaagden over hitte en honger, maar waren het er ten slotte over eens, dat de zaak niet bijzonder interessant was geweest. Maar eind goed, al goed. De veroordeeling van Salvat was, zooals Fonsègue zeide, een politieke en sociale noodzakelijkheid.

Op den Pont-Neuf leunde Guillaume een oogenblik tegen de borstwering, terwijl Pierre eveneens keek naar den breeden, grijzen stroom der Seine, dien de weerkaatsingen der eerste lantaarns vlammen deed. Een frissche ademtocht steeg op uit de rivier: het was het heerlijk uur, waarop de zachte nacht het zich ontspannende Parijs bedekken komt. Zwijgend ademden de beide broers dezen troost in. Pierre’s wond brak weer open: hij had immers moeten beloven weer naar Montmartre terug te gaan ondanks de marteling, die hem daar wachtte. Ook Guillaume voelde zijn argwaan weder ontwaken, zijn onrust, dat hij Marie zoo koortsachtig en door een nieuw gevoel, dat zij zelf niet kende, veranderd had gezien. Stonden dien twee mannen, die elkander zoo hartelijk lief hadden, weer nieuw lijden, nieuw strijden, nieuwe hinderpalen voor hun geluk te wachten?

Toen zij op de kade kwamen, zag Guillaume Victor Mathis alleen in het donker voor zich uitloopen. Hij sprak hem aan en begon over zijn moeder. Maar de jonge man luisterde niet, doch zeide met een stem, die scherp en snijdend was als een mes:

“Zij willen bloed... Zij kunnen hem een kopje kleiner maken, hij zal gewroken worden.”

V.

In het gewoonlijk zoo lichte en zoo vroolijke atelier te Montmartre leken de eerstvolgende dagen somber, als had het groote vertrek zich met droefheid en zwijgen gevuld. Toevallig waren ook de drie zoons niet thuis. Thomas ging ’s ochtends vroeg reeds naar de fabriek om proeven te nemen met zijn motor; François studeerde hard voor zijn examen en was bijna altijd in de École Normale; Antoine werd geheel in beslag genomen door een werk bij Jahan, waar de vreugde zijn kleine vriendin Lise tot het leven te zien ontwaken hem langer hield dan noodig was. Guillaume was dus zoo goed als alleen met Grootmoeder, die steeds met het een of ander naaiwerk bij het raam zat, terwijl Marie door het huis op- en neerliep en slechts in het atelier was te vinden, wanneer Pierre zelf er was.

In deze droefgeestige stemming van hun vader zagen allen niets anders dan de heimelijke woede, het wanhopige verzet, waartoe de veroordeeling van Salvat hem gebracht had. Na zijn terugkeer uit de rechtzaal had hij zich vreeselijk opgewonden, gezegd, dat het een sociale moord, een uitdaging van den klassenstrijd was, wanneer men dien ongelukkige terechtstelde; en allen hadden eerbiedig het hoofd gebogen voor de smartelijke heftigheid van dien kreet, stoorden den vader niet in zijn gedachten, die hem uren lang zwijgend en bleek voor zich uit deden staren. Zijn oogen bleven koud, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat deed hij niets anders dan de plannen en dossiers van zijn nieuwe uitvindingen bestudeeren: de nieuwe springstof, de vreeselijke machine, die hij zoo lang gedroomd had aan Frankrijk te schenken, opdat het, heerschend over de naties, eenmaal de wereld de overwinning van waarheid en gerechtigheid op zou kunnen leggen. Maar gedurende de eindelooze uren, die hij zoo voor zijn op de tafel verspreid liggende papieren zat, hield hij op ernaar te kijken, staarden zijn blikken in de verte, gingen allerlei gedachten door zijn brein: twijfel misschien omtrent de deugdelijkheid van zijn plan, angst, dat zijn verlangen om de volkeren te verzoenen hen in een eindeloozen verdelgingsoorlog werpen zou. O, hij had oprecht geloofd, dat dit groote Parijs het brein van de wereld was, tot taak had de toekomst te verwekken—en zie, welk een afschuwelijk schouwspel bood het hem nu: zooveel domheid, zooveel schande, zooveel onrechtvaardigheid! Was het werkelijk rijp genoeg voor de taak, die hij het wilde toevertrouwen, de taak, om de menschheid geluk te brengen? Wanneer hij zijn formules weer begon te lezen en te verifieeren, vond hij zijn oude energie niet terug en slechts de gedachte aan zijn aanstaand huwelijk deed hem zijn plan weer opvatten; hij zeide tot zichzelf, dat alles reeds sedert te lang geregeld was dan dat hij het nu nog veranderen kon.

