Part 30
“Het is belachelijk, dat zoo’n oude jongejuffrouw als ik nog bloost, vindt u ook niet, mijnheer de abbé?” vroeg zij, zich tot Pierre wendend. “Zou je niet zeggen, dat ik heel wat verkeerds gedaan heb? Die jongens plagen me alleen, om me een kleur te laten krijgen... Het helpt niets, al verzet ik me er nog zoo tegen; ik weet niet waar het vandaan komt, maar ik kan er niets tegen doen.”
Grootmoeder keek op van het hemd, dat zij bezig was te verstellen.
“Het is niets erg, beste meid,” zeide zij. “Het is het hart, dat naar je wangen stijgt, opdat men het zien kan.”
Het dejeuner-uurtje naderde. Ze besloten de tafel in het atelier te dekken, wat meermalen gebeurde wanneer er een gast was. De eieren, die het jonge meisje zelf onder een servet uit de keuken gehaald had, werden heerlijk gevonden. Ook de radijsjes en de boter vielen goed in den smaak. Na de coteletten was er geen ander dessert dan de roomkaas, maar het was een roomkaas, zooals nog nooit iemand er een gegeten had. En voor hun oogen hadden zij Parijs, dat zich in zijn vreeselijk gebruis onmetelijk van het eene einde van den horizont naar het andere uitstrekte.
Pierre had al zijn krachten ingespannen om vroolijk te zijn. Maar weldra was hij weer in zijn zwijgen teruggevallen. Guillaume, die de drie fietsen buiten had zien staan, vroeg aan Marie hoe ver zij dien ochtend gereden had. François en Antoine waren met haar den kant van Ogremont uit geweest, maar het vervelende was, dat zij altijd weer de fietsen den heuvel op moesten duwen. Zij lachte erom en zeide, dat zij daardoor lekker en zonder booze droomen sliep. De fiets bezat in haar oogen alle mogelijke deugden; en toen Pierre haar verbaasd aankeek, beloofde zij, dat zij hem haar denkbeelden daaromtrent wel eens zou uiteenzetten. Van nu af bleef de fiets het onderwerp van het gesprek uitmaken. Thomas verklaarde de laatste verbeteringen, die aan de machines van de fabriek Grandidier aangebracht waren. Hij zelf zocht naar een mechanisme, waarmede men onder het rijden op eenvoudige en praktische wijze de versnelling zou kunnen veranderen.
Grootmoeder, die steeds met de kalmte van een koningin-moeder aan de tafel zat, boog zich naar Guillaume toe en fluisterde hem iets in. Pierre begreep, dat zij over zijn huwelijk sprak, waarvan de op einde April vastgestelde datum natuurlijk verzet moest worden. Dit zoo verstandige huwelijk, dat het geluk van het geheele huis scheen te moeten verklaren, was een beetje het werk van haar en van haar drie zoons, want de vader zou nooit naar de stem van zijn hart geluisterd hebben, wanneer de vrouw, die hij in de familie bracht, zich niet reeds daarin bevonden had, niet reeds als zoodanig erkend en geliefd was. Nu scheen om alle mogelijke redenen de laatste week van Juni een goede datum.
Marie hoorde het en keerde zich vroolijk om.
“Jij vindt het eind van Juni ook toch goed, lieve kind?” vroeg Grootmoeder.
Pierre verwachtte een diepen blos op de wangen van het jonge meisje te zullen zien komen. Maar zij bleef heel kalm, zij voelde voor Guillaume een groote toegenegenheid, een onbegrensde dankbaarheid en was er zeker van, dat zij door dit huwelijk iets verstandigs en goeds deed voor zichzelf en voor de anderen.
“Prachtig, einde Juni,” herhaalde zij. “Ik vind het uitstekend.”
De zoons hadden het ook begrepen en vergenoegden er zich mede te knikken, om hun instemming te kennen te geven.
