Part 24
Maar met een ongeduldig gebaar wees Barroux iedere hoffelijkheidsbetuiging af.
“Neen, neen, ik deed juist mijn dagelijksche wandeling op de Champs Elysées en maakte mij zóó bezorgd, dat ik liever dadelijk hier naar toe wilde komen... Je begrijpt natuurlijk, dat de dingen niet zoo blijven kunnen, en daar er morgenochtend een ministerraad gehouden moet worden, waarin we een verdedigingsplan moeten vaststellen, achtte ik het gewenscht, dat wij samen eens praatten.”
Hij nam een fauteuil, terwijl Monferrand een anderen bijschoof, om, tegen het licht in, bij hem te gaan zitten. De twee mannen zaten tegenover elkaar. En zooals Barroux, die tien jaar ouder, sneeuwwit en plechtig was, met zijn gladgeschoren gezicht en zijn bakkebaarden de trotsche statigheid der macht, de conventioneel-romantische houding bewaarde, zoo verborg de andere, de sluwere en plompere, onder zijn gewone trekken, achter zijn gemaniereerde vrijmoedigheid en eenvoudigheid een onbekenden afgrond, de donkere ziel van een meedoogenloozen, gewetenloozen en genotzuchtigen despoot.
Barroux, die heel opgewonden was, hijgde een oogenblik. Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijn hart klopte van verontwaardiging en woede, wanneer hij dacht aan den stroom van gemeene beschimpingen, die de Voix du Peuple dien ochtend weer over hem uitgegoten had.
“Kijk eens, mijn waarde collega, daar moet een eind aan komen; we moeten aan die schandelijke campagne een eind maken... Trouwens u begrijpt heel goed wat ons morgen in de Kamer te wachten staat. Nu de beroemde lijst gepubliceerd is, zullen we alle ontevredenen tegenover ons hebben. Vignon roert zich...”
“Zoo, hebt u berichten over Vignon?” vroeg Monferrand, die nu zeer opmerkzaam geworden was.
“Natuurlijk, ik zag in het voorbijgaan een heele file rijtuigen voor zijn deur staan. Al zijn aanhangers zijn sedert gisteren in de weer en ik weet niet hoeveel menschen me niet gezegd hebben, dat de bende reeds onderling de portefeuilles verdeelt. Want u begrijpt wel, dat de naïeve, dolzinnige Mège wel weer de kastanjes uit het vuur halen zal. Kortom, we zijn dood; ze willen ons in de modder begraven, voordat ze nog over onze overblijfselen strijden.”
Hij maakte een theatraal gebaar, zijn stem klonk welsprekend, als stond hij op de tribune. Maar zijn ontroering was oprecht, tranen kwamen in zijn oogen.
“Ik, die mijn geheele leven aan de Republiek gegeven heb, die haar gesticht en gered heb, ik zal, door zooveel beleedigingen overladen, verplicht worden mij tegen zulke afschuwelijke beschuldigingen te moeten verdedigen. Ik, een plichtvergeten minister, die zich zou hebben laten omkoopen, die tweehonderd duizend francs van dien Hunter ontvangen zou hebben, om ze eenvoudig in mijn zak te steken!... Zeker er is tusschen hem en mij sprake geweest van tweehonderd duizend francs. Maar men moet weten hoe en in welke omstandigheden. Het is natuurlijk met u precies eender gegaan met de tachtig duizend francs, die hij u gegeven zou hebben...”
Monferrand viel hem zeer beslist in de rede.
“Hij heeft mij geen centime gegeven.”
Heel verbaasd keek de andere hem aan, maar zag niets dan zijn groot, in het donker gedompeld hoofd.
“O, ik dacht, dat u in connectie met hem stond, dat u hem speciaal kende.”
“Neen, ik heb Hunter gekend, zooals iedereen hem kent, ik wist zelfs niet, dat hij de drijver van baron Duvillard voor die Afrikaansche sporen was, en nooit hebben wij over die quaestie gesproken.”
