De drie steden: Parijs

Part 35

Chapter 353,807 wordsPublic domain

Intusschen had Pierre den afgevaardigde Dutheil en de kleine prinses Rosemonde, die voor hem zaten, herkend. Te midden van het vreeselijke lawaai der menigte, die, om den tijd te verdrijven, praatte en lachte, klonken hun stemmen het vroolijkst en verrieden hoe blij zij waren dit schouwspel, dat zooveel menschen trok, bij te kunnen wonen. Hij legde haar de zaal uit; alle banken, de kleine houten hokjes van de jury, den beklaagde, den verdediger, den ambtenaar van het openbaar ministerie, den griffier, de tafel met de overtuigingsstukken, en het getuigenbankje. Alles was nog ledig: een bediende wierp nog een laatsten onderzoekenden blik op alles; advocaten liepen vlug door de zaal. Men had kunnen gelooven in een schouwburg te zijn, waarvan het tooneel nog leeg was, terwijl de op hun plaatsen samengeperste menigte op het begin van het stuk wachtte. Om den tijd wat te bekorten, zocht de kleine prinses naar kennissen.

“Zeg, zit daar achter het Hof mijnheer Fonsègue niet naast die dikke dame in het geel? En daar aan den anderen kant onze vriend generaal de Bozonnet?... Is baron Duvillard er niet?”

“Neen,” antwoordde Dutheil; “dat zou moeilijk gaan. Het zou den schijn hebben, alsof hij hier wraak kwam eischen.”

Dan vroeg hij haar op zijn beurt.

“Hebt u onaangenaamheden gehad met uw mooien vriend Hyacinthe, dat u mij het groote genoegen gedaan hebt mij als cavalier te kiezen?”

Met een lichte schouderbeweging gaf zij te kennen, dat de dichters haar begonnen te vervelen. In een nieuwe gril was zij naar de politiek overgegaan en in de laatste acht dagen interesseerde zij zich hartstochtelijk voor de ministerieele crisis. De jonge afgevaardigde van Angoulême wijdde haar in de geheimen in.

“Ach, mijn waarde,” zeide zij; “de Duvillards zijn allemaal aan den overspannen kant... U weet natuurlijk, dat het huwelijk tusschen Camille en Gérard een uitgemaakte zaak is. De barones heeft er zich bij neergelegd en ik heb uit goede bron vernomen, dat madame de Quinsac, Gérard’s moeder, haar toestemming gegeven heeft.”

Dutheil lachte als wilde hij bewijzen, dat hij ook op de hoogte was.

“Ja, ja, ik weet het. Het huwelijk zal binnenkort in de Madeleine ingezegend worden—een huwelijk, waarvan de pracht de menschen nog lang zal doen praten... Een betere oplossing was bijna niet te vinden. In den grond der zaak is de barones de goedheid zelve; ik heb altijd gezegd, dat zij zich zou opofferen, om het geluk van haar dochter en Gérard te verzekeren... In het kort, dit huwelijk maakt alles weer goed, brengt alles weer in orde!”

“En wat zegt de baron ervan?” vroeg Rosemonde.

“De baron is in den zevenden hemel. U hebt vanochtend toch zeker wel gelezen dat Dauvergne de portefeuille van Openbaar Onderwijs gekregen heeft. Dat beteekent: Silviane in de Comédie-Française. Dat is de eenige reden, waarom Dauvergne minister geworden is.”

Hij schertste nog verder, maar op dat oogenblik zag de kleine Massot, die ruzie had met een bode, uit de verte een ledige plaats naast de prinses, en toen hij een vragend gebaar maakte, knikte zij toestemmend.

“Ja, het ging niet makkelijk,” zeide hij, terwijl hij naast haar plaats nam. “De journalistenbank is propvol, en bovendien moet ik nog een kroniek schrijven... Prinses, u bent de beminnelijkste van alle vrouwen, om wel een klein plaatsje in te ruimen voor uw zeer trouwen bewonderaar.”

Dan gaf hij Dutheil een hand en ging zonder eenigen overgang voort.

“Het ministerie is dus gevormd, mijnheer de afgevaardigde?... Het heeft lang geduurd, maar het is nu ook een prachtstuk!”