Zijn huwelijk! Was dat niet de gedachte, die Guillaume vervolgde, die hem nog meer verontrustte dan zijn werk als geleerde, dan zijn hartstocht van vrij burger? Onder al de zorgen, die hij zich bekende, was nog een andere verborgen, die hij zichzelf niet durfde bekennen en die hem angst aanjoeg. Iederen dag herhaalde hij tot zichzelf, dat hij zijn geheim aan den minister van Oorlog zou mededeelen, zoodra hij met Marie getrouwd was, om haar in zijn roem te laten deelen. Met Marie trouwen! Met Marie trouwen! De gedachte vervulde hem telkens met een brandende koorts en een heimelijke onrust. Dat hij nu zweeg, dat hij zijn kalme vroolijkheid verloren had, vond zijn reden daarin, dat hij een geheel nieuw, hem onbekend leven van haar voelde uitstroomen. Zij werd ongetwijfeld anders; hij voelde, dat zij als het ware verder van hem afstond, en begon daarom, wanneer Pierre er was, hen beiden gade te slaan.

Pierre kwam zelden, en dan was hij verlegen, eveneens anders geworden. De ochtenden echter, dat hij kwam, was het alsof er in Marie een geheele metamorphose plaats greep, scheen het huis als het ware een andere ziel te krijgen. Toch viel er tusschen hen niets voor, dat niet onschuldig en broederlijk was. Zij schenen slechts goede kameraden te zijn, hun vingers raakten elkaar zelfs niet aan, en zij praatten zonder een kleur te krijgen. Een beven ging onwillekeurig van hen uit—een ademtocht, die fijner was dan een lichtstraal of een geur. Na verloop van enkele dagen kon Guillaume niet langer twijfelen. Hij had niets gezien, maar hij was overtuigd, dat de twee kinderen, zooals hij ze vaderlijk genoemd had, elkander liefhadden.

Toen hij op den ochtend van een prachtigen dag geheel alleen met Grootmoeder tegenover het bezonde Parijs zat, verviel hij in een nog angstiger gepeins dan gewoonlijk. Hij keek haar strak aan, terwijl zij in haar koninklijke rust op haar gewone plaats, zonder bril nog steeds, naaide. Misschien zag hij haar heelemaal niet. Van tijd tot tijd richtte zij haar hoofd op en keek hem aan, alsof zij een biecht verwacht had, die niet kwam.

“Guillaume, wat heb je toch in den laatsten tijd?” vroeg zij eindelijk, toen het zwijgen eindeloos voort bleef duren. “Waarom zeg je me niet, wat je me te zeggen hebt?”

Het was alsof hij weer op de aarde nederdaalde.

“Wat ik u te zeggen heb?” antwoordde hij verwonderd.

“Ja, ik weet wat jij weet, en omdat je toch hier in huis niets doen wilt, zonder mij te raadplegen, dacht ik, dat je er met mij over zoudt spreken.”

Hij was zeer bleek geworden en begon te beven: hij had zich dus niet vergist, nu Grootmoeder zelf het blijkbaar ook wist? Daarover te spreken zou gelijk staan met een lichamelijken vorm aan zijn vermoedens te geven, datgene wat tot nog toe slechts in zijn idee bestaan kon, tot iets wezenlijks te maken.

“Het was onvermijdelijk, beste jongen. Van af de eerste dagen heb ik het zien aankomen, en de eenige reden, waarom ik niets gezegd heb, is dat ik dacht, dat jij een diepe bedoeling met alles hadt... Maar sedert ik je zoo zie lijden, begrijp ik heel goed, dat ik mij vergist heb.”

En toen hij haar nog steeds verward en bevend aan bleef kijken:

“Ja, ik dacht, dat je dat zelf wilde, dat je door je broer hier in huis te brengen wilde weten of Marie een andere liefde voor je bezat dan als voor een vader... Er bestond daar een zeer goede reden voor: het groote verschil in leeftijd, voor jou gaat het leven ten einde en voor haar begint het, geheel afgezien nog van je werk, van de taak, die je jezelf gesteld hebt.”

