Part 31
In de eerste dagen van April, op een middag, dat allen aan het werk waren, keek Marie, die naast het werktafeltje tegenover Grootmoeder zat te borduren, naar Parijs en uitte een kreet van bewondering.
“O kijk eens, Parijs in dien zonneregen!”
Pierre kwam naar het groote raam. Het was hetzelfde lichteffect, dat hij ook bij zijn eerste bezoek gezien had. De zon, die achter dunne, purperen wolkjes onder ging, overgoot de stad met een regen van stralen, die aan alle kanten op de eindelooze onmetelijkheid der daken terugkaatsten. Men had kunnen denken, dat de een of andere reusachtige, in den gloed der zon verborgen zaaier zijn gouden zaadkorrels met handenvol van het eene eind van den horizont naar het andere strooide.
Hardop zeide Pierre zijn droom.
“Parijs wordt door de zon bevrucht. Zie eens welk een akker, dien de ploeg in alle richting omgewoeld heeft! Zie eens naar die bruine huizen, die op aardkluiten gelijken, naar die als vorens zoo diepe en rechte straten!”
Marie lachte en geraakte ook in geestdrift.
“Ja, ja, zoo is het... De zon bevrucht Parijs. Kijk eens met welk een majestueus gebaar zij het zaad van gezondheid en licht daar in de verre voorsteden werpt. En hoe vreemd, het is of de wijken der rijken in het Westen als het ware in een rossigen nevel gehuld zijn, terwijl het goede zaad als geel stof op den linkeroever in de volkrijke wijken van het Oosten valt... En daar moet immers de oogst opkomen?”
Allen waren dichterbij gekomen en glimlachten ingenomen om het symbool. En inderdaad hoe meer de zon achter het net der wolken daalde, des te meer scheen de zaaister van het eeuwige leven haar vlammen uit eigen beweging in een rhytmische slingering, die juist de wijken van den arbeid koos, nu hier- dan daarheen te werpen. Een handvol vuurzaad viel op de wijk der scholen neer, en dan ging een andere handvol de wijk der werkplaatsen en fabrieken bevruchten.
“O,” riep Guillaume vroolijk uit; “moge de oogst snel opschieten in deze door zoovele revoluties omgeploegde, door het bloed van zoovele arbeiders bemeste aarde van ons groot Parijs! Alleen in dezen grond kan de idee ontkiemen en bloeien... Ja, ja, Pierre heeft gelijk, de zon bevrucht Parijs met de toekomstige wereld, die slechts hier ontstaan kan.”
Thomas, François en Antoine, die achter hun vader waren komen staan, gaven door een hoofdknikje dezelfde overtuiging te kennen, terwijl Grootmoeder, die ernstig in de verte staarde, de stralende toekomst scheen te zien.
“Een droom—en na hoeveel eeuwen werkelijkheid?” prevelde Pierre rillend. “Wij zullen die niet meer beleven!”
“Nu, dan de anderen!” riep Marie uit. “Is dat niet voldoende?”
Die prachtige kreet trof Pierre diep. En plotseling herinnerde hij zich een andere Marie, de aanbiddelijke Marie van zijn jeugd, Marie de Guersaint, die te Lourdes genezen was en wier verlies zijn hart voor eeuwig leeg gemaakt had. Zou de nieuwe Marie, die hem hier met een zoo rustigen en sterken charme toelachte, de oude wond heelen? Sedert zij zijn vriendin was, herleefde hij.
En daar voor hen bevruchtte de zon Parijs met het levende, gouden stof van haar stralen voor den grooten toekomstigen oogst van gerechtigheid en waarheid.
II.
Op een avond na een flinken werkdag raakte Pierre, die Thomas hielp, verward in zijn soutane en viel bijna.
“Waarom doe je die toch niet uit?” riep Marie met een klein gilletje van schrik.
Zij zeide het zonder eenige bedoeling, eenvoudig omdat zij die soutane voor sommige werken wat zwaar en lastig vond.
Maar dit zoo openhartige, zoo besliste woord drong diep in Pierre’s geest door en verliet dien niet meer. In den beginne werd hij er slechts door getroffen, maar toen de nacht gekomen en hij alleen in zijn klein huisje te Neuilly was, voelde hij hoe dat woord hem langzamerhand benauwde, hem een pijn, een ondragelijke koorts veroorzaakte. “Waarom doe je die niet uit?” Inderdaad, hij had haar moeten uittrekken; wat had hem tot dusverre verhinderd dat kleed af te leggen, dat zoo zwaar, zoo pijnlijk over zijn schouders hing? De vreeselijke strijd begon: hij bracht een afschuwelijken, slapeloozen nacht door, waarin hij al zijn vroegere martelingen herleefde.
