Part 33
De oude priester schrikte eerst en herkende hem nauwlijks in die kleeding; dan greep hij zijn beide handen en keek hem lang aan.
“O mijn zoon, dus ben je toch in de vreeselijke ellende gevallen, waarvoor ik altijd zoo bang geweest ben!” zeide hij met tranen in zijn oogen. “Ik heb er nooit met je over willen spreken, maar ik voelde wel, dat God je ziel verlaten had. Een diepere wond in mijn hart kon mij door niets toegebracht worden!”
Bevend nam hij hem wat ter zijde, als om hem te onttrekken aan de verontwaardiging der enkele voorbijgangers. Zijn krachten begaven hem en hij liet zich neervallen op een stapel steenen, die vergeten in het gras was blijven staan.
Deze diepe, echte smart van zijn ouden, hartelijken vriend trof Pierre meer dan heftige verwijten en vervloekingen gedaan zouden hebben. De plotselinge, onvoorziene pijn, welke deze ontmoeting, die hij toch had moeten voorzien, veroorzaakte, bracht ook Pierre de tranen in de oogen: deze breuk met den vromen man, wiens droom van naastenliefde—de hoop om door goedheid de wereld te redden—hij zoo lang gedeeld had, bracht hem een wonde toe, waaruit het beste van zijn bloed wegstroomde. Zij hadden, in hun verlangen om den gelukkigen oogst der toekomst te bespoedigen, samen zooveel goddelijke illusies gehad, zoo gestreefd naar het betere, zooveel vergiffenis geschonken. En nu scheidden zich hun wegen: hij, de jongere, keerde tot het leven terug en liet den oude alleen verder droomen en vergeefs wachten.
“O mijn vriend, mijn vader, het eenige wat mij spijt, nu ik al deze martelingen van mij schud, is u alleen achter te laten Ik dacht reeds genezen te zijn, maar mijn arm hart breekt nu ik u weer zie... Ween niet over mij, wat ik u smeeken mag, doe mij geen verwijten. Wat ik gedaan heb, moest ik doen—u zelf zoudt, wanneer ik uw raad gevraagd had, mij gezegd hebben, dat het beter is geen priester meer te zijn dan een priester zonder geloof en zonder eer.”
“Ja, ja,” herhaalde abbé Rose zacht; “je hadt geen geloof meer, dat vermoedde ik maar al te zeer, en ik maakte me erg ongerust over je strakheid en je heiligheid, waarin ik zooveel wanhoop raadde. Hoevele uren heb ik niet getracht je te kalmeeren! En ook nu moet je naar mij luisteren, want ik moet je redden... Helaas ik ben geen theologische geleerde, om met je te discussieeren, om je met bijbelteksten en dogma’s tot ons terug te brengen. Maar in naam der naastenliefde, mijn kind, alleen in naam der naastenliefde, denk na, vat je taak, om troost en hoop te geven, weer op.”
Pierre, die naast hem was gaan zitten, begon zich op te winden.
“De naastenliefde, de naastenliefde! Juist de zekerheid, dat zij niets beteekent, dat zij onmiddellijk bankroet slaan moet, heeft ten slotte den priester in mij gedood... Hoe kunt u gelooven, dat geven voldoende is, waar gij uw heele leven niets anders gedaan hebt dan geven, zonder dat gij voor de anderen en voor u zelf iets anders geoogst hebt dan de eeuwige, ja zelfs steeds erger wordende onrechtvaardige ellende, zonder dat gij ooit den dag bepalen kunt, waarop die afschuwelijke schande zal ophouden?... De belooning na den dood, zult u zeggen, de rechtvaardigheid in het paradijs! O, dat is geen gerechtigheid, dat is een fopperij, waaronder de wereld reeds eeuwen lijdt.”
