Part 27
Toen zij binnenkwam, herkende Pierre in de jonge vrouw, die de regen zoo vroolijk maakte, de kleine prinses Rosemonde en in den jongen man, die de Halfvasten zoo afschuwelijk, het Bois verpest en de fiets onaesthetisch vond, den mooien Hyacinthe Duvillard. Na thuis met hem thee gedronken te hebben, had zij hem dien nacht bij zich gehouden en haar gril willen bevredigen door hem bijna als een vrouw geweld aan te doen. Maar hoewel hij erin toestemde bij haar in bed te komen liggen, had hij—niettegenstaande zij hem ten slotte sloeg en zich zelfs zoo ver vergat om hem te bijten—iedere aanraking beslist vermeden. O, die afschuwelijkheid, die afstootende vuilheid van het kind, dat eruit zou geboren kunnen worden. Nu, wat het kind betreft, daar had hij gelijk in, zij wilde er ook geen hebben! Toen had hij gesproken van de zielen, die zich geestelijk paren, zij zeide niet neen, stemde toe het te probeeren; maar hoe moest men dat doen? En toen zij weer over Noorwegen spraken, besloten zij—het eindelijk eens geworden zijnde—’s Maandags hun huwelijksreis naar Christiania te beginnen, om daar de intellectualiteit van hun verbintenis te voltrekken. Het eenige wat hun speet, was dat zij niet meer in het hartje van den winter waren, want was de koude, de witte, de ongerepte sneeuw niet de eenig mogelijke sponde voor een dergelijke huwelijksvoltrekking.
Zoodra de kellner hun, bij gebrek aan kummel, kleine glaasjes anisette gebracht had, boog Hyacinthe, die Pierre en zijn broer Guillaume, met wiens zoons hij op het gymnasium geweest was, herkend had, zich over naar Rosemonde en fluisterde haar den naam van den laatste in het oor. Dadelijk stond zij in een plotselinge opwelling van geestdrift op.
“Guillaume Froment! Guillaume Froment! De groote scheikundige!”
Met uitgestoken handen ging zij naar hem toe:
“O, mijnheer, ik hoop, dat u mij deze ongemanierdheid vergeven zult! Maar ik moet u de hand drukken... Ik bewonder u zoo! U hebt zulke prachtige onderzoekingen met springstoffen gedaan!”
Toen zij de verbazing van den chemicus zag, begon zij als een schoolmeisje te lachen.
“Ik ben prinses de Hardt. Mijnheer de abbé, uw broer, kent mij en ik had mij door hem aan u moeten laten voorstellen... Verder hebben u en ik gemeenschappelijke vrienden, o.a. Janzen, die mij beloofd had mij als zeer bescheiden leerling tot u te brengen. Ik houd mij ook bezig met chemie... uit liefde voor de waarheid en ter wille van goede dingen, meer niet... U wilt mij zeker wel toestaan bij u aan te kloppen, wanneer ik van Christiania terug ben, waarheen ik met mijn jongen vriend daar een eenvoudig pleizier- en ontdekkingsreisje ga doen in het rijk van onbekende gevoelens.”
Zij ratelde maar door, zonder dat het den anderen mogelijk was er één woord tusschen te krijgen. Zij gooide alles door elkaar: haar sympathie voor het internationalisme, die haar een oogenblik in de armen van Janzen geworpen had, in de anarchistische wereld, onder de gevaarlijkste avonturiers der partij; haar nieuwe passie voor mystieke en symbolische kapelletjes, de wraak, die het ideëele op het grove realisme nam, de poëzie der aesthetici, die haar droomen deed van een tot nog toe ongekenden wellust onder den ijzigen kus van den mooien Hyacinthe.
Plotseling hield zij op en begon zij weer te lachen.
“Wat moeten die politieagenten hier zoeken? Willen ze ons misschien arresteeren? Wat een leuke grap zou dat zijn?”
Inderdaad gingen de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir, nadat de agenten vergeefs den stal en de bergplaats doorzocht hadden, ertoe over het restaurant te visiteeren en kwamen de warande binnen. Het stond bij hen vast, dat de man nergens anders zijn kon. Dupot, een klein, kaal, bijziend mannetje met een bril op, had geen wapens bij zich; maar daar hij een woest en woedend verzet van den opgejaagden en in het nauw gebrachten wolf voorzag, had hij Mondésir aangeraden zijn revolver te laden en in zijn zak gereed te houden. Toch moest Mondésir met zijn breeden, vierkanten doggerug en zijn snuffelenden, stompen neus hem uit hiërarchischen eerbied het eerst laten binnen gaan.
