De drie steden: Parijs

Part 26

Chapter 263,901 wordsPublic domain

Een oogenblik was hij weer alleen: hij bleef staan en luisterde angstig. Hij zag of hoorde de gendarmes niet meer: zou hij ze op een dwaalspoor gebracht hebben? Een stilte, een vrede van eindelooze zachtheid daalde neer van het jonge loof. Doch dan liet het zacht gefluit zich weer hooren en kraakten takken; hij zette zijn krankzinnigen loop weer voort, vluchtte, om te vluchten, recht voor zich uit. Toen hij bij de allée de la Reine-Marguerite kwam, vond hij die versperd: op regelmatige afstanden stonden agenten opgesteld. Hij moest nu, zonder het kreupelhout te verlaten, weer de allée verder volgen. Maar hij verwijderde zich op die manier van Boulogne, keerde op zijn schreden terug. Verward teekende zich in zijn arm brein een laatste plan tot redding af: door het kreupelhout naar het boschje van Madrid loopen, om daar van het eene boomgroepje naar het andere ten slotte bij het water te komen. Dat was de eenige boschweg, die naar de Seine kon loopen, want hij durfde het niet wagen daarheen te gaan over de kale vlakten van den Hippodrome en het exercitieterrein.

Hij rende steeds verder en verder. Toen hij aan de allée de Longchamp kwam, kon hij die niet oversteken, daar zij ook bewaakt was. Nu moest hij zijn plan om over Madrid en de Seine te vluchten, opgeven; hij was gedwongen een omweg te maken langs den Pré Catelan. Onder de leiding van de boschwachters kwamen de agenten dichterbij; hij voelde hoe zij hem in een steeds nauwer en nauwer wordenden kring omsingelden. Weldra ontstond een woeste, wilde, ademlooze jacht, heuvel op, heuvel af, over steeds weer opduikende hindernissen. Hij sprong over doornige struiken, sloeg latwerk in. Driemaal viel hij, daar zijn voeten verward raakten in het ijzerdraad der afgesloten ruimten, die hij in het geheel niet gezien had; maar hoewel hij in de brandnetels terechtgekomen was, stond hij op, zonder iets van het vurige jeuken te merken en zette zijn dolzinnige vlucht voort als werden sporen in zijn zijde gedrukt en hij tot bloedens toe gestriemd.

Toen zagen Guillaume en Pierre hem, onherkenbaar, angstaanjagend, langs zich stormen en in het modderige water van de beek springen, zooals een dier, dat een laatsten wal tusschen zich en de honden opwerpen wil. Hij was op het hersenschimmige denkbeeld gekomen, dat het eiland midden in het meer een onschendbaar asyl zijn zou, als hij het bereiken kon. Hij wilde erheen zwemmen, zonder dat iemand het zag, en zich daar onopgemerkt en verder voor alle nasporingen gevrijwaard, in den grond ingraven. Hij rende steeds verder en verder. Maar weer dwongen boschwachters hem, om te keeren, was hij verplicht steeds weer te gaan in de richting van den kruisweg bij de meren, werd hij teruggedreven naar de vestingwerken, vanwaar hij gekomen was. Het was nu bijna drie uur. Meer dan twee en een half uur rende hij nu steeds verder en verder...

Maar dat was het einde. Hij viel bijna neer. Zijn uitgeputte voeten droegen hem niet meer, bloed stroomde uit zijn ooren; schuim stond op zijn mond. Zijn zijden werden als door een heftigen storm op- en neergejaagd, alsof de woeste sprongen van zijn hart ze wilde breken. Water en zweet droop langs zijn geheele lichaam; met modder bedekt, verwilderd en met een ledige maag werd hij nog meer door den honger dan door de moeheid gekweld. In den nevel, die langzamerhand zijn waanzinnig fonkelende oogen omsluierde, zag hij plotseling achter een door boomen verborgen chalet de deur van een bergplaats open staan. Niemand was er te zien dan een dikke witte kat, die overhaast de vlucht nam. Hij vloog naar binnen en rolde zich in het stroo, dat tusschen de ledige vaten lag. Nauwlijks had hij er zich in begraven of hij hoorde de jacht voorbijrazen, de agenten en boschwachters, die zijn spoor verloren, langs het chalet in de richting der fortificaties verder rennen. Het stampen der zware schoenen hield op; een diepe stilte trad in. Hij had zijn beide handen op zijn hart gedrukt als wilde hij het kloppen ervan verstikken, en viel in een doodelijke uitputting, terwijl dikke tranen uit zijn gesloten oogleden rolden.