Inderdaad waren de besluiten dien ochtend in den Officiel verschenen. Na een lange crisis was, toen Vignon voor de tweede maal door onontwarbare moeilijkheden zijn combinatie had zien mislukken, Monferrand, dien men uit wanhoop op het Elysée geroepen had, op het tooneel verschenen. Binnen vier-en-twintig uur had hij de portefeuilles verdeeld en zijn lijst laten goedkeuren, zoodat hij nu triomphantelijk terugkeerde tot de macht, van welker hoogte hij met Barroux zoo jammerlijk gevallen was. Hij verwisselde als minister-president de portefeuille van Binnenlandsche Zaken met die van Financiën, wat van oudsher af zijn grootste eerzucht geweest was. Nu kwam de schoonheid van zijn heimelijk intrigeeren in het volle daglicht; de meesterlijke manier, waarop hij zichzelf weer opgevischt had door de arrestatie van Salvat, dan de buitengewone ondergrondsche campagne tegen Vignon, de tallooze hinderpalen, waarmede hij hem tot tweemaal toe den weg versperd had, en tenslotte de bliksemsnelle oplossing, die geheel gereed zijnde lijst, het in één dag in elkaar gezette ministerie.

“Een kranig stukje werk, mijn compliment,” herhaalde Massot spottend.

“Maar ik heb er niets aan gedaan,” zeide Dutheil bescheiden.

“Wat, niets aan gedaan? Maar dat kan iedereen u anders vertellen!”

De afgevaardigde glimlachte gevleid en de andere bleef dan ook met zijn toespelingen en sous-entendu’s doorgaan. Hij sprak van de bende van Monferrand, van de protégé’s, die hem, omdat zij zijn overwinning noodig hadden, zoo krachtig hadden gesteund. Hoe meedoogenloos had Fonsègue zijn ouden, lastig geworden vriend Barroux in den Globe laten afmaken! Een maand lang nu al verscheen er iederen ochtend een artikel, dat Barroux en Vignon vernietigde en den terugkeer van den redder, wiens naam niet genoemd werd, voorbereidde. Verder hadden de millioenen van Duvillard in het geheim den oorlog medegestreden en waren de creaturen van den baron in grooten getale als een leger in een geregeld gevecht ten strijde getrokken, afgezien nog van Dutheil, den pijper en den tamboer, en van Chaigneux, die zich nederig geschikt had in allerlei vuile opdrachten, waarmede niemand anders zich belasten wilde. En daarom zou het debuut van den triomphator Monferrand zeker hierin bestaan, dat hij de ergerlijke zaak der Afrikaansche sporen door het benoemen van een enquête-commissie in den doofpot stoppen zou.

Dutheil zette een gewichtig gezicht.

“Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? In ernstige uren, wanneer de maatschappij in gevaar geraakt, zijn er sterke mannen, staatslieden, die vanzelf op den voorgrond komen... Monferrand had onze vriendschap niet noodig; de toestand eischte gebiedend, dat hij aan het bewind kwam. Hij is de eenige vuist, die ons redden kan.”

“Ik weet het,” zeide Massot spottend. “Men heeft mij zelfs verzekerd, dat men het ministerie zoo vlug in elkaar gezet heeft, zoodat de benoemingen vanochtend nog in den Officiel kwamen, om de jury en den rechters moed te geven; nu Monferrand met zijn vuist achter hen staat, kunnen zij gerust vanavond het doodvonnis uitspreken.”

“Zeker, mijn waarde, een doodvonnis is in het openbaar belang; degenen, die voor onze sociale veiligheid zorgen moeten, behooren te weten, dat het ministerie aan hun zijde staat en hen, als het noodig is, zal weten te beschermen.”

“Zeg eens,” viel de prinses hen met een vriendelijk lachje in de rede, “is die dame, die naast Fonsègue is komen zitten, Silviane niet?”

“Het ministerie Silviane,” prevelde Massot. “Als Dauvergne met de actrices op goeden voet staat, zal je je bij hem niet vervelen.”

Guillaume en Pierre luisterden en hoorden, zonder het zelf te willen. Vooral de eerste werd door die mondaine kletspraatjes en politieke indiscreties zeer onaangenaam getroffen. Salvat ter dood veroordeeld nog voor hij gehoord was! Salvat moest boeten voor de fouten van allen, was niet meer dan een gunstige gelegenheid voor den triomf van een bende eerzuchtige genotzoekers! Moest eigenlijk niet alles instorten? Was deze plechtige zitting van menschelijke gerechtigheid niet een belachelijke parodie, waar hier slechts gelukkige bevoorrechten waren, die het in ruïne vallende gebouw, dat hen beschermde, verdedigden en de reusachtige macht, waarover zij nog beschikten, ontplooiden om een vlieg te verpletteren, een armen, half ontoerekenbaren drommel, dien zijn heftige en bedwelmende droom van een andere, hoogere en wrekende gerechtigheid hier gebracht had?