Met een vluggen blik van achter zijn bril had de commissaris de vier bezoekers, den priester, de jonge vrouw en de beide anderen opgenomen en wilde, zonder verder acht op hen te slaan, naar de eerste verdieping gaan, toen de kellner, verschrikt door dien plotselingen inval der politie, zijn hoofd verloor en stamelde:
“Maar... boven zijn een heer en een dame... in een kamertje!”
Dupot duwde hem kalm op zij.
“Een heer en een dame zoeken wij niet... Ga onmiddellijk alle deuren open doen, geen kastdeur mag dicht blijven.”
Boven doorzochten zij alle vertrekken en alle hoekjes, totdat alleen nog het kamertje, waarin Eve en Gérard waren en dat de kellner niet openen kon, omdat de grendel er van binnen voorgeschoven was, overbleef.
“Doe toch open,” riep de jongen door het sleutelgat, “het is niet om u te doen.”
Eindelijk werd de grendel weggeschoven, en Dupot, die zich zelfs geen glimlachje veroorloofde, liet de dame en den heer bevend en doodsbleek naar beneden gaan, terwijl Mondésir pour acquit de conscience onder de tafel, achter den divan en in een kleine muurkast kijken ging.
Toen Eve en Gérard beneden de warande doorloopen moesten, vonden zij daar tot hun grooten schrik kennissen, die het meest onvoorziene toeval hier samengebracht had. Het hielp niets, dat een dichte voile haar gezicht bedekte; zij ontmoette den blik van haar zoon en voelde, dat hij haar herkende. Welk een noodlottig toeval! Hij, die zijn zuster, voor wie hij zoo bang was, altijd alles vertelde! En terwijl zij vluchtte, terwijl de graaf, wanhopig over het schandaal, haar in den neerstroomenden regen naar het rijtuig bracht, hoorden zij heel duidelijk hoe de kleine prinses heel vroolijk riep:
“Maar die mijnheer is graaf de Quinsac!... Maar wie is die dame?”
Toen Hyacinthe, die bleek geworden was, niet antwoordde, drong zij aan:
“Jij moet haar toch kennen. Vertel me wie het is!”
“Niemand,” antwoordde hij eindelijk. “De een of andere vrouw.”
Pierre had het begrepen; hij wendde, verlegen door zooveel schande en lijden, zijn blik af en keek Guillaume aan. Maar plotseling, juist toen de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir, zonder den man gevonden te hebben, naar beneden kwamen, veranderde het tooneel. Buiten weerklonken kreten, lawaai en heen en weer geloop. Dan verscheen de chef van den veiligheidsdienst Gascogne, die in de bijgebouwen van het restaurant was blijven zoeken; hij duwde een niet nader te omschrijven pak lompen en modder, dat door twee agenten vastgehouden werd, voor zich uit. Het was de man, het achtervolgde, in het nauw gebrachte en eindelijk gevangen dier, dat men achter in de bergplaats in een ton onder het hooi gevonden had.
Welk een triompheerend halahi na die twee uren waanzinnig geren, na die woeste drijfjacht, welke de borsten buiten adem gebracht en de beenen gebroken had! De menschenjacht, de meest opwindende en hartstochtelijke jacht van alle! Ze hadden den kerel, stootten, sleepten, sloegen hem! En hij, de man, was het jammerlijkst stuk wild, dat men zich denken kon: een wrak, uitgeteerd en aardkleurig door den nacht, dien hij in een met bladeren gevuld gat doorgebracht had, nog nat tot zijn middel, omdat hij midden door die beek gewaad had; zijn armzalige, door den regen gegeeselde, met modder bedekte kleeren hingen aan flarden om zijn lichaam, zijn pet was aan stukken gescheurd, zijn voeten en zijn handen bloedden door de vreeselijke jacht dwars door het met doornen en brandnetels versperde struikgewas. Hij had geen menschelijk gezicht meer; zijn haar plakte aan zijn slapen, de met bloed doorloopen oogen puilden uit hun kassen, het geheele gezicht was vertrokken door angst, woede en lijden. Het was het wild, het was de man. Ze stootten hem nog verder en eindelijk viel hij, vastgehouden door de ruwe vuisten, die hem schudden, in zittende houding op een der tafeltjes van het kleine café neer.
