De drie steden: Parijs

Part 29

Chapter 293,923 wordsPublic domain

Hij had den grooten strijd tusschen Barroux, Monferrand en Vignon gevolgd, hij merkte de kinderlijke vreugde van Mège op, die gelukkig was, dat hij den modderigen grond van dit water, waarin hij nooit anders dan voor anderen vischte, aan het roeren gebracht had; nu was hij vol belangstelling voor Fonsègue, die, uiterst kalm en ingewijd in de geheimen der toekomst, Dutheil en Chaigneux trachtte gerust te stellen. Doch steeds weer keerde zijn blik terug tot monseigneur Martha, hem had hij geen oogenblik uit het oog verloren, terwijl hij de emoties der zitting volgde op zijn kalm en glimlachend gezicht, alsof deze geheele dramatische parlementaire comedie slechts gespeeld werd voor den toekomstigen triomf, waarop deze priester hoopte. In afwachting van den uitslag der stemming hoorde hij naast zich niets meer dan de gesprekken tusschen den generaal en Massot over taktiek, kader en recruteering, dan hun discussie over de noodzakelijkheid van een bloedbad voor geheel Europa. O, wanneer zou deze jammerlijke menschheid, die in de parlementen en in veldslagen niets dan vechten en elkaar vernietigen wil, eindelijk tot ontwapening overgaan, om naar de geboden van gerechtigheid en rede te luisteren?

De verwarring ten opzichte van de moties van orde scheen eeuwig te duren; het was een regen van moties, die liepen van de zeer heftige van Mège tot de strenge van Vignon. Het ministerie aanvaardde slechts een eenvoudig overgaan tot de orde van den dag en werd verslagen; de motie van Vignon werd eindelijk met een meerderheid van vijf-en-twintig stemmen aangenomen. Een gedeelte van de rechterzijde had zich met de linkerzijde en de socialisten vereenigd. Een lang aangehouden lawaai, dat uit de zaal opsteeg en op de tribunes overging, begroette dit resultaat.

“Ziezoo, nu hebben wij een ministerie-Vignon,” zeide Massot, toen hij met den generaal en Pierre wegging. “Maar Monferrand heeft er zich toch aardig uitgewerkt. Als ik Vignon was, zou ik maar goed uit mijn oogen kijken.”

’s Avonds had in het kleine huisje te Neuilly een in al zijn eenvoud roerend afscheid plaats. Nadat Pierre treurig, maar volkomen gerustgesteld, thuis gekomen was, had Guillaume besloten den volgenden dag weer naar Montmartre terug te gaan. En daar ook Nicolas Barthès vertrekken moest, zou het kleine huisje weer in zijn vroegere troostelooze eenzaamheid terugzinken.

Théophile Morin, aan wien Pierre de treurige tijding had medegedeeld, was gekomen; en toen de vier mannen zich om zeven uur aan tafel zetten, wist Barthès nog niets. Den geheelen dag had hij met zijn zwaren stap van een gevangen leeuw in zijn kamer op en neer geloopen; hij leefde in dit door een vriend aangeboden asyl als een heldhaftig groot kind, dat zich nooit om verhoudingen van het heden noch om de bedreigingen van de toekomst bekommert. Zijn leven was altijd een grenzenlooze hoop geweest, die zich steeds te pletter liep tegen de hoeksteenen der werkelijkheid. Al wat hij liefgehad had, al wat hij door vijftig jaren van gevangenisstraf en verbanning meende bereikt te hebben—de allen gelijk makende vrijheid—de broederlijke republiek—mocht ingestort zijn en aan zijn droom het hardste démenti gegeven hebben, toch was zijn geloof, het reine geloof van zijn jeugd, dat zeker was van de toekomst, gebleven. Een hemelsch glimlachje speelde om zijn lippen, wanneer de jongeren, de dwepers met hem spotten en hem een goeden ouden kerel noemden. Hij zelf begreep niets van de nieuwe secten, maakte zich boos over haar gebrek aan menschelijkheid; trotsch en stijfhoofdig bleef hij bij zijn denkbeeld de wereld door het eenzijdige begrip van louter van nature goede, vrije en broederlijk gezinde menschen te hervormen.

