De drie steden: Parijs

Part 32

Chapter 323,896 wordsPublic domain

“O, dat Noorwegen, waarde meester, u kunt u niets maagdelijkers voorstellen. Wij moesten allen uit die nieuwe, ideale bron gaan drinken, wij zouden er gelouterd, verjongd en tot groote opofferingen in staat van terugkeeren.”

In werkelijkheid had zij zich er doodelijk verveeld, daar zij zich niet had kunnen wennen aan het “melkdieet”, dat haar jonge minnaar haar oplegde. Deze huwelijksreis, niet in het warme Italië, maar in het land van ijs en sneeuw, was wel buitengewoon elegant geweest en had wel getuigenis afgelegd van de voornaamheid van hun liefde, die vrij was van alle materialistische grofheid. Slechts hun zielen waren op reis en zij wisselden niets dan zielskussen. Maar helaas werd zij op een nacht, dat hij er beslist bij bleef haar als een symbolische, reine lelie te behandelen, zoo verbitterd, dat zij een rijzweep nam en hem daarmede een rammeling toediende. Hij zelf was zoo zwak geweest om boos te worden en haar een flink pak slaag te geven, waarop zij in elkaars armen vielen en elkander als heel gewone menschen toebehoorden. Bij het ontwaken vond zij deze sensatie, die zij zoo ver was gaan zoeken, vrij middelmatig, terwijl hij haar nooit vergaf, dat zij dit avontuur, waarvan hij een intellectueel genot verwachtte, tot een zoo vernederend einde gebracht had. Waartoe diende het het maagdelijke, hemelsche Noorden te gaan ontwijden, waar een reeds bevlekte Fransche stad even goed geweest zou zijn? En daar zij niet rein genoeg meer waren en zich niet verwant meer voelden aan de zwanen op de droomzeeën, gingen zij den volgenden dag weer aan boord.

Plotseling onderbrak zij haar verrukte schildering van Noorwegen, want het diende nergens voor aan allen hun treurig échec te bekennen, en riep uit:

“Tusschen twee haakjes, weet u wat mij bij mijn terugkomst wachtte? Ik heb mijn hôtel heelemaal geplunderd gevonden... een plundering, waarvan u u geen voorstelling maken kunt—en daarbij een vuiligheid, een smeerlapperij!... We hebben dadelijk begrepen, dat de vriendjes van Bergaz erin betrokken waren.”

Guillaume had den vorigen dag in de courant gelezen, dat een troep jonge anarchisten ingebroken had in het hôtel van prinses de Hardt, dat deze geheel onbewaakt had achtergelaten. De vriendelijke bandieten hadden er zich niet mede tevreden gesteld alles ondersteboven te halen, maar zij hadden blijkbaar twee dagen in het huis doorgebracht, den wijn uit den kelder opgedronken, met de medegebrachte voorraden feestmaaltijden aangericht, de kamer bevuild en overal sporen van hun verblijf achtergelaten.

Toen Rosemonde thuis kwam, was zij meer verbaasd dan boos geweest en had dadelijk gedacht aan den avond, dien zij met Bergaz en zijn twee lievelingen Rossé en Sanfaute in het Cabinet des Horreurs had doorgebracht. Van haar zelf hadden zij gehoord, dat zij naar Noorwegen zou gaan. Inderdaad waren die beiden dan ook gearresteerd, maar Bergaz was gevlucht. Zij verwonderde er zich niet al te zeer over, want zij was reeds gewaarschuwd en wist, dat zich onder het zeer gemengde gezelschap, dat zij in haar hartstocht voor internationale excentriciteiten bij zich ontving, de grootste bandieten bevonden. Janzen had haar een paar vuile geschiedenisjes verteld, die men aan Bergaz en zijn bende toeschreef. Ditmaal echter stak hij zijn meening niet onder stoelen of banken en vertelde aan iedereen, die het weten wilde, dat na Raphanel, Bergaz zich aan de politie verkocht had, en dat deze geheele geschiedenis een streek van hem was, om door dien opzienbarenden diefstal, die te midden van zooveel vuiligheid gepleegd was, het anarchisme voor altijd te bezoedelen. Lag het bewijs daarvan niet in het feit, dat de politie hem had laten ontvluchten?

