Part 28
Nu noemde Massot den naam van iederen binnenkomenden, invloedrijken afgevaardigde. Mège, die door een ander lid van de kleine socialistische groep staande gehouden werd, gesticuleerde opgewonden. Dan kwam Vignon, door eenige vrienden begeleid en een glimlachende kalmte bewarend, de treden af, om naar zijn plaats te gaan. Maar de tribunes wachtten vooral op de gecompromitteerde leden, wier naam op de lijst van Sanier stond; dezen waren interessant om te bestudeeren: enkelen huichelden een volkomen kalmte, waren vroolijk en maakten grappen; anderen daarentegen namen een ernstige, verontwaardigde houding aan. Chaigneux zag er aarzelend en weifelend uit, als werd hij neergedrukt onder het gewicht van een vreeselijke onrechtvaardigheid. Dutheil daarentegen had zijn kalme onbezorgdheid teruggevonden en zou volkomen vroolijk geweest zijn, indien niet een zenuwachtige spierbeweging zijn mond vertrokken had. Het meest bewonderde men Fonsègue; hij was zichzelf weer zóó volkomen meester, zijn gezicht had een zóó vastberaden, zijn blik een zóó onbevangen uitdrukking, dat al zijn collega’s en het geheele publiek een eed gedaan zouden hebben op zijn onschuld.
“O die patroon,” prevelde Massot geestdriftig. “Zoo bestaat er toch geen tweede... Kijk, daar heb je de ministers! Let vooral eens goed op de ontmoeting tusschen Barroux en Fonsègue na het artikel van vanochtend!”
Het toeval wilde, dat Barroux met opgeheven hoofd, heel bleek en bijna uitdagend, langs Fonsègue moest, om bij de ministerbank te komen. Hij zeide geen woord, maar keek hem aan als iemand, die voelt, dat hij verlaten wordt, dat een verrader hem een mes in den rug stoot. Fonsègue bleef echter naar alle kanten handen geven, alsof hij zelfs niets merkte van den zwaren blik, die op hem rustte. Verder deed hij eveneens alsof hij ook Monferrand niet zag, die kalm, alsof er geen wolkje aan de lucht was, achter Barroux liep. Zoodra hij op zijn plaats zat, keek hij op en glimlachte tegen monseigneur Martha, die dezen groet met een hoofdknikje beantwoordde. Dan begon hij zacht in zijn handen te wrijven, blij, dat de zaken precies zoo liepen als hij wilde.
“Wie is die grijze, trieste man op de ministersbank?” vroeg Pierre aan Massot.
“O dat is die goede Taboureau, de man zonder prestige, de minister van Openbaar Onderwijs. Je kent hem natuurlijk wel, maar je herkent hem nooit: hij ziet er precies uit als een oude, door het lange gebruik afgesleten sou. Dat is er ook een, die den patroon nu niet bepaald dankbaar gestemd zal zijn, want de Globe bevatte vanochtend een juist door zijn gematigdheid zoo fel artikel over zijn onbekwaamheid in alles wat de afdeeling Schoone Kunsten betreft. Het zou mij verwonderen, als hij daarboven opkomt.”
Maar een dof tromgeroffel kondigde de komst van den voorzitter in het bureau aan. Een deur ging open en een kleine stoet verscheen, terwijl een verward lawaai, geroep en geloop de halfcirkelvormige zaal vulden. De president stond, luidde lang met zijn bel en zeide, dat de zitting geopend was. Er trad echter geen stilte in, toen een secretaris, een groote, lange, donkere jongeman, met een scherpe stem de notulen voorlas. Nadat deze goedgekeurd en de brieven van verhindering voorgelezen waren, werd vlug een klein wetsontwerp met het opsteken der handen aangenomen. Daarna kwam eindelijk de groote zaak, de interpellatie van Mège te midden van een rilling in de zaal en de hartstochtelijke nieuwsgierigheid der tribunes. Nadat de regeering de interpellatie aanvaard had, besloot de Kamer, dat de discussie onmiddellijk beginnen zou. Ditmaal ontstond er een diepe stilte, waardoor nu en dan een korte rilling ging, waarin men den schrik, den haat, den hartstocht, de verslindende, ontketende begeerten voelde.