Toen ze van tafel opgestaan waren, wilde Pierre beslist weggaan. Waarom deed dit in zijn eenvoud zoo hartelijk dejeuner, deze familie, die zoo gelukkig was den vader weer in haar midden te hebben, en voor alles dit vreedzame, het leven zoo toelachende jonge meisje hem zoo’n pijn? Hij gaf weer als voorwendsel, dat hij boodschappen in Parijs had. Dan drukte hij de handen, die de drie jongens hem toestaken, ja zelfs die van Grootmoeder en Marie, die beiden even hartelijk, maar over zijn haastig vertrek eenigszins verbaasd waren. Nadat Guillaume nog vergeefs getracht had hem te doen blijven, ging hij met hem mede. In den tuin bleef hij echter staan, om Pierre tot een verklaring te dwingen.
“Wat heb je? Waarom loop je weg?”
“Ik heb niets, heusch niet. Ik heb een paar dringende boodschappen, dat is alles!”
“Neen, laat dat voorwendsel nu maar achterwege... Niemand heeft je toch iets onaangenaams gezegd of je gekwetst. Zij zullen heel gauw even veel van je houden als ik van je houd.”
“Daaraan twijfel ik geen oogenblik, ik beklaag me over niemand... De eenige, over wien ik zou kunnen klagen, ben ik zelf.”
“Jongen, wat doe je me een verdriet!” zeide Guillaume ontroerd en met een wanhopig gebaar. “Ik zie heel goed in, dat je wat voor mij verborgen houdt. Bedenk toch, dat we nu weer broers zijn, dat we weer even veel van elkaar houden als vroeger, toen ik in je wieg met je speelde. Ik ken je, ik ken je ongeluk en je marteling, want je hebt alles voor mij opgebiecht. En ik wil niet, dat je lijdt, ik wil je genezen.”
Toen Pierre hem zoo hoorde spreken, voelde hij zijn hart opzwellen en kon hij zijn tranen niet inhouden.
“Neen, neen, je moet mij aan mijn lijden overlaten. Daarvoor is geen genezing. Je kan niets voor mij doen; ik sta buiten de natuur, ik ben een monster.”
“Wat zeg je daar? Kan je dan niet in de natuur terugkeeren, zelfs als het waar is, dat je daar uitgetreden bent... Ik wil niet, dat je je weer gaat opsluiten in dat eenzame kleine huisje, waar je je door het herkauwen van je Niets krankzinnig maakt. Kom je dagen bij ons doorbrengen, dan kunnen wij je weer den levenslust teruggeven.”
O, welk een ijskoude rilling doorhuiverde hem bij de gedachte, dat hij weer alleen zou zijn in dat kleine, leege huisje zonder zijn broer, van wien hij zooveel was gaan houden en met wien hij zulke prettige dagen doorgebracht had! In welk een eenzaamheid, in welk een kwelling zou hij er weer terugvallen na die enkele weken van heerlijk samenleven, waaraan hij al zoo gewend geraakt was. Maar zijn smart werd er slechts te grooter door; een bekentenis viel van zijn lippen.
“Hier leven! Bij jullie leven! Neen, dat is mij niet mogelijk... Waarom dwing je me te spreken, je te zeggen waarvoor ik mij zoo schaam en dat ik zelf niet begrijp? Sinds vanochtend vroeg heb je wel gezien, dat ik hier bij jullie lijd; dat komt ongetwijfeld, omdat jullie werkt en ik niets doe, omdat jullie elkaar lief hebt, omdat jullie gelooft in je arbeid, terwijl ik niets heb om lief te hebben of in te gelooven... Ik voel me niet op mijn gemak bij jullie, zoodat het niet anders kan, of ik moet jullie op mijn beurt hinderen. Zelfs prikkelt jullie mij, ik zou jullie zelfs ten slotte gaan haten. Je ziet wel, dat er niets goeds meer in mij overblijft, dat alles verwoest en vernield is, dat alles dood is, dat alleen nijd en haat er weer in zouden kunnen opgroeien. Laat mij dus naar mijn vervloekten hoek terugkeeren, waar het Niet zich heelemaal van mij meester zal maken. Vaarwel broeder!”