“Ik had gedacht,” zeide Guillaume, “dat de couranten overdreven... Zij vinden op dit oogenblik, om het geval van den armen Salvat nog erger te maken, zooveel afschuwelijke dingen uit.”

“O neen,” antwoordde Rosemonde vroolijk; “zij hebben niet alles kunnen zeggen, het was te smerig... Ik kon nu zonder eenig gewetensbezwaar naar een hôtel gaan, waar ik het veel prettiger vind, want het begon mij thuis te vervelen... Maar in ieder geval is het anarchisme een vuil zootje; ik durf niet meer te zeggen, dat ik er sympathie voor voel.”

Zij lachte en sprong plotseling op een andere gril over; zij wilde, dat de meester haar over zijn nieuwe onderzoekingen vertelde, ongetwijfeld om hem te laten zien, dat zij in staat was hem te begrijpen. Maar de geschiedenis van Bergaz had hem ongerust gemaakt. Hij bepaalde zich tot enkele algemeenheden en was tegenover de prinses slechts koel-beleefd.

Inmiddels hernieuwde Hyacinthe de kennis met François en Antoine, met wie hij op het lyceum-Condorcet geweest was. Hij was slechts tegen zijn zin met haar medegegaan; hij gaf alleen aan haar toe door den angst, dien hij voor haar had, sedert zij hem sloeg. Dit kleine huis van een als het ware verbannen scheikundige vervulde hem met een medelijdende minachting en hij meende verplicht te zijn zijn meerderheid nog meer te laten uitkomen tegenover oude kameraden, die hij als gewone werkmenschen terugvond.

“O ja, dat is waar ook, je bent naar de École Normale gegaan,” zeide hij tegen François, die bezig was aanteekeningen uit een boek te maken. “Je wilt, geloof ik, examen doen!... Och, wat zal ik je zeggen? Ik voor mij kan het denkbeeld van een halsband niet verdragen. Zoodra het om een examen of zoo iets gaat, weet ik absoluut niets meer... En tusschen ons gezegd en gezwegen, is wetenschap toch niet veel meer dan voor-den-gek-houderij! En wat wordt je horizont erdoor beperkt! Neen, je kan beter het kleine kind blijven, welks oogen het onzichtbare aanschouwen. Zoo’n kind weet er meer van!”

François, die dikwijls ironisch kon zijn, vond het aardig hem gelijk te geven.

“Zeker, je hebt volkomen gelijk. Maar je moet er een natuurlijken aanleg voor hebben, om dat kleine kind te blijven... Ik ben ongelukkigerwijze behept met een drang, om alles te willen weten. Het is zonde en jammer, want ik zit nu heele dagen met mijn neus in de boeken... O, ik zal nooit veel weten, dat is zeker, en misschien is dat wel de reden, waarom ik altijd probeer meer te weten... Maar je zult me moeten toegeven, dat werken even goed als niets doen een manier is om het leven door te komen, o zeker, heel wat minder elegant, want jij vindt natuurlijk, dat werken minder aesthetisch is!”

“Minder aesthetisch, dat is het juiste woord,” zeide Hyacinthe. “Schoonheid is slechts te vinden in het niet-uitgedrukte; ieder leven, dat tot werkelijkheid wordt, zinkt weg tot alledaagschheid.”

Maar hoe onnoozel hij in de geniale enormiteit van zijn pretenties was, voelde hij toch den spot. Hij wendde zich tot Antoine, die aan zijn houtsnede was blijven werken, het portret van Lise, dat hij in zijn verlangen, om het ontwaken van het kind tot begrip en leven uit te drukken, telkens weer opgaf, om het dan opnieuw te beginnen.