Op de tribune begon Mège gekunsteld-gematigd de quaestie te preciseeren en formuleeren. Hij was groot, mager, knoestig en krom als een boomtak en steunde zijn eenigszins gebogen gestalte met zijn beide handen, terwijl hij zijn rede dikwijls even onderbreken moest voor een teringhoestje. Maar achter zijn lorgnet schitterden zijn oogen van geestdrift; langzamerhand verhief zich zijn schrille, krijschende stem tot een donder, terwijl hij onder een heftig gebarenspel zijn grof gebouwd lichaam oprichtte. Hij herinnerde eraan, hoe hij twee maanden geleden bij de eerste onthullingen van de Voix du Peuple de regeering over die betreurenswaardige affaire der Afrikaansche sporen wilde interpelleeren, en maakte er niet ten onrechte opmerkzaam op, dat er, indien de Kamer, toegevend aan gevoelens, die hij op dit oogenblik niet verder beoordeelen wilde, zijn interpellatie niet verdaagd had, reeds lang licht zou zijn opgegaan, wat het weder opduiken van het schandaal, deze geheele heftige campagne van onthullingen, waaronder het geheele land leed, voorkomen zou hebben.
Nu echter begreep men, dat zwijgen onmogelijk geworden was, de beide met zooveel ophef van plichtverzaking beschuldigde ministers moesten antwoorden, hun volkomen onschuld bewijzen, het meest heldere licht over hun geval doen schijnen, geheel afgezien nog van het feit, dat het Parlement een dergelijke beschuldiging van onteerende omkoopbaarheid niet op zich mocht laten zitten. Hij rakelde de geheele geschiedenis der affaire op, sprak van de concessie, die aan den bankier Duvillard voor de Afrikaansche sporen gegeven was, over de beruchte emissie van premieloten, welke de Kamer—wanneer men de aanklagers gelooven mocht—goed gekend had dank zij een omkooperij, een geschacher met en een koopen van gewetens. Op dit punt van zijn rede, toen hij begon over den beruchten Hunter, Duvillard’s drijver, dien de politie had laten ontvluchten, om zich des te meer met de vervolging van socialistische afgevaardigden te kunnen vermoeien, geraakte hij in vuur en liet zich tot een onstuimige heftigheid verleiden.
Hij sloeg met zijn vuist op de tribune, sommeerde Barroux kategorisch tegen te spreken, dat hij van de tweehonderd duizend francs, waarmede zijn naam op de lijst voorkwam, ooit een centime gekregen had. Stemmen schreeuwden hem toe, dat hij de geheele lijst voor moest lezen; andere begonnen, toen hij haar voorlezen wilde, lawaai te maken en te brullen, dat het een schandaal was om zoo’n leugenachtig en lasterlijk pamphlet in een Fransche Kamer te brengen. Maar hij bleef geestdriftig doorgaan, gooide Sanier in de modder, ontkende beslist, dat hij iets met de aanklagers gemeen had, maar eischte, dat allen op denzelfden voet behandeld werden en dat, als er onder zijn collega’s omgekochten waren, men ze hedenavond nog in Mazas zou laten slapen.
De president stond achter zijn monumentale tafel en luidde machteloos als een loods, die den storm niet meer meester is. Te midden van de opgeblazen en schreeuwende gezichten bewaarden alleen die van de boden den onverstoorbaren ernst van hun functie. Tusschen het lawaai in bleef men de stem van den redenaar hooren, die in een plotselingen overgang een tegenstelling begon te maken tusschen de door hem gedroomde collectivistische maatschappij en de misdadige kapitalistische maatschappij, welke in staat was dergelijke schandalen te verwekken. Hij was als een apostel, die met een woeste halsstarrigheid de wereld naar zijn geloof wilde hervormen. Het collectivisme was een leer, een dogma geworden, waarbuiten geen heil te vinden was. De voorspelde dagen zouden weldra komen; hij wachtte ze met een glimlach vol vertrouwen af; hij behoefde nog slechts dit ministerie en misschien nog een tweede of een derde omver te werpen, om eindelijk zelf als hervormer, die vrede brengen zou aan de volkeren, de macht in handen te krijgen. Deze sectariër had—zooals de andere socialisten verwijtend beweerden—dictatorsbloed in zijn aderen. Weer luisterde men naar hem, want zijn koortsachtige, hardnekkige rhetoriek had ten slotte de schreeuwers uitgeput. Toen hij eindelijk de tribune verliet, weerklonken op sommige banken der linkerzijde luidruchtige toejuichingen.