En hij herinnerde hem aan hun leven in de wijk Charonne, toen zij samen de kleine dakloozen van de straat opraapten, toen zij den ouders in de krotten hulp brachten; hij herinnerde hem aan zijn bewonderenswaardige krachtsinspanning, die, wat hem zelf betrof, op een verwijt van zijn superieuren, op een soort verbanning ver van zijn armen uitgeloopen was. En had men hem niet met nog strengere straffen bedreigd, wanneer hij weer begon den godsdienst door in den blinde gegeven en doellooze aalmoezen in gevaar te brengen. Nu werden zijn gangen nagegaan, met argwaan aangezien; werd hij als het ware niet ondergedompeld door de voortdurend stijgende ellende, waar hij toch wist, dat hij nooit genoeg zou kunnen geven, zelfs wanneer hij over millioenen beschikte, dat hij niets deed dan het lijden der armen verlengen, die, wanneer zij vandaag aten, toch morgen niets te eten hebben zouden? Hij was machteloos; de wonde, die hij meende te verbinden, brak op hetzelfde oogenblik aan alle kanten open; het geheele maatschappelijke lichaam zou door dit gezwel aangegrepen en vernietigd worden. Maar de oude priester luisterde bevend toe en schudde zijn wit hoofd.
“Wat komt het erop aan? Wat komt het erop aan, mijn kind? Je moet geven, altijd geven, ondanks alles geven. Een andere vreugde bestaat niet... Houd je, ook al mogen de dogma’s je hinderen, aan dat Evangelie, blijf je heil zoeken in naastenliefde.”
Toen raakte Pierre in opwinding en vergat, dat hij tegen dezen eenvoudige van geest sprak, die niets was dan menschenliefde, niet in staat om hem te volgen.
“De proef is genomen; met barmhartigheid is het heil der menschheid niet te bereiken; het kan slechts uit gerechtigheid geboren worden. Dat is de langzamerhand steeds luider en luider wordende kreet, die uit alle volkeren opstijgt. Nu reeds bijna twee duizend jaar is het Evangelie een mislukking gebleven. Jezus heeft geen verlossing gebracht; het lijden der menschheid is even groot, even onrechtvaardig gebleven. Het Evangelie is niets meer dan een verouderde codex geworden, waaruit de volkeren niets dan verwarring en nadeel zullen trekken... Wij moeten ons daarvan bevrijden.”
Dat was zijn vaststaande overtuiging. Welk een vreemde dwaling was het als socialen wetgever Jezus te nemen, die te midden van een andere maatschappij, in een andere wereld, in een anderen tijd geleefd had. En zelfs wanneer men van zijn moraal en van zijn leer slechts het menschelijke en het eeuwige wilde bewaren, dat zij bevatten—welk een gevaar lag dan nog niet in de toepassing van onveranderlijke voorschriften op alle tijden. Geen enkele maatschappij zou onder de strikte toepassing van het Evangelie kunnen leven, Jezus is de vernietiger van alle natuurlijke orde, van alle werk, van alle leven; hij heeft de vrouw en de wereld, de eeuwige natuur, de eeuwige vruchtbaarheid van dingen en wezens verloochend. Toen kwam het Katholicisme en richtte op hem zijn vreeselijk gebouw van schrikaanjaging en onderdrukking op. De erfzonde is de verschrikkelijke, bij ieder schepsel terugkeerende herediteit, die niet, zooals de wetenschap, de correctieven van opvoeding, omstandigheden en omgeving toelaat.
