De drie steden: Parijs

Part 25

Chapter 253,799 wordsPublic domain

“Wat, is Fonsègue hier?” riep Monferrand uit. “Ik wil niets liever dan hem de hand drukken. Oude geschiedenissen, die niemand aangaan! Lieve Hemel, als u eens wist hoe weinig haatdragend ik ben!”

Toen de bode Fonsègue binnengebracht had, volgde de verzoening heel eenvoudig. Zij kenden elkaar reeds van het gymnasium in hun geboorteplaats Corrège, doch spraken in de laatste twee jaar ten gevolge van een afschuwelijke geschiedenis, waarvan niemand precies de bijzonderheden wist, niet meer met elkaar. Maar er zijn oogenblikken, dat de dooden begraven moeten worden, wanneer men het slagveld voor een nieuw gevecht moet schoonmaken.

“Het is heel aardig van je, dat je het eerst bij mij komt. Je bent dus niet boos meer?”

“Neen. Waarom zou je elkaar opeten, wanneer je er alle belang bij hebt het eens te zijn?”

En zonder eenige verdere verklaring begonnen zij over de groote zaak. Toen Monferrand zeide, dat Barroux van plan was te bekennen en een verklaring te geven van zijn handelwijze, sprongen de beide anderen verbaasd op. Dat stond gelijk met een val! Ze zouden het hem wel beletten, hij mocht zoo’n dwaasheid niet uithalen! Daarop bespraken zij alle denkbare middelen, om het in gevaar gebrachte ministerie te redden, want dat moest toch het eenige zijn, wat Monferrand wilde. En deze deed dan ook alsof hij hartstochtelijk zocht naar een middel, om zijn collega’s en zichzelf door de moeilijkheden heen te helpen, hoewel om zijn mondhoeken een flauw glimlachje spelen bleef. Eindelijk scheen hij echter overwonnen te zijn en zocht niet verder.

“Laten we niet langer zoeken, het ministerie is gevallen.”

De beide anderen keken elkaar aan, angstig als zij waren de zaak der Afrikaansche sporen toe te vertrouwen aan het volgend kabinet. Een kabinet Vignon zou zeker doen alsof het hoogst fatsoenlijk was!

“Wat moeten we dan doen?”

Maar op dat oogenblik ging de telephoon.

“Excuseert me even!”

Een oogenblik luisterde hij en sprak in het toestel, zonder dat uit zijn antwoorden of zijn korte vragen op te maken was, welke mededeeling hij ontving. Het was de chef van den Veiligheidsdienst, die zijn belofte hield en hem telephoneerde, dat de man in het Bois de Boulogne gevonden was en de jacht met kracht voortgezet werd.

“Uitstekend! En vergeet mijn orders niet!”

Dan keerde Monferrand, wiens plan zich langzamerhand uitgebreid en in de zekerheid van Salvat’s arrestatie een vasten vorm aangenomen had, naar het midden van het groote vertrek terug en zeide op zijn gewone, vertrouwelijke manier:

“Wat zal ik zeggen, waarde vrienden? Ik moest de baas zijn! Als ik de baas was!... Een enquête-commissie is een begrafenis eerste klasse voor dergelijke geschiedenissen. Ik zou niets bekennen, ik zou een enquête-commissie laten benoemen. Dan zou je eens zien hoe gauw de storm bedaarde!”

Duvillard en Fonsègue lachten. Maar deze laatste, die Monferrand al zoo lang kende, doorzag hem bijna geheel en al.

“Zeg eens, wanneer het ministerie valt, dan volgt daar nog niet uit, dat jij ook valt. Een ministerie kan opgelapt worden, als de stukken goed zijn.”

“Neen, neen, mijn waarde, dat spel speel ik niet,” protesteerde Monferrand, bang, dat hij hem in de kaart gekeken had. “We zijn solidair!”

“Kom nou, solidair met de onnoozele gekken, die zich met voordacht verdrinken. En wij mogen jou, wanneer wij je noodig hebben, per slot van rekening toch tegen je wil redden, niet waar, baron?”

