De drie steden: Parijs

Part 3

Chapter 33,752 wordsPublic domain

Het had nog geen twaalf uur geslagen. Baron Duvillard was, tegen zijn gewoonte in, het eerst in den kleinen salon in blauw en zilver. Het was een flinke, krachtige zestiger met een grooten neus, dikke wangen, een breeden mond met nog mooi gebleven wolfstanden. Doch hij was reeds vroeg kaal geworden, verfde de weinige haren, die hij nog over had, en schoor zich, sedert zijn baard grijs geworden was, geheel glad. Zijn grijze oogen verrieden zijn vermetelheid, zijn lach klonk als die van een veroveraar. Zijn geheele gezicht drukt de inbezitneming van die verovering, de heerschappij van den gewetenloozen gebieder uit, die van de door zijn kaste gestolen en vastgehouden macht gebruik en misbruik maakte.

Hij deed een paar passen en bleef dan voor een prachtige mand met orchideeën naast het raam staan. Op den schoorsteenmantel en op de tafel geurden ruikers viooltjes. In den slaperig makenden parfum, in de diepe, warme stilte, die uit het behang scheen te vallen, strekte hij zich makkelijk uit in een der blauwzijden, met zilverdraad bewerkte fauteuils; dan nam hij een courant uit zijn zak en begon voor de tweede maal een artikel te lezen, terwijl het geheele paleis om hem heen hem zijn reusachtig vermogen, zijn souvereine macht, de geheele geschiedenis van de eeuw, die hem tot gebieder gemaakt had, voor den geest riep. Zijn grootvader, Jérôme Duvillard, zoon van een advocaat te Poitou, was in 1788 op achttienjarigen leeftijd als notarisklerk naar Parijs gekomen; taai, intelligent en hebzuchtig als hij was, had hij—eerst met het speculeeren in nationale goederen en later als leverancier der keizerlijke legers—de drie eerste millioenen verdiend. Zijn vader, Grégoire Duvillard, de zoon van Jérôme, geboren in 1805, was de groote man der familie, degene, die het eerst in de rue Godot-de-Mauroy regeerde, nadat koning Louis-Philippe hem den baronstitel verleend had, en bleef onder de Julimonarchie en onder het tweede keizerrijk door zijn schandaalverwekkende winsten bij alle beroemde diefstallen der speculatie, de mijn-, spoorweg- en Suez-aandeelen een der helden van de moderne financieele wereld. Hij zelf, Henri, geboren in 1836, had zich eerst op vijf-en-dertigjarigen leeftijd, kort na den oorlog en na den dood van baron Grégoire, met de zaken bemoeid, maar toen ook dadelijk met zoo’n razende begeerte, dat hij in een kwart eeuw het vermogen opnieuw verdubbeld had.

Hij was de verderver, de verwoester, die alles wat hij aanraakte, bedierf en verslond; hij was ook de verleider, de kooper van veile zielen, die tegenover de nu eveneens hebzuchtig en ongeduldig geworden democratie de nieuwe tijden begrepen had. Zedelijk minder hoogstaand dan zijn vader en zijn grootvader, bezat hij de fout, dat het hem minder om de verovering dan om den buit te doen was; desniettemin was hij een verschrikkelijke man, een machtige triumphator, die met een zekeren blik zijn operaties overzag, met iederen streek van zijn hark millioenen samenraapte, met de regeeringen op vertrouwelijken voet stond en, zoo niet Frankrijk, dan toch een heel ministerie in zijn zak steken kon. In den tijd van een eeuw, in drie generaties had zich de reeds door den komenden storm bedreigde en aan het wankelen gebrachte heerschappij in hem belichaamd. En menigmaal werd zijn gestalte grooter, stak boven alles uit, werd de bourgeoisie zelf, die bij de deeling van 1789 ten koste van den vierden stand alles tot zich getrokken, zich met alles vetgemest had en niets teruggeven wil.