Er is geen pessimistischer opvatting denkbaar dan dat de mensch op die wijze reeds bij zijn geboorte aan den duivel gewijd, tot zijn dood aan een eeuwigen strijd met zichzelf ten prooi is. Een onmogelijke en absurde strijd, want het gaat er daarbij om den geheelen mensch te veranderen, het vleesch en de rede te dooden, den duivel in de diepte der wateren, der bergen en der wouden te vervolgen, om hem daar met sap der aarde te vernietigen. De wereld is niets meer dan één zonde, een hel van verleidingen en lijden, die men doortrekt, om den hemel te verdienen. Deze godsdienst van den dood, welken alleen de idee der naastenliefde in stand heeft kunnen houden, maar die door het verlangen naar gerechtigheid onvermijdelijk zal weggevaagd worden, is een prachtig werktuig voor het absolute despotisme. De arme, de ongelukkige bedrogene, die niet meer aan het Paradijs gelooft, wil, dat de verdiensten van een ieder hier op aarde beloond worden; het eeuwige leven wordt weer de goede godin, het werk is de wet der wereld, de vruchtbare vrouw komt weer in eere, het dwaze schrikbeeld der hel maakt plaats voor de glorierijke, steeds voortbrengende natuur. De oude Semietische droom van het leven wordt weggevaagd door de heldere, op de moderne wetenschap steunende Latijnsche rede.
“Sedert achttienhonderd jaar belemmert het Christendom het voortschrijden der menschheid naar waarheid en gerechtigheid,” besloot Pierre. “Eerst op den dag, dat zij het afschaft door het Evangelie te plaatsen bij de boeken der wijzen, zonder daarin een absoluten en alles beslissenden codex te zien, zal zij haar evolutie weder kunnen voortzetten.”
Abbé Rose hief zijn bevende handen op.
“Zwijg toch, mijn zoon, zwijg toch! Je lastert!... Ik wist, dat je gekweld werd door twijfel; maar ik hield je voor zoo geduldig en zoo bereid om te lijden, dat ik op je verzaking en berusting rekende! Wat is er toch gebeurd, dat je zoo plotseling de Kerk den rug toekeert? Ik herken je niet meer; een passie is in je opgestoken, een onoverwinlijke kracht sleurt je mede... Wat is er toch? Wie heeft je zoo veranderd?”
Verwonderd luisterde Pierre naar hem.
“Maar ik verzeker u heusch, dat ik dezelfde ben, dien u altijd gekend hebt—dat is slechts de onvermijdelijke ontknooping, het onvermijdelijke resultaat! Wie zou zijn invloed op mij hebben kunnen doen gelden, daar niemand in mijn leven gekomen is? Welke nieuwe gevoelens zouden mij kunnen veranderen, waar ik geen nieuwe vind, wanneer ik mijzelf ondervraag. Ik ben dezelfde, precies dezelfde gebleven.”
Toch was er een weifeling in zijn stem. Was het werkelijk waar, dat er niets nieuws in hem gekomen was? Hij onderzocht zijn geweten nogmaals, maar hij kon niets vinden. Het was slechts een heerlijk ontwaken, een onmetelijke begeerte om te leven, een drang zijn armen wijd genoeg te kunnen openen, ten einde al wat bestond aan zijn hart te kunnen drukken. Een storm van jubel hief hem op en sleurde hem mede.
Hoewel abbé Rose veel te onschuldig was, om hem te kunnen begrijpen, schudde hij weer zijn hoofd en dacht aan de valstrikken van den duivel. Deze afval van zijn kind, zooals hij Pierre noemde, sloeg hem terneer. Hij sprak nog en kreeg de ongelukkige ingeving hem den raad te geven met monseigneur Martha te gaan spreken, want hij hoopte, dat een geestelijke van zulk een autoriteit de juiste woorden zou weten te vinden, om hem tot het geloof terug te brengen. Maar Pierre had den moed te zeggen, dat hij uit de Kerk ging, juist omdat hij daarin zoo’n leugenaar en despoot aangetroffen had, die van den godsdienst een verderf aanbrengende diplomatie maakte en ervan droomde de menschen door list tot God terug te brengen. Toen stond abbé Rose wanhopig op; hij vond geen argument meer en wees slechts met een gebaar op de basilica, die met zijn reusachtige, onvoltooide, vierkante massa stond te wachten op den koepel, welke haar bekronen moest.