Buiten zichzelf van liefde en medelijden hield Guillaume hem bij zijn armen vast.
“Je zult niet weggaan. Ik wil niet, dat je weggaat, zonder mij vast beloofd te hebben, dat je terug zult komen. Ik wil je niet voor de tweede maal verliezen, nu ik weet, wie je bent en hoe je lijdt. Tegen je eigen wil in, als het moet, zal ik je redden, zal ik je van de marteling van je twijfel genezen, o, zonder zedepreeken tegen je te houden, zonder je eenig geloof op te dringen, maar eenvoudig door het leven, dat alleen je gezondheid en hoop terug kan geven, zijn gang te laten gaan. Ik smeek je, Pierre, ik smeek het je in den naam van onze liefde, kom weer terug, kom dikwijls terug, om hier je dag door te brengen. Je zult zien, dat je, wanneer je je een taak gesteld hebt en in den familiekring werkt, je je nooit zoo ongelukkig voelt. Een taak van welken aard dan ook en de een of andere groote liefde—het leven aanvaarden, leven en liefhebben!”
“Waarom?” prevelde Pierre bitter. “Ik heb geen taak meer en kan niet meer liefhebben.”
“Nu, dan zal ik je een taak geven, en zoodra de liefde terugkomt, zal je weer liefhebben. Zeg ja, Pierre, zeg ja!”
En toen hij zag, dat zijn smart nog niet week, dat hij er hardnekkig bij bleef hem te verlaten en zich te vernietigen, ging hij door.
“O, ik beweer volstrekt niet, dat alles in de wereld naar wensch gaat, dat er alleen maar vreugde, waarheid en gerechtigheid is... Je kan je niet voorstellen bijvoorbeeld, hoe de geschiedenis van dien ongelukkigen Salvat mij met woede en verzet vervult. Hij is strafbaar, o zeker, maar hoeveel verontschuldigingen zijn er niet voor zijn daad te vinden. Wat zal men hem sympathiek voor mij maken, als men op hem de misdaden van allen stapelt, als de politieke benden hem naar elkaar toekaatsen, zich van hem bedienen voor de verovering van de macht. Dat verbittert mij en ik kan je niet beloven, dat ik verstandiger zijn zal dan jij... Maar Pierre, je moet me beloven, dat je, al doe je het alleen maar om mij pleizier te doen, overmorgen den heelen dag bij ons komt.”
En toen Pierre nog zwijgen bleef:
“Ik wil het; de gedachte, dat jij je in je hol als een gewond dier martelt, kan ik niet verdragen... Ik wil je genezen, ik wil je redden.”
Weer waren tranen in de oogen van Pierre gekomen en hij zeide met een oneindige troosteloosheid:
“Dwing mij niet om iets te beloven... Ik zal trachten mezelf te overwinnen.”