Dan kwam hij met smeekend opgeheven handen naar haar toe en riep uit:

“O, spreek duidelijk, zeg mij wat u denkt. Ik begrijp het niet, mijn arm hart wordt zoo gemarteld, en ik zou zoo gaarne weten, handelen, een besluit nemen!... U heb ik lief, u vereer ik als een moeder, ik ken uw groot verstand, ik heb uw raad altijd opgevolgd. En u hebt dit vreeselijke zien aankomen, u hebt alles zijn gang laten gaan op gevaar af mij daaraan te zullen zien sterven? Waarom, waarom hebt u dat gedaan?”

Over het algemeen hield zij er niet van veel te spreken, als souvereine koningin leidde zij het huis, zonder rekenschap van haar daden te moeten geven. Dat zij wat zij dacht en wat zij wilde nooit geheel uitsprak, vond zijn reden hierin, dat de vader en de zoons, van haar volmaakte wijsheid overtuigd, alles geheel aan haar overlieten. En deze eenigszins raadselachtige zijde van haar karakter deed haar nog grooter schijnen.

“Waartoe zijn woorden noodig, wanneer de feiten spreken?” zeide zij zacht zonder met werken op te houden. “Zeker, ik heb je huwelijksplan goedgekeurd, want ik begreep, dat Marie, om hier te kunnen blijven, met je trouwen moest; en bovendien waren er nog vele andere redenen, waarover we nu niet verder behoeven te praten... Maar de komst van Pierre heeft alles veranderd en alles weer in zijn natuurlijke orde teruggebracht. Is dat niet beter?”

Hij durfde haar nog steeds niet begrijpen.

“Beter, terwijl ik de hevigste martelingen lijd, terwijl mijn leven verwoest is?”

Nu stond zij op, kwam strak, hoogopgericht, in haar zwarte japon, met haar bleek, streng en energiek gelaat naar hem toe.

“Jongen, je weet, dat ik je liefheb, dat ik je groot en edel zien wil... Een paar maanden geleden ben je bang geweest en is dit huis bijna in de lucht gevlogen. En nu zit je deze heele week al verstrooid achter je dossiers, en je plannen, als iemand die door zwakte overmand is, die twijfelt en niet meer weet waarheen hij gaan moet... Geloof me, je bent op den slechten weg; het is beter, dat Pierre met Marie trouwt, voor hen en voor jou.”

“Voor mij? O, neen, neen!... Wat moet er van mij worden?”

“Jij, mijn jongen, zult kalm worden en nadenken. De rol, die je nog te spelen hebt, is zoo zwaar—je staat op het punt je ontdekking wereldkundig te maken. Het schijnt mij toe alsof je blik niet zoo helder meer is, alsof je verkeerd zult handelen, wanneer je geen rekenschap houdt met de omstandigheden van het probleem... Ik voel, dat je iets anders te doen hebt. In het kort lijd, als het zijn moet, maar blijf de man van je denkbeeld!”

Dan verliet zij de kamer, terwijl zij er met een moederlijken glimlach, om haar strengheid wat te verzachten, aan toevoegde:

“Je dwingt me tot noodelooze praatjes, want ik weet veel te goed, dat jij te hoog staat, om niet in alles het eenige goede te doen, dat niemand anders doen zou.”

Toen Guillaume alleen gebleven was, verzonk hij weer in een koortsachtig nadenken. Wat had zij met haar weinige, half-geheimzinnige woorden willen zeggen? Hij wist, dat zij hing aan alles wat goed, natuurlijk en noodzakelijk was. Maar zij dreef hem tot een hooger heroïsme, zij had een helder licht geworpen op het onduidelijke onbehagelijke gevoel, dat zijn oud plan, om zijn geheim aan den een of anderen minister van Oorlog—het kwam er niet op aan welken, dengenen, die toevallig aan het bewind was mede te deelen,—hem gaf. Terwijl hij haar met haar ernstige stem hoorde herhalen, dat hij iets anders, iets beters te doen had, werd zijn aarzeling grooter, zijn tegenzin sterker. En plotseling rees het beeld van Marie voor hem; zijn arm hart brak bij de gedachte, dat men hem vroeg van haar af te zien. Marie niet meer de zijne te noemen, haar aan een ander te geven, neen, neen, dat ging boven zijn menschelijke kracht! Nooit zou hij dien afschuwelijken moed hebben, om deze laatste liefdevreugde, die hij zich beloofd had, op te geven.