Toen doorhuiverde Guillaume een schrik, waarvan de rilling hem deed verstijven. Hij greep de hand van Pierre; deze keek, begreep, beefde op zijn beurt. Rechtvaardige God, Salvat! Die man was Salvat! Salvat hadden zij als een door een troep honden opgejaagd wild zwijn door het Bois zien vluchten. Dat vuile pak, die door de ellende en het verzet overwonnene was Salvat! En in zijn angst kreeg Pierre nogmaals plotseling het visioen van het kleine loopmeisje onder de koetspoort van het hôtel Duvillard, de knappe blondine, wier buik door de bom opengereten was.
Dupot, Mondésir en Gascogne triompheerden. Toch had de man geen tegenstand geboden, hij had zich zacht als een lam gevangen laten nemen. En terwijl hij daar, zoo ruw in bedwang gehouden, zat, wierp hij moede, onzegbaar trieste blikken om zich heen.
Hij begon te spreken en zijn eerste met heesche en zachte stem gezegd woord was:
“Ik heb honger!”
Hij stierf bijna van honger en moeheid; hij had na twee dagen vasten den vorigen avond niets dan een glas bier gehad.
“Geef hem een stuk brood,” zeide commissaris Dupot tegen den kellner. “Dat kan hij opeten, terwijl wij een rijtuig laten halen.”
Een agent ging een rijtuig zoeken. De regen had opgehouden: men hoorde weer de fietsbellen, de equipages reden weer, het Bois kreeg in de breede, door een bleeken zonnestraal vergulde lanen zijn mondain leven terug.
Maar de man had zich gulzig op het stuk brood geworpen en terwijl hij het met een dierlijke bevrediging verslond, zagen zijn blikken de vier bezoekers, die daar bij elkaar zaten. De opgewonden trekken van Hyacinthe en Rosemonde, die verrukt waren zoo onverwacht getuigen te zijn van de arrestatie van dezen ongelukkige, dien zij voor den een of anderen bandiet hielden, schenen hem te prikkelen. Dan begonnen zijn droevige, met bloed doorloopen oogen te trillen; zij hadden tot hun verbazing Pierre en Guillaume herkend. En nu drukte zich in die oogen, terwijl zij op den laatste gevestigd bleven, niets meer uit dan de gedweeë onderworpenheid van een dankbaren hond, de hernieuwde belofte van een onverbreekbaar zwijgen.
Dan begon hij weer te spreken, als richtte hij zich moedig tot hem, dien hij niet meer aankeek, en ook tot de anderen, de kameraden, die niet aanwezig waren.
“Stom om zoo te rennen... Ik weet niet, waarom ik zoo hard geloopen heb... Laat er een eind aan komen... Ik ben bereid.”
V.
Toen Guillaume en Pierre den volgenden ochtend de couranten lazen, zagen zij tot hun groote verbazing, dat de arrestatie van Salvat niet die groote sensatie maakte, welke zij ervan verwacht hadden. Zij vonden slechts een klein, onder de andere verloren gaand berichtje, dat de politie na een drijfjacht in het Bois de Boulogne de hand gelegd had op een anarchist, die, naar men geloofde, bij de laatste aanslagen betrokken was. Maar alle couranten stonden vol over het vreeselijk schandaal, dat de nieuwe onthullingen in de Voix du Peuple verwekten: het was een niet eindigende vloed van artikelen over de affaire der Afrikaansche sporen, allerlei berichten en beschouwingen over de belangrijke zitting, welke men dien dag in de Kamer verwachtte, wanneer de socialistische afgevaardigde Mège zijn interpellatie, zooals hij formeel aangekondigd had, zou hervatten.
