De drie steden: Parijs

Part 21

Chapter 214,033 wordsPublic domain

En zonder hem tijd tot een antwoord te laten, wendde zij zich tot Hyacinthe:

“Zie je nu wel, dat mijnheer Massot niet neen zegt. Je gaat er vanavond met mij heen, dat is afgesproken!”

Zij vloog al weer weg, om aan een oude dame voor tien francs een pakje naalden te verkoopen, terwijl de jonge man met zijn geblaseerde stem slechts zeide:

“Zij lijkt wel niet wijs met haar Cabinet des Horreurs!”

Massot haalde wijsgeerig zijn schouders op. Een vrouw moest zich nu eenmaal amuseeren. Toen Hyacinthe zich verwijderd had en met zijn perverse minachting tusschen de mooie, loten verkoopende meisjes rondliep, veroorloofde hij zich te prevelen:

“De jongen heeft het hard noodig, dat een vrouw een man van hem maakt.”

Doch dan viel hij zichzelf in de rede en zeide, zich weer tot Pierre wendend:

“Kijk, daar heb je Dutheil... Wat kletste Sanier vanochtend toch, dat Dutheil vanavond in Mazas zou slapen?”

Inderdaad drong Dutheil zich haastig en glimlachend door de menigte heen, om bij Duvillard en Fonsègue, die nog altijd bij den “stand” der barones stonden te praten, te komen. Onmiddellijk wuifde hij met zijn hand ten teeken van overwinning, om te zeggen, dat hij in de delicate opdracht, waarmede men hem belast had, geslaagd was. Het ging om niets minder dan om een vermetele manoeuvre, ten einde de opneming van Silviane in de Comédie-Française te verhaasten. Zij was op het denkbeeld gekomen den baron ertoe te bewegen een invloedrijk criticus tot een diner in het Café Anglais uit te noodigen. Deze zou, zoo beweerde zij, wanneer hij haar had leeren kennen, de administratie wel dwingen de deuren wijd voor haar open te zetten. Het was geen gemakkelijke taak den criticus die uitnoodiging te doen aannemen, want hij ging voor een knorrig en streng heer door. Dutheil had dan ook drie dagen al zijn diplomatie moeten gebruiken en al zijn invloeden in het vuur brengen. Maar nu straalde hij: hij had overwonnen.

“Vanavond, waarde baron, vanavond om half acht. Bliksems, het heeft mij meer moeite gekost dan er een premieleening door te krijgen.”

Hij lachte met de vroolijke onbeschaamdheid van een pretmaker, die weinig last van zijn politiek geweten had. Zelfs had hij veel pleizier in zijn toespeling op de nieuwe publicatie van de Voix du Peuple.

“Maak geen gekheid,” fluisterde Fonsègue heel zacht, die het aardig vond Dutheil wat bang te maken. “Het staat heel slecht.”

Dutheil werd heel bleek en zag reeds den commissaris van politie en Mazas voor zich. Maar in zijn volkomen en naïef gemis aan iederen moreelen zin, stelde hij zich dadelijk gerust en begon weer te lachen. Lieve hemel, het leven was toch zoo mooi!

“Kom,” antwoordde hij vroolijk, terwijl hij in de richting van Duvillard knipoogde; “daar heb je mijn beschermer!”

Deze had hem dankbaar de hand gedrukt en gezegd, dat hij een aardige jongen was. En zich tot Fonsègue wendende:

“Zeg, je moet vanavond ook van de partij zijn. Ja, je moet, want ik wil, dat Silviane een imponeerenden indruk maakt. Dutheil zal de Kamer vertegenwoordigen, jij de journalistiek en ik de financiën.”

Hij viel zich plotseling in de rede, daar hij Gérard, die zich langzaam en met een ernstig gezicht een weg door al de vrouwenrokken baande, zag. Hij riep hem met een gebaar.

“Gérard, je moet me een dienst bewijzen.”

Dan vertelde hij waar het om ging—dat de invloedrijke criticus de uitnoodiging aangenomen had, dat het diner over Silviane’s toekomst beslissen zou, dat al haar vrienden verplicht waren zich om haar te scharen.

“Ik kan niet,” antwoordde de jonge man verlegen; “ik dineer bij mijn moeder, die zich vanochtend niet al te lekker voelde.”