En toen Monferrand, zonder verder te protesteeren, weer ging zitten, riep Duvillard, die weer geheel door zijn hartstocht medegesleept werd en bij de herinnering aan Barroux’ weigering in woede geraakte, uit:

“Natuurlijk! Als het ministerie vallen moet, dan moet het ook vallen... Wat kan je van een ministerie verwachten, waarin een kerel als Taboureau zit? Een oude, afgeleefde professor zonder eenig prestige, die uit Grenoble hierbinnen is komen vallen, die nooit een voet in een schouwburg gezet had en onder wiens leiding de schouwburgen nu staan. Natuurlijk begaat hij de eene stommiteit na de andere.”

Monferrand, die volkomen op de hoogte van de quaestie-Silviane was, bleef ernstig en amuseerde er zich een oogenblik mede den baron te prikkelen.

“Taboureau is een eenigszins ouderwetsche geleerde, maar die als aangewezen is voor het Openbaar Onderwijs, waarin hij volkomen thuis is.”

“Scheid toch uit. Jij bent toch verstandiger, jij zult toch niet, zooals Barroux, Taboureau verdedigen... Het is waar, dat ik erop sta, dat Silviane in de Comédie debuteert. Zij is in den grond der zaak heel aardig en heeft een opmerkelijk talent, zou jij er ook tegen zijn?”

“Ik, lieve God, ik zou er niet over denken! Een knap meisje op het tooneel zou iedereen pleizier doen, daar ben ik zeker van! Maar we zouden dan aan Schoone Kunsten iemand moeten hebben, die denkt zooals ik...”

Zijn flauw glimlachje was weer teruggekomen. Wanneer hij zich van den steun van Duvillard en van zijn millioenen kon verzekeren door dat meisje te laten debuteeren, dan zou dat niet te duur gekocht zijn. Hij wendde zich tot Fonsègue als om dezen te raadplegen, en deze, die de groote beteekenis van deze aangelegenheid inzag, dacht ernstig na.

“Voor Schoone Kunsten zou een senator het meest geschikt zijn... maar ik weet niemand, absoluut niemand in de gegeven omstandigheden. Een breed denkende geest, een Parijzenaar, wiens aan het hoofd staan der Universiteit niet al te veel verwondering wekken zou... Dauvergne is er wel.”

“Wie is dat, Dauvergne?” riep Monferrand verbaasd uit. “O ja, Dauvergne, de senator van Dijon... Maar hij heeft niet het minste verstand van onderwijs.”

“Bliksems!” riep Fonsègue uit, “ik zoek toch nog... Dauvergne is een groote, blonde, decoratieve persoonlijkheid. En bovendien is hij ontzaglijk rijk, heeft hij een knappe vrouw, wat ook niet kwaad is, en geeft hij in zijn hôtel op den boulevard Saint-Germain groote feesten.”

Hij had in den beginne den naam slechts aarzelend genoemd; maar langzamerhand begon zijn keuze hem een ware vondst toe te schijnen.

“Wacht eens even. Ik herinner me, dat Dauvergne in zijn jeugd te Dijon een stuk, een éénacter in verzen heeft laten opvoeren. Dijon is een letterkundige stad en dat geeft hem dadelijk een zachten, litterairen geur. Afgezien daarvan heeft hij sedert twintig jaar er geen voet meer gezet, is hij een besliste Parijzenaar geworden, die in alle kringen verkeert... Dauvergne zal alles doen wat we willen. Hij is onze man.”

Duvillard zeide, dat hij hem kende en voor zeer geschikt hield. “Trouwens wat komt het er op aan, hij of een ander?”

“Dauvergne, Dauvergne,” herhaalde Monferrand. “Lieve God, ja—misschien zal hij een goed minister worden. Dauvergne dus!”

Dan barstte hij plotseling in een luiden lach uit.

“Nou zijn we waarachtig met een reconstructie van het kabinet bezig, om die aardige dame in de Comédie te laten optreden. Het ministerie-Silviane... En de andere portefeuilles?”