Dit was zoo onwaarschijnlijk, zoo in tegenspraak met alles wat hij wist, dat Barroux voor dien zoo evidenten leugen een oogenblik verbijsterd bleef zitten. Dan echter was hij zichzelf weer meester en kwam weer op zijn eigen geval terug.
“O, hij is zeker wel tien maal bij mij geweest en heeft mijn ooren gek gezanikt over die Afrikaansche sporen, toen de Kamer over de premieleening beslissen moest... Ik zie het nog voor mij, zooals wij beiden in deze kamer zaten, want ik had toen, zooals u zich herinneren zult, Binnenlandsche Zaken, terwijl u juist de portefeuille van Openbare Werken overgenomen hadt. Ik zat daar aan dat bureau, terwijl Hunter op dezelfde plaats in den fauteuil, waarin ik nu zit, zat. Dien dag wilde hij mij raadplegen, hoe hij belangrijke sommen, welke de bank Duvillard voor publiciteit wilde beschikbaar stellen, het best zou kunnen besteden; ik herinner me nog, dat ik bij het hooren van groote bedragen voor de monarchistische bladen boos werd, daar ik—en terecht—van oordeel was, dat dat geld uitgegeven werd tegen de Republiek. Derhalve heb ik op zijn verzoek een lijst opgemaakt en de tweehonderd duizend francs bestemd voor republikeinsche, ons bevriende bladen. Op die wijze hebben deze door mijn bemiddeling—dat is zoo—het geld gekregen. Dat is de geheele geschiedenis.”
Hij stond op en sloeg zich op zijn borst, terwijl zijn stem nog luider werd.
“Kort en goed, ik heb genoeg van al die leugens en lasterpraatjes... Ik zal die heele geschiedenis morgen eenvoudig aan de Kamer mededeelen. Dat zal mijn eenige verdediging zijn. Een eerlijk man vreest de waarheid niet.”
Op zijn beurt was Monferrand nu ook opgestaan en uitte een kreet, die gelijk stond met een bekentenis.
“Dat is dwaasheid! Men mag nooit bekennen! Dat mag u niet doen!”
Maar Barroux bleef trotsch en koppig.
“Ik zal het wel doen, en we zullen zien, of de Kamer een ouden dienaar der vrijheid niet met acclamatie vrijspreken zal.”
“U zult onder hoongelach vallen en ons allen in uw val medesleepen.”
“Wat beteekent dat? Dan vallen wij tenminste waardig en eervol!”
Monferrand maakte een woest-toornig gebaar. Dan echter werd hij plotseling kalm. In de angstige besluiteloosheid, waarin hij sedert den vroegen ochtend verkeerde, ging plotseling een helder licht op; het nog onvaste plan, dat de inhechtenisneming van Salvat had doen ontstaan, kreeg duidelijker omtrekken en breidde zich uit tot een vermetele combinatie. Waarom zou hij den val van dien onnoozelen Barroux verhinderen? Het eenige wat voor hem belang had was niet met hem te vallen of zich tenminste weer in de hoogte te werken. Hij zweeg, mompelde nog slechts een paar onverstaanbare woorden, waarin hij zijn verzet verstikte. Eindelijk zeide hij op zijn knorrig-gemoedelijke manier.
“Per slot van rekening hebt u misschien gelijk. Je moet dapper zijn. En bovendien, u is de president, wij zullen u volgen.”
De twee mannen waren weer tegenover elkaar gaan zitten en het gesprek werd voortgezet. Zij werden het eens over de houding, die het ministerie tegenover de interpellatie, die morgen ongetwijfeld gehouden zou worden, moest aannemen.
