Part 22
Toen hij daar kwam, gingen reeds in bontmantels gehulde vrouwen de trap op; de zaaltjes vulden zich met vroolijke en weelderig gekleede gezelschappen, de electrische lampjes straalden, de beweging van de verblindende prostitutie der hoogere kringen begon de muren te schokken en te verhitten. In het door den baron besproken cabinet particulier vond hij een buitengewonen overvloed van alles, prachtige bloemen, kristal, zilver, als moest een galadiner gegeven worden. De tafel voor zes couverts was gedekt met een weelde, die een glimlach op zijn lippen riep; het menu en de wijnkaart beloofden wonderen: het zeldzaamste en duurste, dat men kiezen kon.
“Chic, hé?” riep Silviane, die er reeds met Duvillard, Fonsègue en Dutheil was. “Ik wil je invloedrijken criticus eens paf doen staan... Wanneer je een journalist zoo’n diner geeft, moet hij wel lief zijn, wat?”
Zij had, om te overwinnen, een extravagant toilet aangetrokken, een geelzijden japon met oude Alençon-kant, had zich gedecolleteerd en droeg al haar juweelen: een diadeem in het haar, een rivière om den hals, armbanden en ringen. Met haar kuisch, door prachtig haar omlijst madonnagezichtje leek zij op een met de offeranden der geheele Christenheid bedekte moeder Gods, de jonkvrouwelijke koningin.
“Nou je bent zóó mooi, dat je dit ook staat,” zeide Gérard, die haar dikwijls plaagde.
“O, jij vindt natuurlijk, dat ik maar een burgermeisje ben en dat een eenvoudig dinertje en een bescheiden toilet een teeken van meer smaak geweest zouden zijn,” antwoordde zij, zonder boos te worden. “Maar jij weet niet, beste jongen, hoe je de mannen vangen moet”
Duvillard gaf haar gelijk; hij was verrukt haar in haar volle glorie, als een afgodsbeeld opgetooid, te kunnen laten zien. Fonsègue sprak over diamanten en beweerde, dat het onzekere en wisselvallige waarden waren, sedert de wetenschap, dank zij de electriciteit, weldra in staat zou zijn ze tot iets alledaagsch te maken. Dutheil draaide met de sierlijke bewegingen van een kamenier om de jonge vrouw heen, om een plooi van de kant recht te leggen of een weerbarstig haarlokje op te steken.
“Nou, die criticus is ook een ongelikte beer, om zoo op zich te laten wachten!”
Inderdaad kwam de criticus een kwartier te laat, terwijl hij zich dadelijk verontschuldigde, dat hij tot zijn groot leedwezen weer om half tien weg moest, daar hij, of hij wilde of niet, acte de présence geven moest in een klein theater in de rue Pigalle. Het was een groote, breedgeschouderde vijftiger met een vol, behaard gezicht. Van de École Normale had hij een beperkt dogmatisme, een bekrompen schoolgeleerdheid overgehouden, waarvan niets hem had kunnen afbrengen, noch zijn herculische pogingen om sceptisch en oppervlakkig te zijn, noch zijn twintigjarig verkeer in alle Parijsche kringen. Een schoolvos was hij en een schoolvos bleef hij. Dadelijk bij zijn binnenkomen dwong hij zich verrukt over Silviane te zijn. Hij kende haar natuurlijk van gezicht, ja hij had zelfs naar aanleiding van de enkele rollen, waarin zij opgetreden was, in een paar regels heel minachtend over haar geschreven. Maar dit mooie, koninklijk gekleede, onder de bescherming van vier aanzienlijke mannen gepresenteerde jonge meisje maakte indruk op hem; de gedachte kwam in hem op, dat er niets Parijscher, niets vrijer van schoolvosserij zijn kon dan haar te steunen door in haar een talent te ontdekken.
Men zette zich aan tafel. Alles was prachtig, de bediening uitstekend. Op het sneeuwwitte tafellaken geurden de bloemen, schitterde het zilverwerk en het kristal, terwijl een overvloed van de zeldzaamste en duurste schotels geserveerd werd: Russische visch, verboden wild, de laatste, als eieren zoo groote truffels, primeurs, sappig als in het volle seizoen. Het was een geldverspilling alleen voor het genot om dat, wat men op die wijze slechts te eten kreeg, met waanzinnige prijzen te betalen, voor den roem tot zichzelf te zeggen, dat niemand meer uitgeven kon.