“Je moeder is te verstandig, om niet te begrijpen, dat er dingen van buitengewoon en exceptioneel belang zijn. Ga weer naar huis terug, vertel haar het een of ander, zeg haar, dat het geluk van een vriend op het spel staat.”

En toen Gérard al zwak begon te worden, voegde hij er aan toe:

“Ik heb je noodig, beste jongen, ik heb een man uit de hooge kringen noodig. Je weet welk een groote macht de hooge kringen op het tooneel vormen. Als Silviane die op haar hand heeft, is haar overwinning verzekerd.”

Gérard beloofde te zullen komen en bleef dan nog een oogenblik met zijn oom, generaal de Bozonnet, staan praten, die dit gekrioel van vrouwen, waarin hij als een oud, afgetuigd schip ronddreef, heel aardig vond. Nadat hij madame Fonsègue voor haar welwillendheid, om naar hem te luisteren, bedankt had door voor honderd francs een autogram van monseigneur Martha van haar te koopen, raakte hij verdwaald onder den zwerm jonge meisjes, die hem elkaar als het ware toewierpen. Toen hij eruit kwam, had hij zijn handen vol loten.

“Jongen, ik raad je aan je niet onder die jonge dames te wagen. Je laatsten sou zou je erbij inschieten!... Kijk, mademoiselle Camille roept je!”

Inderdaad wachtte deze op Gérard, sedert zij hem gezien had. Zij glimlachte uit de verte tegen hem, en toen hun oogen elkaar ontmoetten, moest hij wel naar haar toe gaan, ofschoon hij op hetzelfde moment den wanhopigen blik van Eve, die hem ook smeekend riep, op zich voelde rusten. Camille, die merkte, dat haar moeder geen oog van haar af had, overdreef dadelijk haar vriendelijkheid als verkoopster en maakte van de kleine vrijheden, die de liefdadigheidskoorts toestond, gebruik, stopte de zakken van den jongen man vol met allerlei kleine voorwerpen, gaf hem andere in zijn handen, die zij tusschen de hare drukte—en dat alles met een jeugdigen overmoed, met een luid, frisch gelach, dat de andere, haar mededingster, martelde.

Eve leed er zeer onder, wilde naar hen toegaan, hen scheiden. Maar juist op dat oogenblik werd zij tegengehouden door Pierre, die op een denkbeeld gekomen was, dat hij, alvorens den bazar te verlaten, aan haar oordeel onderwerpen wilde.

“Nu Laveuve dood is en u zooveel moeite gegeven hebt voor het bed, dat nog vrij is, zou ik u willen vragen zoo goed te willen zijn er nog niet over te beschikken, voor ik abbé Rose gesproken heb. Ik zie hem vanavond, en hij, die zooveel ellende kent, zal zoo blij zijn er tenminste één te kunnen verlichten en een van zijn armen naar het Asile te kunnen brengen.”

“Natuurlijk,” stamelde de barones; “ik zal zoo gelukkig zijn... zooals u wilt... Ik zal nog wachten... Ongetwijfeld, ongetwijfeld, mijnheer de abbé!”

Heel haar arm, lijdend wezen beefde. Zij wist niet meer wat zij zeide, zij kon haar hartstocht niet overwinnen, liet den pastoor staan en merkte niet eens, dat hij daar stond, toen Gérard, gehoor gevend aan het smartelijke smeeken van haar blik, erin slaagde het jonge meisje te ontsnappen, om eindelijk naar de moeder te gaan.

“Wat kom je toch weinig, lieve vriend!” zeide zij hardop en glimlachend. “We zien je bijna niet meer!”

“O, ik voelde mij niet lekker,” antwoordde hij vriendelijk.

Hij ziek! Vol moederlijke bezorgdheid keek zij hem aan, en het kwam haar inderdaad voor dat zijn correct, knap mannegezicht ondanks de trotsche, voorname uitdrukking wat bleeker was, dat de edele buitenkant het onherstelbaar innerlijk verval minder verborg. Ja hij met zijn aangeboren goedheid moest wel lijden onder zijn onnut, mislukt leven, onder al het geld, dat hij aan zijn arme moeder kostte, wat hem ten slotte wel tot dit huwelijk met dit rijke, mismaakte meisje, dat hij was gaan beklagen, drijven zou. Zij voelde, dat hij zelf zóó zwak was, als een wrak door een storm zóó heen en weer geslingerd werd, dat haar hart volschoot en zij, nauwlijks fluisterend, vurig smeekte te midden van deze menigte, die alles hooren kon.