Dien nacht had baron Duvillard zoo goed als niet geslapen. Nadat hij door Gérard thuis gebracht was, was hij onmiddellijk naar bed gegaan als iemand, die den slaap wil bevelen, om te vergeten en weer zichzelf te worden. Maar de slaap was niet gekomen, ofschoon hij dien, gekweld door slapeloosheid, uren lang gezocht had. De beleediging, die Silviane hem aangedaan had, liet hem geen oogenblik met rust. Het was, zooals hij het uitgeschreeuwd had, schandelijk. Dat meisje, dat hij rijk gemaakt, met weldaden overladen had, wierp hem die modder in het aangezicht, hem, den meester, die er zich op beroemde Parijs en de Republiek in zijn zak gestoken te hebben, die over gewetens beschikte, zooals een koopman zich van wol of leder meester maakt, om op de Beurs een slag te slaan. En het heimelijke bewustzijn, dat Silviane het wrekende gezwel, de verrotting voor hem, den verrotter, was, bracht hem geheel buiten zichzelf. Vergeefs trachtte hij dat spookbeeld te verjagen, te denken aan zijn zaken, aan zijn afspraken voor morgen, aan de millioenen, die hij in alle deelen der wereld had, aan de almacht van het geld, die het lot der volkeren in zijn handen legde, steeds en steeds weer kwam Silviane weer terug en bezoedelde hem met haar ontucht.
Hij trachtte zich wanhopig vast te klampen aan de groote zaak, die hij sedert maanden voorbereidde—aan die beroemde Trans-Sahara-lijn, die reusachtige onderneming, waarmede millioenen gemoeid waren en die het aangezicht der aarde veranderen zou, steeds en steeds weer kwam Silviane terug en sloeg hem met haar kleine hand, die zij in het riool nat gemaakt had, op zijn beide wangen. Tegen het aanbreken van den dag was hij echter in een lichte sluimering gevallen, terwijl hij woedend zwoer, dat hij haar nooit weer wilde zien, haar zou wegtrappen, zelfs wanneer zij zich op haar knieën zou werpen.
Toen hij tegen zeven uur gebroken in de verslappende klamheid der lakens wakker werd, gold zijn eerste gedachte haar en gaf bijna aan een lafheid toe. Plotseling kwam het denkbeeld in hem op dadelijk te gaan kijken, of zij thuis gekomen was, haar in haar slaap te overvallen, vrede met haar te sluiten en daarvan gebruik te maken, om haar weer te bezitten. Maar hij sprong uit bed, nam een koude douche en vond zijn moed weer terug. Neen, Silviane was een ellendelinge, ditmaal was hij, naar hij geloofde, voor goed van haar genezen. En inderdaad vergat hij haar, zoodra hij de ochtendbladen ingekeken had. De publicatie van de lijst door de Voix du Peuple bracht hem buiten zichzelf van woede, want tot nog toe had hij het sterk betwijfeld, of Sanier die wel in zijn bezit had. Met één oogopslag beoordeelde hij het document, de enkele waarheden, die het te midden van den gewonen stroom domheden en leugens bevatte. Hij zelf voelde zich ook ditmaal nog niet getroffen: hij vreesde in werkelijkheid maar één ding, n.l. de arrestatie van zijn bemiddelaar Hunter, door wiens proces ook hij in het geding zou gebracht kunnen worden.
Hij had, zooals hij met zijn kalm glimlachend gelaat onophoudelijk herhaalde, niets anders gedaan dan wat alle banken doen, wanneer zij een emissie op de markt brengen: hij had de pers voor haar publicaties betaald, gebruik gemaakt van de diensten van courtiers en de aan de zaak bewezen diensten beloond. Het was een zaak... dat zeide alles voor hem. Overigens was hij een kalm speler en met verontwaardiging en minachting sprak hij over een bankier, die, door chantage in het nauw gedreven, een eind aan zijn leven gemaakt had. Neen, neen, men moest het hoofd omhoog houden, men moest tot den laatsten adem, tot den laatsten gulden strijden!