Maar er ging een huivering door de zaal: het sloeg twaalf uur, de jury trad binnen en ging als een onordelijke kudde op haar bank zitten. Het waren goedige gezichten, dikke mannen in hun Zondagsche pakjes, anderen weer mager met levendige oogen, baarden en kale hoofden; maar alles grijs en als uitgewischt, bijna niet te onderscheiden in de donkerte, waarin dat gedeelte der zaal gehuld was. Dan verscheen het Hof. Mijnheer de Larombardière, een der vice-presidenten van het Cour d’appèl, had dien dag het gevaarlijke eere-ambt van voorzitter. Hij overdreef nog de majestueuze uitdrukking van zijn lang, smal gezicht en zag er nog strenger uit, nu rechts en links van hem twee kleine bijzitters met roode wangen zaten, de een bruin en de ander blond. Reeds had mijnheer Lehmann, een der meest bekende en handige advocaten-generaal, een Elzasser met breede schouders en sluwe oogen, plaats genomen op de bank van het Openbaar Ministerie, wat wel bewees, welk een groot gewicht men aan de zaak hechtte. En eindelijk werd Salvat door de zwaar stappende gendarmes binnengebracht. Hij verwekte een zoo groote nieuwsgierigheid, dat de geheele zaal opstond. Hij droeg nog de muts en den zwaren, wijden paletot, dien hij van Victor gekregen had. Maar de aanblik van dat lange, vleeschlooze, teere, melancholieke gezicht met de enkele rossige en reeds grijzende haren en de mooie, zacht droomerige, brandende, blauwe oogen was voor allen een verrassing. Hij wierp een blik op het publiek en glimlachte tegen iemand, dien hij kende—Victor misschien of mogelijk Guillaume. Maar dan bewoog hij zich niet meer.

De president wachtte tot er weer een stilte ingetreden was, waarna al de formaliteiten, die de opening van een zitting vereischen, volgen konden. Vervolgens werd door een griffier met schelle stem de eindelooze acte van beschuldiging voorgelezen. Het aspect van de zaal was geheel veranderd; het publiek luisterde met een eenigszins ongeduldige moeheid, want sedert weken vertelden de couranten deze geschiedenis. Thans was er geen plaats leeg meer, voor het tribunaal was nog nauwlijks een kleine ruimte vrij voor de getuigen, die gehoord moesten worden. In deze saamgedrongen massa vormden de lichte toiletten der dames en de zwarte toga’s der advocaten bonte vlekken, waaronder de drie roode toga’s der rechters verdwenen. De estrade, waarop zij zaten, was zoo laag, dat men boven de andere hoofden het lange gezicht van den president nauwlijks onderscheiden kon. Velen keken vol belangstelling naar de jury, trachtten die in het duister gehulde, uitdrukkingslooze gezichten te ontcijferen. Anderen hadden geen oog af van den beschuldigde, verwonderden zich over zijn moe, onverschillig gezicht. Hij antwoordde nauwlijks op de vragen, welke zijn advocaat, een jong, talentvol man met een opgewekte stem, die zenuwachtig op de gelegenheid wachtte, om zich met roem te overdekken, hem halfluid deed. Maar de grootste belangstelling gold de tafel met de overtuigingsstukken, waarop alle mogelijke overblijfselen lagen: een splinter uit de koetspoort van het hôtel Duvillard, stukken kalk van het gewelf, een straatsteen, die door de kracht der ontploffing in tweeën gescheurd was. Doch de harten werden vooral getroffen door de intact gebleven kartonnen hoedendoos en in een met spiritus gevulde bokaal iets vaags en wits, het kleine, afgerukte handje van het loopmeisje, dat men op die wijze geconserveerd had, daar men het jammerlijke lichaam met de door de bom opengereten buik niet had kunnen bewaren of op de tafel leggen.