“Zoo heb jij je aan het graveeren gewijd... Sedert ik van het verzen-maken en van mijn gedicht, Het Einde der Vrouw, heb afgezien, omdat ik de woorden zoo plomp en zoo grof en zoo bezoedelend vond, heb ik er ook over gedacht mij aan het teekenen of aan het graveeren te wijden... Maar waar is de teekening, die het mysterie, het hiernamaals, de eenige wereld, die bestaat en belangrijk is, tot uitdrukking brengt? Met welk potlood die te verkrijgen, op welke plaats die weer te geven? Er zou iets ontastbaars, dat niet bestaat, dat alleen het wezen van dingen en menschen suggereert, voor noodig zijn.”

“Toch kan de kunst slechts door het stoffelijke van haar middelen dat weergeven, wat zij het wezen van dingen en menschen noemt en wat in den grond der zaak haar volkomen beteekenis is, tenminste die, welke wij haar toekennen... Het leven weergeven is mijn groote passie, en er bestaat geen ander mysterie dan dat van het leven in het diepst der wezens achter de dingen... Wanneer mijn houtsnede leeft, ben ik tevreden, omdat ik geschapen heb.”

Een spottende trek op Hyacinthe’s gezicht drukte zijn afkeer voor vruchtbaarheid uit. Een heele kunst! De eerste de beste schoft maakte een kind. Iets uitgelezens en zeldzaams was slechts de geslachtslooze, door zichzelf bestaande idée. Hij wilde dat uitleggen, raakte echter in zijn woorden verward en begon dan over de uit Noorwegen medegebrachte zekerheid, dat het met kunst en litteratuur in Frankrijk uit was, dat zij gedood waren door de alledaagschheid, ja zelfs het misbruik der productie.

“Dat is zoo,” merkte François vroolijk op, “niets doen is reeds talent hebben.”

Pierre en Marie keken en luisterden; deze vreemde invasie in het gewoonlijk zoo ernstige en zoo kalme atelier maakte hen verlegen. Toch was de kleine prinses heel voorkomend; zij kwam naar het jonge meisje toe en bewonderde het fijne borduurwerk, waar zij juist de laatste hand aan legde. Zij wilde niet weggaan voor Guillaume zijn handteekening gezet had in een album, dat Hyacinthe uit het rijtuig moest gaan halen. Hij voldeed aan haar verzoek met een zichtbaren tegenzin; zij waren elkaar reeds moe, maar in afwachting van een nieuwe gril liet zij hem niet los en vermaakte zij zich ermee hem te terroriseeren. Toen zij hem, nadat zij Froment verzekerd had, dat deze dag onvergetelijk voor haar zou blijven, medenam, bracht zij hen allen aan het lachen door de woorden:

“Zoo, kennen de jongelui Hyacinthe van het lyceum... Een goede jongen niet? Ja, hij zou zelfs aardig zijn als hij net was als andere menschen.”

Dienzelfden dag kwamen Janzen en Bache den avond bij Guillaume doorbrengen. De intieme samenkomsten van Neuilly werden eens per week in Montmartre voortgezet. Pierre ging op zulke dagen eerst heel laat naar huis; zoodra de twee vrouwen en de drie volwassen zoons naar boven gegaan waren, werden er in het atelier, welks openstaand raam op het nachtelijke, van gaslicht fonkelende Parijs uitzag, eindelooze gesprekken gehouden. Théophile Morin kwam tegen tien uur, daar hij eerst nog had moeten werken.

“Maar dat is een halve gekkin,” riep Janzen uit, toen Guillaume hun van het bezoek der prinses verteld had. “Een oogenblik, toen ik pas met haar kennis gemaakt had, heb ik gehoopt haar voor onze zaak dienstbaar te kunnen maken. Zij leek zoo overtuigd, zoo dapper... Maar zij is een der meest perverse vrouwen op de heele wereld, steeds uit op nieuwe emoties.”