En toch leek het zoo makkelijk de soutane uit te trekken, nu hij zijn ambt niet meer uitoefende. Sedert eenigen tijd las hij zijn mis niet meer; dat was de ware breuk, het definitieve opgeven van zijn priesterschap. Maar hij kon weer beginnen de mis te lezen, terwijl hij voelde, dat hij den dag, waarop hij zijn soutane zou afleggen, het priesterschap voor goed opgaf, het verliet, om er nooit meer toe terug te keeren. Een onherroepelijk besluit diende genomen te worden. Uren lang liep hij in angstvollen strijd door zijn kamer.
O, welk een mooie droom was het geweest, menschenschuw en eenzaam, steeds hooger te stijgen, niet meer te gelooven, maar toch als kuisch en eerlijk priester over het geloof van anderen te waken! Niet tot meineed en tot de vernederende laagheid van den renegaat af te dalen, maar zelfs in de troosteloosheid van zijn Niets de dienaar der goddelijke illusie te blijven! Op die wijze was men hem, die alles loochende, die ledig was als een graf, waaruit de wind zelfs de asch weggeblazen heeft, ten slotte als een heilige gaan aanbidden. Nu echter begon zijn geweten hem dien leugen te verwijten—een onbehaaglijk gevoel, dat hij tot nog toe niet gekend had; de gedachte kwam in hem op, dat hij slecht zou handelen, indien hij door bleef gaan zijn ideeën en zijn leven niet met elkaar in overeenstemming te brengen.
Het conflict was duidelijk. Met welk recht bleef hij de priester van een godsdienst, waaraan hij niet meer geloofde? Gebood de eerlijkheid alleen hem niet uit een Kerk te treden, waarin hij ontkende, dat God zijn kon? De dogma’s waren voor hem slechts hinderlijke dwalingen en toch bleef hij er hardnekkig bij om ze te leeren als eeuwige waarheden. Het was een afschuwelijk werk, waartegen zijn geweten nu met schrik in opstand kwam. Vergeefs trachtte hij den vurigen gemoedstoestand, den drang naar barmhartigheid en martelaarschap, die hem er toe gebracht hadden zichzelf op te offeren, die hem hadden doen denken, dat hij gaarne wilde lijden onder zijn twijfel en onder zijn verwoest en verloren leven, mits hij den armen nog den troost van de hoop brengen kon, terug te vinden. Ongetwijfeld hadden de waarheid en de natuur zich reeds te veel weer van hem meester gemaakt: deze valsche apostelrol stuitte hem thans tegen de borst, hij voelde niet meer den afschuwelijken moed in zich Jezus met een gebaar tot de knielende geloovigen te roepen, waar hij heel goed wist, dat Jezus niet tot hen afdalen zou. Alles stortte in: zijn pose van verheven herder, het offer, dat hij bracht in zijn eigen persoon doordat hij alles voor het geloof gaf, zelfs de marteling het verloren te hebben.
Wat dacht Marie van zijn leugen? “Waarom doe je die niet uit?” klonk het opnieuw in zijn ooren. Zijn geweten werd als in stukken gereten. Zij, die zoo oprecht, zoo eerlijk was, moest hem daarom wel verachten. In haar vatte hij al de afzonderlijke verwijten, al de heimelijke kritiek, die zijn handelwijze uitlokte, samen. Het was thans voor hem voldoende, dat zij hem ongelijk gaf, om zich schuldig te gevoelen. Toch had zij hem nooit door één woord haar afkeuring te kennen gegeven. En mocht zij zijn gedrag niet goedkeuren, dan voelde zij zich blijkbaar niet gerechtigd zich in zijn tweestrijd te mengen. De mooie, vrijmoedige en gezonde kalmte, waarvan zij steeds blijk gaf, verbaasde steeds hem, dien het spook van het ontbrekende, de obsessie van het hiernamaals altijd in een vreeselijken doodsstrijd verkeeren deden. Dagen lang had hij haar bestudeerd, haar met zijn blikken gevolgd, zonder haar ooit op een toestand van twijfel of wanhoop te kunnen betrappen. Dat kwam, zeide zij, omdat zij al haar vreugde, al haar kracht, al haar plichtsgevoel gebruikte om zóó te leven, dat het leven voor haar voldoende was, zonder ooit tijd te vinden zich door hersenschimmen te laten bang maken en verlammen. Hij zou dus die soutane uittrekken, welke hem benauwde en brandde, omdat zij hem op haar zoo kalme manier gevraagd had, waarom hij die niet uittrok.