“Als jij lijdt—ik niet minder!... Gérard, we moeten elkaar spreken, ik wil het.”

“Neen, laten we nog wat wachten!” stamelde hij verlegen.

“Het moet, Gérard. Camille heeft me je plannen verteld. Je kunt niet weigeren me te zien. Ik wil je spreken.”

Bevend trachtte hij nogmaals de wreede verklaring te vermijden.

“Maar daar is het onmogelijk; ze kennen het adres.”

“Nu, dan morgen om vier uur in het kleine restaurant van het Bois de Boulogne, waar we al eens meer geweest zijn.”

Hij moest het beloven en zij namen afscheid. Camille draaide zich om en keek naar hen. Een groote menigte vrouwen belegerde den “stand” en de barones begon op haar nonchalante manier te verkoopen, terwijl Gérard zich weer bij Duvillard, Fonsègue en Dutheil voegde, die door het vooruitzicht op het diner zeer opgewonden waren.

Pierre had het gesprek gedeeltelijk gehoord. Hij kende de geheimen van het huis, de marteling, de physiologische en moreele ellende, die door den glans van zooveel rijkdom en macht verborgen werd. Het was een steeds dieper invretende, vergiftigde wond: een knagende ziekte verteerde vader, moeder, zoon en dochter, bij wie alle maatschappelijke banden losgeraakt waren. Om de salons te kunnen verlaten, moest Pierre zich een weg banen door de menigte der koopsters, die uit den triomf van den bazar een manifestatie wilden maken. En daar ergens in de verte, in het diepe donker rende Salvat onophoudelijk voort, terwijl Laveuve, de doode, als het ware een kaakslag van bittere ironie in het aangezicht der bedriegelijke, lawaaierige barmhartigheid was.

II.

Welk een heerlijke vrede heerschte daar bij den goeden abbé Rose in den kleinen, op een smallen tuin uitzienden rez-de-chaussée, welken hij in de rue Cortot bewoonde! Geen geratel van wagens, zelfs niet de ademhaling van het aan de andere zijde van den heuvel van Montmartre dreunende Parijs drong door tot de groote stille en de ingesluimerde rust van een afgelegen provinciestadje.

Het sloeg zeven uur, de schemering was langzaam ingevallen. Pierre zat in het eenvoudige eetkamertje te wachten, dat de huishoudster de soep op zou doen. De abbé, die zich ongerust maakte, dat hij hem in een maand—sedert hij zich met zijn broeder Guillaume in Neuilly had opgesloten—zoo goed als niet gezien had, had hem den vorigen dag een brief geschreven en gevraagd te komen eten, om eens kalm over hun zaken te spreken, want Pierre bleef hem geld voor hun gemeenschappelijke aalmoezen geven, en sedert de oprichting van hun asyl in de rue de Charonne hadden zij samen hun liefdadigheidsrekeningen, die zij van tijd tot tijd controleerden. Na het eten zouden zij erover spreken en nagaan of er niet iets beters te doen viel. De goede priester straalde van vreugde over dezen mooien, vreedzamen, goeden avond, dien hij zoo, met zijn lieve armen zich bezig houdend, doorbrengen zou; dat was ondanks alle onaangenaamheden, welke zijn ondoordachte naastenliefde hem reeds bezorgd had, zijn eenig genot, waartoe hij, uit hartstocht, als tot een zondige zwakheid steeds terugkeerde.

Pierre was blij hem dit genoegen te kunnen doen en vond ook zelf daardoor een opluchting, een rust van enkele uren in dit zoo eenvoudige middagmaal, in al die goedheid, welke hun omgaf; hij was nu ver van zijn vreeselijke marteling. Hij herinnerde zich het vrije bed in het Asile des Invalides du Travail en dat barones Duvillard hem beloofd had te zullen wachten tot hij aan abbé Rose gevraagd zou hebben, of hij niet ergens een groote ellende, die belangstelling verdiende, wist. Hij begon er dadelijk over, nog vóór zij aan tafel gingen.

“Een groote ellende, die belangstelling verdient? Maar beste jongen, die verdienen ze allemaal. Als je iemand gelukkig wilt maken, heb je, vooral wanneer het oude, werklooze arbeiders betreft, keus in overvloed, vraag je je alleen maar angstig af, wie de uitverkorene zal zijn, terwijl zooveel anderen in hun hel blijven.”