Het bloed steeg hem naar de wangen; eindelijk liet hij zijn gewone gereserveerdheid, de geheimzinnigheid, waarin hij zich steeds hulde, varen. Ongetwijfeld had hij geleden onder de breuk met haar, die hij eens de kleine koningin van het anarchisme genoemd had en wier rijkdom en talrijke relaties in alle kringen hem prachtig propaganda- en overwinningsmateriaal toegeschenen was.

“Zooals je weet,” ging hij, wat kalmer geworden, voort; “is die plundering en bevuiling van haar hôtel een streek van de politie... Men heeft, kort voor het proces van Salvat, het anarchisme heelemaal in discrediet willen brengen.”

Guillaume luisterde aandachtig.

“Ja, dat heeft zij mij verteld... Maar ik geloof niet veel van dat verhaal. Als Bergaz slechts gehandeld had onder den invloed, waarover je daarnet sprak, dan zou de politie hem met de anderen gearresteerd hebben, zooals ze indertijd Raphanel en hen, die hij verraden had, ook tegelijkertijd ingerekend hebben... En bovendien, ik ken Bergaz langer dan vandaag; hij is altijd een halve plunderaar geweest.”

Zijn stem was somber geworden en hij maakte een bedroefd gebaar.

“Zeker, ik begrijp alle eischen, zelfs alle wettige vergeldingsmaatregelen... Maar een diefstal, een cynische diefstal alleen uit genot om te stelen, neen, daar kan ik niet bij... De trotsche hoop op een rechtvaardige en betere maatschappij wordt daardoor in mij verwoest... Dien diefstal in het hôtel de Hardt vind ik diep en diep treurig.”

Om Janzen’s lippen speelde het raadselachtige, als een dolkmes zoo snijdende glimlachje.

“Dat is een quaestie van atavisme! De eeuwen van beschaving en geloof, die achter ons liggen, protesteeren in jou. Je moet wel terugnemen wat ze je niet willen teruggeven... Het eenige wat mij hindert, is dat Bergaz dit oogenblik uitgekozen heeft, om zich te verkoopen. Een comedie-diefstal, een oratorisch effect, dat de officier van justitie hebben wil om het hoofd van Salvat te eischen.”

In zijn haat tegen de politie en misschien ook ten gevolge van een oneenigheid, die hij met Bergaz, met wien hij vroeger bevriend was, gehad had, bleef Janzen bij deze verklaring. Het leven van dezen vaderlandlooze, die zijn bloedigen droom door geheel Europa met zich droeg, bleef ondoorgrondelijk. Guillaume zag van een verdere discussie af en zeide eenvoudig:

“Die ongelukkige Salvat. Alles komt op hem neer, alles zal hem verpletteren!... Je kunt je niet begrijpen hoe woedend dat geval mij maakt. Al mijn voorstellingen van gerechtigheid en waarheid komen daartegen in verzet. Zeker, hij is een krankzinnige, maar een, die zooveel verontschuldigingen heeft, die in den grond der zaak slechts een op het dwaalspoor gebrachte martelaar is! En nu is hij het uitverkoren slachtoffer, de zondenbok, die voor ons allen boeten moet.”