“Een paar dagen geleden heb ik hem met zijn drie kinderen in den Jardin des Plantes gezien,” zeide Massot tegen den generaal. “Hij zorgde voor hen als een kindermeid. Hij lijkt mij een brave kerel, die zijn arm huishouden zooveel mogelijk tracht te verbergen.”
Maar een rilling was door de zaal gehuiverd. Barroux stond op om naar de tribune te gaan. Hij richtte met een hem eigen beweging, die zijn hoofd naar achteren wierp, zijn hooge gestalte op en begon dadelijk in een mooie, bloemrijke taal en met theatrale gebaren zijn zwaarmoedige verontwaardiging te schilderen. Het was een romantische tribune-welsprekendheid, waaruit men dadelijk den braven, weekhartigen, eenigszins dommen man, die hij per slot van rekening was, proeven kon. Toch beefde dien dag een echte, diepe ontroering in hem, want zijn hart bloedde over zijn ongelukkig lot en hij voelde met zich een geheele wereld instorten. O, hoe hield hij den kreet van wanhoop in, den kreet van den burger, dien de gebeurtenissen op den dag, dat hij door zijn toewijding recht meent te hebben op den triomf, in het gezicht slaan en terugwerpen.
Hoe vreeselijk, wanneer men zich sedert het keizerrijk met hart en ziel aan de Republiek gegeven, voor haar gestreden, voor haar geleden, haar vervolgens na de verschrikking van een nationalen en een burgeroorlog temidden van den dagelijkschen partijstrijd gegrondvest heeft, zich dan plotseling, wanneer zij eindelijk triompheert en sterk en onoverwinlijk is, als een vreemdeling uit een anderen tijd te voelen, te hooren, hoe nieuw aangekomenen een andere taal spreken, een ander ideaal verdedigen, getuige te moeten zijn van een instorting van alles wat men liefheeft en vereert, van alles, wat iemand de kracht tot overwinnen gegeven heeft. De machtige arbeiders van den eersten tijd waren er niet meer. Gambetta had gelijk gehad te sterven. Maar welk een bitterheid voor de laatste, temidden van de intelligente en handige jonge generatie overgebleven ouden, die zien moesten, hoe er om hun ouderwetsch geworden romantisme gelachen werd. Alles stortte ineen, zoodra de idee der vrijheid bankroet sloeg, zoodra de vrijheid niet meer het eenige goed, het fundament zelf der republiek was, die zij zoo duur en met zooveel inspanning van krachten gekocht hadden.
Zeer oprecht en zeer waardig bekende Barroux. De republiek was de heilige ark, en om haar te redden, zoodra zij in gevaar verkeeren kon, werden alle middelen, zelfs de ergste, geheiligd. Hij vertelde de geschiedenis heel eenvoudig: al het geld van de bank Duvillard zou, onder voorwendsel van publiciteit, naar de bladen der oppositie gaan, terwijl de republikeinsche bladen belachelijk kleine sommen kregen. Als minister van Binnenlandsche Zaken was hij toenmaals met de persaangelegenheden belast; en wat zou men gezegd hebben, indien hij niet getracht had het juiste evenwicht te herstellen, zoodat de macht van de tegenstanders niet vertienvoudigd werd. Alle handen strekten zich naar hem uit, tallooze bladen, en daaronder de meest verdienstelijke en meest getrouwe, eischten het hun rechtmatig toekomend deel. Dat deel nu had hij hun verzekerd door onder hen de tweehonderd duizend francs, waarmede zijn naam op de lijst voorkwam, te verdeelen. Geen centime daarvan was in zijn zak terechtgekomen; hij gaf niemand het recht aan zijn rechtschapenheid te twijfelen, zijn woord moest voldoende zijn. Op dat oogenblik was hij werkelijk bewonderenswaardig groot. Alles, zijn pralende middelmatigheid, zijn emphase verdween; niets was meer over dan de man van eer, die bevend zijn hart liet zien, wiens geweten bloedde door het uitrukken der waarheid, die begreep, dat de belooning uitblijven zou.