Tegen negen uur riep een bellen hem aan zijn particuliere telephoon, die op zijn schrijftafel stond. Weer maakte zijn waanzin zich van hem meester: het moest Silviane zijn, ging het door zijn brein. Dikwijls viel zij hem zoo midden in zijn gewichtigste bezigheden lastig. Zij was thuisgekomen, begreep, dat zij te ver was gegaan en wilde hem nu vergiffenis vragen. En toen hij hoorde, dat het Monferrand was, die hem op het ministerie wilde spreken, doorhuiverde hem een lichte rilling als iemand, die nogmaals gered is van den afgrond, waar hij langs geloopen is. Dadelijk liet hij zich zijn hoed en zijn wandelstok brengen, daar hij loopen en in de frissche lucht nadenken wilde. Weer was hij geheel met zijn gedachten bij de complicaties en de schandaalgeschiedenis, die het Parlement en geheel Parijs in rep en roer brengen zou. Zich van kant maken, neen, dat was krankzinnig en laf. De storm kon woeden, zooveel als hij wilde, hij voelde zich sterk: zijn wil was krachtiger dan de gebeurtenissen, hij was vastbesloten zich te verdedigen als een gebieder, die niets van zijn macht opgeven wil.
Nauwlijks was Duvillard in de antichambre van het ministerie of hij voelde, hoe die storm van angst en schrik hier als een orkaan woedde. De Voix du Peuple had met haar lijst de harten der schuldigen tot ijs verstijfd, allen snelden bleek en radeloos toe, nu zij den grond onder zich voelden wegzinken. De eerste, dien hij zag, was Dutheil. Hij beet zenuwachtig op zijn fijne snor en in zijn poging, om ondanks alles te lachen, vertrok zijn gezicht krampachtig. Hij gaf hem een standje: het was hoogst verkeerd op zoo’n angstige manier te komen informeeren. Maar Dutheil, die door die ruwe woorden reeds weer opgevroolijkt was, zwoer, dat hij het artikel van Sanier niet gelezen had, dat hij alleen den minister een dame, die hij kende, kwam aanbevelen. De baron belastte zich met die aangelegenheid, wenschte hem een prettige Halfvasten en zond hem weg. Maar een vreeselijk medelijden had hij met Chaigneux, wiens geheele lichaam beefde, als werd hij naar beneden getrokken door het gewicht van zijn langen paardenkop en die er zoo vuil en hulpbehoevend uitzag, dat men hem voor een ouden bedelaar gehouden zou hebben. Toen hij den baron zag, vloog hij naar hem toe en begroette hem met een onderdanige dienstvaardigheid.
“O, mijnheer de baron, wat moeten de menschen slecht zijn! Dat is mijn dood, men vermoordt mij; wat zal er van mijn vrouw en mijn drie dochters worden, wier eenige steun ik ben.”
In deze jammerklacht lag de geheele geschiedenis van dien armen stumperd, dit slachtoffer der politiek. Om met zijn vier vrouwen, zooals hij de moeder en de drie dochters noemde, in Parijs goede sier te maken, was hij zoo dwaas geweest Atrecht en zijn advocatenkantoor te verlaten; en van dat oogenblik af was hij, angstig geworden door zijn voortdurend echec, de bedeesde dienaar van zijn familie geworden. Een eerlijk afgevaardigde! Lieve God, hoe gaarne zou hij het geweest zijn, maar verkeerde hij niet altijd in geldverlegenheid, was hij niet altijd op zoek naar een biljet van honderd francs, was hij niet een afgevaardigde, die steeds te koop was? En bovendien werd hij door zijn vier vrouwen zoo getreiterd en lastig gevallen, dat hij het geld voor haar overal en hoe ook opgeraapt zou hebben.
“Stel u voor, mijnheer de baron, dat ik eindelijk een man voor mijn oudste dochter gevonden had. Dat is het eerste geluk, dat mij ten deel valt, ik zou er dan nog maar drie thuis hebben... Maar u begrijpt wat voor een indruk een artikel als dat van vanochtend op de familie van den jongen man moet maken. Ik ben naar den minister gevlogen om hem te smeeken, mijn aanstaanden schoonzoon een secretarisbaantje te geven... Dat baantje, dat ik hem beloofd heb, kan nog alles in orde brengen.”