De criticus stond verbaasd, hoewel hij het air aannam van iemand, die aan alle feesten gewend is; hij werd dienstvaardig, beloofde zijn steun, verbond zich tot meer dan hij feitelijk gewild had. Verder was hij heel opgewekt, vond geestige woorden, overdreef zelfs zijn goede luim door ruwe grappen. Maar toen na het wild en de oude Bourgonje, de Champagne verscheen, geraakte hij in vuur en kwam, zonder dat hij er zich tegen verzetten kon, zijn ware natuur weer boven. Men had het gesprek op Polyeucte gebracht, op de rol van Pauline, die Silviane voor haar debuut in de Comédie-Française wilde spelen. Deze wonderlijke gril, die hem een week geleden woedend gemaakt had, scheen hem nu nog slechts een vermetele poging, die zij overwinnend doorstaan zou, als zij zijn raad wilde opvolgen. Nu was hij op zijn stokpaardje, hield een heel betoog over de rol, beweerde, dat geen enkele tragedienne tot nog toe die rol goed begrepen had, dat Pauline in den beginne slechts een braaf burgermeisje was en dat het mooie van haar bekeering bij de ontknooping juist lag in het wonder, in de genade, die van haar een goddelijke figuur maakte. Dat was niet de opvatting van Silviane, die van af de eerste verzen in haar de ideale heldin uit de een of andere symbolische legende zag. Hij sprak eindeloos door, zij deed, alsof zij overtuigd was, en hij was verrukt over een zoo mooie en zoo gewillige leerling. Doch toen het tien uur sloeg, verliet hij haastig het geurige, gloeiend-heete vertrek, om zijn plicht in de rue Pigalle te gaan doen.
“Jezus, kinderen, wat heeft die kerel mij verveeld!” riep Silviane uit. “Hij lijkt wel idioot met zijn Pauline als burgermeisje. Als ik hem niet noodig had, dan zou ik hem eens eventjes de waarheid gezegd hebben... Waarachtig, het is te gek! Schenk mij een glas champagne in, ik moet me wat opvroolijken.”
Terwijl uit de gangen en uit de cabinets particuliers gelach en geluid van kussen klonk, nam nu het feest tusschen de vier mannen en dit met diamanten opgetooide, gedecolleteerde, half naakte meisje een zeer intiem karakter aan. Onder het raam, op den boulevard, bewoog zich de stroom van rijtuigen en voetgangers, de koortsachtige genotzucht, het geschacher met liefde.
“Neen, het raam niet open zetten, je zult me nog verkouden maken,” zeide Silviane tegen Fonsègue, die naar het venster ging. “Heb je het zoo warm? Ik vind het hier heel lekker... Zeg, beste Duvillard, laat nog wat champagne komen. Het is verbazend zoo’n dorst als ik van dien criticus gekregen heb!”
Het was benauwd warm in de verblindende warmte der lampen, in den steeds drukkender wordenden geur der bloemen en der wijnen. Een onweerstaanbare drang om dronken te worden, om op een gemeene manier pleizier te maken zooals in vroegere dagen, maakte zich van haar meester: een paar glazen champagne deden de rest: zij werd door een overmoedige, luidruchtige, verdoovende vroolijkheid aangegrepen. Nooit nog hadden zij haar zoo grappig gezien, zoodat zij zelf ook pret begonnen te krijgen. Daar Fonsègue naar de courant terug moest, gaf zij hem een zoen—een dochterlijke zoen, zooals zij zeide, omdat hij altijd respect voor haar gehad had. Toen zij alleen met de drie anderen bleef, nam zij in het geheel geen blad meer voor haar mond, wat hen nog meer prikkelde en opwond. Naarmate zij meer dronken werd, kwam haar schaamteloosheid steeds meer te voorschijn; haar madonnagezichtje, haar ideaal-rein uiterlijk, waaronder zich de meest perverse, de monsterachtigste courtisane openbaarde, was haar grootste prikkel, zooals zij heel goed wist. Vooral wanneer zij dronken was, had zij, met haar onschuldige blauwe oogen en haar leliereinheid, duivelsche phantasieën, die de mannen razend maakten.
