De drie steden: Parijs

Part 34

Chapter 343,989 wordsPublic domain

“Ik kan niet zeggen, dat ik het koud heb,” zeide Pierre, die naast haar kwam zitten en zijn voorhoofd afveegde.

Zij lachte en zeide, dat zij hem nog nooit met zoo’n kleur gezien had. Eindelijk kon je merken, dat hij bloed onder zijn huid had. En zij begonnen te praten als twee kinderen, als twee kameraden, vonden de kinderlijkste dingen grappig. Zij was bang, dat hij koude zou vatten, wilde niet, dat hij in de schaduw bleef, omdat hij het zoo warm had, zoodat hij, om haar haar zin te geven, met zijn rug in de zon moest gaan zitten. Dan bevrijdde hij op zijn beurt haar van een spin, een groote zwarte spin, die met haar pooten in haar kroezende nekhaartjes verward raakte. In het schrikgilletje, dat zij uitstiet, kwam de vrouw in haar weer te voorschijn. Het was toch eigenlijk dwaas om zoo bang te zijn voor spinnen! Maar het lukte haar niet om zich te beheerschen, zij bleef bleek en beefde.

Een zwijgen volgde, zij keken elkaar glimlachend aan en voelden te midden van dit heerlijke bosch een teedere vriendschap voor elkaar, die beiden broederlijk waanden. Zij was gelukkig, dat zij zich voor hem was gaan interesseeren, hij dankbaar voor de genezing en de gezondheid, die grootendeels haar werk waren. Maar zij sloegen hun oogen niet neer, hun handen raakten elkaar zelfs niet aan, terwijl zij door het gras streken, want zij waren zoo onschuldig en zoo rein als de groote eiken om hen heen. Toen zij hem in haar afkeer voor alle vernietiging belet had de spin te dooden, begon zij weer verstandig over allerlei dingen te spreken als een meisje, dat alles wist en door het leven niet verlegen gemaakt wordt, zoo zeker was zij ervan nooit iets te doen dan wat zij doen wilde.

“Zeg eens,” riep zij eindelijk; “laten we erom denken, dat ze ons met het dejeuner thuis verwachten.”

Zij stonden op en duwden hun fietsen naar den straatweg. In flinke vaart gingen zij weer terug en reden door de prachtige laan, die bij het kasteel uitkomt, over les Loges naar Saint-Germain. Ze vonden het heerlijk weer zoo naast elkander voort te snellen. En vertrouwelijk zetten zij hun gesprek voort.

In den trein, die hen van Saint-Germain naar Parijs terugbracht, zag Pierre, dat Marie plotseling een hoogroode kleur kreeg. Twee dames zaten met hen in dezelfde coupé.

“Nou heb jij het warm!”

Zij protesteerde, maar alsof een gevoel van schaamte haar aangreep, werd haar gezicht nog rooder.

“Ik heb het heelemaal niet warm, voel mijn handen maar... Is het niet belachelijk om zonder eenige reden een kleur te krijgen!”

Hij begreep het: het was weer een van die onwillekeurige opwellingen van haar jonkvrouwelijk hart, welke het bloed naar haar wangen joegen en waarover zij zich zoo ergerde. Zonder eenige reden, zeide zij. Maar het hart, dat daar in de eenzaamheid van het woud onschuldig sliep, klopte thans, zonder dat zij het zelf wist.

Intusschen was Guillaume na het vertrek van de kinderen, zooals hij ze noemde, weer begonnen aan het vervaardigen van zijn geheimzinnig kruit, waarvan hij de patronen boven in de kamer van Grootmoeder bewaarde. De vervaardiging was buitengewoon gevaarlijk, de minste onachtzaamheid gedurende het werk, het te laat sluiten van een kraan, kon een vreeselijke ontploffing veroorzaken, die het huis en zijn bewoners in de lucht zou doen vliegen. Hij wachtte daarom liever tot hij alleen was en geen gevaar voor anderen of afleiding voor zichzelf behoefde te vreezen. Maar ditmaal werkten zijn drie zoons toch in het groote atelier. Zooals gewoonlijk zat Grootmoeder rustig bij de kachel te naaien. Maar zij telde niet mede; zij was dapper, verliet nooit haar plaats, zat rustig te midden van het gevaar; ja zij hielp zelfs Guillaume bij zijn werk, kende even goed als hij de verschillende phases van de moeilijke bewerking met al haar vreeselijke bedreigingen.