Welk een vreeselijke week had Pierre in het kleine, donkere en ledige huisje. Zeven dagen lang begroef hij zich daar en martelde zichzelf in wanhoop, dat hij zijn ouderen broer, dien hij weer met zijn geheele ziel was gaan lief hebben, niet meer voortdurend bij zich had. Nooit nog had hij, sedert de twijfel zijn hart ledig maakte, zijn alleen zijn zoo sterk gevoeld. Telkens weer stond hij op het punt naar Montmartre te gaan; daar waren, zooals hij onbestemd voelde, liefde, waarheid en leven. Maar telkens hield een onbehaaglijk gevoel, datzelfde gevoel, dat zich reeds eenmaal van hem meester gemaakt had en uit vrees en schaamte bestond, hem tegen. Zou hij, de priester, de ontmande, de uit de gemeenschappelijke liefde en arbeid gebannene, zou hij daar onder die natuurlijke, vrije en gezonde wezens iets anders kunnen vinden dan lijden en pijn? Hij riep de schimmen van zijn vader en zijn moeder, die door de verlaten kamers dwaalden, op, deze nog altijd, zelfs na hun dood, strijdende schimmen, die hij meende te hooren jammeren, alsof zij hem smeekten hen in hem te verzoenen, wanneer hij voor zichzelf vrede zou vinden. Wat moest hij doen? Moest hij met hen weenen, met hen zich aan wanhoop overgeven? Of moest hij daarginds de genezing zoeken gaan, waardoor zij eindelijk de sluimering van het graf zouden vinden, gelukkig te kunnen slapen, als hij gelukkig leefde. En op een morgen scheen het hem, toen hij wakker werd, alsof zijn vader hem glimlachend daarheen zond, terwijl zijn moeder hem met haar groote zachte oogen, waarin de smart van hem een slecht priester gemaakt te hebben week voor den drang, om hem aan het leven der gemeenschap terug te geven, aanmoedigend aankeek.
Dien dag redeneerde Pierre niet verder, maar nam een rijtuig en gaf den koetsier het adres, om zeker te zijn niet te weifelen en onderweg weer om te keeren. Toen hij dan, als in een droom, weer in het atelier stond, waar hij hartelijk ontvangen werd door Guillaume en diens drie zoons, was hij getuige van een scène, die hem diep trof en een groote verlichting was voor zijn smart.
Bij zijn komst was Marie blijven zitten en had hem nauwelijks gegroet; zij zag bleek en een groote rimpel groefde zich over haar voorhoofd. Grootmoeder was ook heel ernstig en zeide, terwijl zij haar aankeek:
“Neem haar niet kwalijk, mijnheer de abbé, zij is niet heelemaal toerekenbaar... Zij is boos op ons allemaal.”
Guillaume begon te lachen.
“O, het is zoo’n stijfkopje... Je kunt je niet voorstellen, Pierre, wat er in dat hoofdje omgaat, wanneer je het niet eens bent met haar opvatting van gerechtigheid. Het is een zoo hooge opvatting, dat zij geen vergelijk duldt. Wij spraken daarnet over dat proces, waarin de vader alleen door de getuigenverklaring van zijn zoon veroordeeld kon worden, en zij alleen houdt vol, dat die zoon goed gehandeld heeft, dat men altijd en ondanks alles de waarheid zeggen moet... Wat een verschrikkelijke officier van justitie zou zij zijn!”
Buiten zichzelf van woede en door het glimlachen van Pierre, die haar ongelijk gaf, nog meer geprikkeld, liet Marie zich door haar drift medesleepen.
“Guillaume, je bent gemeen... Ik wil niet, dat daarom gelachen wordt.”
“Maar je lijkt wel niet wijs,” riep François uit, terwijl Thomas en Antoine eveneens lachten. “Vader en ik verdedigen slechts een stelling van menschelijkheid en wij respecteeren en eerbiedigen de gerechtigheid even goed als jij.”
“Het gaat hier niet om menschelijkheid, alleen om gerechtigheid. Wat recht is, is recht, ondanks alles, zelfs al moest de wereld daardoor ten gronde gaan.”
Toen Guillaume nogmaals trachtte haar te overtuigen, sprong zij plotseling bevend op en begon in haar woede te stamelen:
“Neen, neen, jullie bent allemaal slecht, jullie wilt me allemaal beleedigen... Ik ga liever naar mijn kamer.”
Vergeefs trachtte Grootmoeder haar tegen te houden.
“Kind, kind, denk toch eens na; het is heel leelijk van je. Je zult er spijt van hebben.”
“Neen, neen, jullie bent niet rechtvaardig, ik heb te veel verdriet.”