Hij schertste, want hij wist, dat vroolijkheid dikwijls moeilijke oplossingen verhaast. En inderdaad regelden zij in een opgewekte stemming alles wat gedaan moest worden, wanneer het ministerie den volgenden dag vallen zou, tot in de kleinste bijzonderheden. Zonder het met zoovele woorden uit te spreken, besloten zij toch het ministerie te laten vallen en Monferrand uit het troebele water op te visschen. Deze laatste sloot zich bij de anderen aan, daar hij de financieele macht van den baron en vooral de diensten van den Globe, die een campagne voor hem op touw zetten kon, noodig had; terwijl anderzijds, afgezien van de Silviane-quaestie de beide anderen den staatsman met de sterke vuist, die door de benoeming van een enquête-commissie, welker draden hij in de hand houden zou, het schandaal met de Afrikaansche sporen beloofde te begraven, noodig hadden. Weldra waren de drie mannen het volkomen eens, want niets brengt de menschen meer tot elkaar dan een gemeenschappelijk belang, vrees en het bewustzijn, dat men elkaar noodig heeft. Toen Duvillard dan ook over de jonge dame sprak, die Dutheil hem wilde aanbevelen, zeide de minister onmiddellijk, dat het in orde was. Een heel aardige jongen, die Dutheil! Zoo moesten er meer zijn! Ook spraken zij af, dat de aanstaande schoonzoon van Chaigneux zijn baantje krijgen zou. Die arme Chaigneux! Hij was altijd bereid zich met alles te belasten en hij had het zoo moeilijk met zijn vier vrouwen.

“Dus alles is afgesproken!”

“Afgesproken!”

“Afgesproken!”

En Monferrand, Duvillard en Fonsègue gaven elkaar een krachtigen handdruk.

Toen de eerste de beide anderen tot aan de deur uitgeleide deed, zag hij in de antichambre een prelaat met een fijne, violet omzoomde soutane met een priester staan praten.

“O, monseigneur Martha, hebt u gewacht?” riep de minister uit, terwijl hij vol ijver naar den prelaat liep. “Kom toch binnen, kom toch binnen!”

Maar met groote hoffelijkheid weigerde de bisschop dat.

“Neen, neen, abbé Froment was er vóór mij. Ontvang hem eerst.”

Monferrand moest wel toegeven en liet den priester in zijn kabinet gaan. Het onderhoud duurde echter niet lang. De minister, die zoodra hij met een geestelijke sprak, steeds diplomatiek-gereserveerd was, begon zonder eenige inleiding over de quaestie Barthès. Pierre had de twee uur, dat hij had moeten wachten, in de grootste onrust verkeerd, want de eenige verklaring, welke hij zich voor dien brief geven kon, was, dat men het verblijf van zijn broer bij hem ontdekt had. Wat zou er gebeuren? Toen hij nu hoorde, dat de minister alleen over Barthès sprak en hem zeide, dat het de regeering aangenamer zijn zou, wanneer Barthès vluchtte dan dat zij genoodzaakt zou zijn hem weer in de gevangenis te zetten, geraakte hij een oogenblik in verwarring. Hij begreep het niet goed. Hoe was het mogelijk, dat de politie, die den legendarischen samenzweerder in het kleine huisje te Neuilly had weten te vinden, totaal onbekend scheen te zijn met de aanwezigheid van Guillaume?

“Wat wil Uwe Excellentie dus van mij? Ik begrijp het nog niet goed.”

“Lieve hemel, mijnheer de abbé, dat laat ik geheel aan uw prudentie over. Als deze man binnen acht-en-veertig uur nog bij u is, zouden wij verplicht zijn hem te laten arresteeren, wat ons zeer spijten zou, daar wij weten, dat uw woning een asyl van alle deugden is. Raad hem aan Frankrijk te verlaten; hij zal niet lastig gevallen worden.”

Vlug bracht Monferrand Pierre naar de antichambre terug. Dan wendde hij zich glimlachend en buigend tot monseigneur Martha:

“Monseigneur, ik ben geheel tot uw dienst... Kom binnen, kom binnen!”

De prelaat, die opgewekt met Duvillard en Fonsègue stond te praten, drukte dezen en Pierre de hand. Bezield door een verlangen, om alle harten te winnen, was hij dien ochtend buitengewoon beminlijk en vriendelijk. Zijn donkere, levendige oogen glimlachten, zijn knap gezicht met de regelmatige, vaste lijnen was één liefkoozing. Zonder haast en op zijn onbevangen veroveraarsmanier ging hij het kabinet binnen.