Hij was zoo jammerlijk om aan te zien en sprak op een zoo smeekenden toon, dat Duvillard op het denkbeeld kwam een van die goede daden te verrichten, welke hij op het juiste oogenblik dikwijls deed, en waarin hij zijn protectie en zijn geld tegen hooge interest belegde. Het is altijd goed arme drommels, waarvan men voor een stuk brood dienaren en medeplichtigen maakt, aan zijn zijde te hebben. Hij zond hem dan ook weg en beloofde zijn zaak te zullen behartigen, terwijl hij er nog aan toevoegde, dat hij hem morgen op zijn kantoor wachtte, daar hij, nu een zijner dochters trouwde, hem wilde spreken en helpen.
Chaigneux, die een leening rook, putte zich in dankbetuigingen uit.
“O, mijnheer de baron, mijn leven zal te kort zijn, om u die schuld der dankbaarheid terug te kunnen betalen.”
Toen Duvillard zich omkeerde, zag hij tot zijn verbazing abbé Froment, die in een hoek der antichambre zat te wachten. Deze behoorde toch niet tot de schaar verdachten, hoewel hij, door schijnbaar in een courant te lezen, een grooten angst trachtte te verbergen. De baron ging naar hem toe, gaf hem een hand en begon vriendschappelijk met hem te praten. Pierre vertelde, dat hij een brief gekregen had, waarin hem verzocht werd op het ministerie te komen; hij wist echter niet waarom. Hij zat nu al een kwartier te wachten. Als men hem hier in die antichambre maar niet vergat.
De bode kwam eerbiedig naar Duvillard toe.
“De minister verwacht u, mijnheer de baron. Hij is op het oogenblik in conferentie met den minister-president, maar ik heb order u, zoodra deze weg is, binnen te laten, mijnheer de baron.”
Bijna onmiddellijk daarna ging Barroux weg. Toen Duvillard binnen wilde gaan, herkende hij hem en hield hem terug. Op bitteren toon en verontwaardigd over al dien laster sprak hij over de afschuwelijke zaak. Zou hij, Duvillard, als het noodig was, niet willen getuigen, dat hij, Barroux, direct nooit een sou ontvangen had. Hij vergat, dat hij tegen een bankier sprak en dat hij zelf minister van Financiën was en gaf al zijn afkeer voor het geld te kennen. Wat waren die zaken toch een troebele en vergiftige poel! Maar hij herhaalde, dat hij de lasteraars zou weten te straffen, dat de waarheid voldoende zijn zou.
Duvillard luisterde naar hem en keek hem aan. Plotseling rees de gedachte aan Silviane weer in hem op en vervolgde hem, zonder dat hij moeite deed haar te verjagen. Hij bedacht, dat, als Barroux, toen hij diens bemiddeling had ingeroepen, gewild had, Silviane nu aan de Comédie zijn zou en het ongelukkig avontuur van den vorigen avond niet plaats gehad zou hebben, want hij begon zichzelf niet schuldig te vinden: Silviane zou hem nooit zoo schandelijk in den steek gelaten hebben, als hij haar gril had kunnen bevredigen.
“Maar weet u wel, dat ik erg boos op u ben?” viel hij den minister in de rede.
“Boos op mij? En waarom?” vroeg de minister verbaasd.
“Natuurlijk, omdat u mij niet geholpen hebt... U weet wel... Mijn vriendinnetje, dat in Polyeucte debuteeren wil.”
Barroux glimlachte vriendelijk.