Maar toen hij zich tegen den ochtend op zijn bed geworpen had en meende, nu hij een besluit genomen had, kalmer geworden te zijn, moest hij door een plotselinge benauwdheid weer opstaan. De afschuwelijke angst begon opnieuw. Neen, neen, hij kon die soutane, welke als het ware aan zijn lichaam vastkleefde, niet uittrekken. Zijn huid zou aan het laken blijven hangen, zijn geheele innerlijk wezen zou erdoor worden uitgerukt. Was het priesterschap niet onuitwischbaar, teekende het niet den priester voor eeuwig, plaatste het hem niet altijd buiten de kudde? Zelfs wanneer hij het kleed met de huid van zich afrukte, zou hij de priester blijven, een voorwerp van ergernis en schande, uitgestooten uit het gemeenschappelijke leven, onmachtig en machteloos. Waarom dan zou hij het doen, nu de kerker toch gesloten bleef, nu het arbeidzame en vruchtbare leven buiten in de volle zon niet meer voor hem geschapen was? O, deze machteloosheid, deze machteloosheid! Hij meende die tot in zijn beenderen, tot in zijn merg te voelen. Hij kon geen besluit nemen en eerst twee dagen later ging hij weer, zonder een besluit genomen te hebben, naar Montmartre terug. Zijn martelingen waren weer teruggekeerd.
Trouwens ook het gelukkige huis daar was in een koortsachtig opgewonden stemming, waardoor zelfs Guillaume aangetast was, die geheel in beslag genomen werd door de zaak-Salvat. De zwijgende en waardige houding van Salvat, die verklaarde geen medeplichtige te hebben, die alles bekende, maar een schuw stilzwijgen bewaarde, zoodra hij bang was iemand te zullen compromitteeren, had hem zeer getroffen. De instructie was wel geheim, maar de rechter Amadieu, die ermede belast was, leidde haar met een buitengewoon lawaai; de geheele pers stond vol van zijn persoon, van zijn verhouding tot den beschuldigde, van berichten, interviews en indiscreties. Dank zij Salvat’s kalme bekentenis had hij de geschiedenis van den aanslag uur voor uur kunnen volgen; alleen bestond nog twijfel omtrent de samenstelling van de gebruikte springstof en de vervaardiging van de bom zelf. Als Salvat, zooals hij beweerde, de bom werkelijk bij een vriend had kunnen laden, moest hij liegen, wanneer hij vertelde, dat het kruit eenvoudig dynamiet was en afkomstig uit andere bommen, die zijn kameraden gestolen hadden, want de deskundigen beweerden, dat dynamiet nooit zoo’n verschrikkelijke uitwerking had kunnen hebben. Hier bleef iets geheimzinnigs hangen, dat de instructie vertraagde, en de couranten maakten daar misbruik van om dagelijks de dolzinnigste verhalen, de meest ongerijmde berichten te publiceeren, welker opzienbarende opschriften de oplaag deden stijgen.
Zoo werd Guillaume iederen ochtend steeds meer geprikkeld. Ondanks zijn minachting voor Sanier en hoewel hij trilde van verontwaardiging, moest hij, of hij wilde of niet, de Voix du Peuple koopen, als werd hij aangetrokken door de modder, die eruit stroomde. Trouwens ook de andere couranten, zelfs de zoo correcte Globe, publiceerden onbewezen berichten en trokken daaruit de meest onrechtvaardige conclusies. De taak van de pers scheen hierin te bestaan, dat Salvat bezoedeld en bevuild moest worden, om in zijn persoon het anarchisme naar beneden te halen. Zijn geheele leven was op die wijze een aaneenschakeling van schanddaden geworden: op zijn tiende jaar, toen hij als een arm, verlaten kind op straat rondzwierf, was hij een dief, later een slecht soldaat, een slecht werkman, die in dienst voor insubordinatie gestraft, uit de werkplaatsen, waarin hij door zijn propaganda een slechten geest bracht, weggejaagd was; nog later was hij als een verdacht avonturier naar Amerika gegaan, waar hij allerlei onbekend gebleven misdaden gepleegd moest hebben—afgezien nog van zijn groote immoraliteit, zijn samenleven na zijn terugkeer in Frankrijk met zijn schoonzuster, die zijn dochtertje opgevoed had en die hij onder de oogen van het kind tot zijn vrouw gemaakt had. Zoo werden zijn gebreken ten toon gespreid en vergroot, zonder dat men de oorzaken, welke deze veroorzaakt hadden, in aanmerking nam, het milieu, waar zij erger geworden waren, als verontschuldiging gelden liet. Hoe moesten het menschelijkheids- en rechtvaardigheidsgevoel van Guillaume in opstand komen in hem, die den waren Salvat kende—dezen teerhartigen mysticus, dezen hersenschimmigen, hartstochtelijken geest, die weerloos in het leven geslingerd, door de verbitterde ellende steeds verpletterd en eindelijk tot den droom gebracht was door de verwoesting van de geheele wereld de gouden eeuw weer terug te doen keeren, treffen.