Inderdaad werd de rede met een ijskoude stilte ontvangen. Barroux, die in zijn naïveteit geloofd had, dat een uitbarsting van geestdrift volgen zou, werd langzamerhand zelf door die koude, welke uit alle banken opsteeg, aangegrepen. Plotseling voelde hij, dat hij alleen stond, dat het uit was met hem, dat de dood hem aangeraakt had. Het was de leegte als van een graf in hem. Toch sprak hij te midden van de angstaanjagende stilte verder met de bravoure van een arme, die zelfmoord pleegt en uit liefde voor mooie en edele houdingen, staande sterven wil. Het einde was een laatste, mooi gebaar. Toen hij de tribune verliet, was de stemming nog killer geworden, weerklonk er geen enkele toejuiching. Tot overmaat van ramp had hij een toespeling gemaakt op het heimelijke drijven van Rome en van de geestelijkheid, dat volgens hem geen ander doel had dan om de verloren posities te heroveren en vroeger of later de monarchie te herstellen.
“Wie is nou zoo stom om te bekennen?” prevelde Massot. “Hij ligt op zijn gat en het ministerie met hem.”
Nu betrad te midden van die tot ijs verstijfde zaal Monferrand zonder eenige aarzeling de tribune. Het was voor de zich allesbehalve op haar gemak gevoelende Kamer een groote opluchting, toen Monferrand dadelijk met een formeel en krachtig démenti begon. Hij sloeg met zijn eene vuist op de tribune, en gaf met de andere uit naam van zijn beleedigde eer, harde slagen op zijn borst. Met zijn korte, ineengedrongen gestalte, zijn vooruitstekend gezicht, zijn dikken, sensueelen en eerzuchtigen neus, zijn breede schouders, waarachter hij zijn groote handigheid verborg, was hij een oogenblik prachtig om aan te zien. Hij ontkende alles. Niet alleen wist hij niet, wat die achter zijn naam geschreven tachtig duizend francs beteekenden, maar hij daagde de geheele wereld uit, om te bewijzen, dat hij ooit een sou van dat geld aangeraakt had. Zijn verontwaardiging kookte en stroomde zóó over, dat hij er zich niet mede tevreden stelde in zijn naam alles te loochenen, maar ook in den naam van alle tegenwoordige en vroegere Kamers, alsof deze monstruositeit van een volksvertegenwoordiger, die zijn stem verkocht, alle denkbare smadelijke misdaden overtrof. De bijval barstte los, de weer verwarmde, bevrijde Kamer juichte hem toe.
Toch riepen op de socialistische banken enkele stemmen, dat hij een verklaring moest geven van de affaire der Afrikaansche sporen, herinnerden hem er aan, dat hij minister van Openbare Werken was, toen de premieleening goedgekeurd werd, eischten eindelijk te weten wat hij van plan was heden als minister van Binnenlandsche Zaken tegenover de onthullingen te doen, om het geweten van het land gerust te stellen. Maar hij moffelde de vraag weg en zeide, dat, wanneer er schuldigen waren, de gerechtigheid haar loop moest hebben: niemand behoefde hem aan zijn plicht te herinneren. Dan voerde hij plotseling met een onvergelijkelijke kracht en handigheid de afleidende beweging uit, die hij sinds den vorigen dag voorbereidde. Zijn plicht vergat hij nooit, hij deed dien steeds als een trouw soldaat der natie met evenveel waakzaamheid als voorzichtigheid. Had men hem zooeven niet beschuldigd de politie te gebruiken voor God weet wat voor lage spionnagediensten, waardoor het den beruchten Hunter mogelijk geweest was te ontvluchten? Welnu, hij kon aan de Kamer mededeelen, waarvoor hij den vorigen dag die belasterde politie gebruikt had, wat zij voor de gerechtigheid en de openbare orde gedaan had. Den vorigen dag had zij in het Bois de Boulogne den gevaarlijksten misdadiger gearresteerd, den dader van den bomaanslag in de rue Godot-de-Mauroy, dien anarchistischen werkman, dien Salvat, die meer dan zes weken met alle nasporingen gespot had. In den loop van den avond had de onverlaat een volledige bekentenis afgelegd; de gerechtigheid zou nu spoedig haar werk doen. Eindelijk was de openbare moraal gewroken, kon Parijs zijn langen schrik van zich afwentelen, was de anarchie getroffen in haar zwakste punt. Dat had hij, de minister, voor de eer en het heil van het land gedaan, terwijl vuile lasteraars vergeefs zijn naam trachtten te bezoedelen door dien op een lijst, het werk van de laagste politieke manoeuvres, te plaatsen.