Het artikel in het stuiversblaadje, dat de baron voor de tweede maal las, scheen hem zeer te interesseeren. De Voix du Peuple was een schendblad, dat, onder voorwendsel de beleedigde gerechtigheid en moraal te verdedigen, iederen ochtend, in de hoop zijn oplage daardoor te vergrooten, met een nieuw schandaal kwam. Dien ochtend prijkte met groote letters de titel: “De Afrikaansche spoorwegen. Een omkooperij van vijf millioen. Twee ministers verkocht. Dertig Kamerleden en senatoren gecompromitteerd.” Dan kondigde in een venijnig-hatelijk artikel de hoofdredacteur, de beruchte Sanier, aan, dat hij de lijst der twee-en-dertig Parlementsleden bezat en publiceeren zou, wier stemmen baron Duvillard bij de stemming over de Afrikaansche spoorwegen gekocht had. Een heele romantische geschiedenis werd daaraan verbonden: de avonturen van een Hunter, dien de baron als drijver gebruikt had en die nu op de vlucht was. Heel kalm las de baron iederen zin over, haalde zijn schouders op, ofschoon hij alleen was, en zeide in de rustige zekerheid van iemand, die zich gedekt voelt en te machtig is, om verontrust te worden, hardop:

“De stommeling! Hij weet er nog minder van dan hij zegt!”

Juist op dat oogenblik kwam de eerste gast, een elegant gekleede, knappe, nauwelijks vier-en-dertigjarige jongeman met lachende oogen, een fijnen neus, een gefriseerden baard en iets overmoedigs, lichtvaardigs, vogelachtigs in zijn manier van doen. Bij uitzondering scheen hij dien ochtend zenuwachtig en onrustig.

“Zoo ben jij daar, Dutheil?” zeide de baron opstaande. “Heb je het gelezen?”

En hij wees op de Voix du Peuple, die hij weer opvouwde en in zijn zak stak.

“Zeker, ik heb het gelezen. Het is krankzinnig... Hoe is Sanier aan die lijst met namen gekomen? Er moet een verrader zijn!”

De baron, die zich in zijn geheimen angst verkreukelde, keek hem kalm aan. Dutheil, de zoon van een bijna armen en zeer fatsoenlijken notaris te Angoulême, was door deze stad, dank zij den goeden naam van zijn vader, nog op zeer jeugdigen leeftijd als afgevaardigde naar de Kamer gezonden. Hij leefde daar een vroolijk leventje, dat als het ware een voortzetting was van zijn in nietsdoen en fuiven doorgebrachten studententijd; maar zijn elegante jonggezellenkamer in de rue de Serêne, zijn successen als knap man bij de vrouwen kostten hem veel geld. Zoo was hij al tot allerlei compromissen, tot alle mogelijke laagheden afgegleden als een luchthartig en onbezonnen man, die aan dergelijke kleinigheden niet het minste gewicht hecht.

“Kom!” zeide de baron eindelijk. “Heeft Sanier de lijst? Ik betwijfel het hard, want er bestaat geen lijst, Hunter is niet zoo stom geweest er een te maken... En zelfs al was het zoo? Het is een heele gewone geschiedenis; er is niets gebeurd, wat bij zulke dingen niet altijd gebeurt!”

Dutheil, die voor het eerst in zijn leven angstig was, luisterde naar hem in een behoefte, om gerustgesteld te worden.

“Dat heb ik ook al tegen mezelf gezegd. De zaak heeft niets om het lijf.”

Hij trachtte zijn glimlach terug te vinden; hij wist niet precies meer hoe hij in deze zaak aan die twaalf duizend francs kwam: òf het een leening was òf onder het voorwendsel van een fictieve publiciteit, want Hunter was zoo handig geweest om het schaamtegevoel van zelfs de minst jonkvrouwelijke gewetens te sparen.

“Neen hoor, de zaak heeft niets om het lijf,” herhaalde Duvillard, die blijkbaar veel pleizier had in den angst van Dutheil. “Heb je Silviane gezien?”

“Ik kom juist van haar vandaan; zij is woedend op u... Vanmorgen heeft zij gehoord, dat er geen quaestie van is, dat zij aan de Comédie komt.”

Een kleur van woede maakte plotseling het gelaat van den baron purper. Hij, die zoo kalm en spottend gebleven was bij het dreigend schandaal van de Afrikaansche spoorwegen, verloor, zoodra het om dit meisje, den laatsten hartstocht van zijn zestig jaar, ging, zijn zelfbeheersching; zijn bloed kookte.

“Komt zij niet aan de Comédie? En eergisteren hebben ze het me op het ministerie van Schoone Kunsten zoo goed als zeker beloofd.”