Eindelijk stond Salvat op en begon de president het verhoor, waarbij hij onmiddellijk een minachtenden toon aansloeg. Hij was over het algemeen een man met een eerlijk karakter, een der laatste vertegenwoordigers van de oude, nauwgezette en rechtschapen magistratuur; maar hij begreep niets van den nieuweren tijd en behandelde de beklaagden met de strengheid van den Bijbelschen God. Het kleine gebrek, dat de wanhoop van zijn leven uitmaakte, een lispelen, dat hem volgens zijn meening belet had als advocaat zijn geniale redenaarsgaven te ontwikkelen, maakte hem prikkelbaar, knorrig, deed hem onvatbaar zijn voor zachtheid. Toen zijn dun, scherp stemmetje de eerste vragen deed, werd er in de zaal geglimlacht, en hij voelde dat. De zoo grappige stem nam nog het beetje majesteit weg, dat overbleef in deze rechtszitting, waarvan het leven van een mensch afhing. Salvat beantwoordde de eerste vragen op zijn moede en beleefde manier. Toen de president hem trachtte te vernederen, hem de antecedenten van zijn ongelukkige jeugd voor de voeten wierp, zijn gebreken vergrootte en zijn leven met madame Théodore en de kleine Céline voor zedeloos uitmaakte, zeide hij kalm ja of neen als iemand, die niets te verbergen heeft en de volle verantwoordelijkheid voor zijn daden aanvaardt.

Hij had een volledige bekentenis afgelegd en herhaalde die in alle kalmte, zonder er een woord aan te veranderen. Hij had, zoo legde hij uit, het hôtel Duvillard uitgekozen om zijn bom neer te leggen, omdat hij aan zijn daad haar volle beteekenis wilde geven, de rijken, de geldmenschen, die zich door diefstal en leugen op een schandelijke wijze verrijkt hadden, aanmanen onmiddellijk aan de armen, aan de arbeiders, aan hun vrouwen en kinderen, die van honger crepeerden, hun aandeel in den gemeenschappelijken rijkdom terug te geven. Nu eerst kwam er leven in hem; al de geleden ellende steeg als een koorts naar het verwarde brein van den half-ontwikkelde, waarin zich de theorieën, de overprikkelde theorieën van onbeperkte gerechtigheid en algemeen geluk opgehoopt hadden. Van dat oogenblik leek hij wat hij in werkelijkheid was: een gevoelsmensch, een door het lijden geëxalteerde droomer, een nuchtere, trotsche, eigenzinnige man, die de wereld volgens zijn sectariërslogica herscheppen wilde.

“Maar je bent gevlucht,” zeide de president met zijn stem als een ratel. “Zeg dus niet, dat je je leven voor de goede zaak gaf en tot den martelaarsdood bereid was!”

Het eenige, waar Salvat bitter berouw over had, was, dat hij aan zijn drang om te vluchten in het Bois de Boulogne toegegeven had.

“Ik vrees den dood niet,” zeide hij, boos wordend; “dat zult u wel zien... O, mochten allen mijn moed hebben, dan zou morgen uw verrotte maatschappij weggevaagd zijn en het geluk eindelijk komen.”

Nu volgde een eindeloos verhoor over de vervaardiging van de bom zelf. Terecht merkte de president op, dat dit het eenige duistere punt in de zaak was.

“Dus je blijft er bij, dat het kruit, dat je gebruikt hebt, dynamiet is. Je zult straks de deskundigen hooren, die het weliswaar niet eens zijn, maar die aldus geconcludeerd hebben, dat er een andere springstof, die zij verder niet kunnen preciseeren, gebruikt moet zijn... Verberg dus niets voor ons, waar je er een eer in stelt verder alles te zeggen.”

Plotseling was Salvat kalm geworden; uiterst voorzichtig antwoordde hij nog slechts met monosyllaben.

“Zoek, als u mij niet gelooft... Ik heb mijn bom heelemaal alleen gemaakt en wel op de manier, die ik reeds honderdmaal herhaald heb... U verwacht toch zeker niet, dat ik namen noemen, dat ik kameraden verraden zal.”

En van die verklaring week hij niet af. Eerst tegen het einde maakte een onoverwinlijke ontroering zich van hem meester, toen de president terugkwam op het ongelukkige slachtoffer, het zoo blonde en knappe loopmeisje, dat het wreede noodlot daar gebracht had, om er een afschuwelijken dood te vinden.

“Een uit je eigen kringen heb je getroffen, een arm kind, dat haar oude grootmoeder met haar enkele sous loon ondersteunde.”

“Dat is het eenige, waar ik spijt van heb,” zeide Salvat met verstikte stem. “Zeker was mijn bom niet voor haar bestemd; mogen alle arbeiders, alle hongerlijders zich herinneren, dat zij haar bloed gegeven heeft, zooals ik het mijne geven zal.”