Toch dacht hij na, wond zich op, nam eindelijk ondanks den smartelijken strijd van zijn gewetensbezwaren, een besluit.

“Ik weet het al. Dat is beslist de ongelukkigste en bescheidenste van allen, een oude man van twee-en-zeventig jaar, een schrijnwerker, die sedert de acht of tien jaar, dat hij van de openbare liefdadigheid leeft, geen werk meer vinden kan. Zijn naam weet ik niet, iedereen noemt hem den grooten Oude. Dikwijls blijft hij weken lang van mijn Zaterdagsche uitdeelingen weg. Wanneer er haast is met de opneming, zullen we hem moeten gaan zoeken. Ik geloof, dat hij meermalen in het nachtasyl in de rue d’Orsel slaapt, wanneer plaatsgebrek hem ten minste niet dwingt achter het een of ander staketsel te gaan liggen. Willen we vanavond in de rue d’Orsel gaan kijken?”

Zijn oogen schitterden; voor hem waren die bezoeken aan de grootste ellende, die hij ondanks zijn overvloeiend apostelmedelijden niet meer durfde maken, zoo had men ze hem verweten en als een misdaad aangerekend, een orgie, de verboden vrucht.

“Is dat afgesproken, jongen? Alleen dezen éénen keer nog maar! Het is trouwens de eenige manier, om den grooten Oude te vinden. Je kunt tot elf uur bij mij blijven... En bovendien zou ik je graag laten zien, welk een verschrikkelijke ellende daar heerscht. Misschien hebben we het geluk, dat we den een of anderen armen stakkerd kunnen helpen.”

Pierre glimlachte om dien jeugdigen ijver bij dezen ouden man met zijn sneeuwwit haar.

“Afgesproken, waarde abbé! Ik vind het heerlijk den heelen avond hier bij u te blijven en het zal me goed doen u nog eens op een van onze oude drijfjachten te volgen, waarvan we altijd met een hart vol vreugde en smart terugkwamen.”

De huishoudster bracht de soep. Maar juist toen de beide priesters aan de tafel wilden gaan zitten, werd er zacht en bescheiden gebeld, en toen de abbé hoorde, dat het een buurvrouw, madame Mathis, was, die een antwoord kwam halen, liet hij haar binnenkomen.

“De arme vrouw had een voorschot van tien francs noodig, om een matras uit de bank van leening te krijgen,” legde hij Pierre uit. “Ik had ze niet, maar heb ze van een ander weten te krijgen. Zij woont hier in huis, in een vreeselijke, heimelijke ellende... Haar inkomsten zijn zoo klein, dat zij er niet van leven kan.”

“Maar,” vroeg Pierre, die zich den jongen man herinnerde, dien hij bij Salvat gezien had; “heeft zij geen grooten zoon van twintig jaar?”

“Ja juist... Ik geloof, dat haar ouders rijke provincialen waren. Zij is, naar men mij verteld heeft, getrouwd met een pianomeester, die haar te Nantes les gaf en haar geschaakt heeft. Zij is met hem naar Parijs gekomen, waar hij gauw gestorven is, een treurige liefdesroman. Door haar meubels te verkoopen en alles bij elkaar te scharrelen, had zij een rente van nog geen twee duizend francs en kon zij haar zoon op het gymnasium laten gaan en zelf bescheiden leven. Maar daar zij haar kapitaaltje in twijfelachtige waarden belegd had, is een groot deel van haar geld verdwenen en heeft zij nog maar een inkomen van achthonderd francs. Zij heeft tweehonderd francs huur te betalen, zoodat zij met vijftig francs per maand moet rondkomen. Anderhalf jaar geleden heeft haar zoon haar verlaten, om haar niet langer tot last te zijn, en tracht zijn eigen brood te verdienen, wat hem echter, naar ik geloof, niet gelukt.”

Madame Mathis kwam binnen, een kleine donkere vrouw met een treurig, zacht en kwijnend gezicht. Zij droeg altijd dezelfde zwarte japon, sprak nauwelijks en leefde in de ongeruste afzondering van een arm schepsel, dat steeds door den storm van het ongeluk getroffen wordt. Toen abbé Rose haar de fijngevoelig ingepakte tien francs gaf, kreeg zij een kleur, bedankte hem en beloofde ze terug te zullen geven, zoodra zij haar maandgeld ontving, want zij was geen bedelares en wilde niets afnemen van het deel, dat voor hongerlijders bestemd was.