Het was een eigenzinnige luim van die Silviane d’Aulnay. Zij had tot nog toe op de planken slechts een schoonheidssucces behaald en stond er nu op aan de Comédie te komen, waar zij in Polyeucte als Pauline wilde debuteeren, een rol die zij al maanden lang als een bezetene bestudeerde. Het leek krankzinnigenwerk: heel Parijs lachte erom, want de jonge dame had den naam afgrijselijk pervers te zijn en zich aan de liederlijkste ontucht over te geven. Maar zij liet de menschen praten, eischte, zeker van haar overwinning, de rol.

“De minister heeft niet gewild,” legde Dutheil uit.

De baron stikte bijna van woede.

“De minister, de minister! Dan zal ik dien minister laten vallen.”

Hij kon er niet verder op in gaan, want baronesse Duvillard kwam binnen. Ondanks haar veertig jaren was zij nog een mooie, knappe vrouw, hoogblond, groot, alleen wat te gezet, met prachtig geconserveerde schouders en armen en een vlekkelooze zijden huid. Alleen haar gelaat begon de sporen van den ouderdom te vertoonen, eenigszins te verwelken en vlekkerig-rood te worden. Dat was haar ieder uur terugkeerende kwelling en zorg. Haar Joodsche afkomst sprak uit het eenigszins lange gelaat, dat een zeldzame charme had, en de wellustig-zachte oogen. Indolent als een Oostersche slavin, had zij een afkeer van beweging, van loopen en zelfs van spreken, scheen zij met haar voortdurende zorg voor haar eigen persoon, als voor den harem geschapen. Dien dag was zij geheel in het wit: een verrukkelijk, schitterend-eenvoudig toilet.

Met een verrukt gezicht complimenteerde Dutheil haar en kuste haar hand.

“U brengt weer wat lente in mijn ziel, barones. Parijs is vanochtend zoo donker en modderig.”

Maar een tweede gast kwam binnen, een knappe, flinke man van vijf- of zes-en-dertig jaar; en de baron, geheel door zijn hartstocht opgezweept, maakte van de gelegenheid gebruik, om Dutheil mede te nemen naar zijn studeerkamer.

“Ga even met me mede. Ik wou nog een paar woorden over die quaestie zeggen... Mijnheer de Quinsac wil mijn vrouw wel een oogenblik gezelschap houden.”

Zoodra zij met de Quinsac, die haar eerbiedig de hand gekust had, alleen was, keek zij hem lang en zwijgend aan, terwijl haar mooie, liefdevolle oogen zich met tranen vulden. In de diepe, eenigszins pijnlijke stilte, die ontstaan was, zeide zij eindelijk fluisterend:

“Wat voel ik mij gelukkig een oogenblik met je alleen te zijn, beste Gérard. In geen maand heb je me dat geluk gegund.”

De manier, waarop Henri Duvillard met de jongste dochter van Justus Steinberger, den rijken Joodschen bankier, getrouwd was, vormde nog steeds een legendarische geschiedenis. Evenals de Rothschilds waren de Steinbergers in den beginne met hun vieren broers: Justus te Parijs, de drie andere te Berlijn, Weenen en Londen, wat hun geheim bondgenootschap een groote kracht, een internationale en almachtige heerschappij over de Europeesche geldmarkt gaf. Justus was de minst rijke van de vier en had in baron Grégoire een te duchten tegenstander, met wien hij om alle groote prooien moest strijden. Na zulk een verwoed tweegevecht in een hebzuchtige verdeeling van den buit, was hij op het scherpzinnige denkbeeld gekomen zijn jongste dochter Eve te laten trouwen met Henri, den zoon van den baron. Deze was tot nog toe voor een aardigen jongen, een sport- en clubman doorgegaan: de berekening van Steinberger was blijkbaar, dat hij na den dood van den reeds door de doktoren opgegeven baron de hand zou kunnen leggen op de concurreerende bank, wanneer hij alleen maar een makkelijk te overwinnen schoonzoon tegenover zich had. Juist in dien tijd was Henri hartstochtelijk verliefd geworden op de toenmaals schitterende, blonde schoonheid van Eve. Hij wilde haar bezitten, en de vader, die zijn zoon kende, had toegestemd en lachte in zijn vuistje om “de kat, die Justus in den zak kocht”, zooals hij het zelf noemde.