Duvillard liet haar dan ook kalm dronken worden, spoorde haar zelfs tot drinken aan, want hij koesterde het heimelijke plan haar naar huis te brengen, en wanneer de dronkenschap haar aan hem overleverde, bij haar te blijven. Maar zij doorzag hem en zeide glimlachend:
“Ik snap je wel, dikkerd! Je denkt, dat ik vanavond liever voor je zal zijn, omdat ik zoo vroolijk ben. Maar dan vergis je je, mijn hoofd is nog helder... Je zult mij niet aanraken voor je me in de Comédie hebt laten debuteeren.”
Duvillard, dien zij nu sedert zes weken speende, dwong zich tot een lachje; hij hoopte nog steeds, dat hij, wanneer hij maar geduldig wachtte, haar wel naar bed zou brengen. Gérard, dien zij in een herinnering aan de verliefde luim, welke zij al eens voor hem gehad had, vriendelijk toelonkte, liet zich in zijn gebroken wilskracht geheel door zijn begeerte naar een gelukkigen nacht beheerschen, terwijl Dutheil, die steeds op een gelegenheid loerde, welke haar aan hem overleveren zou, zich opwond bij de gedachte, dat, als hij handig wist te manoevreeren, eindelijk de beurt aan hem komen zou.
Toen zij merkte, dat zij zoo begeerd werd, verzon zij allerlei onmogelijke geschiedenissen, deed hun verhalen, waaruit een verwonderlijk vuile phantasie bleek. En zij vonden haar in haar schitterend toilet als van een jonkvrouwlijke koningin onbetaalbaar. Toen zij genoeg champagne gedronken had en half dol was, viel haar plotseling iets in.
“Zeg eens kinderen, we blijven toch niet hier, het wordt vervelend. We moeten wat doen... Weet je wat, jullie moesten tot besluit van den avond met me naar het Cabinet des Horreurs gaan. Ik wil La Chemise hooren, het lied, dat Legras zingt. Heel Parijs loopt er heen.”
Maar ditmaal verzette Duvillard zich.
“Neen, dat gaat niet. Dat lied is het vuilste, wat je denken kan. Nooit ga ik daar met je heen.”
Zij scheen hem niet te hooren; maar was al opgestaan en maakte lachend voor een spiegel haar kapsel in orde.
“Ik heb in Montmartre gewoond en wil er weer naar terug. En bovendien wil ik weten of die Legras dezelfde Legras is, dien ik vroeger gekend heb, o, al heel lang geleden... Vooruit met de geit!”
“Maar we kunnen je toch in zoo’n toilet niet in die kroeg brengen, lieve kind! Stel je voor dat je daar gedecolleteerd en met al je diamanten binnenkomt! Ze zullen je uitfluiten... Gérard, zeg haar toch, dat zij verstandig moet zijn!”
Gérard, dien de gedachte van zoo’n dolle onderneming eveneens hinderde, wilde tusschenbeide komen, maar zij sloot hem met haar reeds gehandschoende hand den mond en herhaalde met de vroolijke eigenzinnigheid van de dronkenschap.
“Als ze ons uitfluiten, zal het nog lolliger zijn... Laten we opschieten!”
Nu trok Dutheil, die glimlachend luisterde, galant haar partij.
“Maar beste baron, iedereen gaat naar het Cabinet des Horreurs. Ik ben er met heel voorname dames geweest en speciaal voor La Chemise, dat volstrekt niet gemeener is dan iets anders!”
“Hoor je wat Dutheil zegt, dikzak?” riep Silviane triomphantelijk uit. “En hij is afgevaardigde. Hij zou zijn eervolle positie niet graag compromitteeren.”
Toen Duvillard zich in zijn wanhoop, om zich op zoo’n plaats met haar te vertoonen, bleef verzetten, werd zij niet boos, maar integendeel nog vroolijker.
“Doe jij maar wat je wilt, dikzak! Ik heb je niet noodig. Ga jij maar met Gérard weg en tracht elkaar te troosten. Ik ga er met Dutheil naar toe. Jij wilt wel met me meegaan, nietwaar Dutheil?”
Maar dat was niet de ontknooping, die de baron wenschte. Hoewel de angst hem niet verliet, moest hij zich wel bij de luim van dit verschrikkelijke meisje, welks geur alleen reeds hem dol maakte, neerleggen. Hij vond slechts één uitweg—hij liet Gérard, die in een laatste opwelling van zijn waardigheid hardnekkig weigerde van de partij te zijn, niet gaan. Hij nam zijn beide handen, hield hem terug en smeekte hem op een zoo bijzonderen toon hem dien vriendendienst te bewijzen, dat de minnaar van de vrouw, de verloofde van de dochter eindelijk gedwongen was den echtgenoot en vader zijn zin te geven.