Na een kwartier gerust te hebben, hadden Guillaume en Pierre hun wandeling voortgezet, het meer bereikt en wilden tot den carrefour des Cascades loopen, om dan langs een omweg naar Neuilly terug te keeren. Een stortbui dwong hen een schuilplaats te zoeken onder de dikke, nog kale takken van een kastanjeboom; maar toen de regen nog erger werd, keken zij om zich heen en zagen op den achtergrond van een boomgroep een soort chalet staan, een café-restaurant, waarin zij hun toevlucht gingen zoeken. In een zijlaan zagen zij een rijtuig staan; de koetsier zat eenzaam, onbeweeglijk en wijsgeerig in den zachten zomerregen op den bok. Tot zijn groote verbazing zag Pierre Gérard de Quinsac voor zich uitloopen, die, ongetwijfeld ook door den regen overvallen, zich eveneens naar het chalet haastte. Doch dan meende hij zich vergist te hebben, want hij zag den jongen man niet in de zaal. Deze zaal, een soort glaswarande, waarin enkele stoelen en tafeltjes stonden, was geheel leeg. Op de eerste verdieping kwamen vier of vijf kamertjes op een gang uit. Niets bewoog zich er; het huis was nog nauwlijks uit zijn winterslaap ontwaakt; men voelde er nog de vochtigheid, welke in dergelijke etablissementen, die van November tot Maart gesloten zijn, pleegt te heerschen. Er achter bevonden zich een stal, een bergplaats en enkele met mos bedekte bijgebouwen. Verder was het een bekoorlijk hoekje, dat de tuinlieden en de schilders weer spoedig in orde zouden gaan maken voor de galante uitstapjes en de vroolijke drukte op mooie dagen.

“Ik geloof, dat het nog niet geopend is,” zeide Guillaume, toen hij de groote stilte van het huis betrad.

“Maar ze zullen het wel goed vinden, dat we even wachten, tot de regen ophoudt,” antwoordde Pierre, die aan een der tafeltjes was gaan zitten.

Toch liet zich een kellner zien. Hij kwam van de eerste verdieping en zocht, druk doende, in het buffet naar een paar kleine, droge koekjes, die hij op een schotel legde. Eindelijk bracht hij den beiden broeders twee glaasjes chartreuse.

In een der kamertjes boven zat barones Eve Duvillard, die met een rijtuig gekomen was, reeds meer dan een half uur op Gérard te wachten. Hier hadden zij elkaar den vorigen dag op den liefdadigheidsbazar rendez-vous gegeven. De liefste herinneringen wachtten hier op hen, want twee jaar geleden hadden zij er in de wittebroodsweken van hun liaison, toen zij nog niet naar zijn huis durfde gaan en dit op rillerige lentedagen zoo eenzame nestje ontdekt had, heerlijke samenkomsten gehad. Ongetwijfeld, niet de vrees alleen gezien te worden had haar ertoe gebracht dit plekje voor het laatste rendez-vous van hun stervende passie te kiezen, maar ook de poëtische gedachte hier hun eerste kussen te vinden, opdat zij ook de laatste zijn zouden. Het was zoo charmant, dit plekje midden in dit groote, aristocratische bosch, op twee passen van de breede lanen, waar geheel Parijs door kwam. In haar wanhoop over het bittere einde, dat zij voelde komen, werd haar teer, verliefd hart tot tranen toe geroerd.

Maar zij had, zooals vroeger, een jonge zon over het jonge loof willen zien. Deze aschgrauwe hemel, deze regen deed haar rillen. En toen zij het kamertje binnenging, herkende zij het nauwlijks—zoo triest en zoo koud zag het er met zijn versleten divan, zijn tafel en zijn vier stoelen uit. De winter heerschte hier nog, de kille vochtigheid, de schimmellucht van een langen tijd gesloten en niet gelucht vertrek. Het behang was losgeraakt en hing jammerlijk aan flarden. Doode vliegen lagen overal op den grond, en de kellner, die de blinden wilde openmaken, had heel veel moeite met de spanjolet. Toen hij echter den gashaard aangestoken had, werd de kamer weldra vroolijker en behaaglijker.