Het ergste was, dat Salvat door alles verpletterd werd, sedert hij in strenge afzondering gehouden werd en in de onbeperkte macht van den eerzuchtigen en mondainen Amadieu was. Guillaume wist door zijn zoon Thomas, dat de beschuldigde op geen steun van zijne vroegere kameraden in de fabriek Grandidier behoefde te rekenen. De fabriek begon weer te bloeien, ging, dank zij de fabricatie van rijwielen, met den dag vooruit; en men zeide, dat Grandidier nog slechts op den door Thomas gezochten, kleinen motor wachtte, om tot de vervaardiging in het groot van automobielen over te gaan. Maar juist die eerste successen, welke nauwlijks een belooning waren voor de vele jaren van inspanning, hadden hem voorzichtig en streng gemaakt; hij ontsloeg enkele werklieden, die in den reuk stonden anarchist te zijn, daar hij niet wilde, dat die pijnlijke geschiedenis van Salvat, die vroeger bij hem gewerkt had, zijn firma in discrediet brengen zou. Dat hij Toussaint en diens zoon Charles niet ontsloeg, hoewel de eerste een zwager van den beklaagde was en de tweede van sympathie voor het anarchisme verdacht werd, vond alleen zijn reden hierin, dat beiden daar reeds twintig jaar werkten. Toussaint, die na de attaque van een beroerte slechts met moeite weer aan het werk gegaan was, had zich voorgenomen, om, wanneer hij als getuige à décharge gedagvaard werd, alleen maar te vertellen wat hij wist van Salvat’s huwelijk met zijn zuster.
Op een avond, dat Thomas thuiskwam uit de fabriek, waar hij nu en dan proeven met zijn motor ging nemen, vertelde hij, dat hij madame Grandidier gezien had, de arme jonge vrouw, die tengevolge van een door het verlies van een kind veroorzaakte kraamvrouwenkoorts krankzinnig geworden was en die haar man, ondanks de dikwijls hevige aanvallen, ondanks het droevig dagelijksch leven dat hij met dit zoo beklagenswaardige groote kind leidde, nooit in een krankzinnigengesticht had willen doen en steeds bij zich gehouden had in het groote paviljoen, dat hij naast de fabriek bewoonde. De blinden bleven steeds gesloten, en het was dan ook een groote verrassing, toen een der ramen geopend werd en de zieke in den heerlijken zonneschijn van den vroegtijdigen lentedag daarvoor kwam staan. Haar blond, mooi, glimlachend kopje was echter slechts even als een wit en vluchtig visioen zichtbaar geweest, want al heel gauw had een dienstbode het raam weer gesloten en was het paviljoen in zijn doodsche stilte teruggezonken. In de fabriek werd verteld, dat zij sedert een maand geen aanval gehad had en dat het krachtige en tevreden uitzien van den patroon, de sterke, maar eenigszins ruwe hand, waarmede hij den toenemenden bloei van zijn firma verzekerde, daarin hun oorsprong hadden.
“Hij is niet kwaad,” zeide Thomas, “maar hij wil in den vreeselijken concurrentiestrijd, dien hij doormaakt, ontzag inboezemen. Hij zegt, dat in onzen tijd, nu het kapitaal en de loonarbeid elkander dreigen te vernietigen, de arbeiders, als zij willen blijven eten, zich gelukkig mogen achten, dat het kapitaal in krachtige en verstandige handen valt. Hij veroordeelt Salvat alleen daarom zoo meedoogenloos, omdat hij meent, dat er een voorbeeld gesteld moet worden.”