Zoo eindigde het verhoor te midden van een diepe ontroering. Pierre had Guillaume naast zich voelen beven, terwijl de aangeklaagde zoo kalm en hardnekkig bleef zwijgen over de gebruikte springstof en de geheele verantwoordelijkheid voor de daad, die hem zijn hoofd kosten kon, op zich nam. En toen Guillaume zich met een niet te bedwingen beweging omgekeerd had, zag hij den kleinen Victor Mathis, die zich niet bewoog, maar nog steeds met zijn elleboog op het schot en zijn kin in zijn handen, met zwijgenden hartstocht stond te luisteren. Maar zijn gezicht was nog bleeker, zijn vurige oogen geleken op twee groote gaten, waardoor men den wrekenden brand zag, welks vlammen niet meer uitgaan zouden.

In de zaal heerschte eenige minuten een geroezemoes van stemmen.

“Die Salvat ziet er heel goed uit,” zeide de prinses; “hij heeft zulke liefdevolle oogen... Neen, neen, mijnheer de afgevaardigde, u mag geen kwaad van hem zeggen. U weet, dat ik ook anarchistisch aangelegd ben.”

“Ik zeg heelemaal geen kwaad van hem,” antwoordde Dutheil vroolijk, “evenmin als onze vriend Amadieu recht heeft dat te doen, want deze zaak heeft hem op het toppunt van zijn roem gebracht... Nooit heeft men zooveel over hem gesproken, en dat vindt hij heerlijk. Nu is hij de meest bekende en beroemde rechter van instructie, die doen en worden kan wat hij wil.”

Massot vatte met zijn ironische onbeschaamdheid den toestand samen.

“Ja, als het de anarchie goed gaat, gaat alles goed... Deze bom heeft de zaken van verscheidene personen, die ik de eer heb te kennen, weer in het reine gebracht... Gelooft u bijvoorbeeld, dat mijn patroon Fonsègue, die zijn buurvrouw zoo galant het hof maakt, zich te beklagen heeft? En gelooft u, dat Sanier, die zoo’n hooge borst zet achter den president en die veel meer zou thuis hooren tusschen de vier gendarmes, Salvat niet uiterst dankbaar zijn moet voor de reclame, die hij op den rug van dien ongelukkige heeft kunnen slaan. En nu spreek ik nog niet eens van de politici of van de geldmannen of van al degenen, die in troebel water visschen...”

“Maar zeg eens,” viel Dutheil hem in de rede; “ik geloof, dat u ook een aardig voordeeltje uit het geval geslagen hebt... Dat interview van de kleine Céline zal u wel een aardigen duit opgeleverd hebben.”

Inderdaad was Massot op het geniale denkbeeld gekomen madame Théodore en de kleine Céline op te zoeken en zijn bezoek met allerlei roerende en intieme bijzonderheden in den Globe te vertellen. Het artikel had een buitengewoon succes gehad; de aardige antwoorden, die Céline over haar gevangen genomen vader gegeven had, troffen alle gevoelige zielen zoo zeer, dat dames in equipages naar de beide arme schepsels kwamen, de aalmoezen toestroomden en zelfs de menschen, die het hoofd van den vader eischten, voor het kind de grootste sympathie hadden.

“Maar ik klaag heelemaal niet over het voordeeltje,” antwoordde de journalist. “Ieder verdient wat hij kan en zooals hij kan.”

Op dat oogenblik herkende Rosemonde achter zich Guillaume en Pierre, en haar verbazing, toen zij den laatste in een gewone jas zag, was zóó groot, dat zij hem niet durfde aanspreken. Zij boog zich wat voorover en deelde ongetwijfeld haar verbazing aan Dutheil en Massot mede, want zij keerden zich beiden om; maar uit discretie deden beiden ook of zij niets zagen. De hitte werd onverdragelijk; een dame was flauw gevallen. En weer verkreeg de lispelende stem van den president stilte.