Guillaume had den vorigen avond besloten naar huis, naar Montmartre terug te keeren; zijn wond was zoo goed als genezen en geen gevaar scheen hem noch voor de uitwerking van zijn plannen noch voor zijn verdere onderzoekingen te bedreigen. De politie had blijkbaar niet het minste vermoeden, dat hij mogelijk ook verantwoordelijk voor den aanslag was. Salvat zou zeker niets verraden. Maar Pierre smeekte hem nog een paar dagen, tot de eerste verhooren van Salvat afgeloopen waren, te wachten; dan eerst zouden zij een helderen blik in alles hebben. Den vorigen dag had hij gedurende het lange wachten in het ministerie, allerlei vage dingen opgevangen: een heimelijken en nog onduidelijken samenhang tusschen den aanslag en de parlementaire crisis. En dit alles wekte in hem het verlangen op, dat deze crisis eerst heelemaal opgelost zou zijn, voordat Guillaume zijn gewoon leven weer begon.
“Luister eens,” zeide hij, “ik zal even aanloopen bij Morin, om hem te vragen bij mij te komen dineeren, want Barthès moet vanavond beslist op de hoogte gebracht worden van den nieuwen slag, die hem treft... Dan ga ik naar de Kamer, want ik wil weten wat er gebeurt. Eerst daarna laat ik je gaan.”
Om half een kwam Pierre in het Paleis-Bourbon. Terwijl hij dacht, dat Fonsègue hem zeker toegang zou kunnen verschaffen, ontmoette hij in de vestibule generaal de Bozonnet, die toevallig twee kaarten had, daar een vriend van hem op het laatste oogenblik verhinderd was mede te gaan. De nieuwsgierigheid was reusachtig groot, heel Parijs verwachtte een stormachtige zitting, en sinds den vorigen dag werd er letterlijk om de kaarten gevochten. Pierre zou dan ook nooit toegang gekregen hebben, als de generaal niet zoo vriendelijk geweest was hem mede te nemen. Deze was op zijn beurt blijde, dat hij iemand had met wien hij kon praten, want hij kwam, zooals hij zeide, alleen maar om zijn middag te dooden. Maar ook kwam hij, de ontevreden voormalige legitimist, die later Bonapartist geworden was, om zich te vermeien in de schandelijke rotheid van het parlementarisme.
Boven konden de generaal en Pierre nog juist een plaatsje vinden op de eerste banken der tribune. Zij troffen daar den kleinen Massot aan, die zich nog wat kleiner en magerder maakte en hen rechts en links van zich een plaatsje gaf. Hij kende iedereen.
“U komt zeker uit nieuwsgierigheid de zitting bijwonen, generaal? En u, mijnheer de abbé, om u te oefenen in verdraagzaamheid en het vergeven van beleedigingen... Ik ben nieuwsgierig door mijn beroep, want ik heb altijd stof voor een artikel noodig; en daar er op de perstribune alleen nog maar slechte plaatsen waren, ben ik me hier op mijn gemak gaan installeeren... Het zal ongetwijfeld een prachtige zitting worden. Kijk dat gedrang rechts en links en overal eens!”
Inderdaad waren de smalle, slecht geplaatste tribunes tot aan den rand met hoofden gevuld. Een groote menigte mannen en vrouwen van iederen leeftijd verdrong zich daar in een zoo verwarde massa, dat men niets anders dan de bleeke rondheid der gezichten onderscheiden kon. Maar het tooneel van den strijd was beneden in de nog ledige zittingzaal, welke met haar half cirkelvormige rijen banken denken deed aan een schouwburgzaal, die bij een première langzaam volloopt. De glanzende en ernstige tribune wachtte in het koude daglicht, dat door de glazen zoldering binnenviel, terwijl daarachter en hooger het den geheelen achtermuur innemende bureau met zijn tafels, zijn stoelen en zijn presidentsfauteuil eveneens verlaten was; alleen waren twee bureauknechten bezig nieuwe pennen in de penhouders te steken en de inktkokers na te kijken.
“De vrouwen,” begon lachend Massot weer, “komen hier als naar een menagerie in de heimelijke hoop, dat de wilde dieren elkaar zullen opeten... Hebt u het artikel in de Voix du Peuple van vanochtend gelezen? Die Sanier is een wonder van een kerel! Als er geen vuiligheid meer is, vindt hij altijd nog wat, vermeerdert de modder en bevuilt het riool nog meer. Als de ondergrond der zaak waar is, dan moet hij er met zijn monsterachtig woekerende commentaren altijd nog wat bij liegen. Iederen dag moet hij zichzelf overtreffen, nieuw vergif aan zijn lezers voorzetten, om de oplaag maar steeds grooter te doen worden... Natuurlijk wordt het publiek daardoor gepakt, en alleen door hem zijn al die menschen hier, om als zenuwlijders op het een of andere vuile schouwspel te wachten.”