Driftig ging zij naar haar kamer. Het gaf een heele consternatie. Dergelijke tooneelen kwamen meer voor, maar zelden zoo heftig. Guillaume verweet zich dadelijk, dat hij het spelletje te ver gedreven had, vooral door haar te plagen, want ironie kon zij niet verdragen. Hij vertelde aan Pierre, dat zij in haar jeugd dikwijls van die woede-aanvallen gehad had, wanneer zij iets onrechtvaardigs zag. Zooals zij later uitlegde, was het een onweerstaanbare kracht, die haar medesleurde en razend maakte. Tegenwoordig nog was zij bij dergelijke dingen eigenzinnig en twistziek. Zij schaamde er zich over, want zij voelde heel goed, dat zij daardoor dikwijls onverdragelijk en voor gezelschap ongeschikt werd.
Inderdaad kwam zij een kwartier later weer uit eigen beweging beneden; zij had een hoogroode kleur, maar bekende dapper haar ongelijk.
“Wat ben ik belachelijk, hè, en hoe slecht, terwijl ik de anderen verwijt slecht te zijn... Mijnheer de abbé zal een mooi idee van mij krijgen.”
“U vergeeft het me, niet Grootmoeder?” vroeg zij en gaf haar een zoen. “Ja, nu mag François lachen en Thomas en Antoine ook. Zij hebben gelijk, ik verdien niets beters!”
“Arme Marie,” zeide Guillaume liefdevol; “dat komt ervan, als je in het absolute leeft... Jij, die in alles zoo evenwichtig, zoo redelijk en verstandig bent, omdat je het relatieve der dingen aanvaardt en van het leven niets anders vraagt dan wat het geven kan, verliest alle redelijkheid en alle evenwicht, zoodra je in die absolute voorstelling opgaat, welke jij je van de gerechtigheid maakt... Maar wie van ons zondigt niet op die wijze?”
“Dat heeft tenminste het voordeel, dat ik niet volmaakt ben,” schertste Marie, nog steeds verlegen.
“Zeker, en daarom houd ik nog meer van je.”
Dat zou Pierre eveneens graag uitgeschreeuwd hebben. Dit tooneel had hem diep getroffen, zonder dat hij alles, wat het in hem wakker maakte, nog duidelijk begrijpen kon. Kwamen de martelingen, waaronder hij leed, ook niet voort uit dat absolute, waarin hij leven wilde, het absolute, dat hij tot nog toe van menschen en dieren geëischt had? Hij had het volkomen geloof gezocht en hij had zich uit wanhoop in het volkomen loochenen geworpen. En was die hautaine houding, welke hij ondanks de ineenstorting van alles was blijven aannemen, die roep van een vroom en heilig priester, dien hij zich verworven had, terwijl slechts het Niet in hem woonde, was dat niet wederom een verkeerd verlangen naar het absolute, was dat niet de romantische pose van zijn verblinding en van zijn hoogmoed?
Toen zijn broeder zooeven Marie prees, dat zij van het leven niets vroeg dan wat het geven kon, was het hem voorgekomen alsof die woorden als een raadgeving tot hem gericht werden en als een frissche ademtocht der natuur over zijn gelaat streken. Maar dat alles was nog zoo verward; het eenige, wat hem werkelijk vreugde bracht, was de toorn, waarin hij het jonge meisje gezien had, de dwaling, die haar nader tot hem bracht en die haar af deed dalen van het hooge voetstuk van volmaaktheid, die hem onbewust lijden deed. Welk gevoel was hier in hem werkzaam? Hij gaf er zich geen rekenschap van. Dien dag praatte hij enkele oogenblikken met haar en vond haar, toen hij wegging, goed en menschelijk.
