De drie steden: Parijs

Part 23

Chapter 233,929 wordsPublic domain

De piano preludeerde; dan zong Legras La Chemise, het vreeselijke lied, dat heel Parijs trok. Met zweepslagen werd het laatste stuk linnen van het arme meisje, het prostitutie-vleesch, verscheurd en afgerukt. De geheele ontucht van de straat werd er in al haar vuilheid en haar scherp vergif tentoongesteld. En de misdaad der bourgeoisie schreeuwde luid ten hemel achter dat door de modder gesleepte, in het massagraf geworpen, vertrapte, onteerde, onbedekte vrouwenlichaam. Maar meer nog dan in de woorden lag de brandende beschimping in de wijze, waarop Legras dit den rijken, den gelukkigen, den mooien dames, die zich hier ophoopten om naar hem te luisteren, in het gezicht slingerde. Onder de lage zoldering, midden in de dikke pijpenrook, in den verblindenden gloed van het gaslicht gooide hij er zijn verzen als fluimen uit. Het was als een orkaan van gloeiende minachting. Toen hij klaar was, heerschte er een krankzinnige geestdrift, de dames veegden niet eens zooveel beleedigingen af, maar applaudiseerden als razenden. Het publiek stampte, schreeuwde zich heesch, wentelde zich als bezeten in zijn eigen vuil.

“Bravo! Bravo!” herhaalde de prinses met haar scherpe stem. “Wonderbaar, wonderbaar!”

Maar vooral Silviane, wier dronkenschap, sedert zij zich in dezen wit gloeiend gestookten oven opwond, erger werd, klapte als razend in haar handen en schreeuwde luid.

“Hij is het, het is mijn Legras! Ik moet hem een zoen geven. Hij heeft me zoo gelukkig gemaakt!”

Duvillard werd ten slotte boos en wilde haar met geweld medenemen. Zij klampte zich vast aan den rand der loge en schreeuwde nog harder, zonder echter boos te worden, integendeel zij bleef heel vroolijk. Duvillard moest wel aan het onderhandelen gaan. Zij wilde zich wel naar huis laten brengen, maar eerst moest zij Legras, haar ouden vriend, omhelzen. Dat had zij zich gezworen.

“Wachten jullie in het rijtuig. Ik kom dadelijk weer bij jullie.”

Toen het publiek eindelijk wat kalmer werd, zag Rosemonde, dat de loge verlaten was; en nu haar nieuwsgierigheid bevredigd was, dacht zij eraan zichzelf door Hyacinthe naar huis te laten brengen. Deze had onverschillig geluisterd en praatte nu met Bergaz, die beweerde in het Noorden gereisd te hebben, over Noorwegen. O, de fjorden, de ijsmeren, de reine, lelieachtige, kuische koude van den eeuwigen winter! Daar slechts, zeide Hyacinthe, kon hij zich de vrouw en de liefde, den sneeuwblanken kus begrijpen.

“Willen we er morgen naar toe gaan?” riep de prinses met haar brutale levendigheid. “Dan maken we daar onze huwelijksreis. Ik laat mijn hôtel in den steek en vertrek met de Noorderzon.”

Dan voegde zij eraan toe, dat zij het natuurlijk uit de grap zeide. Maar Bergaz wist, dat zij er best toe in staat was en had bij de gedachte, dat zij haar klein hôtel misschien zonder een bewaker achter zou laten, een vluggen blik gewisseld met Sanfaute en Rossé, die nog steeds zwijgend en glimlachend bij hen zaten. Wat een mooie slag was er dan te slaan! Wat een prachtige gelegenheid, om weer iets terug te krijgen van den gemeenschappelijken rijkdom, die door de infame bourgeoisie gestolen was.