Bache en Morin schudden hun hoofd zonder te antwoorden. Zij staken hun afkeer voor het anarchisme niet onder stoelen of banken. Morin, die vergat, dat zijn eerste leermeester Proudhon het woord, ja bijna de zaak zelf in de wereld gebracht had, herinnerde zich nog slechts zijn afgod Auguste Comte, om zich met hem in het mooie, hiëratische rijk der wetenschappen op te sluiten. Hij was bereid zich aan de tyrannie te onderwerpen tot den dag, waarop het ontwikkelde en tot vrede gebrachte volk het geluk waard zijn zou. De oude humanitaire mysticus Bache werd door de individualistische dorheid van de libertaire theorie in zijn diepste overtuiging gekwetst: hij haalde zacht zijn schouders op en zeide, dat iedere oplossing te vinden was bij Fourier, die de toekomst voor eeuwig verwezenlijkt had door de alliantie van talent, kapitaal en arbeid te decreteeren. Toch waren beiden met de burgerlijke republieken, die de hervormingen zoo langzaam tot stand brachten, niet tevreden; zij vonden, dat hun ideeën bespot werden, dat alles steeds slechter ging en ergerden zich eveneens over de manier, waarop de verschillende partijen Salvat trachtten uit te buiten, om de macht te behouden of die in handen te krijgen.

“Als je bedenkt, dat die ministerieele crisis nu al bijna drie weken duurt,” zeide Bache. “Alle begeerten en hartstochten worden in hun volle naaktheid bloot gelegd, het is een walgelijk schouwspel... Hebben jullie in de ochtendbladen gelezen, dat de president er weer toe heeft moeten besluiten Vignon op het Elysée te ontbieden?”

“O, kranten lees ik niet meer,” prevelde Morin met zijn moede stem. “Waarom zou ik dat doen? Die worden zoo slecht geschreven en liegen toch allemaal.”

Inderdaad kwam er aan de ministerieele crisis geen eind. De president der Republiek had de aanwijzingen, die de zitting, waarin het ministerie Barroux gevallen was, hem gaf, gevolgd en zeer correct Vignon, den overwinnaar, ontboden om hem met de vorming van een nieuw ministerie te belasten. Het scheen een heel eenvoudige zaak te zijn, die nauwlijks twee of drie dagen zou in beslag nemen, want reeds maanden lang noemde men de namen der vrienden, die de jonge leider der radicale partij in zijn kabinet zou opnemen. Maar allerlei moeilijkheden hadden zich voorgedaan, Vignon had tien dagen lang te midden van zoo onoverkomelijke hinderpalen moeten strijden, dat hij uit vrees, dat hij al zijn krachten voor later uitputten zou, wanneer hij hardnekkig volhouden bleef, den president medegedeeld had, dat hij van de opdracht afzag. Dadelijk had deze andere afgevaardigden ontboden, totdat hij er eindelijk een vond, die dapper genoeg was om op zijn beurt een proef te nemen.

Maar ook hij was op dezelfde moeilijkheden gestooten: eerst scheen het, dat een voorloopige lijst binnen enkele uren definitief zou worden, maar dan kwamen er aarzelingen, verslappingen, een langzame verlamming, die ten slotte tot een echec leidden. Het was, alsof het heimelijke woelen, dat Vignon’s werk onmogelijk gemaakt had, opnieuw begon, alsof een bende onzichtbare medeplichtigen bezig was de verschillende combinaties met een verborgen doel te doen mislukken. En de president had de vorming van een kabinet opnieuw moeten opdragen aan Vignon, die ditmaal een bijna volledige lijst in zijn zak had en zeker scheen binnen tweemaal vier-en-twintig uur te slagen.

“Maar het is nog niet uit,” zeide Bache verder. “Goed ingelichte personen verzekeren, dat Vignon nu evenmin als den eersten keer zal slagen. Niets kan mij van mijn idee afbrengen, dat Duvillard’s bende dat heele zaakje leidt. Maar ten voordeele van wien, dat weet ik niet. Maar je kunt ervan overtuigd zijn, dat het er in de allereerste plaats om gaat de zaak van de Afrikaansche sporen in den doofpot te stoppen... Als Monferrand niet al te zeer gecompromitteerd was, dan zou ik gelooven, dat hij erachter zit. Heb je niet opgemerkt, hoe de Globe, die plotseling Barroux in den steek gelaten heeft, bijna dagelijks met een eerbiedige sympathie over Monferrand spreekt. Dat is een ernstig symptoom, want Fonsègue heeft anders de gewoonte niet de overwonnenen zoo vroom op te rapen... Enfin, wat kan je van die vervloekte Kamer verwachten? In ieder geval gebeurt er weer iets vuils.”