Toen zij zag, hoe afgetrokken hij dien ochtend was, keek zij dikwijls op van het linnengoed, dat zij ondanks haar zeventig jaar noch steeds zonder bril verstelde. Met één oogopslag vergewiste zij zich, dat hij niets vergat, en ging dan weer aan haar werk. Gewoonlijk sprak zij weinig, discussieerde nooit, handelde en leidde, en opende haar mond slechts om een verstandigen, flinken, dapperen raad te geven. Wat zij dacht en wat zij wilde kon men slechts uit haar antwoorden te weten komen, korte woorden, waaruit haar rechtvaardige en dappere ziel sprak.

Vooral in den laatsten tijd scheen zij nog stiller te worden, terwijl zij in het huis, waarin zij de onbeperkte heerscheres was, druk bezig was en met haar mooie, peinzende oogen haar klein volkje, de drie zoons, Guillaume, Marie en Pierre, die haar allen als een erkende koningin gehoorzaamden, gadesloeg. Had zij veranderingen gezien, feiten opgemerkt, die niemand om haar heen nog zag of opmerkte? Zij was nog ernstiger geworden, als verwachtte zij, dat het oogenblik nabij was, waarop men haar wijsheid en autoriteit noodig hebben zou.

“Let wat beter op, Guillaume, je bent zoo verstrooid vanochtend,” zeide zij eindelijk. “Is er iets, dat je hindert?”

“Niets hoor,” antwoordde hij, terwijl hij haar glimlachend aankeek. “Ik dacht aan onze goede Marie, die zoo blij was, dat zij op dezen mooien, zonnigen dag naar het bosch kon.”

Antoine had opgekeken, terwijl de beide andere broers in hun werk verdiept bleven.

“Jammer dat ik juist vandaag die houtsnede af moest hebben. Ik zou zoo graag met haar meegegaan zijn.”

“Kom,” zeide de vader met zijn kalme stem, “Pierre is bij haar; Pierre is heel voorzichtig.”

Een oogenblik nog nam Grootmoeder hem onderzoekend op; dan ging zij weer aan haar werk. Haar heerschappij over het huishouden, waaraan ouden en jongen zich onderwierpen, vond haar oorzaak in de lange toewijding, in den takt, in de goedheid, waarmede zij regeerde. Van geboorte Protestant, had zij zich later van alle godsdienstige geloofsbelijdenissen bevrijd, paste zij op alles slechts die idee van menschelijke gerechtigheid toe, welke zij zichzelf, na zooveel geleden te hebben door de onrechtvaardigheid, waaraan haar man gestorven was, had gevormd. Zij was daarbij buitengewoon dapper, kende geen vooroordeelen, deed volkomen haar plicht, zooals zij dien opvatte. En zooals zij zich aan haar echtgenoot en dan aan haar dochter Marguerite gewijd had, zoo wijdde zij zich thans aan den man van haar dochter en aan haar kleinzoons, aan Guillaume en zijn kinderen. Nu was ook Pierre, dien zij eerst vol onrust gadegeslagen had, in haar familie gekomen en maakte deel uit van het kleine, gelukkige wereldje, waarover zij heerschte. Ongetwijfeld had zij hem die eer waardig gekeurd. Zij vertelde nooit gaarne de diepere oorzaken, die haar tot een besluit brachten. Na eenige dagen van zwijgen had zij op een avond aan Guillaume slechts gezegd, dat hij er goed aan gedaan had zijn broer mede te brengen.