Met open mond en rillend luisterde de Kamer. Deze uit den hemel vallende arrestatie, waarover geen enkel ochtendblad gesproken had; dit geschenk, dat Monferrand in dien verschrikkelijken Salvat, welke reeds een misdadigers-mythe begon te worden, aan de Kamer scheen te geven; deze geheele ensceneering pakte haar als een lang op zijn voltooiing gewacht hebbend drama, welks ontknooping zich nu plotseling voor haar afspeelde. Diep ontroerd en gevleid bracht zij een lange ovatie aan den redenaar, die echter door bleef gaan om zijn energieke daad, de redding der maatschappij, de bestraffing der misdaad te verheerlijken, zonder daarbij te vergeten de belofte af te leggen, dat hij steeds de man met de krachtige vuist, de man van de openbare orde zou zijn. Ja, hij veroverde zelfs de bank der rechterzijde, toen hij, zich losmakend van Barroux, eindigde met het uitspreken van sympathie voor de geallieerde Katholieken, met een beroep op de eendracht van de verschillende geloofsbelijdenissen tegen den gemeenschappelijken vijand, het woeste socialisme, dat alles wilde vernietigen.
Toen Monferrand de tribune verliet, was de truc gelukt: hij had zichzelf weer uit het troebele water opgevischt. De geheele Kamer, rechts en links dooreen, juichte en overstemde de protesten van de enkele socialisten, wier lawaai dit triomfgeschreeuw slechts verhoogde. Vele handen werden naar hem uitgestoken; hij bleef een oogenblik glimlachend staan, maar het was een glimlach, waarachter zich een toenemende onrust verborg. Zijn succes begon hem bang te maken. Zou hij te goed gesproken hebben? Zou hij, in plaats van zichzelf alleen te redden, ook het ministerie gered hebben? Dat zou zijn geheele plan in duigen hebben doen vallen. De Kamer moest niet stemmen onder den indruk van deze redevoering, die haar zoo geschokt had. Hij doorleefde twee of drie minuten van werkelijken angst, terwijl hij nog steeds glimlachend afwachtte of niemand opstaan zou, om hem te beantwoorden.
Op de tribunes was het succes even groot. Men had dames zien juichen. Zelfs monseigneur Martha gaf teekenen van levendige voldoening.
“Dat zijn nu onze tegenwoordige krijgers, generaal,” zeide Massot met een spottend grijnslachje. “En die daar is een haantje de voorste. Dat is je handig uit een moeilijke positie redden. Maar het is een kranig werkje.”
Eindelijk zag Monferrand, dat Vignon, aangespoord door zijn vrienden, opstond en naar de tribune ging. Nu keerde zijn spottend-gemoedelijk glimlachje terug; en hij ging weer op de ministerbank zitten, om schijnheilig te luisteren.
Met Vignon kreeg de Kamer dadelijk een geheel ander aspect. Met zijn mooien blonden baard, zijn blauwe oogen, zijn slanke, jeugdige houding stond hij flink en correct op de tribune. Hij sprak als een praktisch man met een eenvoudige en onmiddellijk zijn gehoor treffende welsprekendheid, die de holle rhetoriek van zijn voorgangers nog leeger en pralender deed schijnen. Door zijn korte werkzaamheid in de administratie had hij een levendig begrip voor zaken gekregen, kon hij de meest ingewikkelde quaesties makkelijk formuleeren en oplossen. Steeds in de weer, dapper en zeker van zijn geluksster ging hij de toekomst tegemoet; hij had het geluk om nog te jong en te handig te zijn om zich in iets te hebben gecompromitteerd. Zijn programma was iets vooruitstrevender dan dat van Barroux en Monferrand, opdat hij, wanneer hij het ministerie had doen vallen, hun plaats zou kunnen innemen. Verder was hij heel goed in staat dit programma uit te voeren door de reeds zoo lang beloofde hervormingen te beproeven.