Dien avond was hij onder het eten, nu hij zich door werkelijke vrienden omgeven voelde, heel opgewekt en toonde de onschuld van zijn ziel door de volkomen zekerheid, waarin hij verkeerde, dat hij ondanks alles zijn ideaal in de naaste toekomst verwezenlijkt zou zien. Dan vertelde hij kostelijke geschiedenissen over zijn verschillende gevangenissen; wanneer hij praten wilde, was hij een gezellig verteller. Hij kende alle gevangenissen, Sainte-Pélagie, Mont-Saint-Michel, Belle-Ile-en-Mer en Clairvaux, lachte nog over sommige herinneringen en schilderde het asyl, dat hij overal in zijn vrij geweten gevonden had.

De drie mannen, die naar hem luisterden, waren verrukt, niettegenstaande de angst bij de gedachte, dat deze eeuwige gevangene, deze eeuwige balling weer opnieuw op moest staan en zijn stok weer opnemen om verder te gaan, hun hart samenkneep.

Eerst bij het dessert sprak Pierre. Hij vertelde hoe de minister hem ontboden had en Barthès acht-en-veertig uur gaf om over de grens te gaan, als hij niet gearresteerd wilde worden. De oude man met zijn lang wit haar, zijn arendsneus en zijn nog altijd jeugdig schitterende oogen stond ernstig op en wilde dadelijk vertrekken.

“Wat, beste jongen, je weet dat alles sedert gisteren en je hebt me toch bij je gehouden en mij aan het gevaar blootgesteld je, door in je huis te blijven, nog meer te compromitteeren... Je moet het me niet kwalijk nemen, ik dacht niet aan de moeilijkheden, waarin ik je bracht, ik meende, dat alles zoo goed ging... Maar ik dank Guillaume en ik dank jou voor de rustige dagen, die je aan den ouden zwerver, den ouden dwaas, die ik ben, gegeven hebt!”

Ze smeekten hem nog tot den volgenden ochtend te blijven, maar daarvan wilde hij niets hooren. Tegen middernacht ging er een trein naar Brussel; dien kon hij nog makkelijk halen. Zelfs weigerde hij beslist, dat Morin met hem mede zou gaan. Morin was niet rijk en had zijn bezigheden: zou hij hem zijn tijd ontnomen hebben, terwijl het toch zoo eenvoudig was, dat hij alleen ging? Hij keerde als een wandelende Jood der vrijheid, dien zijn legendarisch martelaarschap eeuwig door de wijde wereld drijft, naar de verbanning terug.

Toen hij om tien uur in de kleine, ingeslapen straat van zijn gastheeren afscheid nam, stonden er tranen in zijn oogen.

“Ik ben niet jong meer; ditmaal is het uit! Ik zal niet meer terugkeeren; mijn gebeente zal daar ergens in een hoekje rusten.”

Maar nadat hij Guillaume en Pierre liefdevol een kus op hun wangen gedrukt had, richtte zijn ontembaar en trotsch wezen zich weer op, kon hij een laatsten kreet van hoop niet onderdrukken.

“Kom, wie weet, morgen is het misschien reeds de dag van den triomf. De toekomst behoort aan hem, die haar maakt en haar verwacht!”

Hij was reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen zij nog zijn krachtigen, flinken stap langzaam hoorden wegsterven in de verte, in den helderen nacht.

VIERDE BOEK.

I.

Het was een zachte ochtend in het laatst van Maart, toen Pierre met zijn broer Guillaume het kleine huisje te Neuilly verliet, om met hem naar Montmartre te gaan. Zijn hart kromp ineen bij de gedachte, dat hij alleen terugkeeren en weer in zijn wanhoop en in zijn Niet terugzinken zou. Hij had niet geslapen, een radelooze bitterheid vervulde hem; maar hij verborg zijn smart en dwong zich tot een glimlach.

Toen de twee broers zagen, dat het zulk mooi en lekker weer was, besloten zij te voet te gaan; een lange wandeling over de buitenboulevards. Het sloeg negen uur. Pierre vond het heerlijk zijn ouderen broeder, die één en al opgewektheid was bij de gedachte aan de verrassing, die hij den zijnen als bij den terugkeer van een reis bereidde, naar huis te vergezellen. Guillaume had de zijnen niet gewaarschuwd, doch hun slechts van tijd tot tijd geschreven hoe het met hem ging. Uit voorzichtigheid en zijn verlangen eerbiedigend, waren zijn zoons hem niet komen opzoeken; en ook het jonge meisje, waarmede hij trouwen zou, had verstandig, kalm en bescheiden gewacht.