Tegen twaalven riep Guillaume, die nog steeds aan zijn werk was, uit:

“Nou zijn de kinderen nog niet thuis; wij zullen nog maar even wachten voor we aan tafel gaan.”

Een kwartier nog verliep. De drie jongens legden hun werk neer en gingen in den tuin hun handen wasschen.

“Marie blijft lang weg,” zeide Grootmoeder. “Als er maar niets met haar gebeurd is.”

“O, zij rijdt goed, zij is zeker van zichzelf,” antwoordde Guillaume. “Ik maak mij meer ongerust over Pierre.”

Weer keek zij hem aan.

“Zij zal wel voor hem gezorgd hebben; ze rijden samen al heel goed.”

“O zeker, maar ik wou toch liever maar, dat zij thuis waren.”

Dan meende hij plotseling de bellen der fietsen te hooren; hij riep, dat zij het waren en in zijn blijdschap vergat hij alles, liet zijn werk in den steek, om hen in den tuin tegemoet te gaan.

Grootmoeder bleef kalm doornaaien, zonder er zelf ook aan te denken, dat vlak naast haar stoel het kruit bijna klaar was. En toen twee minuten later Guillaume terugkwam en zeide, dat hij zich vergist had, werd hij doodsbleek en staarde naar den oven. Het juiste oogenblik, waarop het sluiten van een kraan alle mogelijke gevaar voor een ontploffing voorkwam, was gedurende zijn korte afwezigheid voorbijgegaan; nu zou ieder oogenblik de vreeselijke explosie kunnen volgen, wanneer niet een dappere hand de kraan durfde gaan dichtdraaien. Het moest reeds te laat zijn, de dappere, die dat deed, zou verpletterd worden.

Dikwijls had Guillaume den dood op die wijze met volmaakte onverschrokkenheid onder de oogen gezien. Maar ditmaal bleef hij als aan den grond vastgenageld; hij durfde geen stap voorwaarts te doen, zijn geheele wezen kwam door dien angst voor vernietiging in verzet. Hij klappertandde, stamelde in afwachting van de catastrophe, die het huis in de lucht dreigde te doen vliegen:

“Grootmoeder, Grootmoeder!... Het apparaat, de kraan!... Uit, uit, uit...”

De oude vrouw had opgekeken zonder nog te begrijpen.

“Wat is er? Wat heb je toch?”

Maar hij zag er zoo door angst vertrokken uit, hij week, van schrik krankzinnig, zoo achteruit, dat zij naar den oven keek en het verschrikkelijke gevaar bemerkte.

En zonder overhaasting, alsof het de eenvoudigste zaak ter wereld was, legde zij haar werk op het tafeltje, stond op en sloot met een hand, die zelfs niet beefde, de kraan.

“Ziezoo, dat is alweer klaar. Maar waarom heb je het zelf niet gedaan, beste jongen?”

Met open mond en verstijfd als was hij door de hand des doods aangeraakt, had hij haar met zijn oogen gevolgd. Toen het bloed weer naar zijn wangen kwam en hij weer levend voor het nu ongevaarlijke toestel stond, stootte hij, nog steeds rillend en verschrikt, een diepen zucht uit:

“Waarom ik de kraan niet dichtgedraaid heb?... Omdat ik bang was!”

Op dat oogenblik kwamen Marie en Pierre, verrukt over hun fietstocht, terug; zij praatten, lachten en brachten de vroolijkheid van den helderen zonnedag mee in huis. De drie broers, die uit den tuin terugkwamen, plaagden hen, wilden met alle geweld, dat zij bekennen zouden, dat Pierre met een koe gevochten had en dwars door een veld met haver gereden was. Maar toen zij het vertrokken gelaat van hun vader zagen, maakte een plotselinge ongerustheid zich van hen meester.

“Kinderen, ik ben laf geweest... Vreemd hè, lafheid is een gevoel, dat ik tot nog toe niet gekend heb.”