Eve was, zonder zelfs de dikke voile, die haar gezicht geheel bedekte, op te slaan, op een stoel gaan zitten. Geheel in het zwart gekleed, als droeg zij reeds rouw over haar laatste liefde, liet zij niets van zich zien dan haar nog prachtig blond haar, dat als een kroon van dof goud onder den kleinen zwarten hoed uitkwam. Met haar slank gebleven taille, haar mooien boezem en haar flink, krachtig figuur verried zij in niets, dat zij reeds dicht bij de vijftig was. Zij had twee kop thee besteld, en toen de kellner deze met een schaal kleine, droge koekjes, die waarschijnlijk nog over waren van het vorige jaar, bracht, vond hij haar nog steeds met haar voile voor onbeweeglijk op dezelfde plaats zitten. Dan bleef zij weer in een moedeloos gepeins alleen. Zij was een half uur voor den afgesproken tijd gekomen; zij had de eerste willen zijn, om wat kalmer te kunnen worden en niet dadelijk aan haar eersten aanval van wanhoop toe te geven. Vooral wilde zij niet huilen, want zij had zich voorgenomen waardig te zijn, rustig te praten, te spreken als een vrouw, die wel rechten heeft, maar slechts luisteren wil naar haar gezond verstand. Zoolang zij nog alleen was, zoolang zij de manier overwoog, waarop zij Gérard ontvangen zou, om hem een huwelijk, dat zij als een ongeluk en een misdaad beschouwde, af te raden, was zij tevreden over haar moed, hield zij zich voor kalm, ja zelfs berustend.

Zij snikte en begon te beven. Gérard kwam binnen.

“Wat, ben je de eerste, lieve vriendin? En ik dacht nog al, dat ik tien minuten te vroeg was... En nu heb je je de moeite gegeven thee te bestellen en op mij te wachten.”

Hij was erg verlegen en beefde zelf bij de gedachte aan de vreeselijke scène, die hij voorzag. Maar verder gedroeg hij zich volkomen correct, dwong zich tot een glimlach en deed alsof hij geheel opging in de galante vreugde haar hier weer terug te vinden als in den mooien tijd van hun liefde.

Maar zij stond op—zij had haar voile eindelijk opgeslagen—keek hem aan en stamelde:

“Ja, ik was wat eerder vrij... En voordat er een verhindering kwam, ben ik hierheen gegaan.”

Maar toen zij hem daar nog zoo mooi en liefdevol zag staan, vergat zij al haar plannen en werd als krankzinnig. Al haar mooie redeneeringen, al haar mooie voornemens werden weggevaagd. Het was een niet te bedwingen opwelling, het was als werd haar hart uit haar lichaam gerukt bij de gedachte, dat zij hem nog altijd liefhad, dat zij hem voor zich behouden, dat zij hem nooit aan een ander geven zou. Wanhopig viel zij hem om zijn hals.

“O Gérard, Gérard... Ik lijd te veel, ik kan niet, ik kan niet... Zeg me dadelijk, dat je niet met haar wilt trouwen, dat je nooit met haar zult trouwen!”

Haar stem begaf haar, tranen stroomden uit haar oogen. O, die tranen! Hoe had zij zich voorgenomen niet te huilen! Maar zij stroomden eindeloos, zij overstroomden haar mooie oogen in een vloed van vreeselijke smart.

“Mijn dochter! Groote God, jij met mijn dochter trouwen!... Jij met haar! Zij in jouw armen hier in deze kamer! Neen, neen, dat is te veel! Ik wil het niet! Ik wil het niet!”

Hij werd als verstijfd bij dezen kreet van vreeselijke jaloezie, waarin de moeder niet meer was dan een vrouw, die de jeugd van een mededingster, die vijf-en-twintig jaar, welke niet meer konden terugkeeren, razend maakte. Hij zelf had, toen hij naar het rendez-vous ging, de verstandigste besluiten overwogen en zich voorgenomen eerlijk, als een hoogst beschaafd man, met allerlei mooie en troostende zinnen met haar te breken. Maar tegenover vrouwentranen voelde hij zich zwak en machteloos. Hij trachtte haar te kalmeeren, deed haar plaats nemen op den divan, om zich uit haar omarming los te maken. Dan ging hij naast haar zitten en zeide:

“Kom, lieveling, wees nou verstandig. Wij zijn toch hier gekomen om vriendschappelijk te praten... Ik verzeker je, dat je de dingen overdrijft!”