Toen zij de zonnige hellingen van Montmartre beklommen hadden, ging Guillaume, die een sleutel had, eenvoudig en zacht naar binnen. Het kleine huisje op de place du Tertre scheen in een diepen vrede te sluimeren en Pierre vond het juist zoo terug als hij het bij zijn eerste en eenig bezoek gezien had: stil, glimlachend en badend in een eindelooze teederheid. Eerst had men de smalle gang, die door den rez-de-chaussée liep, om een uitzicht te geven op den onmetelijken horizont van Parijs. Dan kwam de tuin, die tot twee pruimeboomen en een boschje seringen, waaraan nu jonge blaadjes vroolijk lachten, ingekrompen was, en ditmaal zag Pierre drie fietsen tegen de pruimeboomen staan. Ten slotte het groote, vroolijke werkvertrek, waarin het heele gezin leefde en welks ramen de dakenzee beheerschte.

Guillaume was, zonder iemand gezien te hebben, bij het atelier gekomen. Vroolijk bracht hij zijn vinger aan zijn lippen.

“Nou zal je eens wat zien, beste Pierre.”

De deur ging geruischloos open en zij bleven even op den drempel staan. Alleen de drie zoons waren er. Thomas was met een perforeermachine bezig en maakte tallooze gaten in een kleine koperen plaat. In den anderen hoek, voor de glazen deur, zaten François en Antoine aan hun groote tafel, de een in een boek verdiept, terwijl de andere met zijn graveerstift aan een houtsnede bezig was. Vroolijk vielen de zonnestralen binnen en speelden tusschen het pêle-mêle van het vertrek, waarin zooveel verschillend werk en zooveel verschillende werktuigen opgehoopt waren, te midden waarvan de werktafel van de beide vrouwen met een heerlijken ruiker nagelbloemen versierd was. In de diepe aandacht der drie jonge mannen, in de religieuze stilte hoorde men niets dan het zachte krassen der machine bij ieder gat, dat de oudste boorde.

Maar hoewel Guillaume zich op den drempel niet bewoog, ging er toch een rilling, een plotselinge waarschuwing door het vertrek. De drie zoons keken als door een ingeving tegelijk op en met denzelfden kreet en met dezelfde geestdrift vlogen zij hem om zijn hals.

“Vader!”

Gelukkig drukte hij ze aan zijn borst en gaf hun een kus. Dat was alles: geen verdere sentimentaliteiten, geen nuttelooze woorden. Het was alsof hij den vorigen avond uitgegaan was en nu, na wat langer dan gewoonlijk opgehouden te zijn, weer thuiskwam. Glimlachend keek hij hen aan, terwijl zij hem eveneens aankeken en ook glimlachten. Maar dat drukte al hun liefde, de volkomen overgave voor eeuwig uit.

“Kom toch binnen, Pierre, en geef dien kerels een hand!”

De priester was verlegen en zich niet op zijn gemak gevoelend, bij de deur blijven staan. Zijn drie neven schudden hem hartelijk de hand, dan echter ging hij, daar hij niet goed wist wat hij doen moest, voor het raam zitten.

“Nu jongens, waar is Grootmoeder en waar is Marie?”

Grootmoeder was juist naar haar kamer gegaan en het jonge meisje had het plotseling in haar hoofd gekregen zelf op de markt inkoopen te doen. Dat was een van haar grootste genoegens; zij beweerde, dat zij alleen versche eieren en boter, die naar hazelnoten rook, koopen kon. Bovendien bracht zij dikwijls wat lekkers of bloemen mede, blij, dat zij kon laten zien wat een goede huisvrouw zij was.

“Zoo, en gaat alles goed, jongens?” vroeg Guillaume verder. “Zijn jullie tevreden? Schiet het werk op?”

Hij deed aan ieder afzonderlijk een korte vraag, als iemand, die dadelijk weer in zijn dagelijksche gewoonten thuis is. Thomas, wiens goedig gezicht straalde, vatte in enkele zinnen zijn nieuwe proeven omtrent den nieuwen motor samen, waarvan hij zeker was hem thans gevonden te hebben. François, nog steeds druk bezig met de studies voor zijn examen, vertelde schertsend van den grooten hoop stof, dien hij nog in zijn hersens moest opstapelen. Antoine liet hem de houtsnede zien, die hij bijna klaar had: zijn vriendinnetje Lise, de zuster van den beeldhouwer Jahan, die in een tuin in de zon zat te lezen. Al pratend waren de drie jongens weer naar hun plaatsen gegaan en hervatten heel natuurlijk, tengevolge van de sterke tucht, die van den arbeid hun leven zelf gemaakt had, hun werk.