“Dit is het huis Gods, mijn kind, het monument van verzoening en van triomf, van boete en vergiffenis. Je hebt er de mis gelezen en je verlaat het als een heiligschennende meineedige.”
Pierre was ook opgestaan en in een exaltatie van kracht en gezondheid antwoordde hij:
“Neen, neen, ik verlaat de Kerk vrijwillig, zooals men een kelder verlaat, om in de vrije lucht, naar de zon terug te keeren. God is daar niet, het is daar slechts een uitdaging van de rede, van de waarheid en van de gerechtigheid, een reusachtig gebouw, dat men zoo hoog mogelijk opgericht heeft als een citadel van het absurde, die Parijs, dat hij beleedigt en bedreigt, beheerschen moet.”
En toen hij zag, dat de oogen van den ouden priester zich weer met tranen vulden, en daar hij zelf wanhopig was over hun breuk, wilde hij vluchten.
“Vaarwel! Vaarwel!”
Maar abbé Rose had hem reeds in zijn armen genomen en kuste hem als het verdoolde schaap, dat den herder het liefst is.
“Niet vaarwel, niet vaarwel, mijn kind! Zeg: tot ziens! Zeg dat we elkaar nog terug zullen vinden, tenminste onder hen, die weenen en honger hebben. Al geloof je ook, dat de naastenliefde bankroet gemaakt heeft, toch zullen we elkander altijd in onze armen blijven liefhebben!”
Pierre, die de kameraad van zijn drie groote neven geworden was, had van hen in enkele lessen leeren fietsen, om hen op hun ochtendritjes te kunnen vergezellen; reeds was hij een paar maal met hen en met Marie over de hard geplaveide wegen in de richting van het meer van Enghien gereden. Op een ochtend, dat Marie zich voornam met hem en Antoine naar het bosch van Saint-Germain te gaan, kreeg deze laatste plotseling een verhindering. Zij had haar fietskostuum al aan: een korten rok van zwarte serge en een jakje van dezelfde stof op een écru zijden overhemdje—en de Aprilochtend was zoo helder en zacht, dat zij vroolijk uitriep:
“Dat hindert niet, ik neem je mede, dan zijn we met ons beiden! Ik wil, dat je het genot leert kennen om op een goeden weg tusschen mooie boomen te rijden.”
Maar daar hij nog niet zoo erg getraind was, besloten zij dat zij met hun fietsen den trein tot Maisons-Laffitte nemen zouden, om vandaar door het bosch te rijden en dan weer met den trein terug te komen.
“Zijn jullie weer vóór het déjeuner terug?” vroeg Guillaume, die pret had in dit uitstapje, en zijn broer, die ook geheel in het zwart was, glimlachend aankeek.
“Natuurlijk,” antwoordde Marie. “Het is net acht uur, we hebben dus allen tijd. Maar ga in ieder geval maar dejeuneeren, wij zullen wel invallen, als het noodig is.”
Het was een heerlijke ochtend. Bij het weggaan dacht Pierre, dat hij met een goeden kameraad was, wat dit uitstapje met hun tweeën in de lekkere lentezon heel natuurlijk maakte. De bijna gelijke kostuums werkten door de vrijheid van beweging, die zij veroorloofden, ongetwijfeld tot die vroolijke, rustige en gemoedelijke stemming mede. Maar er was ook nog iets anders: de gezonde, vrije lucht, het genot van de gemeenschappelijke lichaamsbeweging, de vreugde zich vrij te gevoelen in de vrije natuur.
In den coupé, waar zij alleen waren, kwam Marie op haar lyceumherinneringen terug.
“O, je hebt er geen idee van hoe heerlijk we krijgertje konden spelen! Om harder te kunnen loopen, bonden wij onze rokken met touwtjes vast, want toen durfden ze ons niet zooals nu in een broek te laten loopen. Het was een geschreeuw, een geloop, een geren, onze haren vlogen in den wind en we hadden kleuren als boeien!... En dat belette je niet om te werken, integendeel! Wanneer we eenmaal aan het studeeren waren, hielden we ook een wedloop wie het meest weten en de eerste van de klas zijn zou.”