Silviane, die het heele tooneeltje gevolgd had, amuseerde zich dol en lachte tranen. Plotseling liet zij zich gaan, verried haar gril voor Gérard en zeide met een toespeling op zijn liaison met de barones.
“Kom, ga toch mee kerel; dat ben je hem werkelijk wel verplicht!”
Duvillard deed alsof hij het niet hoorde. Dutheil zeide, om hem gerust te stellen, dat er in een hoek van het Cabinet des Horreurs een soort loge was, waarin je je wat verdekt kon opstellen. Gelukkig stond het rijtuig van Silviane, een groote gesloten landauer te wachten; de koetsier, een mooie, flinke kerel, zat onbeweeglijk op den bok. In draf reden zij weg.
Het Cabinet des Horreurs was een vroeger failliet gegaan café op den boulevard Rochechouart. Het smalle, onregelmatige zaaltje met de donkere hoeken lag gedrukt onder een laag, berookt plafond. Men kon zich geen smakeloozer versiering denken: op de muren had men eenvoudig de gemeenste, vuilste en meest schreeuwende affiches geplakt. Achterin was voor een piano een soort estrade gemaakt, waarop een deur, die door een gordijn gemaskeerd was, uitkwam. Verder waren er slechts banken, zonder bekleeding of kussens, waarlangs gewone kroegtafeltjes stonden, waarop de glazen smerige kledderige plekken achterlieten. Geen kunst, geen luxe, zelfs geen zindelijkheid! Vleermuizen zonder bollen verhitten de door menschelijken adem en pijpenrook gevormde atmospheer. Onder dien sluier zag men zwetende, rood-opgeblazen gezichten, terwijl de scherpe uitwaseming van al die opgehoopte menschen den roes, het geschreeuw, waarmede het publiek zich bij ieder nieuw lied opzweepte, deed toenemen. Men had die estrade slechts behoeven op te slaan, dezen Legras er maar met een paar meiden op behoeven te zetten en hem er zijn repertoire van liederlijke vuiligheden laten zingen, en na dien avond was het reusachtige succes gekomen, stroomde heel Parijs erheen en verdrong zich in dat verdachte koffiehuis, dat de kleine renteniers, uit den omtrek, zoolang zij daar slechts hun partijtje domino mochten spelen, niet tot bloei hadden kunnen brengen.
Het was de geilheid van het onreine, de onweerstaanbare aantrekkingskracht van het walgelijke en liederlijke. Het genotzuchtige Parijs, de bourgeoisie, die meesteresse was van het geld en van de macht, waarvan zij langzamerhand beu werd, doch die zij niet loslaten wilde, stroomde er slechts om gemeenheden en beleedigingen in haar gezicht geslingerd te krijgen. Gehypnotiseerd door de verachting, voelde zij bij haar naderend verval den drang, dat men haar in het gezicht spuwde. Welk een verschrikkelijk symptoom: deze veroordeelden van morgen wierpen zich uit eigen beweging in de modder, verhaastten vrijwillig hun ontbinding—deze dorst naar het onreine bracht daar in de uitwerpselen van die kroeg mannen, die voor ernstig en respectabel doorgingen, teere, heerlijke vrouwen, die geurden van gratie en luxe.
Aan een der tafeltjes vlak bij de estrade zat stralend met woest fonkelende oogen en bevende neusvleugels de kleine prinses de Harth. Zij vond het heerlijk eindelijk haar vurige nieuwsgierigheid naar de onderste lagen van Parijs te kunnen bevredigen, terwijl de jonge Hyacinthe, die er zich bij neergelegd had haar te begeleiden wel zoo goed was zich niet al te zeer te vervelen. Zij hadden aan een tafeltje vlak naast zich een zoogenaamden Spanjaard, den coulissier Bergaz gevonden. Deze was hun voorgesteld door Janzen en bezocht trouw de feesten der prinses. Verder wist men niets van hem, zelfs niet of hij het geld, dat hij dikwijls met handen vol uitgaf, werkelijk op de Beurs verdiende. Hij was altijd gemaakt-elegant gekleed en had met zijn groote, slanke gestalte, zijn rooden, genotzuchtigen mond en zijn vurige roofdieroogen iets gedistingeerds over zich. Het heette, dat hij een liederlijke kerel was. Dezen avond zat hij in gezelschap van twee jongelui: Rossé, een kleinen donkeren Italiaan met stijf haar, die als model naar Parijs gekomen was, en Sanfaute, een Parijzenaar, een bleeke, zedelooze slungel zonder baard, die zijn blond haar, dat in lokken over zijn magere wangen viel, als een meisje kapte.