“En dan die sul van een Mège,” zeide Morin, “die voor alle partijen zorgt, behalve voor zichzelf. Is het niet belachelijk dat hij denkt, dat hij alleen maar het eene ministerie na het andere behoeft omver te werpen, om eindelijk zelf kabinetsformateur te worden?”

Bij den naam van Mège protesteerden allen, één in hun gemeenschappelijken haat, luid. Bache, die in vele opzichten toch precies hetzelfde dacht als de apostel van het Staatscollectivisme, veroordeelde iedere redevoering, iedere daad van hem met een onverbiddelijke strengheid. Janzen noemde hem eenvoudig een burgerlijken reactionnair, dien men als een van de eerste wegvegen moest. Dat was de hartstocht van hen allen; dikwijls konden zij rechtvaardig zijn tegenover hun onverzoenlijkste tegenstanders, die geen enkel van hun denkbeelden duldden, terwijl het een groote, onvergeeflijke misdaad was bijna eender te denken als zij, zonder het in alle opzichten volkomen met hen eens te zijn.

Dan kwam het gesprek op Sanier, wiens blad de modder iederen dag als uit een riool haalde. Guillaume, die volgens zijn gewoonte op en neer was gaan loopen, ontwaakte uit zijn droef gepeins, om uit te roepen:

“O, die Sanier! Wat een vuil werk verricht die! Heel gauw zal er niets of niemand meer zijn, op wien hij niet gespogen heeft. Je denkt, dat hij het met je eens is, en plotseling wordt je bevuild... Heeft hij gisteren niet verteld, dat men bij zijn arrestatie op Salvat valsche sleutels gevonden heeft en portemonnaies, die hij van wandelaars gestolen zou hebben... Altijd Salvat! Salvat, het onuitputtelijk onderwerp voor artikelen! Salvat, wiens naam voldoende is om de oplaag der couranten te verdriedubbelen! Salvat, de gelukkige afleiding voor de omgekochten van de Afrikaansche sporen! Salvat, het slagveld, waarop ministeries vallen en gevormd worden! Allen buiten hem uit en wurgen hem!”

Na dezen kreet van verzet en medelijden namen de vrienden afscheid. Pierre had den geheelen avond voor het open raam gezeten en zonder een woord te zeggen geluisterd. Hij was ten prooi aan zijn twijfel, aan zijn innerlijken tweestrijd, en nog geen van de vele elkaar tegensprekende meeningen hadden hem een oplossing, een bevrediging gebracht. Zij waren het er slechts over eens, dat de oude wereld verdwijnen moest, zonder dat zij in een zelfde broederlijke krachtsinspanning de toekomstige wereld van gerechtigheid en waarheid vermochten op te bouwen.

Toen Pierre op zijn beurt ook eindelijk wegging, legde Guillaume zijn beide handen op de schouders van zijn broer en keek hem, ondanks zijn toorn diep geroerd, lang aan.

“Jij lijdt ook, arme jongen, dat zie ik al een paar dagen. Maar jij bent de meester van je lijden, want de strijd wordt slechts in jou zelf gestreden, jij kunt je zelf overwinnen, terwijl men de wereld niet kan overwinnen, wanneer het lijden het gevolg is van haar slechtheid en ongerechtigheid!... Kom, wees dapper, handel volgens je rede, ook al moet het je tranen kosten, en je zal kalm worden.”