“O ja, Silviane d’Aulnay! Maar daar heeft Taboureau zich tegen verzet. Hij heeft Schoone Kunsten, de zaak gaat alleen hem aan. Ik kan er absoluut niets aan doen. Deze volmaakt eerlijke man, die uit de een of andere provinciefaculteit is komen vallen, zit vol gewetensbezwaren... Ik ben een oude Parijzenaar, ik begrijp alles, en het zou mij een groot genoegen geweest zijn u een dienst te bewijzen.”
Bij dezen nieuwen hinderpaal geraakte Duvillard weer in hartstocht; hij wilde onmiddellijk hebben wat men hem weigerde.
“Taboureau, Taboureau, ook een mooi blok aan uw been! Eerlijk! Maar zijn alle menschen niet eerlijk?... Luister eens, mijn waarde minister, het is nog tijd, laat Silviane benoemen, dat zal u morgen geluk aanbrengen.”
Ditmaal brak Barroux in een luid gelach uit.
“Neen, neen, ik kan Taboureau op dit oogenblik niet in den steek laten... De menschen zouden ons uitlachen. Een ministerie, dat valt of blijft voor de Silviane-quaestie.”
Hij had zijn hand uitgestoken, om afscheid te nemen. De baron nam die aan, hield hem nog een oogenblik staande en zeide zeer ernstig met een bleek gezicht:
“Het is heel verkeerd van u zoo te lachen, mijn waarde minister. Er zijn toch wel ministeries voor kleinere dingen gevallen... Als u morgen valt, hoop ik, dat u er nooit spijt van zult hebben.”
Duvillard keek hem na. Hij was beleedigd, dat de minister het zoo schertsend opnam, wond zich op bij de gedachte, dat voor hem iets beslist onmogelijk was. O, het was niet in de hoop zich weer met Silviane te verzoenen, maar hij zwoer zich een heiligen eed, dat hij, als het moest, alles tegen den grond werpen zou, om haar, slechts uit wraak, dat contract als een klap in haar gezicht, het onderteekende contract thuis te zenden. Ja, als een klap in haar gezicht... Deze minuut was beslissend geweest.
Op dit oogenblik zag Duvillard, die Barroux nog steeds nakeek, tot zijn verbazing dat Fonsègue, die juist aankwam, zoo trachtte te manoeuvreeren, dat hij niet door den minister gezien werd. Het gelukte hem, hij ging de antichambre binnen; zijn gewoonlijk zoo levendig gezicht zag er thans wanhopig uit. De storm van angst loeide nog steeds en bracht ook hem hier.
“Heb je je vriend Barroux niet gezien?” vroeg de baron nieuwsgierig.
“Barroux? Neen!”
Deze kalme leugen verried alles. Hij stond op familiaren voet met Barroux, steunde hem al tien jaar in zijn courant, had dezelfde ideeën, dezelfde politieke en godsdienstige richting. Maar nu hij met zijn scherpe neus den dreigenden ondergang rook, begreep hij, dat hij andere vrienden zoeken moest, als hij ook niet onder de puinhoopen begraven wilde worden. Had hij niet tien jaren lang al zijn diplomatieke voorzichtigheid gebruikt voor het stichten van het meest waardige en meest gerespecteerde blad van Parijs, om zich door de onhandigheid van een eerlijk man op die wijze te laten compromitteeren?
“Ik dacht dat je op gespannen voet met Monferrand stondt!” zeide Duvillard. “Wat kom je hier doen?”
“O, mijn beste baron, de uitgever van een groot blad staat met niemand op gespannen voet. Hij wijdt zich geheel aan zijn land.”
Ondanks zijn eigen opwinding kon Duvillard een glimlachje niet bedwingen.
“Je hebt gelijk. Bovendien is Monferrand werkelijk een flinke kerel, dien je zonder vrees steunen kunt.”