Nu waren in het ledige ministerie nog slechts Monferrand en monseigneur Martha, die een eindeloos gesprek voerden. Men had kunnen denken, dat de prelaat graag Kamerlid wilde worden. Maar hij speelde een meer nuttige en hoogere rol: hij regeerde in het donker, hij was de leidende ziel van de Vaticaansche politiek in Frankrijk. Bleef Frankrijk niet de oudste Dochter der Kerk, de eenige groote natie, die ooit eens aan het pausdom zijn almacht terug zou kunnen geven? Hij had de Republiek aanvaard, predikte verzoening en ging in de Kamer voor den stichter van de nieuwe Katholieke partij door. En Monferrand, die door den vooruitgang van den nieuwen geest, door deze reactie der mystiek, die zich vleide de wetenschap te begraven, getroffen werd, was één en al beminlijkheid. De man met de ijzeren vuist gebruikte voor zijn overwinning alle krachten, die zich aanboden.

IV.

Op den middag van dienzelfden dag voelde Guillaume een zóó groote behoefte aan frissche lucht en vrije ruimte, dat Pierre erin toestemde een lange wandeling met hem te maken in het vlak bij hun huisje gelegen Bois de Boulogne. Na zijn terugkeer van het ministerie had hij zijn broeder onder het dejeuner verteld op welke wijze de regeering van plan was zich van Nicolas Barthès te ontdoen. Beiden waren somber gestemd, want zij wisten niet op welke manier zij den ouden man zijn verbanning moesten mededeelen en gaven zich tot den avond tijd om te overwegen hoe zij het bittere ervan voor hem zouden kunnen verzachten. Onder de wandeling zouden zij er nog wel eens over spreken. En bovendien, waarom zouden zij zich nog langer schuil houden, waarom zouden zij dien eersten uitgang niet wagen, nu Guillaume door niets ernstigs bedreigd scheen te worden? De beide broeders gingen door de Porte des Sablons het bosch in.

Het was in de laatste dagen van Maart; het bosch begon groen te worden, maar nog zoo teer, dat de lichte puntjes aan de bladeren op een bleekgroen mos, op een eindeloos fijne kant geleken. De regen, die den geheelen nacht en ochtend gevallen was, had opgehouden; de lucht echter bleef aschgrauw; het weer oplevende, geheel doordrenkte bosch had in de onbeweeglijke, zachte atmospheer, een heerlijke frischheid, een onschuldige jeugd. De feestelijkheden van de Halfvasten hadden blijkbaar de groote menigte naar het hartje van Parijs gelokt, want in de lanen zag men slechts ruiters, equipages en wandelaarsters, die uit haar coupés en landauers gestapt waren, terwijl minnen haar zuigelingen in kanten manteltjes ronddroegen. In het Bois heerschte de hooge elegance, de mondaine beweging van uitgelezen dagen, waarop de kleine luiden zich zelfs niet vertoonen. Slechts hier en daar zag men een paar burgervrouwen uit de buurt met een breiwerk op de banken of op de dicht begroeide plaatsen zitten en naar het spelen van haar kinderen kijken.

Pierre en Guillaume sloegen de allée de Longchamp in, die zij volgden tot den weg van Madrid aux Lacs. Daar gingen zij onder de boomen loopen en volgden den loop van de kleine beek naar Longchamp. Hun plan was tot aan de meren te gaan, die om te wandelen en dan door de Porte Maillot naar huis terug te keeren. Maar het kreupelhout, dat zij doorgingen, was in deze kindsheid der lente zoo rustig en verrukkelijk, dat zij aan hun verlangen om te gaan zitten en van de heerlijke rust te genieten, geen weerstand bieden konden.

Een boomstam diende als bank, zij konden zich inbeelden diep in een echt bosch te zijn. En Guillaume droomde inderdaad na zijn lange vrijwillige gevangenschap van een werkelijk bosch. O, de vrije ruimte, de gezonde lucht, die in de takken waait; deze geheele, reusachtige wereld, die het onvervreemdbare gebied van den mensch zijn moest. De naam van Barthès, den eeuwigen gevangene, kwam weer op zijn lippen en hij zuchtte, weer door droefheid overmand. De marteling, waaronder die ééne, steeds weer in zijn vrijheid beperkte leed, was voldoende om al het genot, dat die heerlijke, reine lucht hem gaf, te bederven.

“Wat wil je tegen hem zeggen? We moeten het hem toch zeggen. Ballingschap is toch in ieder geval te verkiezen boven de gevangenis.”

Pierre maakte een wanhopig gebaar.

“Ja, ja, ik zal hem waarschuwen. Maar mijn hart breekt eronder!”