Zij lachte er nog hartelijk om, terwijl Pierre haar verwonderd aankeek—zoo blozend en gezond zag zij er uit onder den zwart vilten hoed, dien een lange zilveren haarpen op haar dikken wrong vasthield. Haar prachtig bruin haar, dat hoog opgenomen was, liet haar frisschen nek, die kinderlijk teer gebleven was, vrij, en nog nooit had hij haar in al haar kracht zoo lenig gezien; haar heupen waren krachtig, haar borst breed, maar tevens fijn en bekoorlijk. Wanneer zij zoo lachte, schitterden haar oogen van genot, terwijl het onderste gedeelte van haar gelaat, haar ietwat krachtige mond en kin, een uitdrukking van eindelooze goedheid kregen.
“Ja, die broek!” ging zij schertsend voort. “En dan te denken, dat sommige vrouwen zoo eigenzinnig blijven, om met een rok te fietsen.”
En toen hij, zonder aan galanterie te denken, maar alleen om het feit te constateeren, zeide, dat zij er in haar costuum heel goed uitzag:
“O, ik tel niet mede... Ik ben niet mooi, ik ben alleen maar gezond, dat is alles... Maar kan jij je begrijpen, dat vrouwen, die hier zoo’n prachtige gelegenheid hebben, om het zich makkelijk te maken, als een vogel te vliegen en eindelijk haar beenen uit hun gevangenis te bevrijden, dat gewoonweg weigeren? Als ze denken, dat zij met haar korte schoolmeisjesrokken mooier zijn, dan vergissen zij zich leelijk. En wat het kieschheidsgevoel betreft, ik vind, dat je beter je kuiten dan je schouders kunt laten zien. En bovendien, wie denkt aan zoo iets, als je fietst... Er bestaat niets dan de broek, de rok is ketterij.”
Zij keek nu op haar beurt hem aan en zij werd op dat oogenblik blijkbaar getroffen door de buitengewone verandering, welke in hem had plaats gevonden sedert zij hem voor het eerst zoo somber in zijn lange soutane en met zijn mager, vaal, door het lijden verwoest gezicht gezien had. Daarachter had zij een eindelooze wanhoop, de leegte van een graf, waaruit de wind zelfs de asch verstrooid had, gevoeld. En nu was het als het ware een herrijzenis, een opstanding: zijn gezicht leefde op, het voorhoofd had weer de kalmte der hoop gekregen, terwijl de oogen en de mond, in zijn eeuwigen honger naar liefde, overgave en leven, iets van hun vroegere vertrouwelijke teederheid teruggevonden hadden. Alleen de minder lange haren op de plaats der tonsuur, die trouwens niet zoo zichtbaar meer was als vroeger, verrieden nog den priester.
“Waarom kijk je me zoo aan?” vroeg hij.
“Ik kijk ernaar hoeveel goed het werken en de buitenlucht ook jou doen,” zeide zij openhartig. “Zoo mag ik je veel liever zien. Je zag er zoo slecht uit, dat ik heusch dacht, dat je ziek was.”
“Dat was ik ook,” zeide hij eenvoudig.
Maar de trein stopte bij Maisons-Laffitte. Zij stapten uit en sloegen dadelijk den weg naar het bosch in.
“Ik zal maar voorop rijden, hè?” riep Marie vroolijk. “Je bent immers altijd nog wat bang voor rijtuigen.”