En hij vertelde zijn vrees voor het ongeluk, zijn schrik, de kalme manier, waarop Grootmoeder hen allen van een wissen dood gered had. Zij maakte een klein gebaar, als wilde zij zeggen, dat het omdraaien van een kraan zoo’n groote heldendaad niet was; maar de oogen van de drie jongens schoten vol tranen en de een na den ander gingen zij haar een kus geven, waarin zij de dankbaarheid, de vereering legden, die zij voor haar hadden. Sedert hun jeugd had zij hun alles gegeven, en nu gaf zij hun ook het leven. Marie had zich ook in haar armen geworpen en kuste haar vol dankbaarheid en ontroering. Alleen Grootmoeder weende niet; zij kalmeerde hen allen: men moest niet overdrijven en altijd verstandig blijven.

“Neen, nu moet u mij ook nog toestaan u een zoen te geven, want dat ben ik u wel schuldig,” zeide Guillaume, die zijn zelfbeheersching terugkreeg. “En Pierre zal dat ook doen; u bent net zoo goed voor hem als u altijd voor ons geweest is.”

Toen zij eindelijk aan tafel zaten, kwam hij op dien angst, dien hij nog niet begreep en waarvoor hij zich schaamde, terug. Sedert eenigen tijd had hij, die vroeger nooit aan den dood dacht, gemerkt, dat hij voorzichtig begon te worden. Tweemaal reeds had hij voor de mogelijkheid van een catastrophe gebeefd. Hoe kwam het, dat hij thans zoo aan het leven hechtte?

“Ik geloof eigenlijk, Marie, dat de gedachte aan jou mij laf maakt,” zeide hij eindelijk vroolijk en met iets van ontroerde teederheid in zijn stem. “Dat ik minder dapper ben, komt zeker, omdat ik tegenwoordig wat kostbaars op het spel heb te zetten. Ik moet het geluk behoeden... Daareven, toen ik geloofde, dat wij allen sterven moesten, zag ik jou voor mij; de angst jou te verliezen verstijfde en verlamde mij.”

Marie begon vriendelijk te lachen. Toespelingen op hun aanstaand huwelijk kwamen niet veel voor, maar zij nam ze steeds met een gelukkig, liefdevol gezicht op.

“Zes weken nog,” zeide zij eenvoudig.

Grootmoeder, die naar hen gekeken had, wendde nu haar blikken naar Pierre. Deze luisterde eveneens glimlachend.

“Het is waar, over zes weken zijn jullie getrouwd,” zeide zij. “Ik heb er dus maar goed aan gedaan het huis niet in de lucht te laten vliegen.”

Op hun beurt begonnen nu ook Thomas, François en Antoine te lachen, zoodat het dejeuner in een vroolijke stemming eindigde.

’s Middags voelde Pierre hoe langzamerhand een zwaar gewicht op zijn hart begon te drukken. Het woord van Marie: “Zes weken nog” kwam telkens in zijn geest terug. Ja, binnen zes weken zou zij getrouwd zijn. En het scheen hem toe, alsof hij dat vroeger nooit geweten, alsof hij daar nooit aan gedacht had. ’s Avonds in zijn kamer te Neuilly werd het een ondragelijke smart. Het woord martelde, doodde hem. Waarom had hij niet dadelijk geleden, toen hij het glimlachend hoorde? Waarom was de smart zoo langzaam, zoo hardnekkig, zoo wreed over hem gekomen? Plotseling werd hem de waarheid in al haar verplettering duidelijk. Hij had Marie lief, had haar lief met echte liefde, tot stervens toe.