Maar zij eischte een beslist antwoord.

“Neen, neen, ik lijd te veel, ik moet onmiddellijk alles weten... Zweer mij, dat je nooit, nooit met haar zult trouwen!”

Nogmaals trachtte hij een ontwijkend antwoord te geven.

“Je kwelt jezelf, je weet heel goed, dat ik van je houd.”

“Neen, neen! Zweer mij, dat je nooit met haar zult trouwen, nooit!”

“Maar ik houd toch van jou, ik houd toch van jou alleen!”

Zij trok hem hartstochtelijk naar zich toe, drukte hem aan haar borst, bedekte zijn oogen met kussen.

“Is dat waar? Houd je alleen maar van mij?... Welnu, neem me dan, kus me, laat ik voelen, dat je de mijne, altijd de mijne bent en nooit van die andere!”

Zij dwong Gérard tot liefkoozingen en gaf zich in zoo’n volle overgave aan hem, dat hij, zelf door hartstocht bedwelmd, haar niets weigeren kon. Zonder kracht nu verder, zwoer hij haar alles wat zij wilde, herhaalde hij tot in den treure, dat hij slechts haar lief had en dat hij nooit met haar dochter zou trouwen. Ja, ten slotte ging hij zelfs zoover om te beweren, dat hij met het misvormde kind slechts medelijden had. Zijn goedheid was zijn excuus. Eve echter dronk die medelijdende minachting, welke hij voor haar dochter voelde, al de zekerheid, dat zij de eeuwig mooie, de eeuwig begeerde was, van zijn lippen af.

Toen het voorbij was, bleven zij beiden zwijgend en moede en verlegen op den divan zitten.

“O, ik zweer je, dat ik daar niet voor gekomen ben,” fluisterde zij eindelijk zacht.

Weer viel er een stilte in, die hij wilde verbreken.

“Wil je je thee niet uitdrinken? Hij is bijna koud.”

Maar zij luisterde niet naar hem, en als was er niets gebeurd, als begon de onvermijdelijke verklaring nu pas, zeide zij gebroken en eindeloos bedroefd:

“Kijk eens, Gérard, je kunt niet met mijn dochter trouwen. In de eerste plaats zou het iets laags, bijna een bloedschande zijn... En dan jouw naam, jouw positie... Neem me niet kwalijk, dat ik zoo openhartig ben, maar iedereen zal zeggen, dat je je verkoopt. Het zou een schandaal voor jouw familie en de onze zijn.”

Zij had, zonder toorn nu, als een moeder, die naar beweeggronden zoekt om haar grooten zoon van een afschuwelijke misdaad af te houden, zijn handen in de hare genomen. En hij luisterde met gebogen hoofd, zonder haar aan te kijken.

“Denk eens aan wat de menschen zeggen zullen, Gérard! Ik maak me volstrekt geen illusies; ik weet, dat tusschen jouw kringen en de mijne een groote afgrond gaapt. Rijk zijn helpt niets... het geld maakt dien nog slechts grooter. En al ben ik ook Christin geworden, mijn dochter is en blijft de dochter van een Jodin... O, Gérard, ik ben zoo trotsch op je. Het zou mijn hart breken, wanneer ik je door dat geldhuwelijk met een misvormd meisje, dat jou niet waardig is, dat je niet liefhebben kunt, vernederd en als het ware bezoedeld zag!”

Hij keek haar verlegen en smeekend aan, wilde aan dat pijnlijk onderhoud ontsnappen.

“Maar ik heb je toch gezworen, dat ik alleen jou liefheb, dat ik nooit met haar zal trouwen! De zaak is nu uit. Laten we elkaar niet langer martelen!”

Hun blikken bleven een oogenblik in elkander rusten en drukten alles uit, wat zij niet uitspraken: hun moeheid, hun ellende. De oogleden, de arme, roode oogleden in het plotseling vlekkig en oud geworden gezicht zwollen op van tranen, die over haar bevende wangen begonnen te vloeien. Weer huilde zij eindeloos, maar nu zonder bitterheid.

“Mijn arme, arme Gérard!... O, nu druk ik zwaar op je schouders. Neen, ontken het niet; ik voel, dat ik een ondragelijke last ben, dat ik een hinderpaal voor je ben, dat ik je heelemaal ongelukkig maken zal, wanneer ik je voor mij alleen wil behouden.”