Twee dagen lang streed hij een vreeselijken strijd, waarin hij de zes jaren, die het jonge meisje reeds in het kleine gelukkige huisje geleefd had, herleefde. In den beginne was zij als het ware zijn aangenomen dochter geweest, en later, toen de gedachte aan een huwelijk met haar opkwam, had hij die met een kalme vreugde aanvaard, in de hoop, dat een dergelijke verbintenis een geluk voor allen in zijn omgeving zijn zou. Hij had tot nog toe alleen geweigerd te hertrouwen, omdat hij er tegen opzag zijn kinderen een nieuwe, onbekende moeder op te dringen; hij gaf aan de bekoring nog eenmaal lief te hebben en niet meer alleen te leven slechts toe, toen hij aan zijn haard zelf deze jeugdige bloem vond, deze vriendin, die ondanks het groote verschil in leeftijd de zijne wilde worden. Dan waren maanden verstreken, ernstige gebeurtenissen hadden hen gedwongen den datum te verschuiven, zonder dat hij daaronder te zeer leed. De zekerheid, dat zij op hem wachtte, was voor hem voldoende geweest. En thans, nu plotseling het gevaar dreigde, dat hij haar zou verliezen, brak en bloedde zijn zoo kalm hart. Nooit zou hij geloofd hebben, dat de band zoo vast toegeknoopt was, dat zij zoo diep in zijn hart wortelde. Voor dezen bijna vijftigjarigen man beteekende dit het losrukken zelf van de vrouw, van de laatste, die hij lief had en begeerde, en die des te begeerlijker was, omdat zij als het ware de jeugd verpersoonlijkte, welker geur hij niet meer inademen zou, als hij haar verloor.

Een waanzinnige, met toorn vermengde begeerte vlamde in hem op: hij wilde haar bezitten, en de gedachte, dat een ander hem haar was komen ontnemen, maakte zijn marteling nog erger.

Een nacht vooral, toen hij alleen in zijn kamer was, werd zijn kwelling bijna ondragelijk. Om de anderen niet wakker te maken, smoorde hij zijn snikken in zijn kussen. En toch was alles zoo eenvoudig: daar Marie zich gegeven had, zou hij haar houden. Hij had haar woord; hij zou haar dwingen het te houden, dat was alles! Dan zou hij haar tenminste alleen bezitten, zonder dat een ander eraan denken kon haar hem te ontstelen. En plotseling rees het beeld van dien ander in hem op, zijn broeder, den vergetene, dien hij uit liefde zelf gedwongen had in zijn familie te komen. Maar zijn smart was te groot: hij zou dien broeder wegjagen, een woede tegen hem greep hem aan, waarvan de heftigheid hem geheel krankzinnig maakte. Zijn broeder, zijn geliefde broeder! Het was dus uit met hun liefde, zij zouden elkaar met haat en toorn vergiftigen. Uren lang ijlde hij en zocht naar een middel, om Pierre te verwijderen, opdat wat gekomen was, niet verder geschieden zou. Nu en dan kreeg hij zijn zelfbeheersching terug en verwonderde zich, dat ondanks zijn hooge rede, ondanks de langjarige ervaring van den arbeid een dergelijke storm in hem losbreken kon. Maar in zijn kinderziel, die hij altijd bewaard had, woedde altijd zoo’n storm; naast de onverbiddelijke logica en zijn eenig geloof aan het waarneembare was in hem steeds een hoekje voor teedere gevoelens en droomerij gebleven. Zijn genie zelf had dit dualisme: de chemicus verbond zich op die wijze met den naar gerechtigheid hongerenden socialen dweper, die tot een groote liefde in staat was. De hartstocht sleepte hem mede; hij beweende Marie, zooals hij de ineenstorting van zijn droom, om den oorlog door den oorlog te dooden, het heil der menschheid, waaraan hij sedert tien jaar werkte, beweend zou hebben.