“O,” vroeg Rosemonde koortsachtig nieuwsgierig aan Bergaz, “jij kent hier alle menschen, wijs mij de beruchtste individuen eens aan, en vertel me eens, of er bijvoorbeeld geen dieven of moordenaars zijn.”
Hij lachte spottend en hield haar wat voor den gek.
“Maar u kent iedereen, mevrouw... Dat kleine, teere en rose vrouwtje is een Amerikaansche, de echtgenoote van een consul, die zeker dikwijls bij u geweest is. Die andere daar, die groote, majestueuze brunette, is een gravin, die u iederen dag in haar equipage in het Bois de Boulogne tegenkomt. En die magere achteraan, wier oogen gloeien als die van een wolvin, is de vriendin van een zeer voornamen, om zijn strengheid van zeden bekenden hoogwaardigheidsbekleder.”
“Dat weet ik, dat weet ik,” viel zij hem boos in de rede, “maar de anderen, degenen, voor wie je juist hier komt?”
Zij deed allerlei vragen en zocht naar angstaanjagende, mysterievolle gezichten. Ten slotte trokken twee jonge mannen, die in een hoek zaten, haar aandacht: de een nog heel jong met een bleek en gemaakt-deftig gezicht, terwijl men van den anderen niet kon zeggen hoe oud hij was; hij droeg een ouden, toegeknoopten paletot, die zelfs zijn boord verborg, en zijn pet was zoo diep in zijn oogen getrokken, dat men van zijn gezicht alleen een stuk van zijn baard zag. Zwijgend zaten zij voor hun glas bier, dat zij langzaam uitdronken.
“Als je hier verkleede bandieten komt zoeken, dan tref je net al heel slecht,” zeide Hyacinthe lachend. “Met dien armen bleeken, jongen, die wel niet iederen dag wat te eten zal hebben, ben ik nog op het gymnasium geweest.”
“Wat, heb je Mathis op het gymnasium gekend?” vroeg Bergaz verbaasd.
“Ja, hij heeft daar gestudeerd...”
“Zoo, heb je Mathis gekend? Een merkwaardige jongen, die het tegenwoordig heel beroerd heeft... Maar dien anderen, die bij hem zit, ken je dien niet?”
Hyacinthe keek den man met de in zijn oogen gedrukte pet aan en wilde reeds neen knikken, toen Bergaz hem plotseling een stoot met zijn elleboog gaf, ten teeken dat hij zwijgen moest.
“Stil, daar heb je Raphanel,” zeide hij heel zacht, als ter verklaring. “Zoodra hij er is, ruik je de politie.”
Raphanel was ook een van die vage en verdachte anarchistische figuren, die Janzen, om de voorbijgaande revolutionnaire passie der prinses te streelen, bij haar geïntroduceerd had. Deze, een kleine, vroolijke man met een poppengezichtje en een kinderneus, die schuil ging tusschen dikke wangen, ging door voor een hartstochtelijken dweper en eischte in volksvergaderingen met groot lawaai brandstichting en moord. Het vreemde echter aan hem was, dat hij, hoewel reeds verschillende malen aan groot gevaar blootgesteld, nog steeds den dans had weten te ontspringen, terwijl zijn makkers achter slot en grendel kwamen. Deze begonnen zich daarover te verwonderen.
Onmiddellijk drukte hij de prinses vroolijk de hand, ging, zonder dat het hem gevraagd werd, naast haar zitten en begon dadelijk te schelden op die vuile bourgeoisie, die zich op deze verdachte plaatsen verdrong. Verrukt moedigde Rosemonde hem aan, terwijl men om hem heen boos begon te worden. Bergaz keek hem met zijn doordringende oogen en zijn wantrouwend glimlachje aan als een verschrikkelijk man, die handelt en de anderen liet praten. Nu en dan wisselde hij een blik van verstandhouding met Rossé en Sanfaute, zijn beide zwijgende luitenants. Deze twee behoorden hem blijkbaar met lichaam en ziel toe en volgden hem trouw naar alle orgieën, naar alle aanslagen, waar hij hen beliefde te brengen. Zij alleen buitten de anarchie uit, beoefenden haar tot aan het einde, gebruikten de wreede logica der consequenties. Hyacinthe, die in zijn overspannenheid wel van ontucht droomde, maar er zich niet aan waagde, was erg jaloersch op de lokkenpracht van Sanfaute, ofschoon hij deed, alsof het iets heel gewoons was, waar hij reeds lang geblaseerd van was.