Raphanel begon, nadat hij Legras toegejuicht had, met zijn kleine, grijze en doordringende oogen door de zaal te loeren. De twee mannen, Mathis en de andere, de slecht gekleede, van wien men slechts een stuk van zijn baard zag, hielden ten slotte zijn aandacht vast. Zij hadden niet gelachen, zij hadden niet in hun handen geklapt, zij zaten daar als zeer moede menschen, die uitrusten en overtuigd zijn, dat de beste manier om te verdwijnen was je in een groote menigte te begeven.

Plotseling wendde Raphanel zich tot Bergaz.

“Achterin zit de kleine Mathis. Wien heeft hij bij zich?”

Bergaz maakte een ontwijkend gebaar: hij wist het niet. Maar hij verloor Raphanel nu niet meer uit het oog, zag, dat deze deed, als interesseerde hem de zaak verder niet, zijn glas bier uitdronk en dan afscheid nam met de schertsende woorden, dat een dame op hem wachtte in het bureau der omnibussen. Zoodra hij verdwenen was, stond Bergaz op, sprong over de banken, duwde de menschen op zijde, en baande zich een weg naar den kleinen Mathis, wien hij iets influisterde. Onmiddellijk stond deze van zijn tafeltje op, nam zijn makker mede en bracht hem door een zijdeur naar buiten. Het was alles zoo vlug in zijn werk gegaan, dat niemand deze vlucht bemerkte.

“Wat is er toch?” vroeg de prinses aan Bergaz, toen deze weer kalm tusschen Rossé en Sanfaute kwam zitten.

“Niets—ik wou alleen Mathis, die wegging, goeden dag zeggen.”

Rosemonde zeide, dat zij Mathis’ voorbeeld wilde volgen. Dan eerst bleef zij nog een oogenblik zitten praten over Noorwegen, daar zij zag, dat alleen de gedachte aan de eeuwige sneeuw en de groote, reinigende koude, Hyacinthe opwond. In zijn gedicht La fin de la Femme, de dertig versregels, die hij nooit wilde afmaken, droomde hij zich als laatste decor een bevroren dennenbosch. Zij was opgestaan en herhaalde haar vorige scherts, dat zij hem naar huis wilde medenemen, om onder een kop thee het reisplan op te maken, toen Bergaz, die naar haar luisterde, zonder echter de deur uit het oog te verliezen, plotseling onwillekeurig uitriep:

“Mondésir! Ik wist het wel!”

Bij de deur vertoonde zich een kleine, gespierde man met een stevigen rug. Zijn rond gezicht met het bultige voorhoofd en de stompe neus had iets militair-hards. Men had hem voor een onderofficier in politiek kunnen houden. Hij keek de zaal rond, scheen echter teleurgesteld te zijn.

“Ik heb wel gezegd, dat het naar de politie ruikt,” zeide Bergaz, die zijn uitroep van daareven wilde doen vergeten, kalm. “Daar heb je er al een, Mondésir, een kranige kerel, die in dienst onaangenaamheden gehad heeft... Zie hem eens ruiken als een hond, die het spoor bijster is. Ach, beste jongen, als ze je gezegd hebben, dat hier wild is, dan kan je lang zoeken... De vogel is gevlogen.”

Toen Rosemonde Hyacinthe overgehaald had haar thuis te brengen, stapten zij lachend in het coupétje, dat op haar stond te wachten, want zij hadden den landauer van Silviane met den onbeweeglijk en statig op den bok zittenden koetsier gezien, terwijl Duvillard, Gérard en Dutheil nog steeds op het trottoir stonden. Meer dan twintig minuten wachtten zij nu reeds in het half donker van dien buitenboulevard, waarop de lage prostitutie en de gemeenste ondeugden der armenwijken rondzwierven. Dronken kerels waren tegen hen aangeloopen, schimmen van deernen, die fluisterend en onder de vloeken en slagen van haar souteneurs op en neer liepen, streken langs hen heen. Paren zochten het donker der boomen op, bleven op banken zitten. Zoo was de geheele wijk: verdachte huizen, smerige gemeubileerde kamers, de ellendige kamers van de ontucht, die geen ramen in de vensters, geen lakens op de matrassen hebben. De walging van die laag-gezonken, tot aan den vroegen morgen in die zwarte modder van Parijs krioelende menschheid omgaf hen, maar noch de baron, noch Gérard, noch Dutheil wilden weggaan. Hun hardnekkige hoop deed hen hier blijven; ieder van hen nam zich voor, dat hij het langst zou wachten en Silviane naar huis brengen en haar voor zich hebben, daar zij te dronken was, om zich te verzetten.