Salvat stond met enkele blaadjes papier in zijn hand en wist met moeite te kennen te geven, dat hij zijn verhoor wilde aanvullen door een verklaring, die hij van te voren gereed gemaakt had en waarin hij de redenen, die hem tot zijn daad hadden gebracht, uiteenzette. Verbaasd en heimelijk boos aarzelde mijnheer de Larombardière en trachtte een dergelijke verklaring te beletten, maar daar hij begreep, dat hij den beschuldigde den mond niet snoeren kon, gaf hij hem met een geprikkeld en tevens minachtend gebaar verlof zijn verklaring voor te lezen. Salvat begon; eerst stotterde hij, vergiste hij zich en legde hij enkele malen een buitengewonen nadruk op woorden, waarover hij zichtbaar zeer voldaan was. Het was de kreet van lijden en opstand, dien reeds zoovele onterfden uitgestooten hadden: de vreeselijke ellende in de laagste klassen, de arbeider kon van zijn werk niet leven, een geheele klasse, en nog wel de talrijkste en de meest waardige, stierf van honger, terwijl anderzijds de bevoorrechten, de met rijkdom volgepropten, zelfs de kruimels van hun tafel weigerden en niets van het gestolen fortuin wilden teruggeven. Men moest hun dus alles weer ontnemen, hen door vreeselijke waarschuwingen uit hun egoïsme wekken, hun met bomaanslagen aankondigen, dat de dag der gerechtigheid gekomen was.

En dit woord gerechtigheid stiet de ongelukkige uit met een donderende stem, die de geheele zaal vulde. Maar de grootste ontroering verwekte de prophetie, waarmede hij eindigde, nadat hij zijn leven ten offer gebracht had, terwijl hij den gezworenen toeriep, dat hij van hen niets anders dan den dood verwachtte: andere martelaars zouden uit zijn bloed geboren worden. Men kon hem naar het schavot zenden, hij wist, dat zijn voorbeeld andere helden zou verwekken. Na hem een andere wreker, en nog een, steeds weer andere, totdat de oude verrotte maatschappij instorten zou, om plaats te maken voor de maatschappij van gerechtigheid en geluk, waarvan hij de apostel was.

Tot tweemaal toe was de ongeduldig wordende president hem in de rede gevallen, maar Salvat bleef met de onverstoorbaarheid van een dweper, die bang is de belangrijke woorden slecht te zeggen, doorlezen. Aan deze verklaring had hij blijkbaar, sedert hij in de gevangenis zat, gewerkt. Hij bezegelde daarmede zijn zelfmoord, hij gaf daarmede zijn leven in ruil voor den roem voor de menschheid gestorven te zijn. Toen hij klaar was, ging hij weer met schitterende oogen, roodgekleurde wangen en een uitdrukking van groote, innerlijke vreugde tusschen de gendarmen zitten.

Om het effect van deze verklaring te niet te doen, ging de president onmiddellijk tot het hooren der getuigen over. Het was een eindelooze reeks, die slechts matig belang inboezemde, daar geen van allen opzienbarende onthullingen te doen had. De fabrikant Grandidier vertelde eenvoudig, dat hij Salvat wegens anarchistische propaganda had moeten ontslaan, terwijl Toussaint, Salvat’s zwager, zonder te liegen, alles zoo gunstig mogelijk voorstelde. Een lange discussie had plaats tusschen de deskundigen, die het nu in het openbaar evenmin eens worden konden als in hun rapporten, want, al stemden zij allen overeen in hun verklaring, dat het gebruikte kruit geen dynamiet kon zijn, over de samenstelling daarvan gaven zij de meest uiteenloopende en tegenstrijdige meeningen te kennen.

Vervolgens werd een rapport van den beroemden geleerde Bertheroy voorgelezen, die alles zeer juist resumeerde door te concludeeren, dat men hier te doen had met een nieuwe, buitengewoon krachtige springstof, waarvan hij zelf de formule niet kende. Na Mondésir en Dupot, die van de klopjacht in het Bois de Boulogne vertelden, en de grootmoeder van het jonge loopmeisje, die men de wreedheid gehad had als getuige te dagvaarden, volgde een groot aantal getuigen à décharge, een eindelooze rij meesterknechts, kameraden en vrienden van Salvat, die allen verklaarden, dat hij een fatsoenlijke man, een knap en dapper werkman was, die nooit dronk, zijn dochtertje aanbad en niet in staat was, om een laagheid te begaan.

Het was reeds vier uur vóór het getuigenverhoor ten einde liep. In de brandend-heete zaal heerschte een koortsachtige uitputting, die het bloed naar het gelaat dreef, terwijl een soort roodachtig stof het door de ramen binnenvallende, verbleekende licht verduisterde. Vrouwen bewogen haar waaiers op en neer, mannen veegden hun voorhoofd af. Maar de hartstocht, dien het schouwspel opwekte, deed in aller oogen een harde vreugde ontvlammen.

“Ik had zoo gehoopt om vijf uur bij een vriendin een kop thee te drinken,” zuchtte Rosemonde. “Ik zal nog omkomen van honger.”