Dan werd hij weer vroolijk en vroeg aan Pierre of hij in den Globe het niet onderteekende, zeer waardige, maar tevens zeer perfide artikel gelezen had, waarin Barroux gesommeerd werd met alle openhartigheid de verklaringen, die het land over de affaire der Afrikaansche sporen verwachtte, af te leggen. Tot nog toe had het blad den minister-president steeds krachtig gesteund; doch nu voelde men in het artikel een begin van wantrouwen, de plotselinge koude, die aan een breuk vooraf pleegt te gaan. Pierre zeide, dat het artikel hem zeer verbaasd had, want hij dacht, dat het lot van Fonsègue door een volkomen overeenstemming in inzichten en tengevolge van zeer oude vriendschapsbanden aan dat van Barroux verbonden was.
“Zeker, zeker, het hart van den patroon zal er wel bij gebloed hebben,” zeide Massot nog steeds lachend. “Het artikel heeft veel opzien verwekt en zal het ministerie veel kwaad doen. Maar wat zal ik u zeggen? De patroon weet beter dan wie ook welke gedragslijn hij moet volgen, om de positie van zijn blad en van zichzelf te redden.”
Dan ontwierp hij een beeld van de opwinding en de groote verwarring, die er in de wandelgangen, waar hij even was gaan kijken, alvorens hierboven een goed plaatsje te zoeken, onder de afgevaardigden heerschte. De Kamer, die in twee dagen niet bijeen geweest was, kwam nu samen bij dit groote schandaal, dat hij vergeleek bij een brand, welken men zoo goed als gebluscht waant en die plotseling weer aanwakkert en alles verteert. De cijfers van Sanier’s lijsten deden de ronde: Barroux tweehonderd duizend francs, Monferrand tachtig duizend, Fonsègue vijftig duizend, Dutheil tien duizend, Chaigneux drie duizend, die zooveel, gene zooveel—een eindelooze onthulling met de wonderlijkste verhalen, kletspraatjes en laster, een ongelooflijke dooreenmenging van waarheid en leugen, waarin men onmogelijk den juisten weg vinden kon.
Terwijl de wind van angst en schrik woei, zag men tusschen de vaalbleeke gezichten met de bevende lippen andere met een vuurroode kleur, stralend van woeste vreugde en lachend om de aanstaande overwinning, want tenslotte stak achter die groote, gehuichelde verontwaardiging, achter dat schreeuwen om eerlijkheid en parlementaire moraliteit niets anders dan een personenquaestie: men wilde weten of het ministerie vallen en wie het nieuwe kabinet formeeren zou. Barroux scheen zeer zwak te staan, maar wie kon voorspellen, welke rol het onverwachte in zulk een rommel spelen zou? Men zeide, dat Mège een uiterst heftige redevoering zou houden. Barroux zou antwoorden en zijn vrienden vertelden, dat hij een helder en volkomen licht over de zaak wilde doen opgaan. Ongetwijfeld zou daarna Monferrand het woord voeren. Wat Vignon betreft, deze hield zich ondanks zijn onderdrukten jubelkreet op den achtergrond; men had hem naar verschillende van zijn partijgenooten zien gaan om hun aan te raden kalm te blijven en hun zelfbeheersching niet te verliezen, wat in den strijd over de overwinning beslist. Nog nooit had een met zooveel dranken en zooveel afschuwelijke ingrediënten overstroomenden heksenketel op zulk een hellevuur gekookt.
“De duivel mag weten wat eruit te voorschijn komt,” zeide Massot ten slotte. “Bah, wat een vuile rommel!”
Maar generaal de Bozonnet voorzag de ergste catastrophes. Ja, als men nog maar een leger gehad had! Dan zou men dat handjevol verkochte parlementariërs, die het land opvraten en ten gronde richtten, op een goeden morgen kunnen wegjagen. Volgens zijn meening beteekende het feit, dat een volk onder de wapenen geen leger vormde, het einde van alles.