Eindelijk werd Duvillard ongeduldig en zeide tot den koetsier.

“Jules, ga eens hooren, waarom madame niet terugkomt!”

“En de paarden dan, mijnheer?”

“Daar zullen wij wel op letten.”

Er begon een fijne motregen te vallen. Het wachten scheen tot in de eeuwigheid te duren. Een onverwachte ontmoeting bracht echter eenige afleiding. Zij meenden een schim, een magere hoer in een zwarten rok langs zich te zien gaan. Doch dan herkenden zij tot hun verbazing een priester.

“Wat, u mijnheer Froment?” riep Gérard uit. “Op dit uur? En in deze wijk?”

Zonder zijn verwondering te laten blijken, dat hij hen zelf hier vond, en zonder te vragen wat zij hier deden, legde Pierre hun uit, dat hij zich met abbé Rose bij een bezoek aan een nachtasyl verlaat had. O, al de vreeselijke ellende, welke naar die verpeste slaaplokalen kwam, waar hij bijna flauw gevallen was van den stank. Alles, wat daar in een zware sluimering, als op den grond neergevallen dieren, van uitputting en wanhoop ineen stortte, om vergetelheid te zoeken voor de gruwelen van het leven!

Vergeefs hadden Pierre en abbé Rose in dien hoop ongelukkigen naar den grooten Oude, den vroegeren schrijnwerker, gezocht, om hem uit de goot op te visschen en den volgenden dag naar het Asile des Invalides du Travail te brengen. Hij had zich ’s avonds wel aangemeld, maar geen plaats meer gevonden—want deze hel was nog een uitverkoren plaats. Hij zou nu ergens tegen een paal geleund staan of achter een staketsel liggen. Wanhopig was abbé Rose weer naar de rue Cortot teruggegaan, terwijl Pierre een rijtuig zocht om naar Neuilly te rijden.

De motregen bleef vallen en werd koud. Eindelijk kwam Jules terug en onderbrak het verhaal van Pierre, die aan den baron en de beide anderen het vreeselijke, wat hij gezien had, schilderde.

“En waar is madame, Jules?” vroeg Duvillard, ongerust, hem alleen te zien.

Onverstaanbaar en eerbiedig, zonder eenige andere ironie te laten blijken dan dat zijn linker mondhoek wat scheef trok, antwoordde de koetsier met zijn kleurlooze stem:

“Madame laat zeggen, dat zij niet naar huis gaat en dat zij het rijtuig ter beschikking van de heeren stelt, als de heeren willen, dat ik hen naar huis rijd.”

Dat was te veel, de baron werd boos. Wat, hij had zich naar deze kroeg laten medenemen, hij had hier staan wachten in de hoop van haar dronkenschap gebruik te maken, en nu moest hij toezien, dat zij zich juist in die dronkenschap Legras om den hals wierp! Neen, neen, hij had er genoeg van, hij zou haar die schandelijke beleediging betaald zetten. Hij hield een rijtuig, dat voorbij kwam, aan, duwde er Gérard in en zeide:

“Jij moet mij thuis brengen.”

“Maar zij stelt toch haar landauer tot uw beschikking!” riep Dutheil, die reeds getroost was en in den grond der zaak over de geheele grap lachen moest. “Er is hier best plaats voor drie... Gaat u liever in dat aapje? Nou, zooals u zelf wilt!”