“Nou jongens, ik heb ook den tijd, dat ik op bed liggen moest, niet nutteloos voorbij laten gaan. Ik heb zelfs een heeleboel aanteekeningen gemaakt.”

“Wij zijn te voet gekomen, maar een rijtuig zal dat alles met de kleeren en het linnengoed, die Grootmoeder mij gestuurd heeft, brengen... Wat ben ik blij alles hier weer terug te vinden! Wat zullen we weer werken!”

Reeds zat hij weer in zijn eigen hoekje. Tusschen de smidse en het raam was een groote ruimte voor hem gereserveerd; daar waren zijn vitrines en planken, die vol stonden met allerlei toestellen, zijn oventje en zijn lange tafel, waarvan hij het einde gebruikte als bureau. Reeds nam hij weer bezit van die wereld, zijn blikken gingen, gelukkig alles weer in orde terug te vinden, van het een naar het ander, zijn handen zochten, raakten de voorwerpen aan, als had hij, evenals zijn drie zoons, haast weer aan het werk te gaan.

Maar op dat oogenblik riep Grootmoeder, die boven aan de trap ernstig, kalm en rechtop in haar eeuwige zwarte japon stond:

“Ben jij daar, Guillaume? Wil je even boven komen?”

Hij ging naar boven, want hij begreep, dat zij hem op de hoogte brengen, hem geruststellen, hem dadelijk alles zeggen wilde, wat zij onder vier oogen te zeggen had. Het ging om het vreeselijke geheim, dat alleen tusschen hen bestond, het eenige, wat zijn zoons niet wisten, datgene wat hem met angst gemarteld had, toen hij na den aanslag bang was, dat het ontdekt en bekend worden zou. Boven in de kamer liet zij hem naast het bed de geheime bergplaats zien, waarin de patronen van het nieuwe kruit en de plannen voor de verschrikkelijke vernietigingsmachine bewaard werden. Hij vond ze terug zooals hij ze achtergelaten had; om ze aan te raken, had men de oude vrouw moeten dooden of met haar het huis in de lucht laten vliegen. Op haar kalme, heldhaftige manier gaf zij hem den sleutel terug, dien hij haar den ochtend na zijn verwonding door Pierre had laten brengen.

“Je was toch niet ongerust, wel?”

“Alleen ongerust dat de politie u zou kunnen brutaliseeren... U bent de hoedster en u zoudt mijn werk voltooien, als ik sterven mocht!”

Intusschen voelde Pierre, die nog steeds beneden voor het raam zat, zijn verlegenheid toenemen. O, zeker, allen kwamen hem in dit huis met liefdevolle sympathie tegemoet—maar waarom scheen het hem dan toe, alsof de dingen en de menschen zelf, ondanks hun goeden wil, hem vijandig bleven. En hij vroeg zich af wat er te midden van deze werkers, die allen door een geloof staande gehouden werden, worden moest van hem, van hem, die aan niets meer geloofde, die niets deed. Het zien van die zoo ijverig, zoo vroolijk aan hun werk bezige broeders vervulde hem met een soort toornige geprikkeldheid, die door het binnenkomen van Marie nog erger werd.

Met haar mandje met inkoopen aan haar arm kwam zij, zonder hem te zien, binnen en zag er in den glans van haar jeugd, met haar slanke taille en haar breede borst zóó vroolijk en zóó overstroomend van gezondheid uit, dat men gedacht zou hebben, dat een zonnige lente-ochtend met haar binnenkwam. Haar rose gezichtje, haar fijne neus, haar groot, intelligent voorhoofd haar volle, goedige mond straalde onder haar donkere lokken. Haar bruine oogen lachten in een voortdurenden jubel van gezondheid en kracht.

“Jongens, jullie moesten eens weten wat ik allemaal gekocht heb... Komt eens kijken! Ik heb de mand niet in de keuken willen uitpakken.”

Zij hield niet op vóór zij om de mand, die zij op tafel gezet had, kwamen staan.

“In de eerste plaats boter. Nou, ruikt die naar hazelnoten of niet? Die maken ze apart voor mij... En dan eieren. Gisteren gelegd, op mijn woord van eer. En dit zelfs vandaag pas... En dan coteletten. Prachtig, hè? De slager doet er speciaal zijn best op, als ik ze kom halen!—En dan nog een roomkaas, maar van echte room, een prachtstuk!—En eindelijk, als verrassing, radijsjes, mooie, kleine, roode radijsjes. Radijsjes in Maart! Luxe gewoon!”