“U zoekt immers stof voor een artikel,” zeide hij tegen Massot. “Daar hebt u een mooi onderwerp... Frankrijk, dat meer dan een millioen soldaten heeft, bezit geen leger. Ik zal u aanteekeningen geven, dan zult u eindelijk de waarheid kunnen zeggen.”
Onmiddellijk maakte hij zich meester van den journalist en begon een heele preek tegen hem. De oorlog moest een kasten-aangelegenheid zijn; aanvoerders bij Gods genade moesten huurlingen, betaalde of uitgekozen soldaten ten strijde voeren. Den oorlog democratiseeren stond gelijk met den oorlog dooden, en dat was een doorn in het oog van den held, die den krijg als de eenige nobele bezigheid beschouwde. Van het oogenblik af, dat iedereen gedwongen werd te strijden, wilde niemand meer vechten. Daarom zou de verplichte militaire dienst, de natie onder de wapenen, ongetwijfeld vroeger of later tot het einde van den oorlog leiden. Dat er sedert 1870 niet gevochten was kwam juist, omdat iedereen gereed stond om te vechten. Men aarzelde thans het eene volk tegen het andere in den strijd te werpen, daar men aan de vreeselijke vernietiging, aan de reusachtige verspilling van geld en bloed dacht. Het in een reusachtig versterkt kamp veranderde Europa vervulde hem met woede en walging; het was alsof de zekerheid, dat allen elkaar dadelijk bij den eersten slag vernietigen zouden, hem het genot vergalde, dat vroeger het oorlog voeren bood.
“Maar het zou toch niet zoo’n heele groote ramp zijn, wanneer de oorlog verdween,” zeide Pierre zacht.
“Het zou een mooie collectie volkeren worden, als er niet meer gevochten werd,” zeide de generaal, eerst geprikkeld; doch dan wilde hij laten zien, dat hij praktisch was. “Bedenk toch eens, dat de oorlog nooit zooveel geld gekost heeft als sedert hij niet meer mogelijk is. Onze gewapende vrede, onze volkeren onder de wapenen ruïneeren gewoonweg de staten. Als het geen nederlaag is, dan is het een zeker bankroet... In ieder geval is de militaire stand een verloren stand, waarbij niets meer te halen is; het geloof daarin verdwijnt, men zal hem langzamerhand verlaten, zooals men den priesterstand verlaat.”
Hij maakte een wanhopig gebaar, als vervloekte de soldaat van vroeger dit Parlement, deze republikeinsche Kamer, als verweet hij haar de dagen, die komen zouden, dat de soldaat nog slechts de burger zijn zou.
De kleine Massot schudde het hoofd; waarschijnlijk vond hij die stof te ernstig.
“Kijk, daar heb je monseigneur Martha met den Spaanschen gezant in de diplomatenloge,” viel hij den generaal kortaf in de rede. “Zooals u weet, zegt men, dat hij van zijn candidatuur in le Morbihan afziet. Hij is veel te slim, om zich als Kamerlid aan gevaar bloot te stellen, terwijl hij bovendien toch de draden in handen houdt, waarnaar de meeste met de republikeinsche regeering verzoende Katholieken dansen.”
Werkelijk zag Pierre het glimlachende gezicht van monseigneur Martha, die den vorigen dag in de antichambre van den minister zoo voorkomend voor hem geweest was. Het leek hem nu alsof die bisschop, hoe bescheiden hij zich ook voordeed, hier een grooten invloed had. Hij voelde hoe machtig en bezig hij was, hoewel hij zich volstrekt geen moeite gaf en alleen maar als een eenvoudige nieuwsgierige een kijkje nemen kwam. Pierre’s blik keerde steeds weer naar hem terug, alsof hij verwachtte, dat deze plotseling zou opstaan, om de handeling te leiden en de menschen en dingen te bevelen.
“Ha, daar heb je Mège,” zeide Massot weer. “De zitting zal beginnen.”
Langzamerhand liep de zaal beneden vol. Kamerleden kwamen door de deuren en liepen de nauwe gangetjes af. De meesten bleven in opgewonden gesprekken staan praten en brachten zoo de koortsachtige opwinding uit de wandelgangen naar de zaal. Anderen, die er reeds met vaalgrijze en vermoeide gezichten zaten, keken naar de zoldering, waar het halvemaanvormige glazen dak witachtig òplichtte.