Hij stapte vroolijk in, strekte zich op de kussens uit en de twee groote koetspaarden draafden lustig voort, terwijl de baron in het hevig schuddende oude rijtuig aan zijn woede lucht gaf, zonder dat Gérard hem met een enkel woord in de rede viel. Zij, die hij met goedheid overladen had, die hem nu reeds bijna twee millioen gekost had, had hem die beleediging aangedaan, hem, hem, die de meester was, die over het geld en de menschen beschikte! Zij had het gewild—hij was nu vrij. En hij ademde diep als iemand, die uit het bagno komt.

Pierre keek de beide rijtuigen een oogenblik na. Dan ging hij onder de boomen loopen, om wat tegen den regen beschermd te zijn en te wachten, tot een ander rijtuig voorbijkwam. Zijn arme, strijdende ziel begon tot ijs te verstijven, alles drong erin binnen: de geheele afschuwelijke nacht van Parijs, alle ontucht en troosteloosheid, die daar snikte, de prostitutie uit hoogere kringen, die tot de laagste was afgedaald. Bleeke vrouwenschimmen slopen steeds nog rond, op zoek naar brood; daar streek een schaduw langs hem heen en een stem fluisterde hem in:

“Zeg aan uw broer, dat de politie Salvat op het spoor is en dat hij ieder oogenblik gearresteerd kan worden.”

De schim verdween reeds weer, maar Pierre meende bij het licht van een lantaarn het kleine, droge, bleeke en gemaakt-deftige gezicht van Victor Mathis te zien. En tegelijkertijd zag hij in de vreedzame kamer van abbé Rose het zachte, zoo treurige gezicht van madame Mathis, die nog slechts van de laatste bevende hoop op haar zoon leefde, verschijnen.

III.

Dien Halfvasten-Donderdag, dat alle bureaux van het reusachtige hôtel ledig waren, zat Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken om acht uur reeds in zijn kabinet. Een deurwachter bewaakte zijn deur en twee loopjongens zaten in de eerste anti-chambre.

Monferrand had bij zijn ontwaken een alleronaangenaamste gewaarwording gehad. De Voix du Peuple, die den vorigen dag de zaak der Afrikaansche sporen weer begonnen was door Barroux, den tegenwoordigen minister van Financiën te beschuldigen tweehonderd duizend francs aangenomen te hebben, zette dezen ochtend de campagne voort en maakte het schandaal nog grooter door eindelijk de zoo lang beloofde lijst te publiceeren van de twee-en-dertig Kamerleden en senatoren, die hun stemmen verkocht hadden aan Hunter, den mythischen, thans verdwenen, onvindbaren strooman van Duvillard. Monferrand zag zich met een bedrag van tachtig duizend francs aan het hoofd der lijst, terwijl Fonsègue met vijftig duizend volgde en de cijfers vervolgens vielen tot tien duizend francs voor Dutheil en drie duizend voor Chaigneux, die het goedkoopst geweest was.

In de opwinding van Monferrand was noch verbazing noch woede merkbaar. Hij had eenvoudig niet geloofd, dat Sanier zijn zucht naar sensatie zoo ver drijven zou, dat hij deze lijst, dat zoogenaamd uit een notitieboekje van Hunter gescheurde blaadje met de onbegrijpelijke hiëroglyphen, die men zou moeten verklaren, om er de waarheid uit te krijgen, publiceeren zou. Anderzijds was hij, daar hij niets geschreven en niets onderteekend had, volkomen rustig, daar hij heel goed wist, dat men zich met brutaliteit en altijd door loochenen uit alle moeilijke gevallen redden kon. Maar welk een steen werd in den parlementairen poel geworpen! Onmiddellijk voelde hij het onvermijdelijke gevolg: deze nieuwe orkaan van onthullingen en verklapperijen zou het ministerie ten val brengen en wegvagen. Gelukkig zat de Kamer dien dag niet, maar morgen zou Mège zijn interpellatie natuurlijk weer opvatten, zouden Vignon en zijn vrienden van de gelegenheid gebruik maken, om een woedenden aanval te doen op de zoo vurig begeerde portefeuilles. Hij zag zich reeds gevallen, weggejaagd uit dit kabinet, waarin hij zich nu sedert acht maanden zoo op zijn gemak voelde. Hij kende geen dwaze ijdelheid, was slechts gelukkig, dat hij als regeeringsman, die zich voor sterk genoeg hield, om de menigte te temmen en te leiden, op zijn plaats was.