Toen de jonge man dien dag uit de fabriek ging, had hij in de wijk van de rue Marcadet, die als een van werken zoemende bijenkorf is, een hartverscheurende ontmoeting gehad. Madame Thérèse en de kleine Céline kwamen er juist uit, nadat zij een weigerend antwoord gekregen had van Toussaint, die haar zelfs geen tien sous had kunnen geven. Sedert de arrestatie van Salvat hadden de arme vrouw en het kind niets meer te eten; verlaten, met schele oogen aangezien, uit haar ellendig krot verjaagd, zwierven zij rond op goed geluk af, in de hoop hier en daar een aalmoes te krijgen.
“Ik heb gezegd, dat ze maar eens hier moesten komen, vader. Ik had zoo gedacht, dat we den huiseigenaar een maand vooruit moesten betalen, dan hebben ze tenminste een dak boven haar hoofd... Daar zijn ze zeker!”
Guillaume had rillend geluisterd en verweet zichzelf, dat hij niet eerder aan die twee arme schepsels gedacht had. Het was de vreeselijke, eeuwige, oude geschiedenis: de man verdwijnt, vrouw en kind worden dak- en broodloos. De gerechtigheid, die den man treft, slaat achteruit en doodt de onschuldigen.
Schuchter en angstig kwam madame Théodore binnen. Zij was bijna blind en de kleine Céline moest haar leiden. Deze had ondanks haar in flarden hangend jurkje nog steeds haar smal, intelligent, fijn gezichtje, dat niettegenstaande alles nu en dan nog door een jeugdig lachje opgevroolijkt werd.
Pierre en Marie waren beiden diep geroerd. In de kamer zat ook Madame Mathis, de moeder van den kleinen Victor, die Grootmoeder met het verstelwerk hielp. Zij ging dikwijls zoo uit werken, om daardoor haar zoon nu en dan een twintigfrancsstuk toe te kunnen stoppen. Maar Guillaume alleen richtte het woord tot madame Théodore.
“Och, mijnheer,” stamelde zij; “wie had nu ooit kunnen gelooven, dat Salvat tot zoo iets in staat zou zijn. Hij is altijd zoo goed en vriendelijk! En toch is het waar, want hij heeft alles aan den rechter bekend... Ik zeide tegen iedereen, dat hij in België was. Ik was er niet heelemaal zeker van, en ik vind het maar prettiger, dat hij niet bij ons teruggekomen is, want ik zou het vreeselijk gevonden hebben, als hij bij ons gearresteerd was... En nu zij hem hebben, zullen zij hem natuurlijk ter dood veroordeelen.”
Céline, die nieuwsgierig rondgekeken had, begon plotseling met dikke tranen in haar oogen te jammeren:
“O neen, mama, zij zullen hem geen kwaad doen.”
Guillaume gaf haar een zoen en bleef verder vragen.
“Wat zal ik u zeggen, mijnheer? De kleine is nog niet in staat om te werken en ik kan zoo goed als niets meer zien. Men wil mij zelfs niet meer als huishoudster nemen, zoodat je wel van honger crepeeren moet... O, ik heb familie genoeg—een zuster van mij is heel goed getrouwd met een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot, die u misschien wel kent. Maar hij is een beetje hoog in zijn wapens, en om mijn zuster scènes te besparen, kom ik er niet meer, ook al, omdat zij tegenwoordig wanhopig is, daar zij weer in positie verkeert, wat in een huishouden een ware ramp is, als je al twee dochtertjes hebt... Daarom heb ik bijna niemand anders dan Toussaint, mijn broer. Zijn vrouw is zoo kwaad niet, maar zij is toch niet meer dezelfde, sedert zij steeds door in angst leeft, dat haar man een tweede attaque zal krijgen. Met de eerste zijn al haar spaarduitjes weggegaan; en wat moet er van haar worden, als hij later nog eens lam wordt? En dan is er nog meer, dat haar hindert; want u moet weten, dat haar zoon Charles zoo dom geweest is het dienstmeisje van een wijnhandelaar met jong te schoppen; maar die is er natuurlijk vandoor gegaan en heeft hem met het kind laten zitten... Het is dus heel goed te begrijpen, dat zij het zelf krap hebben. Ik neem het hun niet kwalijk; zij hebben mij al dikwijls genoeg tien sous geleend, zij kunnen het niet blijven doen.”