En deze plotselinge openbaring wierp op alles een helder licht. Hij zag, hoe hij sedert de eerste ontmoeting onweerstaanbaar deze liefde tegemoet gegaan was, hoe hij zich eerst gekwetst gevoeld en de opwinding, waarin het jonge meisje hem had gebracht, voor vijandigheid aangezien had, om dan door de goddelijke zachtmoedigheid van haar overwonnen te worden. Tot haar werd hij na zooveel marteling en zooveel strijd gevoerd; in haar vond hij eindelijk slechts rust. Maar vooral die heerlijke fietstocht van vandaag verscheen hem nu in het ware licht als een verlovingsochtend in den schoot van het gelukkige en medeplichtige bosch. De natuur had hem weer in haar armen genomen, hem van zijn marteling bevrijd en hem, gezond en krachtig, aan de vrouw, die hij aanbad, gegeven.

Zijn huivering, zijn gevoel van geluk, zijn volkomen zich één voelen met de boomen, de dieren en den hemel, alles, wat hij zich niet verklaren kon, kreeg nu een zeer duidelijke beteekenis. Slechts Marie was zijn genezing, zijn hoop, de zekerheid, dat hij herboren en eindelijk gelukkig worden zou. Reeds had hij in haar gezelschap de angstaanjagende problemen, alles wat hem vervolgde en verpletterde, vergeten; ja, sedert een week was de gedachte aan den dood, die zoo lang zijn makker van ieder uur geweest was, niet meer bij hem opgekomen. De strijd tusschen geloof en twijfel, de wanhoop van het Niet in hem, zijn toorn tegen het onrechtvaardige lijden, dat alles had zij met haar frissche handen weggenomen; zij zelf was zoo gezond, zoo levenslustig, dat zij hem den levenslust teruggegeven had. Dat was het: zij maakte van hem den man, den werker, den minnaar en den vader.

Plotseling dacht hij aan het pijnlijke en smartelijke gesprek, dat hij op een ochtend met den goeden abbé Rose gehad had. Dit onschuldige, in liefdeszaken zoo onwetende hart was dus het eenige geweest, dat alles had doorzien en begrepen. Hij had hem gezegd, dat hij veranderd, dat er een ander mensch in hem gevormd was. En hij was als een dwaas blijven zweren, dat hij dezelfde was, nadat Marie hem reeds geheel veranderd had door de geheele natuur aan zijn borst te leggen: de zonnige velden, de bevruchtende winden, den wijden hemel, die de oogsten rijpen doet. Dat was de reden, waarom het Katholicisme, de godsdienst van den dood, hem tot zoo’n wanhoop gebracht, waarom hij het uitgeschreeuwd had, dat het Evangelie uitgediend had en de wereld een anderen codex, een wetboek van aardsch geluk, van menschelijke rechtvaardigheid, van levende liefde en vruchtbaarheid verwachtte!

Maar Guillaume? Hij zag plotseling het beeld van zijn broeder voor zich oprijzen, van zijn broeder, die hem in zijn werkzaam, vreedzaam en liefderijk huis gebracht had, om hem te genezen. Dat hij Marie kende had hij aan Guillaume te danken. “Zes weken nog” klonk het hem weer in de ooren. Over zes weken zou zijn broer met het jongemeisje trouwen. Het was alsof een dolk in zijn hart gestooten werd! Geen seconde aarzelde hij: als hij erdoor sterven moest, zou hij erdoor sterven, maar niemand zou zijn liefde kennen; hij zou zich overwinnen, vluchten, ver weg, als hij zich laf worden voelde. Zijn broeder, die zijn opstanding gewild had, die de bewerker van zijn vurigen hartstocht was, die zijn vertrouwen zoo ver uitgestrekt had hem alles van zijn hart en van de zijnen te geven! Neen, neen, liever dan hem één uur verdriet te veroorzaken zou hij zichzelf tot een eeuwige marteling veroordeelen. En inderdaad begon zijn marteling opnieuw, want als hij Marie verloor, zou hij weer in de wanhoop van het Niet terugvallen. Reeds begon op zijn bed, waarin hij slapeloos woelde, het verschrikkelijke: de negatie van alles, de nutteloosheid van alles, het geloochende en vervloekte leven. Weer kwam de angst voor den dood. Sterven, sterven zonder geleefd te hebben!