Hij had de couranten met een minachtend gebaar weggegooid, was opgestaan en rekte zich uit met het gebrom van een leeuw, die geplaagd wordt. Nu liep hij op en neer in het groote vertrek. Met zijn handen op zijn rug zoo loopend had hij niets meer van zijn vaderlijke manieren, van zijn glimlachend en eenigszins vulgaire gemoedelijkheid. De ruwe strijder, die hij was, kwam in zijn korte gestalte, in zijn breede schouders en in zijn harde gelaatstrekken duidelijk uit. De zinlijke mond, zijn dikke neus, zijn wreede oogen verrieden, dat hij geen geweten, maar een ijzersterken, tegen het moeilijkste werk opgewassen wil bezat. Wat zou hij doen? Zou hij zich met den fatsoenlijken en bombastischen Barroux in de débâcle laten meeslepen? Misschien stond zijn persoonlijk geval niet wanhopig. Maar hoe moest hij de anderen verlaten, om zelf den veiligen oever te bereiken? Het was een ernstig probleem, een moeilijke manoeuvre en het zoeken naar een oplossing maakte hem in zijn razend verlangen om de macht te behouden, woedend.

Hij kon niets vinden en vloekte tegen die aanvallen van deugd van deze dwaze Republiek, die volgens hem iedere regeering onmogelijk maakten. Een dergelijk dwaasheid zou een man van zijn verstand en van zijn kracht tegenhouden! Ga nou eens menschen regeeren, wanneer men je het geld, den voornaamsten scepter, uit de hand rukt! Hij moest in zijn eentje hardop lachen, zoo absurd scheen hem de gedachte aan een idyllisch land, waarin groote ondernemingen op fatsoenlijke manier tot stand kwamen. Daar hij niet wist, waartoe hij besluiten moest, kwam hij op de gedachte, dat het maar het verstandigst zijn zou de zaak met baron Duvillard te bespreken, dien hij sedert lang kende, het speet hem niet eerder aan hem gedacht te hebben, dan had hij hem wellicht kunnen overhalen Sanier’s stilzwijgen te koopen. Eerst wilde hij den baron een briefje schrijven en dat door een der loopers laten brengen. Maar dan gaf hij er in zijn wantrouwen voor geschreven stukken de voorkeur aan te telephoneeren.

“Heb ik het genoegen met baron Duvillard te spreken?... Prachtig! Ik ben het, Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken! Ik zou graag zien, dat u zoo gauw mogelijk bij mij kwam... Uitstekend! Ik wacht hier!”

Hij begon weer op en neer te loopen en na te denken. Die Duvillard had een helderen kop, die hem zeker dadelijk een denkbeeld aan de hand zou doen. Hij verdiepte zich in allerlei lastige combinaties, toen de bode kwam zeggen, dat het hoofd der Veiligheidspolitie den minister dringend wilde spreken. Zijn eerste gedachte was, dat deze door de prefectuur van politie gezonden werd, om zijn oordeel in te winnen omtrent de maatregelen, welke dien dag genomen moesten worden met het oog op twee groote optochten, die zeker veel menschen zouden trekken.

“Laat mijnheer Gascogne maar hier komen!”