Hij wilde protesteeren, doch zij liet hem niet aan het woord komen.

“Neen, neen, tusschen ons is alles uit... Ik word leelijk... het is uit... En bovendien door mij is jouw toekomst niets meer. Ik kan je in niets helpen, jij geeft mij alles door jezelf te geven, en ik geef je niets terug... En toch is de tijd nu gekomen om je een positie te scheppen. Jij op jouw leeftijd kunt niet leven zonder een gevestigde positie, zonder een huis en het zou laf van mij zijn de hinderpaal voor je geluk te zijn door mij aan je vast te klampen en je met mij te verdrinken.”

Zoo sprak zij door, terwijl zij haar blik steeds op hem gericht hield, hoewel zij hem slechts door haar tranen heen zag. Evenals zijn moeder wist zij, dat hij ondanks zijn knap uiterlijk, zóó zwak en zóó ziekelijk was, dat ook zij ervan droomde hem een kalm leven, een behagelijk hoekje van geluk te verschaffen, waarin hij, tegen de stormen van het noodlot beschermd, rustig oud kon worden. Zij had hem zoo lief—en kon dan de werkelijke goedheid van haar diepe liefde zich niet verheffen tot verzaking, tot opoffering? Zelfs in haar egoïsme van mooie en aangebeden vrouw vond zij redenen om den terugtocht te aanvaarden, opdat het einde van haar levensherfst niet bedorven worden zou door drama’s, die haar verpletterden. En dit alles zeide zij, terwijl zij hem behandelde als een kind, welks geluk zij ten koste van het hare scheppen wilde, terwijl hij weer met neergeslagen blikken onbeweeglijk naar haar luisterde, zonder verder te protesteeren, blij, dat zij zijn bestaan regelde zooals zij het wilde.

“Zeker,” ging zij voort, terwijl zij ten slotte de gronden aanvoerde, die ten gunste van het afschuwelijke huwelijk spraken, “Camille zou je brengen alles wat ik voor je wensch, alles, wat ik voor je droom. Door haar zou, dank zij de omstandigheden, die ik je niet behoef te noemen, je leven gelukkig, verzekerd zijn... En wat de rest betreft, lieve Hemel, daar zijn voorbeelden genoeg van. Niet dat ik onze fout wil verontschuldigen, maar ik zou je tallooze families kunnen noemen, waarin nog heel wat erger dingen gebeurd zijn... En dan, ik had ongelijk, toen ik zooeven zeide, dat het geld een afgrond graaft. Integendeel het brengt de menschen dichter bij elkaar, het doet alles vergeven. Je zoudt niets dan ijverzuchtigen om je heen zien, die zich over je geluk zouden verbazen.”

Gérard stond op en scheen een laatste maal te willen protesteeren.

“Wat, nu zal jij me per slot van rekening toch nog tot een huwelijk met je dochter willen dwingen?”

“Lieve God, neen! Maar ik ben verstandig, ik zeg wat ik zeggen moet. Je moet het nog eens overwegen.”

“Alles is overwogen... Ik heb je liefgehad en heb je nog lief... De rest is onmogelijk.”

Een hemelsch glimlachje speelde om haar lippen; zij nam hem nu weer in haar armen, en beiden stonden nu weer als één in hun omhelzing.

“Hoe goed en lief ben je, Gérard! Als je eens wist hoe lief ik je heb, hoe ik je altijd, ondanks alles, lief hebben zal!”

Haar tranen kwamen weer terug en ook hij weende. Beiden handelden in hun aangeboren teederheid te goeder trouw, terwijl zij de pijnlijke oplossing verschoven en nog op geluk hopen wilden. Maar zij voelden het beiden heel goed; het huwelijk was een uitgemaakte zaak. Er bleef niets meer over dan tranen en zinledige woorden; het leven ging ondanks alles zijn gang, het onvermijdelijke zou in vervulling gaan. De gedachte, die hem zoo week stemde, was waarschijnlijk deze, dat dit hun laatste omhelzing was, hun laatste rendez-vous, want het zou laag zijn, na alles wat zij wisten en tegen elkaar gezegd hadden, elkaar nogmaals op deze wijze te ontmoeten. Toch wilden zij de illusie bewaren, dat zij niet met elkander braken, dat zij eenmaal nog lust konden krijgen elkander weer te kussen. En de smart over het einde van alles snikte in hen.