O, welk een vreeselijke strijd! Tot het aanbreken van den dag martelde hij zich en steunde. Waarom had hij zijn soutane afgelegd? Een woord van Marie had hem er toe gebracht haar uit te trekken; een woord van Marie gaf hem de wanhopige gedachte het priesterkleed weer aan te nemen. Zijn kerker kan men niet ontsnappen. Dat zwarte kleed plakte aan zijn huid; hij verbeeldde zich het niet meer te dragen, maar het brandde nog op zijn schouders: het eenige verstandige was zich er voor altijd in te begraven! Op die wijze zou hij tenminste rouw dragen over zijn manlijkheid!

Nog een andere gedachte bracht hem geheel van streek. Waarom streed hij zoo? Marie had hem niet lief. Gedurende hun fietstocht was er niets gebeurd, dat hem kon doen gelooven, dat zij anders van hem hield dan als een goede, lieve zuster. Ongetwijfeld had zij Guillaume lief. Hij verstikte zijn luide snikken in zijn kussen en zwoer weer zichzelf te overwinnen en glimlachend getuige te zijn van hun geluk.

IV.

Pierre ging den volgenden dag weer naar Montmartre, maar leed daar zóó, dat hij de twee volgende dagen niet ging. Hij sloot zich in zijn huisje op, waar niemand zijn koortsachtige opwinding zien kon. Op een ochtend, dat hij nog wanhopig en moedeloos in bed lag, zag hij tot zijn verbazing zijn broer Guillaume binnenkomen.

“Ik moet me wel de moeite geven naar jou te gaan, nu jij ons zoo alleen laat zitten... Ik kom je halen voor de zaak-Salvat; het proces komt vandaag voor. Ik heb met groote moeite twee plaatsen kunnen krijgen... Allo, sta op, wij zullen in een restaurant dejeuneeren en zorgen vroegtijdig in de zaal te zijn.”

Hij zelf scheen gepreoccupeerd en onrustig, en toen Pierre zich aan het kleeden was, vroeg hij:

“Heb je ons iets te verwijten?”

“Wel neen! Hoe kom je op het idee?”

“Waarom kom je dan niet meer? We zagen je iederen dag en nou blijf je eensklaps weg!”

Pierre zocht vergeefs naar een leugen.

“Ik moest hier werken... En bovendien, die melancholieke buien zijn ook weer teruggekomen, zoodat ik jullie ook maar treurig gestemd zou hebben.”

“Geloof je soms, dat je wegblijven ons vroolijk maakt?” vroeg Guillaume met een bruusk gebaar. “Marie, die altijd zoo gezond en opgewekt is, had eergisteren zoo’n migraine, dat zij haar kamer heeft moeten houden. Ook gisteren voelde zij zich nog alles behalve goed, zenuwachtig en stil. We hebben een beroerden dag gehad.”

Hij keek hem recht in zijn gelaat met zijn open oogen, waarin de ontwakende argwaan, dien hij niet uitspreken wilde, duidelijk te lezen was.

Verschrikt door het denkbeeld, dat hij zichzelf zou kunnen verraden, slaagde Pierre er ditmaal in te liegen; met kalme stem antwoordde hij:

“Ja, ze voelde zich al niet lekker, toen we samen dien fietstocht maakten... En wat mij betreft, ik heb het erg druk gehad. Ik wou juist opstaan, om weer naar jullie te komen.”

Een oogenblik nog keek Guillaume hem aan; dan begon hij, blijkbaar gerustgesteld of het tot later uitstellend, om achter de waarheid te komen, over andere dingen te praten; maar ondanks deze in hem zoo krachtige broederlijke teederheid bleef zulk een rilling van niet bekende en misschien onbewuste smart in hem achter, dat zijn broeder nu op zijn beurt vroeg:

“Maar ben jij soms ziek? Het is alsof je niet de gewone kalme rust van altijd hebt!”