Een groote, magere, donkere man, die er als een op zijn Zondags gekleede werkman uitzag, kwam binnen. Uiterlijk zeer koelbloedig en volkomen bekend met de dessous van Parijs, bezat hij een helderen, methodischen geest. Maar de beroepsgewoonten belemmerden hem eenigszins en hij zou meer intelligentie bezeten hebben, indien hij niet geloofd had een zoo groote te bezitten, wanneer hij niet overtuigd geweest was, dat hij alles wist.

Eerst excuseerde hij den prefect, die zeker zelf gekomen zou zijn, wanneer een lichte ongesteldheid hem niet verhinderd had. Trouwens het was misschien beter, dat hij den minister inlichtte omtrent de ernstige zaak, die hij grondig kende.

“Mijnheer de minister, ik geloof, dat wij eindelijk den dader van den aanslag in de rue Godot-de-Mauroy hebben.”

Monferrand, die ongeduldig luisterde, begon zich plotseling voor de zaak te interesseeren. De vergeefsche nasporingen der politie, de aanvallen en de grappen in de courant ergerden hem dagelijks meer.

“Gelukkig voor u, mijnheer Gascogne, want per slot van rekening zou het u uw betrekking gekost hebben! Is de man gearresteerd?”

“Nog niet, Excellentie. Maar hij kan niet meer ontsnappen, het is een kwestie van enkele uren.”

En hij vertelde de heele geschiedenis: hoe de agent Mondésir, gewaarschuwd door een geheimen agent, dat de anarchist Salvat in de kroeg in Montmartre zat, te laat was gekomen, daar de vogel reeds gevlogen was; hoe het toeval hem, toen hij op ongeveer honderd pas van de kroeg stond te loeren, weer met Salvat samengebracht had. Van af dat oogenblik had men Salvat in alle stilte gevolgd, daar men hem in zijn nest met zijn medeplichtigen hoopte te vangen, was men hem nagegaan tot de Porte Maillot, waar hij plotseling, daar hij blijkbaar voelde, dat hij vervolgd werd, het Bois de Boulogne ingevlogen was. Daar liep hij nu sedert twee uur ’s ochtends in den fijnen motregen rond. Men had den dag afgewacht, om een drijfjacht te organiseeren en jacht op hem te maken als een op een wild dier, dat ten slotte van moeheid neervallen zou. Iedere minuut was dus zijn arrestatie te wachten.

“Ik weet, Excellentie, hoezeer u zich voor deze arrestatie interesseert, en kom daarom nu uw bevelen vragen. De agent Mondésir leidt de drijfjacht. Het spijt hem vreeselijk, dat hij den man niet op den boulevard Rochechouart ingerekend heeft, maar zijn denkbeeld om hem in zijn net te vangen, was uitstekend; het eenige, wat men hem verwijten kan, is, dat hij niet aan het Bois de Boulogne gedacht heeft.”

Salvat gearresteerd, deze Salvat, van wien de couranten sedert drie weken vol stonden! Dat zou een succes zijn, dat een buitengewoon opzien verwekte. Monferrand luisterde en in zijn groote, starende oogen, op zijn ruwen kop, die op een wild dier, dat rust, geleek, was het plotseling besluit te lezen, om deze gebeurtenis, die het toeval hem bracht, ten eigen voordeele te benutten. Onduidelijk nog ontstond er reeds een band tusschen deze arrestatie en de interpellaties van Mège, met de andere quaestie, de zaak der Afrikaansche sporen, die den volgenden dag het ministerie omverwerpen zou. Hij zag reeds het ontwerp der combinatie voor zich. Zond zijn goed gesternte hem niet wat hij zocht, het middel om zich uit het troebele water der aanstaande crisis te redden?

“Maar is u er wel zeker van, mijnheer Gascogne, dat die Salvat de dader van den aanslag is?”

“Beslist zeker, Excellentie! Hij zal in het rijtuig alles bekennen nog vóór we in de prefectuur zijn.”

Peinzend was hij weer heen en weer gaan loopen, en terwijl hij bedachtzaam-langzaam sprak, kwamen de denkbeelden in hem op.