Twee dagen later reeds was Pierre den geheelen middag in het groote, zonnige atelier. Sedert hij zich zijn niets-doen bewust geworden was, verveelde hij zich erg en begon slechts daar tusschen die zoo vroolijk werkende familie afleiding te vinden. Zijn broeder gaf hem een standje, dat hij niet was komen dejeuneeren, en hij moest beloven den volgenden dag vroeg genoeg te zullen komen om mede te kunnen eten. Nadat er een week verstreken was, bestond er tusschen hem en Marie een goede, kameraadschappelijke verhouding, waarin geen spoor meer was te ontdekken van de vijandelijkheid, die hen in den beginne tegen elkaar had doen botsen. De gedachte aan dien priester in zijn soutane hinderde haar in het geheel niet, want in haar rustig atheïsme was zij nooit op het denkbeeld gekomen, dat een priester een wezen afzonderlijk zijn kon. En juist die zusterlijke ontvangst van haar, alsof hij een gewone jas gedragen, hetzelfde leven geleid, dezelfde denkbeelden gehad had als zijn groote neven, zonder dat iets hem van andere mannen onderscheidde, verwonderde en verrukte hem. Maar wat hem nog meer verbaasde was het zwijgen, dat zij over godsdienstige quaesties bewaarde—de rustige en gelukkige onbezorgdheid, waarin het goddelijke, het hiernamaals, dat angstaanjagende gebied van het mysterie, waardoor hij zelf zich in zoo’n smartvollen doodsstrijd voortsleepte, haar scheen te laten.
Sedert hij zoo om de twee of drie dagen kwam, merkte zij heel goed, dat hij leed. Wat had hij toch? Zij vroeg het hem als een goede vriendin; en toen zij slechts ontwijkende antwoorden kreeg, voelde zij, dat hier een bloedende, zich over zichzelf schamende smart was, die het geheim, waarin zij zich hulde, ongeneeslijk maakte. Haar vrouwlijk medelijden ontwaakte en zij vatte een steeds grooter wordende toegenegenheid op voor den grooten, bleeken jongeling met zijn koortsachtig brandende oogen, die door een innerlijke marteling, waarover hij met niemand spreken wilde, verteerd werd. Ongetwijfeld had zij Guillaume gevraagd, waarom zijn broer zoo treurig en wanhopig was; en hij had haar een gedeelte van het geheim toevertrouwd, opdat zij hem zou kunnen helpen Pierre van zijn martelingen te genezen door hem weer levenslust te geven. Hij was zoo gelukkig, dat zij met hem als met een vriend en een broer omging. Op een avond eindelijk, toen zij vol liefde bij hem aandrong, daar zij zag hoe een somber op Parijs nederdalende schemering zijn oogen met tranen vulde, bekende hij haar plotseling zijn martelingen, vertelde hij haar welk een doodelijke leegte het verlies van zijn geloof voor altijd in hem gegraven had. O, niet meer te gelooven, niet meer lief te hebben, niets meer te zijn dan asch, niet te weten door welke andere zekerheid den ontbrekenden God te vervangen!
Zij keek hem verbaasd en verbijsterd aan. Maar hij leek wel niet wijs! En zij zeide hem dat in de verwondering en in het verzet, waartoe die kreet van ellende haar bracht. Wat, wanhopen, niet meer gelooven, niet meer liefhebben, omdat de hypothese van het goddelijke ineenstort? En dat, waar toch de wijde wereld bestaat, het leven met zijn plicht om geleefd te worden, al de wezens en al de dingen, die men liefhebben en helpen moet, afgezien nog van den wereldarbeid, de taak, aan welker vervulling ieder werken moet! Het was ongetwijfeld waanzin, een sombere waanzin, en zij zwoer zichzelf een eed hem daarvan te genezen.