“Ik? Neen, ik mankeer niets, hoor! Maar mijn gewone kalme rust wordt wel in gevaar gebracht. Dat proces van Salvat brengt me heelemaal uit mijn gewone doen. Zij zullen me met hun schandelijke onrechtvaardigheid, waarmede zij allen dien ongelukkige verpletteren willen, nog razend maken.”

Van af dat oogenblik sprak hij nog slechts over Salvat, wond hij zich op, als wilde hij in deze zaak een verklaring zoeken voor al zijn woede, voor al zijn lijden. Onder het dejeuner in een restaurant op den boulevard du Palais zeide hij, hoezeer hij getroffen was door het zwijgen van Salvat zoowel wat betreft den aard van het kruit, waarmede hij de bom gevuld had, als wat de enkele dagen aangaat, die hij bij hem gewerkt had. Dank zij dat zwijgen had men hem met rust gelaten en zelfs niet als getuige opgeroepen. Vol ontroering kwam hij weer op zijn uitvinding terug, die vreeselijke machine, welke aan het bevrijdende Frankrijk de almacht verzekeren moest. De resultaten van zijn onderzoekingen der laatste tien jaar waren nu buiten alle gevaar, gereed en definitief, zoodat zij iederen dag aan de Fransche regeering gegeven konden worden. Maar afgezien van sommige heimelijke gewetensbezwaren, die hij tegenover de schaamteloosheid der financieele en politieke wereld voelde, wilde hij nog slechts op zijn huwelijk met Marie wachten, om haar met een roerende galanterie deel te laten nemen aan het prachtige geschenk, dat hij de wereld geven wilde: den wereldvrede.

Door bemiddeling van Bertheroy had Guillaume met groote moeite twee plaatsen gekregen; maar toen hij om elf uur, het uur, waarop de deuren geopend werden, met Pierre kwam, geloofden zij niet meer binnen te zullen komen. Alle hekken waren gesloten, de corridors door middel van planken afgezet, een storm van schrik en angst loeide door het ledige Paleis, als waren de magistraten bang voor een invasie van met bommen gewapende anarchisten. Men vond er weer de rilling van den ontzettenden angst, die Parijs sedert drie maanden doorschokte. De twee broers moesten bij alle door militairen bewaakte deuren en gangen onderhandelen, en toen zij eindelijk in de zaal kwamen, was deze reeds propvol met het opgehoopte publiek, dat zich daar een uur lang voor het binnenkomen van het Hof verdrong en er zich in schikte zich daar acht of negen uur niet te kunnen verroeren, want het gerucht ging, dat men het proces in één zitting wilde doen afloopen. In het zoo kleine, voor het publiek gereserveerde deel verdrong zich een dichte menigte nieuwsgierigen, waaronder enkele vrienden en kameraden van Salvat, aan wie het ondanks alle voorzorgsmaatregelen gelukt was binnen te komen. In het andere gedeelte, waarin de getuigen samengeperst werden, zaten op de eikenhouten banken de genoodigden, zij, die door de een of andere gunst binnen mochten komen; er waren er echter te veel, zoodat men bijna op elkaars schoot zat. In het praetorium waren als in een schouwburg stoelen gezet, die de open ruimte tot achter het Hof innamen. Daar zat de bevoorrechte beau monde, politici, journalisten, terwijl de groote stroom advocaten in toga op goed geluk af in alle hoekjes ondergebracht was.

Pierre en Guillaume konden nog juist twee plaatsen vinden op de laatste bank der getuigenafdeeling tegen het schot van de publieke tribune. Toen Guillaume ging zitten, zag hij den kleinen Victor Mathis, die, met zijn ellebogen op het beschot leunende, zijn kin in zijn gevouwen handen liet rusten; zijn oogen in het bleeke gezicht met de magere lippen brandden. De twee mannen herkenden elkaar, maar Victor verroerde zich niet en Guillaume begreep, dat het niet raadzaam was elkander hier te groeten.