“Mijn bevelen, lieve God, mijn bevelen! In de eerste plaats moet u met groote voorzichtigheid te werk gaan... Maak geen paniek onder de wandelaars. Laat de arrestatie, als het kan, ongemerkt plaats hebben!... En als u een bekentenis krijgt, houd die dan voor u en deel die niet aan de pers mede. Ja, dat druk ik u vooral op het hart, meng de couranten niet in de zaak!... Kom mij onmiddellijk waarschuwen en geen woord tegen iemand over de zaak, geen woord!”

Gascogne maakte een buiging, maar Monferrand hield hem nog even terug, om hem te zeggen, dat zijn vriend, mijnheer Lehmann, de procureur-generaal, dagelijks van anarchisten dreigbrieven kreeg, dat zij hem en zijn familie in de lucht zouden laten vliegen, zoodat hij verzocht zijn huis door politie in burgerkleeding te laten bewaken. Reeds had de Veiligheidsdienst een dergelijke bewaking georganiseerd voor het huis van den rechter van instructie Amadieu. Maar wanneer Amadieu een voorname persoonlijkheid, een beminlijke Parijzenaar, een uitnemend psycholoog en criminalist en in zijn vrije uren zelfs een uitstekend schrijver was, daartegenover stond, dat de procureur-generaal Lehmann in alle opzichten zijns gelijke was; hij was een van die politieke rechters, een van die zeer talentvolle Joden, die op zeer eervolle wijze hun weg gaan en steeds de zijde van de machthebbers kiezen.

“En dan hebben we ook nog de zaak-Barthès, Excellentie!” zeide op zijn beurt Gascogne. “Wij wachten—moeten we tot de arrestatie in het kleine huisje te Neuilly overgaan?”

Een van die toevallen, welke de politie nu en dan diensten bewijzen en het geloof aan haar genie doen ontstaan, had hem op de hoogte gebracht van het geheime toevluchtsoord van Nicolas Barthès in het kleine huisje van een priester, abbé Pierre Froment. Maar hoewel Barthès, sedert in Parijs de schrik voor anarchisten heerschte, eenvoudig als verdachte, die met de revolutionnairen in betrekking stond, gearresteerd zou kunnen worden, had Gascogne het niet gewaagd hem zonder een formeele opdracht gevangen te nemen bij dezen priester, die door de geheele wijk als een heilige vereerd werd. De minister, dien hij over het geval geraadpleegd had, was het volkomen met hem eens geweest, dat men tegenover den clerus zeer gematigd optreden moest, en had beloofd de zaak zelf in orde te zullen brengen.

“Neen mijnheer Gascogne, laat die zaak met rust. U kent mijn stelregel: wij moeten de priesters voor ons hebben, niet tegen ons... Ik heb abbé Froment geschreven, dat hij vanochtend, nu ik niemand anders verwacht, bij mij moet komen. Ik zal met hem spreken: de zaak gaat u niet meer aan.”

Hij wilde hem nu laten gaan, toen de bode zeggen kwam, dat de president van den ministerraad er was.

“Barroux!... Bliksems, ga hierdoor, mijnheer Gascogne; ik heb liever, dat niemand u ontmoet, nu ik u het stilzwijgen gevraagd heb over de arrestatie van dien Salvat... Afgesproken dus, ik alleen moet alles weten, en telephoneer mij onmiddellijk, als er iets ernstigs gebeurt.”

Nauwlijks was de chef van den veiligheidsdienst door een zijdeur verdwenen, of de bode deed die van de antichambre open.

“Mijnheer de president van den ministerraad!”

Met uitgestoken handen en een dienstvaardigheid, waarin hartelijkheid en eerbied handig waren afgewogen, ging Monferrand hem tegemoet.

“Waarom hebt u zich die moeite gegeven?” riep hij uit. “Ik zou wel bij u gekomen zijn, als u mij dringend wilde spreken!”