Slank en recht in het zadel reed zij voorop; dikwijls keek zij vriendelijk glimlachend om, om te zien of hij haar volgde. Bij ieder rijtuig, dat zij voorbij reden, stelde zij hem gerust en somde de verdiensten van hun fietsen, die beide uit de fabriek Grandidier kwamen, op. Het waren Lisette’s, het populaire merk, waaraan Thomas medegewerkt had en dat in den Bon Marché grifweg voor honderdvijftig francs verkocht werd. Misschien zagen zij er een beetje log uit, maar zij waren sterk en tegen een stootje bestand. Echte fietsen om te toeren, zeide zij.
“Ha, daar is het bosch! Nu behoeven wij niet meer de helling op te trappen en zal je eens prachtige lanen zien. Je rijdt er als op fluweel.”
Pierre bleef nu niet langer achter en beiden reden zij nu in denzelfden regelmatigen gang naast elkaar over den breeden, rechten weg tusschen het dubbele, majestueuze gordijn der groote boomen. En zij praatten heel amicaal.
“Nu ben ik zeker van mijn zaak. Je zult zien, dat je leerling je eer aandoet.”
“Daar twijfel ik niet aan. Je zit heel goed in je zadel. Binnenkort zal je me in den steek laten, want een vrouw kan in zulke dingen niet tegen een man op. En toch, wat een goede opvoeding is het fietsen voor een vrouw.”
“Hoe zoo?”
“O, daar heb ik zoo mijn eigen ideeën over... Als ik ooit een dochter krijg, dan zet ik haar op haar tiende jaar op de fiets, om haar te leeren, hoe ze leven moet.”
“Dus een opvoeding door ervaring?”
“Natuurlijk. Kijk nu die groote meisjes eens, die de moeders in haar rokken opvoeden. Men maakt haar voor alles bang, verbiedt haar ieder initiatief, oefent noch haar wil noch haar oordeel, zoodat ze zelfs, door de gedachte aan een mogelijken hinderpaal verlamd, de straat niet over durven steken... Maar zet haar heel jong op de fiets en laat ze aan haar lot over: dan moeten zij wel uitkijken naar een steentje, zorgen, dat zij tijdig en in de goede richting uitwijken, als het noodig is. Een wagen komt in vollen draf aan, het een of ander gevaar doemt op en zij moet dadelijk beslissen, met vaste hand sturen, als zij geen ongeluk krijgen wil... Is het niet een voortdurend trainen van je wilskracht, een uitstekende les in de kunst, om te weten wat je doen moet om je te verdedigen?”
“Jullie zult allemaal te gezond worden,” zeide hij lachend.
“O, gezond zijn, dat spreekt van zelf. Om goed en gelukkig te wezen, moet je in de eerste plaats zoo gezond mogelijk zijn. Maar ik geloof, dat zij, die steenen weten te vermijden en op het juiste oogenblik kunnen omkeeren, ook beter in staat zullen zijn in het maatschappelijke en gevoelsleven de moeilijkheden te overwinnen en met een vrij, eerlijk en krachtig oordeel de beste besluiten te nemen... Weten en willen, daarin bestaat de geheele opvoeding.”
“Dus de emancipatie der vrouw door de fiets?”
“Lieve Hemel, waarom niet?... Het klinkt grappig, en toch, kijk eens wat een heelen weg we al afgelegd hebben: de broek, die de beenen bevrijdt; de gemeenschappelijke uitstapjes, die de geslachten gelijk maken; vrouw en kind volgen den man overal heen; kameraden als wij tweeën kunnen door veld en bosch rijden, zonder dat men er aanstoot aan neemt. En dan bestaat vooral de gelukkige verovering hierin: in de lucht- en zonnebaden, die je in de vrije natuur neemt; in den terugkeer tot onze gemeenschappelijke moeder, de aarde; in de nieuwe kracht en in de nieuwe vreugde, die je weer uit haar begint te scheppen! Is dit bosch, waarin we nu samen rijden, niet heerlijk? En wat een frissche lucht krijg je weer in je longen. Hoe kalmeert je dat en wat een nieuwen moed geeft het je!”