Op dat oogenblik doemde in dit eenzame, verlaten hoekje, waar zij zich aan het einde der wereld wanen konden, een vreemd schouwspel voor hen op. Plotseling sprong een man uit het kreupelhout en rende voor hen uit. Het was ongetwijfeld een man, maar zoo onherkenbaar, zoo met modder bedekt, dat men hem voor een dier had kunnen houden, voor een door de honden opgejaagd en in het nauw gebracht, wild zwijn. Een oogenblik bleef hij radeloos voor de beek staan, dan liep hij erlangs, maar toen hij passen en zwaar ademhalen achter zich hoorde, ging hij tot zijn dijen in het water, sprong op den anderen oever en verdween achter een boschje pijnboomen. Bijna onmiddellijk daarna vlogen boschwachters onder leiding van een paar agenten langs hen heen, volgden de beek en verdwenen in de verte. Het was een menschenjacht in de teere lente der bladeren, een heimelijke, woeste jacht zonder roode rokken of stooten op hoorns.

“De een of andere schooier,” prevelde Pierre. “De ongelukkige.”

“Altijd de gendarmen en de gevangenis,” zeide Guillaume op zijn beurt ontmoedigd. “Een andere sociale school hebben ze nog niet gevonden.”

De man rende nog steeds verder en verder. Toen Salvat ’s nachts in een plotselinge vlucht het Bois de Boulogne bereikt had en zoo aan de agenten, die hem volgden, ontsnapt was, wilde hij tot aan de Porte Dauphine gaan en daar in de vestinggrachten afdalen. Hij herinnerde zich, dat hij vroeger dikwijls, wanneer hij geen werk had, daar dagen lang op die plek doorgebracht, zonder er ooit iemand ontmoet te hebben. En inderdaad bestond er geen geheimer, meer door struikgewas versperd, meer door hoog gras bezaaid toevluchtsoord. Sommige plekken van de gracht zijn niets dan nesten voor vagebonden en verliefde paartjes. Toen Salvat in het dichtste gedeelte van doorns en klimop binnendrong, had hij het geluk ondanks den neervallenden regen een soort hol met droge bladeren te vinden, waarin hij zich tot aan zijn kin begroef. Hij dreef reeds van het water, want hij was, slechts tastend en dikwijls op handen en voeten kruipend, op de modder en hellingen uitgegleden. Die droge bladeren waren voor hem een ongehoopte weldaad, een soort laken, waaronder hij zich wat kon drogen en uitrusten van zijn dolle jacht door de angstaanjagende duisternis. De regen bleef neerdrenzen, maar alleen zijn hoofd werd nu maar nat, ja ten slotte raakte hij verdoofd, viel hij in den regen in een zwaren slaap.

Toen hij zijn oogen weer opensloeg, werd het licht; het moest ongeveer zes uur zijn. Het hemelwater had ten slotte ook de bladeren vochtig gemaakt, zoodat hij als het ware in een ijskoud bad lag. Toch bleef hij er liggen, want hij voelde zich hier veilig voor de jacht, die zeker op hem gemaakt zou worden. Hier kon geen “smeris” hem ontdekken, want zijn lichaam was heelemaal begraven en zijn hoofd verdween zelfs half onder het struikgewas. Hij bewoog zich niet en bleef liggen kijken, hoe het steeds lichter werd.

Tegen acht uur kwamen politieagenten en boschwachters voorbij en doorzochten de vestinggracht, zonder hem echter te zien. Juist zooals hij gedacht had, was met het aanbreken van den dag de drijfjacht begonnen. Zijn hart klopte met luide slagen, hij kreeg het gevoel alsof hij een stuk wild was, dat door de jagers ingesloten werd. Toevallig had hij juist zijn schuilplaats gezocht onder de kazerne der gendarmen, waarvan het leven tot hem doordrong. Niemand kwam meer voorbij, geen levende ziel was te zien, geen geritsel in het gras te hooren. Slecht in de verte weerklonken de onduidelijke geluiden van het ochtendleven in het Bois de Boulogne, een bel van een fietsrijder, de galop van een paard, het rollen van rijtuigen; het gelukkige, door de frissche lucht bedwelmde niets doen van het mondaine Parijs.