Toen Pierre dien nacht in zijn kleine huisje te Neuilly, waarin nog slechts de schimmen van zijn vader en van zijn moeder terugkeerden, alleen was, hield een allerlaatste strijd hem nog lang wakker. Nooit nog had hij een zoo sterken afschuw gevoeld voor zijn leugen, voor dat priesterschap, dat een zinloos gebaar voor hem geworden was, voor die soutane, welke hij eigenlijk slechts als een soort vermomming droeg. Misschien had wat hij bij zijn broeder gezien en gehoord had—de maatschappelijke ellende van sommigen, de nuttelooze en dwaze agitatie van anderen, het ondanks alle onderlinge tegenspraak hardnekkig blijvende verlangen naar een betere menschheid—hem de noodzakelijkheid van een eerlijk, in het volle licht normaal te leiden leven nog dieper doen gevoelen. Nu kon hij aan den langen droom, dien hij eens gedroomd had, dat menschenschuwe en eenzame leven van een vroom priester, die hij niet was, niet denken, zonder dat een rilling van schaamte hem doorhuiverde, zijn geweten in opstand kwam tegen die lange leugen. Nu stond het vast: hij zou niet langer liegen, zelfs niet uit barmhartigheid, om aan anderen de goddelijke illusie te geven. Maar welk een losscheuren uit alles wat hem eens lief geweest was, was het afleggen van die soutane, welke hij aan zijn huid meende te voelen plakken. Hoe troosteloos was het voor hem tegen zichzelf te moeten zeggen, dat hij, zelfs wanneer hij zich losrukte, zwak, gewond, verminkt zou blijven, zonder ooit weer te kunnen worden als andere menschen.

Daarin bestond in dien vreeselijken nacht wederom zijn strijd en zijn marteling. Zou het leven nog iets van hem willen weten? Was hij niet geteekend om eeuwig afzonderlijk te blijven staan? Hij meende zijn eed als een rood gloeiend ijzer in zijn vleesch te voelen. Waartoe diende hij zich te kleeden als andere mannen, daar hij toch nooit meer een man zijn kon? Tot nog toe had hij zoo bevend, zoo onhandig, zoo verloren in zijn verzaking en in zijn droomwereld geleefd! Niet meer kunnen! Niet meer kunnen! Deze vrees, waardoor hij bang was te zullen verlammen, liet hem niet los. En toen hij een besluit nam, deed hij het in angst, alleen uit eerlijkheid.

Toen Pierre den volgenden dag naar Montmartre terugging, droeg hij een donkere jas en broek. Grootmoeder en de drie zonen lieten hun verbazing noch door een uitroep, noch door een blik blijken. Was het niet heel natuurlijk? Zij begroetten hem op dezelfde kalme manier als altijd, misschien zelfs met nog meer hartelijkheid en liefde, om de eerste oogenblikken makkelijker voor hem te maken. Maar Guillaume lachte hem vriendelijk toe. Hij zag daarin zijn werk. De genezing kwam, zooals hij gehoopt had, door hem en bij hem, in de volle zon, in het leven, dat de groote glazen deur in breede stroomen binnen vallen liet.

Ook Marie had opgekeken en zag Pierre aan. Zij wist niet wat haar zoo logisch woord: “Waarom trek je die niet uit?” hem had doen lijden. Dat hij zijn soutane afgelegd had, vond zij eenvoudig makkelijker voor het werk.

“Kom eens kijken, Pierre... Toen ik kwam, zat ik juist te kijken, hoe de wind al die rookwolken naar het Oosten drijft. Je zoudt ze voor schepen kunnen aanzien, voor een niet te tellen eskader, dat de zon purper kleurt. Ja, ja, het zijn gouden schepen, duizenden gouden schepen, die uit den oceaan van Parijs uitloopen, om de aarde beschaving en vrede te brengen!”

III.

Twee dagen later was Pierre al aan zijn nieuwe kleedij gewend; en hij dacht er zelfs niet meer aan, toen hij op een morgen op weg naar Montmartre abbé Rose voor de basilica van den Sacré-Cœur ontmoette.