Toen zij elkander losgelaten hadden, zagen zij het smalle kamertje met zijn verschoten divan, zijn vier stoelen en zijn tafel weer voor zich. Het kleine gashaardje suisde; zij snikten nu bijna in een zware, warme vochtigheid.

“Dus je wilt geen thee?” vroeg hij weer.

Zij stond voor den spiegel haar haar in orde te maken.

“Neen, dank je wel! Die is niet te drinken hier!”

En zij, die hier een zoo verrukkelijke herinnering gedacht had te vinden, werd in deze afscheidsminuut door de trieste omgeving geheel overweldigd, toen het geluid van zware stappen en grove stemmen, haar heelemaal van stuk brachten. Menschen liepen door de gang heen en weer en klopten aan de deuren. Zij vloog naar het raam en zag hoe agenten het restaurant omsingelden. De meest dolzinnige gedachten kwamen in haar op: haar dochter had haar laten volgen; haar man wilde zich van haar laten scheiden om met Silviane te trouwen. Dat beteekende een vreeselijk schandaal, een ineenstorten van al haar plannen. Doodsbleek en radeloos wachtte zij, terwijl hij, even bleek als zij, haar bevend smeekte kalm te blijven en vooral niet te schreeuwen. Maar toen harde slagen de deur deden dreunen en de commissaris van politie zijn naam noemde, moesten zij wel openen. Welk een oogenblik! Welk een schrik, welk een schande!

Beneden hadden Pierre en Guillaume meer dan een uur gewacht tot de regen zou ophouden. Zij spraken half fluisterend in een hoek van de glaswarande en namen eindelijk een besluit in zake het pijnlijke geval van Nicolas Barthès. Zij zouden den volgenden avond Théophile Morin, den ouden vriend van den eeuwigen gevangene, te dineeren vragen; deze moest hem dan de nieuwe verbanning, waardoor hij getroffen werd, maar mededeelen.

“Dat zal het verstandigst zijn,” zeide Guillaume. “Morin houdt veel van hem, zoodat hij het hem zoo voorzichtig mogelijk zal mededeelen, en zal wel tot de grens met hem medegaan.”

Pierre keek zwaarmoedig naar den nog steeds neervallenden regen.

“Alweer weg, alweer het vreemde land, wanneer het het cachot niet is! De arme, vreugdelooze, zijn leven lang opgejaagde man! Zijn geheele leven heeft hij gegeven aan zijn vrijheidsideaal, dat ouderwetsch is, waarom gelachen wordt, dat hij met zichzelf instorten ziet.”

Weer verschenen nu politie-agenten en boschwachters en slopen om het restaurant heen. Ongetwijfeld hadden zij begrepen, dat zij het spoor bijster geworden waren, en keerden nu terug in de meening, dat de man zich in dit chalet verstopt moest hebben. Zij omsingelden het handig en namen, alvorens tot een nauwkeuriger huiszoeking over te gaan, de noodige maatregelen, dat het wild hun niet voor de tweede maal zou ontsnappen. Toen de twee broers deze manoeuvre bemerkten, voelden zij hoe een heimelijke angst zich van hen meester maakte. Het was het vervolg van de drijfjacht op den man, dien zij hadden zien vluchten; maar wie zeide hun dat men hen, nu zij ongelukkigerwijze in de zaak betrokken werden, niet dwingen zou hun identiteit op te geven? Met een blik raadpleegden zij elkaar; zij dachten er een oogenblik over ondanks den stortregen weg te gaan. Doch dan begrepen zij, dat zulks hen in een nog onaangenamer positie zou kunnen brengen. Zij bleven wachten, te meer daar de komst van twee nieuwe bezoekers afleiding bracht.

Een victoria hield voor de deur stil. Eerst stapte een jonge man uit met een correct, doch geblaseerd uiterlijk, dan een jonge vrouw, die, vroolijk door dien aanhoudenden regen, luid lachte. Zij hadden een woordenwisseling, zij vond het schertsenderwijze jammer, dat zij niet op de fiets gegaan waren, terwijl hij dezen wandelrit in een zondvloed idioot vond.

“Maar we moesten toch ergens naar toe, beste jongen! Waarom ben je niet met me naar de maskerade gaan kijken?”

“De maskerade? Neen, dan nog honderdmaal liever het Bois!”