De uren verliepen, negen uur, tien uur. Sedert het niet meer regende, had hij, dank zij den pet en den dikken paletot, dien de kleine Mathis hem gegeven had, minder van de koude te lijden. Maar de honger begon hem weer te kwellen, een brandend gevoel boorde hem als het ware een gat in zijn maag, terwijl vreeselijke krampen zijn lendenstreek bijna braken. Hij had sedert twee dagen niets gegeten en had den vorigen avond, toen hij van Mathis een glas bier kreeg, sedert anderhalven dag een leege maag. Het was zijn plan daar tot den avond te blijven, dan in het donker naar Boulogne te sluipen en door een open plek, die hij aan dien kant kende, het bosch te verlaten. Men had hem nog niet te pakken. Hij trachtte weer in te slapen, maar kon het niet, daar de honger hem te veel kwelde. Om elf uur kreeg hij een duizeling, dacht hij te zullen sterven. Woede maakte zich van hem meester en plotseling sprong hij uit zijn bladerenbed. Hij kon daar niet langer blijven, hij wilde eten, ook al zou het hem zijn vrijheid en zijn leven kosten. Het sloeg twaalf uur.

Nauwlijks had hij de gracht verlaten of hij bevond zich op de groote open ruimte der grasvelden van la Muette. Hij joeg er als een krankzinnige doorheen en ging instinctmatig de richting van Boulogne in, daar hij meende, dat alleen daar een uitweg te vinden zou zijn. Het was een wonder, dat niemand zich om dien zoo dolzinnig voortrennenden man bekommerde. Toen het hem gelukt was onder de boomen te komen, begreep hij hoe onvoorzichtig hij was geweest, werd hij zich den waanzin bewust, die hem in zijn drang om te vluchten medegesleept had. Hij beefde, ging plat op den grond tusschen de bremstruiken liggen en wachtte eenige minuten om zich te vergewissen, dat de agenten hem niet op de hielen zaten. Dan liep hij langzaam verder, steeds loerend en luisterend, met een wonderlijk instinct voor het gevaar. Het was zijn bedoeling tusschen het hoogst gelegen meer en de renbaan van Auteuil door te loopen. Maar daar is slechts een breede, door enkele boomen omzoomde baan; hij moest buitengewoon handig te werk gaan om nooit in het vrije veld te zijn. Hij maakte gebruik van den kleinsten boomstam, van het dunste boomgroepje en waagde dat nog slechts, wanneer hij eerst langen tijd den omtrek afgekeken had. Een nieuwe schrik, het zien van een boschwachter in de verte, dwong hem nog een kwartier plat op zijn buik te blijven liggen. Het naderen van een leeg rijtuig of van een wandelaar was voldoende om hem te doen stilstaan. Hij haalde verlicht adem, toen hij eindelijk aan de andere zijde van den Montemar-heuvel in het kreupelhout tusschen den weg naar Boulogne en de avenue de Saint-Cloud was. Dat kreupelhout is daar zeer dicht en hij behoefde het slechts te volgen, om, op die wijze verborgen, den uitgang, die niet ver meer weg kon zijn, te bereiken. Hij was gered.

Maar plotseling zag hij op ongeveer dertig meter afstand een boschwachter staan, die hem den weg versperde. Hij sloeg links af en vond daar een tweeden, die eveneens onbeweeglijk stond en op hem scheen te wachten. Boschwachters, steeds weer boschwachters om de vijftig pas—een heel cordon was daar als de mazen van een net gespannen. Het ergste was, dat men hem blijkbaar gezien had, want een zacht gefluit liet zich hooren en werd weldra van post tot post, tot in het oneindige toe herhaald. Eindelijk hadden de jagers het goede spoor; voorzichtigheid was nu verder onnoodig, de man behoefde zijn laatste heil nog slechts in de vlucht te zoeken. Hij voelde dat zóó goed, dat hij het onmiddellijk op een loopen zette, over hindernissen heensprong en zonder bang te zijn gezien of gehoord te worden, tusschen de boomen vluchtte. In drie sprongen was hij de avenue de Saint-Cloud over, om zich in het dichte geboomte, dat zich tusschen deze avenue en de allée de la Reine-Marguerite uitstrekt, te werpen. Daar is het kreupelhout nog dichter; het zijn de dichtst begroeide plekken van het Bois de Boulogne, een geheele zee van groen in den zomer, waarin hij zich misschien, als er bladeren aan de boomen geweest waren, schuil had kunnen houden.