Zoo bleef zij maar doorpraten, zij beklaagde zich echter alleen om Céline. Was het niet om te huilen—een zoo flink, handig meisje, dat op school zulke goede vorderingen maakte en nu als een bedelares op straat moest zwerven? En verder merkte zij heel goed, dat men om Salvat niets met haar te doen wilde hebben. De Toussaints wilden zich in zoo’n geschiedenis niet compromitteeren, Charles alleen had gezegd, dat hij begrijpen kon, dat men op een goeden dag zoo zeer het hoofd verloor, dat men de bourgeois in de lucht wilde laten vliegen—gemeen en walgelijk was hun manier van doen.
“Ik zeg niets, mijnheer, want ik ben maar een arme vrouw. Maar wanneer u weten wilt, wat ik denk—ik denk, dat Salvat beter gedaan had, als hij wat hij deed niet gedaan had, omdat wij tweeën, de kleine en ik, eigenlijk degenen zijn, die gestraft worden... Ziet u, het wil er niet bij mij in: het kind van een ter dood veroordeelde...”
Maar weer viel Céline haar in de rede en viel haar om den hals.
“O, mama zeg dat toch niet. Het kan niet waar zijn!”
Pierre en Marie hadden een blik vol eindeloos medelijden gewisseld, terwijl Grootmoeder boven in de kast was gaan kijken, of zij niet wat linnengoed en kleeren voor die twee ongelukkige stakkerds had. Guillaume, die tot tranen toe bewogen was en vol woede tegen een wereld, waarin dergelijke dingen gebeuren konden, liet zijn aalmoes in de hand der kleine glijden en beloofde aan madame Théodore, dat hij met den huiseigenaar zou gaan spreken.
“O mijnheer Froment,” begon de ongelukkige weer, “Salvat had wel gelijk, toen hij zeide, dat u een brave man bent... U weet ook wel, dat hij niet slecht is, want hij heeft een paar dagen bij u gewerkt. Nu hij in de gevangenis zit, spreekt iedereen over hem alsof hij een bandiet is, en dat verscheurt mijn hart”
En zich dan tot madame Mathis wendend, die stil en bescheiden was blijven werken:
“Ik ken u ook, madame, en vooral uw zoon Victor, die dikwijls bij ons is komen praten... Wees maar niet bang, ik zal niets zeggen, want ik wil niemand in gevaar brengen. Maar wanneer Victor praten kon, dan zou hij alleen in staat zijn de denkbeelden van Salvat te verklaren.”
Verbijsterd keek madame Mathis haar aan. Daar zij van het ware leven en de ware gedachten van haar zoon niets wist, schrok zij bij het denkbeeld, dat er een band kon bestaan tusschen hem en dergelijke menschen. Maar bovendien geloofde zij er niets van.
“U vergist u blijkbaar... Victor heeft mij verteld, dat hij bijna nooit meer in Montmartre komt, dat hij altijd op zoek is naar werk.”
Uit den ongerusten, bevenden toon van haar stem begreep madame Théodore, dat zij die vrouw niet in haar treurige zaken had moeten mengen, en dadelijk maakt zij nederig haar excuses.
“Neem me niet kwalijk, madame, ik wilde u niet beleedigen. En misschien vergis ik mij wel.”
Madame Mathis was weer kalm aan het naaien gegaan, als wilde zij zoo gauw mogelijk in haar eenzaamheid terugkeeren, waarin zij nauwlijks genoeg te eten had. Het hinderde haar niet, dat haar aangebeden zoon haar veronachtzaamde, zij hoopte toch op hem, hij bleef haar laatste droom... Eens zou hij haar met alle mogelijke geluk overstelpen!
Grootmoeder kwam met een pak kleeren en linnengoed weer naar beneden en met eindelooze dankbetuigingen gingen madame Théodore en Céline weg. Nog lang na haar vertrek bleef Pierre zwijgend en met diepe rimpels in zijn voorhoofd, op en neer loopen, zonder dat het hem mogelijk was weer aan het werk te gaan.
Toen Pierre den volgenden dag terugkwam, was hij tot zijn verbazing getuige van een heel ander bezoek. Een windvlaag kwam naar binnen—fladderende rokken, lachgilletjes, en daar was de kleine prinses Rosemonde, die den jongen Hyacinthe Duvillard correct en stijf op den voet volgde.
“Ik ben het, waarde meester, ik had u als door uw genie in geestdrift gebracht leerling een bezoek beloofd... En hier is onze jonge vriend, die zoo goed is mij dadelijk na mijn terugkeer uit Noorwegen bij u te brengen, want mijn eerste bezoek is voor u.”
Zij draaide zich om en begroette heel gratieus Pierre, Marie, François en Antoine, die ook in het atelier waren.