Zij triompheerde als een goede huisvrouw, die de waarde der dingen kent en op het lyceum Fénelon een heelen kook- en huishoudcursus gevolgd had. De drie broers lachten met haar mede en maakte haar een complimentje.

Maar plotseling zag zij Pierre.

“Wat, zit u daar, mijnheer de abbé? Neem me niet kwalijk, maar ik had u heusch niet gezien... En hoe is het met Guillaume? Komt u nieuws brengen?”

“Maar vader is teruggekomen!” zeide Thomas. “Hij is boven bij Grootmoeder.”

Verschrikt legde zij haar inkoopen weer in de mand.

“Guillaume weer thuis! Guillaume weer thuis!... En dat zeg je me nou pas! En je laat mij eerst mijn mand uitpakken! Een mooie boel, om zoo te staan pochen op mijn boter en eieren, terwijl Guillaume weer thuis is!”

Juist op dat oogenblik kwam deze met Grootmoeder naar beneden. Vroolijk liep zij naar hem toe, liet zich twee stevige zoenen op haar beide wangen geven, legde dan haar handen op zijn schouders, keek hem lang aan en zeide met een eenigszins bevende stem:

“Ik ben blij, erg blij je weer terug te zien, Guillaume... Nu mag ik het wel zeggen, ik ben erg bang geweest, dat ik je zou moeten verliezen.”

En hoewel zij nog steeds lachte, kwamen er twee tranen in haar oogen. Ook hij was zeer ontroerd en fluisterde, terwijl hij haar weer kuste:

“Lieve Marie... Wat ben ik gelukkig! Ik vind je weer zoo mooi en zoo lief terug!”

Pierre, die ze aankeek, vond hen koel. Blijkbaar had hij van verloofden, die een ongeluk zoo kort vóór hun huwelijk langen tijd gescheiden had, meer tranen, een hartstochtelijker omhelzing verwacht. Ook het groote verschil in leeftijd hinderde hem, hoewel zijn broer er toch nog flink en jong uitzag. Neen, het moest het jonge meisje zijn, dat niet in zijn smaak viel. Zij was te gezond, te kalm. Sedert zij binnen was, voelde hij zijn verlegenheid, zijn lust om weg te gaan en niet meer terug te komen, grooter worden. Het gevoel, dat hij zoo heel anders dan zij, dat hij een vreemdeling in het huis van zijn broeder was, deed hem pijn. Hij stond op, wilde weggaan, onder voorwendsel, dat hij nog een boodschap in Parijs moest doen.

“Wat, wil je niet bij ons blijven dejeuneeren?” riep Guillaume verbaasd uit. “Dat hadden we toch afgesproken. Neen, dat verdriet zal je me toch niet aandoen... Voortaan, broertje, is dit huis het jouwe.”

Ook al de anderen verzetten zich tegen zijn vertrek en drongen er hartelijk op aan, dat hij zou blijven, zoodat hij toegeven moest en weer op zijn stoel ging zitten, waar hij weer in zijn zwijgende verlegenheid terugviel en naar deze familie, die de zijne was, maar van wie hij zich toch zoo ver verwijderd gevoelde, keek en luisterde.

Het was even over elven. Door vroolijk gebabbel onderbroken, werd het werk voortgezet, toen een der beide dienstmeisjes de mand met inkoopen kwam halen. Marie drukte haar op het hart haar te roepen voor de zachte eieren, want zij liet er zich op voorstaan een prachtig recept te hebben, waardoor zij ze juist zoo kon koken, dat het wit een roomachtige melk bleef. Dat gaf François aanleiding tot een paar grappen; hij plaagde haar dikwijls met al die mooie dingen, die zij op het lyceum Fénelon had geleerd, waarop haar vader haar op haar twaalfde jaar na den dood van haar moeder gedaan had. Maar zij bleef het antwoord niet schuldig, lachte op haar beurt over de uren, die hij zelf op de École Normale met paedagogische onzinnigheden verspilde.

“O jullie groote kinderen,” zeide zij, zonder met haar borduurwerk op te houden; “het is grappig; jullie bent toch alle drie intelligente jongens met een breeden blik, en toch kunnen jullie het in den grond der zaak niet goed zetten, dat een meisje zooals ik net als jullie op een lyceum gestudeerd heeft. De strijd tusschen de seksen, een concurrentiequaestie, niet?”

Zij protesteerden, bezwoeren, dat zij niets liever wilden dan goed onderwijs voor meisjes. Dat wist zij zelf ook heel goed; zij vond het alleen leuk hen te plagen.