Intusschen waren op de estrade, in afwachting van Legras en zijn Fleurs du Pavé, achtereenvolgens twee zangeressen opgetreden, een dikke, die onnoozele romances zong met gemeene toespelingen, en een magere met ruwe refreinen, die als klappen in het gezicht striemden. Zij had te midden van een storm van toejuichingen haar laatste lied gezongen, toen plotseling het vroolijk gestemde, lachlustige publiek opnieuw losbarstte: Silviane was in de kleine loge verschenen. Toen zij daar half naakt, in haar geelsatijnen japon op een ster gelijkend, en stralend van juweelen in het volle licht stond, ging er een vreeselijk gejouw, gelach, geschreeuw en gefluit op. Maar het lawaai werd nog grooter, vloeken vlogen door de lucht, toen men achter haar Duvillard, Gérard en Dutheil in rok en witte das zag.
“Wat hebben we je nu gezegd?” prevelde Duvillard, die de heele geschiedenis zeer onaangenaam vond, terwijl Gérard in het donker trachtte te blijven.
Maar zij maakte glimlachend en verrukt front naar het publiek en ontving den storm met haar uitgelaten, rein madonnagezichtje zooals men op de hooge zee de levenwekkende lucht inademt. Hier was zij thuis, dit was haar geboortelucht.
“Nou wat dan?” antwoordde zij den baron, die wilde, dat zij ging zitten. “Ze zijn vroolijk—dat is toch heel aardig... Ik amuseer me kostelijk.”
“Zeker, het is heel aardig,” zeide Dutheil, die ook deed alsof hij zich hier thuis gevoelde. “Zij heeft groot gelijk.”
Te midden van het niet ophoudende lawaai was de kleine prinses de Harth opgestaan, om beter te kunnen zien. Dan gaf zij Hyacinthe een duw.
“Zeg, daar heb je je vader met die Silviane. Kijk eens, kijk eens... Wat een brutaliteit om zich hier met haar te vertoonen.”
Hyacinthe weigerde te kijken. Het interesseerde hem absoluut niet; zijn vader leek wel idioot: alleen een kwajongen kon zoo op een meisje verliefd worden. Zijn minachting voor de vrouw werd beleedigend.
“Je zoudt mij bijna boos maken,” zeide Rosemonde, die bijna op zijn knie ging zitten. Zij was vastbesloten zich dien avond, onder voorwendsel hem een kop thee te offreeren, door hem thuis te laten brengen en hem bij zich te houden. “Jij bent een kwajongen met je aanstellerij niets van ons te willen weten... Je vader heeft gelijk, dat hij van haar houdt. Zij is heel knap, ik vind haar aanbiddelijk.”
Nu grinnikte Hyacinthe en zeide met een toespeling op Silviane’s algemeen bekende perversiteit:
“Wil ik het haar soms gaan zeggen?... Papa zal jullie wel aan elkaar voorstellen. Jullie zoudt een aardig paartje vormen.”
Toen Rosemonde de toespeling begreep, begon zij eenvoudig te lachen.
“Neen, neen, ik ben wel nieuwsgierig naar alles, maar zoover is het nog niet met me.”
“Maar zoover zal het wel komen. Je moet alles kennen.”
“Lieve hemel, ja! Wie weet?”
Plotseling hield het lawaai op, iedereen ging weer zitten, slechts de vurige pols van het publiek klopte nog koortsachtig. Legras was op de estrade gekomen. Het was een dikke, bleeke jonge man in een fluweelen jasje, met een rood, zorgvuldig geschoren gezicht, harde oogen en den gulzigen mond van mannen, die zich door vrouwen laten aanbidden, terwijl zij haar terroriseeren. Het ontbrak hem niet aan talent en hij zong zuiver met een doordringende, buitengewoon pathetische metaalstem. Zijn repertoire, zijn Fleurs du Pavé verklaarden volkomen zijn succes. Het waren liederen, waarin het vuil en het lijden van de laagste volkslagen, de geheele afzichtelijke wonde van de maatschappelijke hel huilde en haar kwaal in gemeene woorden vol bloed en vuur uitspuwde.