En inderdaad was het huwelijk voor Justus een ramp gebleken, want na den dood van zijn vader kwam achter den genotsmensch de op buit beluste man te voorschijn in Henri, die zich in de uitbuiting van de ontketende begeerten der nu eindelijk in het bezit der macht zijnde burgerlijke democratie het grootste deel naar zich toe haalde. Niet alleen had Eve Henri, die op zijn beurt de almachtige bankier werd, welke meer dan ooit de markt beheerschte, niet verslonden, maar had de baron in minder dan vier jaar Eve opgegeten en verteerd. Nadat hij haar vlak achter elkaar moeder van een dochter en een zoon gemaakt had, verwijderde hij zich gedurende haar laatste zwangerschap plotseling van haar, als had hij een walg van haar gekregen—als van een vrucht waarvan men genoeg genoten heeft en die men wegwerpt. Toen zij hoorde, dat hij tot zijn jonggezellenleven terugkeerde en het met andere vrouwen hield, was zij eerst verbaasd en wanhopig geweest, doch al heel spoedig had zij, zonder verwijten te doen of een poging te wagen om hem weer voor zich te veroveren, harerzijds ook een amant genomen.

Den amant, dien zij op haar vijf-en-twintigste jaar gekozen had, behield zij meer dan vijftien jaar; zij was hem volmaakt trouw, zooals zij haar echtgenoot trouw gebleven zou zijn. Toen hij stierf, was zij diep bedroefd, voelde zij zich als een weduwe. Maar toen zij zes maanden later graaf Gérard de Quinsac ontmoette, kon zij aan haar drang naar liefde geen weerstand bieden, gaf zij zich aan hem.

“Beste Gérard,” ging zij, toen zij zag, hoe verlegen de jonge man was, op haar moederlijk-verliefden toon voort; “ben je ziek geweest of is er iets, dat je hindert en dat je me verbergt?”

Zij was tien jaar ouder dan hij; en ditmaal klemde zij zich als een wanhopige aan die laatste liefde vast; met geheel haar wezen, dat in opstand kwam tegen het oud worden, aanbad zij den mooien jongen man, was zij bereid om te strijden ten einde hem tot iederen prijs te behouden.

“Neen, ik houd heusch niets voor je verborgen,” antwoordde de graaf. “Maar mijn moeder heeft de laatste dagen op bijna al mijn tijd beslag gelegd.”

Zij bleef hem met haar ongerusten hartstocht aankijken; zij vond hem zoo voornaam en edel met zijn regelmatig gezicht en zijn donkerbruine snor. Hij behoorde tot een der oudste familiën van Frankrijk en woonde samen met zijn moeder, een weduwe, die door haar man, een avontuurlijken geest, geheel geruïneerd was, maar toch op een rez-de-chaussée in de rue Saint-Dominique met haar rente van hoogstens vijftienduizend francs volgens haar stand leefde. Hij zelf had nooit iets gedaan, zijn verplichten diensttijd vervuld, maar afstand gedaan van de militaire loopbaan, zooals hij dat deed van de diplomatieke, de eenige, die eervol voor hem openstond. Zijn dagen bracht hij door in het drukke nietsdoen van jongelieden, die het Parijsche leven leiden. Zelfs zijn trotsche, strenge moeder scheen dat te verontschuldigen, alsof zij van meening was, dat een man van zijn afkomst zich onder een republiek, bij wijze van protest, op den achtergrond moest houden. Maar ongetwijfeld had zij nog andere, meer intieme en verontrustende redenen om alles door de vingers te zien. Op zijn zevende jaar had zij hem door een hersenontsteking bijna verloren, op zijn achttiende had hij over zijn hart geklaagd; de doktoren rieden aan hem in elk opzicht te ontzien. Zij wist dus welk een leugen zich achter die krachtige gestalte, dat trotsche uiterlijk verborg. Hij was niets dan asch, die steeds door ziekte en dood bedreigd werd. Achter zijn schijnbare manlijkheid was niets dan vrouwelijke willoosheid, een goed, zwak, voor alle vernederingen ontvankelijk wezen.