Inderdaad was het in de week stille bosch met zijn diep en zonnig kreupelhout rechts en links onzegbaar heerlijk. De nog schuin vallende zon wierp haar stralen slechts op een kant van den weg en verguldde de hooge, groene draperieën der boomen, terwijl aan de andere zijde het loof in de schaduw bijna zwart leek. Welk een genot was het, als langs den grond strijkende zwaluwen, in de frissche lucht en in den adem der kruiden en bladeren, welker krachtige geur je in het gezicht slaat, door die koninklijke laan te vliegen! Zij raakten nauwlijks den grond aan—vleugels waren hun aangegroeid, die hen in eenzelfde vlucht door de zonnestralen en door de schaduwen, door het leven van het groote, huivrend bosch met zijn mossen en zijn bronnen, zijn geuren en zijn insecten droegen.
Bij het kruispunt Croix-de-Noailles wilde Marie niet ophouden. ’s Zondags heerschte hier altijd een groote drukte en bovendien kende zij stille, behoorlijk-rustige plekjes. Later, op de helling naar Poissy, spoorde zij Pierre aan en lieten zij hun fietsen in volle vaart gaan. En nu volgde die heerlijke roes der snelheid, het bedwelmende gevoel van het evenwicht, hoewel men in zulk een vaart voortsnelt, dat men bijna buiten adem raakt, terwijl de grijze weg onder de voeten wegvlucht en de boomen aan beide kanten draaien als de baleinen van een waaier, dien men openslaat. De bries waait als een storm, en men vliegt als het ware den horizont, de oneindigheid, die echter steeds weer terugwijkt, tegemoet. Het is de grenzenlooze hoop, de bevrijding van te zware banden in de ruimte. Er bestaat geen betere lichaamsbeweging; de harten kloppen sneller in de vrije natuur.
“Zeg, we moesten niet naar Poissy rijden, maar links afslaan!” riep zij.
Zij namen den weg van Achères naar Loges, die smaller en schaduwrijk steeg, en minderden, daar zij nu flink aan moesten trappen, hun vaart. De weg was minder goed, zandig en door de laatste stortregens wat omgewoeld. Maar was die krachtsinspanning ook niet een genot?
“Je zult er wel aan wennen, het overwinnen van hindernissen is zoo prettig... Ik voor mij heb het land aan wegen, die te lang glad en mooi blijven. Een kleine stijging, die je beenen niet al te veel vermoeit, geeft weer eens een afwisseling, die je aanzweept en wakker maakt... En dan het is zoo goed om sterk te zijn en ondanks regen, storm en helling vooruit te komen.”
Haar opgewektheid en haar moed verrukten hem.
“Dus zijn we eigenlijk op een tocht door heel Frankrijk?” vroeg hij lachend.
“Neen, neen, we zijn al waar we wezen moeten. Nou, je zult er zeker niets tegen hebben, om wat te rusten. Maar zeg eens eerlijk, was het niet de moeite waard tot hier te rijden, om op dit heerlijke, rustige en frissche plekje wat uit te rusten?”
Lenig sprong zij van haar fiets en sloeg een voetpad in, terwijl zij hem riep haar te volgen. Na een pas of vijftig zetten zij hun machines tegen een boomstam en waren zij op een kleine open plek. Het was inderdaad het bekoorlijkste bladerennestje, dat men zich droomen kon. Het bosch had daar een eenzame en verheven schoonheid en grootschheid. De lente gaf het de eeuwige jeugd, het bladerdak was rein en licht als groene, fijne kant, die de zon met goud bestrooide. De adem van het leven steeg op uit het gras, kwam uit het door den krachtigen geur der aarde doorbalsemde kreupelhout.
“Het is gelukkig nog niet al te warm,” zeide zij, terwijl zij aan den voet van een jongen eik ging zitten. “In Juli hebben de dames een beetje te roode kleur en gaat de poudre-de-riz gauw weg... Je kan niet altijd even mooi zijn.”