“Neen, neen, in dat opzicht zijn jullie heel achterlijk... Ik weet heel goed, wat men in welmeenende burgerlijke kringen aan de meisjeslycea verwijt. In de eerste plaats is het onderwijs daar volkomen wereldlijk, en dat valt in het geheel niet in den smaak der families, die voor meisjes het godsdienstonderwijs als een moreele verdediging noodzakelijk achten. Verder wordt het onderwijs er steeds democratischer; dank zij het gratis toelaten van leerlingen, wat zeer vrijgevig geschiedt, komen er meisjes uit alle kringen, zoodat de dochter van de mevrouw op de eerste verdieping en die van de conciërge er elkaar vinden en vriendschappelijk met elkaar omgaan. Ten slotte geraakt men er los van den huiselijken haard, wordt een steeds grootere speelruimte gegeven aan het initiatief, terwijl al die overladen programma’s en al die kennis, die bij het examen geëischt wordt, ongetwijfeld een emancipatie van het jonge meisje, een stap nader tot de toekomstige vrouw, tot de toekomstige maatschappij beteekenen, waarnaar jullie allen immers zoo verlangt!”

“Natuurlijk, daar zijn we het allen over eens!” riep François.

Zij maakte een aardig gebaar en ging kalm voort.

“Ik maak maar gekheid... Jullie weet, dat ik maar een eenvoudig meisje ben en niet zoo veel verlang als jullie! O, die eischen en die rechten der vrouw! Het is immers heel duidelijk, zij heeft alle rechten, zij is de gelijke van den man, in zooverre de natuur dat toelaat! De eenige moeilijkheid bestaat hierin: elkander te begrijpen en lief te hebben... Dat neemt niet weg, dat ik heel blij ben te weten wat ik weet. O, ik zeg het zonder eenige pedanterie, alleen maar omdat ik me verbeeld, dat dit me zoo gezond gemaakt heeft, mij lichamelijk en geestelijk een steun in het leven geeft.”

Wanneer zij die oude herinneringen aan het lyceum Fénelon ophaalde, ging zij er geheel in op met een vuur, waarin haar ijver, haar gestoei gedurende de vrije uren, haar dolle streken met haar vriendinnen herleefden. Van de vijf meisjeslycea te Parijs was het lyceum Fénelon het eenige, dat veel leerlingen telde en wel voornamelijk dochters van ambtenaren en vooral van onderwijzeressen, die zichzelf voor het onderwijs wilden bekwamen. Deze gingen, na het lyceum afgeloopen te hebben, haar einddiploma halen aan de École Normale te Sèvres. Maar Marie voelde ondanks haar uitstekende studiën in het geheel geen roeping voor onderwijs geven, en later, toen haar vader geruïneerd en schulden nalatend stierf en zij een oogenblik lang zonder middelen van bestaan op straat kwam te staan, had Guillaume haar tot zich genomen en niet gewild, dat zij overal en nergens les ging geven. Zij borduurde prachtig en stond er hardnekkig op, zelf geld te verdienen, om van niemand iets behoeven over te nemen.

Glimlachend had Guillaume, zonder zich in het gesprek te mengen, geluisterd. Hij had haar lief leeren krijgen om haar vrijmoedigheid, haar rechtschapenheid, haar mooie evenwicht, dat haar groote, krachtige bekoring vormde. Zij wist alles, en al mocht zij daardoor de poëzie van het onwetende, schuchtere jonge meisje verloren hebben, zij had daardoor een werkelijke rechtschapenheid van geest en hart, een volmaakte onschuld, die zich voor niets schaamde, zonder eenige huichelachtige achterhoudendheid, zonder verborgen, door het geheimzinnige geprikkelde perversiteit gewonnen. En bij haar heerlijke, rustige gezondheid had zij een zóó kinderlijke kuischheid behouden, dat nog dikwijls ondanks haar zes-en-twintig jaar het bloed haar naar de wangen steeg, zij van die vuurroode kleuren kreeg, welke haar zoo wanhopig maakten.

“Lieve Marie,” zeide Guillaume; “je ziet wel, dat de kinderen een grapje maken. Maar jij hebt gelijk... Jouw zachte eitjes zijn de lekkerste van de heele wereld.”

Hij had het met zulk een liefdevolle teederheid gezegd, dat het jonge meisje, zonder dat er eenige reden voor was, vuurrood werd. Zij voelde het zelf en bloosde nog meer. En toen de drie jongens haar ondeugend aankeken, werd zij boos op zichzelf.