Bij een bezoek, dat hij met zijn streng-vrome moeder aan het Asile des Invalides du Travail bracht, had hij voor het eerst Eve ontmoet. Door zich aan hem te geven, had zij hem veroverd, en hij bleef bij haar komen, omdat hij haar nog altijd begeerlijk vond en niet wist hoe hij met haar breken kon. Zijn moeder sloot de oogen voor deze zondige liaison, zooals zij dat al voor zoovele dwaasheden gedaan had, die zij hem als aan een ziek kind vergaf. Bovendien had Eve hem nog veroverd door een daad, die de geheele wereld versteld deed staan. Plotseling hoorde men, dat monseigneur Martha haar tot het Katholicisme bekeerd had. Dat, wat zij voor haar wettigen man niet had willen doen, deed zij, om zich voor altijd van de liefde van een amant te verzekeren. Heel Parijs sprak nog van de pracht en de praal, die bij de doopplechtigheid van die vijf-en-veertigjarige Jodin, wier schoonheid en tranen aller harten geroerd hadden, in de Madeleine ten toon gespreid was.

Dit groote bewijs van liefde streelde Gérard’s ijdelheid nog steeds. Toch begon hij genoeg van haar te krijgen, had hij getracht met haar te breken door samenkomsten te vermijden; hij begreep dan ook heel goed wat zij hem met haar smeekende oogen vroeg.

“Heusch,” herhaalde hij, reeds zwak wordend; “mijn moeder heeft mij geen dag vrij gelaten. Je begrijpt, hoe heerlijk ik het gevonden had...”

Zonder een woord te zeggen, bleef zij hem smeeken; tranen kwamen aan den rand van haar oogwimpers. Het was nu al een groote maand geleden, dat zij elkaar voor het laatst in hun klein kamertje in de rue Matignon gezien hadden. Goed en zwak, evenals zij, gaf hij toe, was hij niet in staat lang te weigeren.

“Vanmiddag dan, als je wilt. Om vier uur, zooals gewoonlijk.”

Hij had fluisterend gesproken, maar een zacht geluid deed hem omkijken en rillen als een man, die op heeterdaad betrapt wordt. Het was Camille, de dochter van de barones, die binnenkwam. Zij had niets gehoord, maar uit hun glimlach, uit het beven der lucht zelf, had zij alles begrepen: weer een rendez-vous in de straat, die zij vermoedde, en nog vanmiddag. Een pijnlijk zwijgen volgde; onrustige, booze blikken werden gewisseld.

De thans drie-en-twintigjarige Camille was een donkere, eenigszins mismaakte brunette; haar linkerschouder was hooger dan haar rechter. Zij geleek noch op haar vader, noch op haar moeder: het was een van die onvoorziene toevallen in de herediteit van een familie, waarbij men zich afvraagt vanwaar zij komen. Haar eenige trots waren haar mooie donkere oogen en haar bewonderenswaardig zwart haar, dat haar kleine gestalte geheel omhullen kon, naar men zeide. Maar haar neus was lang, haar gezicht iets naar links getrokken, haar kin spits, haar trekken iets ingedrukt. De smalle, geestige, boosaardige mond verried den opgekropten wrok, de perverse woede, die in dit leelijke en om die leelijkheid verbitterde meisje verborgen was. Degene, die zij op de wereld het meest verafschuwde, was haar moeder, die nooit van haar gehouden, zich nooit met haar bemoeid, haar van de wieg af aan de zorgen van dienstboden overgelaten had. Op die wijze was er tusschen die beide vrouwen een ware haat ontstaan: bij de eene koud en zwijgend, bij de andere vurig en hartstochtelijk.