Dus zeide hij met zijn heldere stem zeer beslist wat hij te zeggen had, wat het gezond verstand, het heimelijke geweten zelf der Kamer verwachtte. Zeker hij was de eerste om zich te verheugen over een arrestatie, die het geheele land geruststellen zou. Maar hij zag niet in welk verband er bestaan kon tusschen die arrestatie en de droevige zaak, die thans aan het oordeel der Kamer onderworpen werd. Dat waren twee totaal verschillende quaesties en hij bezwoer zijn collega’s niet te stemmen in de voorbijgaande opwinding, waarin hij hen thans zag. Er moest een volkomen en helder licht over de zaak ontstoken worden, en dat konden de twee aangeklaagde ministers natuurlijk niet doen. Verder verklaarde hij zich tegen een enquête-commissie, hij was van meening, dat men de schuldigen, als die er waren, naar de rechtbank behoorde te verwijzen. Ook hij eindigde met een discrete toespeling op den toenemenden invloed van de geestelijkheid en zeide, dat hij geen enkel compromis van welken aard dan ook aanvaardde en de dictatuur van den Staat even goed verwierp als een herleving van den ouden theocratischen geest.
Goedkeurend gemompel ging door de geheele zaal. Toen Vignon weer ging zitten, weerklonken slechts enkele toejuichingen. Maar de Kamer had haar gewone kalmte weer teruggekregen; de toestand was zoo duidelijk, de uitslag der stemming zoo zeker, dat Mège, die eerst nog had willen repliceeren, het verstandiger vond van het woord af te zien, hoe zwaar hem dat ook viel. Vooral de kalme houding van Monferrand, die steeds door aandachtig naar de rede van Vignon had zitten luisteren, als wilde hij aan het talent van zijn tegenstander de noodige eer geven, viel op; Barroux daarentegen zat na de ijzige koude, waarmede zijn rede opgenomen was, onbeweeglijk en doodsbleek op zijn bank, als had de instorting der oude wereld ook hem getroffen en verpletterd.
“Het ministerie is gevallen,” begon Massot weer. “Ja, die kleine Vignon zal het ver brengen. Men zegt, dat hij van het Elysée droomt. In ieder geval is hij op dit oogenblik de aangewezen kabinetsformateur.”
Toen hij te midden van het lawaai der nu volgende stemmingen weg wilde gaan, hield de generaal hem terug.
“Wacht nog even, mijnheer Massot... Wat een walgelijke boel is die parlementaire keuken! U moest dat eens in een artikel zeggen en aantoonen hoe het land langzamerhand verzwakt en tot in het merg bedorven wordt door zulke dagen van nuttelooze en vuile discussies. Een slag, waarin vijftig duizend man vallen, zou ons minder uitputten, meer leven in ons hart achterlaten dan tien jaar van dit afschuwelijk parlementarisme... Loop eens een ochtend bij mij op. Ik zal u een militair wetsontwerp laten zien: wij moeten tot ons vroeger beperkt beroepsleger terugkeeren, wanneer we niet willen, dat ons zoo verburgerd nationaal leger, dat een zoo illusoire massa vormt, het doode gewicht wordt, dat de natie ten gronde richt.”
Sedert de opening der zitting had Pierre geen woord gezegd. Hij luisterde aandachtig, eerst in het onmiddellijke belang van zijn broer, dan langzamerhand ook zelf medegesleept door de koortsachtige opwinding, die zich van de zaal meester maakte. Hij kwam hoe langer hoe meer tot de overtuiging, dat Guillaume niets meer te vreezen had, maar hoe ging hier de eene gebeurtenis over in de andere, welk een indruk maakte hier de arrestatie van Salvat! De feiten vereenigden, verwarden, veranderden zich onophoudelijk! Terwijl hij zich over de woelige zaal heenboog, kon hij er de tallooze botsingen van hartstochten en belangen als het ware zien.