Nu vroeg Fonsègue zich af, of zijn angst zoo duidelijk op zijn gelaat te lezen was. Het artikel van de Voix du Peuple had hem, den kalmen speler, die zijn spel altijd zoo beheerschte, buitengewoon bang gemaakt. Voor de eerste maal in zijn leven had hij een fout begaan, voelde hij, dat hij gevaar liep, nu hij zoo onvergeeflijk onvoorzichtig geweest was een paar regels te schrijven. De vijftig duizend francs, die Barroux hem voor zijn blad had doen toekomen, maakten hem niet ongerust, maar hij beefde, dat de andere geschiedenis, de som, die hij persoonlijk ten geschenke gekregen had, zou uitkomen. Eerst de doordringende blik van Duvillard deed hem zijn koelbloedigheid weer eenigszins terugkrijgen. Het was dwaas niet meer te kunnen liegen en door zijn houding alleen te bekennen.
De bode was weer naderbij gekomen.
“Mag ik mijnheer den baron eraan herinneren, dat mijnheer de minister op hem wacht?”
Toen Fonsègue met abbé Froment alleen bleef, ging hij, zoodra hij hem zag, dadelijk naast hem zitten. Ook hij verwonderde zich, dat deze hier was. Pierre vertelde, dat hij ontboden was zonder dat hij vermoeden kon wat de minister hem te zeggen had. Hij liet zijn ongeduld, de lichte huivering, die door zijn vingers beefde, nogmaals blijken; maar hij moest wachten, daar er zulke ernstige dingen te verhandelen waren.
Zoodra Monferrand Duvillard binnen zag komen, ging hij met uitgestoken handen naar hem toe. Niettegenstaande den storm van schrik, die overal woedde, behield hij zijn vriendelijk en glimlachend uiterlijk.
“Wat een geschiedenis, waarde baron!”
“Het is idioot!” antwoordde deze, terwijl hij zijn schouders ophaalde.
Hij ging in den fauteuil van Barroux zitten, terwijl de minister tegenover hem plaats nam. De beide mannen waren als het ware geschapen, om elkander te begrijpen: beiden maakten dezelfde radelooze gebaren, hadden denzelfden woedenden toon, toen zij beweerden, dat regeeren, wanneer men van de menschen de deugd eischte, die zij niet bezaten, evenmin mogelijk was als zaken doen. Was het, wanneer naar aanleiding van een groote onderneming de goedkeuring der Kamer noodig zou zijn, niet in alle tijden en onder alle regimes de taktiek geweest het noodzakelijke te doen om deze te verkrijgen? Men moest toch invloed krijgen, sympathieën winnen, zich van de stemmen verzekeren. Alles was nu eenmaal te koop, de menschen zoowel als de rest, sommigen voor goede woorden, anderen voor gunstbewijzen of geld, voor min of meer vermomde geschenken. Maar was het—zelfs toegegeven, dat men met de omkooping wat te ver was gegaan, dat in sommige gevallen het geknoei te onvoorzichtig geweest was—verstandig zoo’n lawaai te maken? Zou een krachtige regeering niet dadelijk begonnen zijn het schandaal uit patriotisme en uit een gevoel van fatsoen te verstikken?
“Maar natuurlijk, je hebt duizendmaal gelijk!” riep Monferrand. “Als ik wat te zeggen had, zou je eens een mooie begrafenis eerste klasse zien!”
Toen Duvillard, getroffen door die laatste woorden, hem strak aankeek, ging hij glimlachend voort:
“Maar ongelukkig heb ik niets te zeggen, en ik ben zoo vrij geweest u te storen, om eens kalm met u over den toestand te praten... Barroux, die juist hier geweest is, leek mij in een opgewonden en verkeerde gemoedsstemming te zijn.”
“Ja, ik heb hem ook gesproken; hij heeft soms van die vreemde ideeën...”
Dan viel hij zichzelf in de rede:
“Zeg, Fonsègue zit in de antichambre. Laat hem hier komen, nu hij blijkbaar vrede met je wil sluiten. Hij zal niet overbodig zijn, hij weet dikwijls goeden raad en zijn blad kan de overwinning geven,”