De dochter haatte de moeder, omdat zij haar mooi vond en haar verweet haar niet even mooi gemaakt te hebben als zij zelf was. Iederen dag leed zij eronder, dat zij niet begeerd werd, dat aller begeerten nog uitgingen naar haar moeder. Daar zij grappig en bijtend boosaardig was, luisterde men graag naar haar en lachte om haar; maar de blikken van alle mannen, zelfs van de jongste, ja vooral van de jongste, keerden ten slotte weer terug naar de triompheerende moeder, die niet oud worden wilde. En thans had zij met haar wilde energie besloten haar haar laatsten amant te ontrooven en met dezen Gérard, wiens verlies haar ongetwijfeld dooden zou, te trouwen. Dank zij haar bruidsschat van vijf millioen ontbrak het niet aan huwelijkscandidaten; maar zij voelde zich volstrekt niet gevleid daardoor en placht met haar boosaardig lachje te zeggen: “Lieve Hemel, voor vijf millioen zouden zij er een uit de Salpêtrière [1] nemen.” Maar langzamerhand was zij zelf verliefd geworden op Gérard, die in zijn medelijdende goedheid steeds heel vriendelijk tegenover het jonge meisje was. Hij leed onder haar verlatenheid, van lieverlede liet hij zich inpalmen door haar dankbare liefde, die zij voor hem blijken liet; de mooie man voelde zich gevleid haar god te zijn, haar tot slavin te hebben; en bij zijn poging om te breken met de moeder, die hij moede begon te worden, voegde zich zeker ook de gedachte, zich te laten trouwen door de dochter, wat per slot van rekening een zeer makkelijke oplossing was, ofschoon hij het zich niet bekende, daar hij zich schaamde en erg opzag tegen al de verwikkelingen en tranen, die niet uitblijven konden.

Het zwijgen bleef voortduren. Met haar scherpen, als een mes zoo snijdenden blik had Camille tegen haar moeder gezegd, dat zij alles wist; met een tweeden, smartelijken blik klaagde zij haar leed aan Gérard. Om het evenwicht tusschen de beide vrouwen weer te herstellen, vond hij niets dan het compliment:

“Dag Camille... Ha, een havanabruine japon! Het is wonderlijk, zoo goed als eenigszins donkere kleeren je staan!”

Camille keek schuin naar de witte japon van haar moeder en dan naar haar eigen toilet, dat nauwlijks haar hals en haar polsen zien liet.

“Ja,” antwoordde zij lachend; “ik zie er alleen maar schappelijk uit, wanneer ik me niet als een jong meisje kleed.”

Eve, die niet op haar gemak was, daar zij een mededinging, waaraan zij nog niet gelooven wilde, grooter voelde worden, gaf het gesprek een andere wending.

“Is je broer niet thuis?”

“Zeker, we zijn tegelijk naar beneden gekomen.”

Hyacinthe, die juist binnenkwam, drukte met een moe gebaar Gérard de hand. Hij was twintig jaar, had het lichtblonde haar en het lange, Oostersch-kwijnende gezicht van zijn moeder, de grijze oogen en de dikke, gewetenloos hebzuchtige lippen van zijn vader. Op school was hij een slecht leerling geweest, verachtte alle beroepen zonder onderscheid, was vast besloten niets te doen. Door zijn vader bedorven, interesseerde hij zich slechts voor poëzie en muziek, leefde hij in een kring van artisten, snollen, bandieten en gekken, ging hij zelf prat op ondeugden en misdaden, affecteerde hij een walging voor al wat vrouw was, stond hij de belachelijkste philosophische en sociale denkbeelden voor, verviel altijd in uitersten en was achtereenvolgens collectivist, individualist, anarchist, pessimist, symbolist, ja zelfs sodomist geweest, zonder daarom, omdat het tot den goeden toon behoorde, op te houden Katholiek te zijn. In den grond der zaak was hij een domkop en een halve idioot. In het vierde geslacht was het krachtige, hebzuchtige bloed der Duvillards na de drie prachtige roofdieren, die het voortgebracht had, als uitgeput door de bevrediging van zijn hartstochten, tot dezen mislukten hermaphrodiet gedegenereerd, die niet eens in staat was tot groote misslagen en groote uitspattingen.

Camille, die te veel verstand had, om de onbeduidendheid van haar broeder niet te merken, maakte zich vroolijk over hem: zij keek hem aan, zooals hij daar in zijn lange, geplooide jas stond, een romantische, door hem nog overdreven wederopleving van een mode, en zeide:

“Mama vraagt naar je, Hyacinthe... Kom, laat je onderrok eens zien. Wat zou jij er in meisjeskleeren aardig uitzien!”

Maar zonder te antwoorden, ging hij naar een ander gedeelte der kamer. Hoewel zij heel vertrouwelijk met elkaar omgingen, elkaar hun perverse denkbeelden vertelden en vergeefs trachtten elkaar te overtroeven, koesterde hij een heimelijke vrees voor zijn zuster. Hij wierp een minachtenden blik op de mand orchideeën, een ouderwetsche, burgerlijk geworden mode. Hij had de lelies reeds achter zich en was nu bij den ranonkel, de bloedbloem.