Van af dat oogenblik boezemde deze vreemde jongen, dien zij eerst ongezellig en daarna wonderlijk gevonden had, haar een diep, maar liefdevol medelijden in. Zij was zeer zacht en vroolijk tegenover hem en behandelde hem met al haar teere fijngevoeligheid van geest en hart. Beiden hadden een zelfde jeugd gehad, want hun vrome moeders hadden hen in een bekrompen godsdienstigheid opgevoed. Maar welk een verschillend lot, welk een geheel ander leven daarna! Terwijl hij, gebonden door zijn priestereed, tegen zijn twijfel streed, was zij na den dood van haar moeder naar het lyceum Fénelon gegaan en daar ver van allen godsdienst opgegroeid. Langzamerhand had zij haar eerste religieuze indrukken volkomen vergeten. En het was voor hem een steeds terugkeerende reden tot verbazing, dat zij op die wijze was ontsnapt aan den angst voor het hiernamaals, welke hem juist zoo geheel en al ten gronde gericht had. Wanneer hij in hun gesprekken zijn verbazing daarover uitsprak, begon zij hartelijk te lachen en zeide, dat de hel haar nooit vrees had aangejaagd, omdat zij heel goed wist, dat die niet bestaan kon, terwijl zij er nog aan toevoegde, dat zij rustig leefde zonder hoop in den hemel te komen en trachtte zich aan te passen aan de noodzakelijkheden van deze aarde. Dat was misschien een quaestie van temperament, maar ook zeker van opvoeding, want nooit was een volkomen ontwikkeling in een krachtigeren geest, in een rechtschapener karakter terecht gekomen. En het wonderlijke was, dat zij bij al die opgehoopte kennis zoo vrouwlijk, zoo teer bleef zonder iets hards of manlijks. Zij was eenvoudig door en door natuurlijk, ongedwongen en bekoorlijk.
“O, lieve vriend,” zeide zij, “als je eens wist hoe makkelijk het mij valt gelukkig te zijn, wanneer zij, die ik lief heb, niet al te zeer lijden. Ik voor mij persoonlijk kan mij steeds best in het leven schikken, ik pas mij eraan aan, werk, ben ondanks alles tevreden door mijzelf. Verdriet heb ik feitelijk alleen om anderen gehad, want ik kan het nu eenmaal niet helpen, maar ik wil, dat iedereen bijna even gelukkig is... en er zijn menschen, die zich daartegen verzetten. Zoo ben ik langen tijd arm geweest, zonder dat ik daarom ophield vroolijk te zijn. Ik verlang niets dan de dingen, die niet te koop zijn. Desniettemin is de ellende de grootste gruwel, een schreeuwende onrechtvaardigheid, die mij woedend maakt. Ik kan mij begrijpen, dat alles voor je ineenstortte, toen je de naastenliefde nutteloos en bespottelijk ging vinden. En toch geeft zij verlichting, geven is zoo zoet. En dan, eenmaal zal door de rede, door den arbeid, door de goede functionneering van het leven zelf de gerechtigheid heerschen... Wat, ben ik nu aan het preeken? En ik voel er zoo weinig voor! Het zou te belachelijk zijn, wanneer ik jou met mijn geleerde phrases genezen wilde. Maar toch is het waar, dat ik je van je sombere ziekte bevrijden wil en daarom vraag ik je zoo dikwijls mogelijk bij ons te komen. Je weet, dat het Guillaume’s lievelingswensch is. Wij zullen allemaal zooveel van je houden, je zult zien hoe vroolijk en eensgezind wij aan het gemeenschappelijke werk gaan, zoodat je terugkeeren zult tot de waarheid, door met ons bij de goede natuur in de leer te gaan... Leef, werk, heb lief, hoop!”
Pierre glimlachte en kwam nu bijna iederen dag terug. Zij was zoo liefdevol, wanneer zij hem zoo verstandig de les las! En zij had gelijk: in het atelier heerschte zoo’n liefde, de vreugde om samen te zijn, samen zich te geven aan den gezonden en waarachtigen arbeid! En zich schamend over zijn niets doen en behoefte voelend om zijn vingers en zijn gedachten bezig te houden, hielp hij de anderen bij hun werk, vooral Thomas, wiens onderzoekingen op het gebied der exacte wetenschappen hem het meest interesseerden. Hij deed over zijn soutane een blauwe schort en maakte van af dat oogenblik deel uit van het atelier.