“En heeft uw zoon Victor werk gevonden?” vroeg de abbé.

Zij aarzelde, want zij wist niet wat haar zoon deed, daar zij hem soms in weken niet zag. Zij antwoordde dan ook slechts:

“Hij is heel goed en houdt veel van mij... Het is zoo jammer, dat wij geruïneerd werden, voor hij op de École Normale was. Nou heeft hij zijn examen niet kunnen doen... Hij was zoo’n knappe en ijverige leerling op het gymnasium.”

“U hebt uw man verloren, toen uw zoon tien was, niet waar?”

Weer kreeg zij een kleur, dacht dat heel haar geschiedenis aan de beide priesters bekend was.

“Ja, mijn arme man heeft nooit geluk gehad. De tegenslag had hem verbitterd, zijn denkbeelden werden steeds geëxalteerder en hij is in de gevangenis gestorven—tengevolge van een vechtpartij in een volksvergadering, waarbij hij ongelukkigerwijze een politie-agent wondde... Tijdens de Commune had hij medegevochten... Maar toch was hij een heel zachtmoedig man, die mij aanbad.”

Tranen waren in haar oogen gekomen. En abbé Rose liet haar gaan met de troostgevende woorden:

“Laten we hopen, dat u nog plezier van uw zoon zult beleven en dat hij u alles zal vergoeden wat u voor hem gedaan hebt.”

Madame Mathis verwijderde zich langzaam met een gebaar van eindelooze triestheid. Zij wist niets van haar zoon, maar zij beefde voor de verbittering van het harde noodlot.

“Ik geloof niet,” zeide Pierre, toen zij weer alleen waren, “dat de arme vrouw veel op haar zoon kan rekenen. Ik heb den jongen maar eens gezien, maar zijn heldere oogen zijn zoo koud en snijdend als een mes.”

“Vindt je?” riep de oude priester verbaasd uit. “Hij leek mij een heel beleefde jongen, misschien een beetje genotzuchtig, maar onze tegenwoordige jeugd is nu eenmaal vroeg rijp... Maar laten we aan tafel gaan, de soep zal koud worden.”

Bijna op hetzelfde uur was het ook aan een ander einde van Parijs, in den salon van gravin de Quinsac, welken zij achter in den stillen en triesten rez-de-chaussée van een oud hôtel in de rue de Saint-Dominique had, langzaam donker geworden. Zij zat daar alleen met markies de Morigny, den trouwen vriend, aan den haard, waarin juist de gloed van het laatste blok hout uitdoofde. De dienstbode had de lamp nog niet gebracht en de gravin vergat te bellen; die toenemende donkerte gaf eenige verlichting voor haar onrust, maakte den heimelijken angst, dien zij bang was te veel op haar moe gezicht te zullen toonen, onzichtbaar. Nu eerst durfde zij spreken.

“Ja beste vriend, ik ben niet erg gerust omtrent de gezondheid van Gérard. Enfin, je zult hem straks zien, want hij heeft mij beloofd vroeg thuis te zullen komen en met mij te dineeren. O, zeker, ik weet heel goed, dat hij er flink en sterk uitziet, maar om hem goed te kennen, moet men voor hem gezorgd hebben zooals ik. Met hoeveel moeite heb ik hem niet grootgebracht! Steeds staat hij bloot aan allerlei kleine kwalen, die bij hem onmiddellijk erger worden... En het leven, dat hij leidt, is voor zijn gezondheid allesbehalve goed.”

Zij zweeg, zuchtte, durfde niet goed alles bekennen.

“Hij leidt het leven, dat hij leiden kan,” zeide langzaam markies de Morigny, wiens fijn profiel en voornaam, streng en teer gezicht in donkerte gedompeld was.

“Wat moest hij doen, nu hij het militaire leven niet heeft kunnen verdragen en u zelfs tegen de vermoeienissen van den diplomatieken dienst voor hem opziet. Hem blijft niet anders over dan op den achtergrond te leven en onder deze afschuwelijke Republiek, die Frankrijk naar het graf voert, den ondergang af te wachten.”

“Je hebt gelijk, beste vriend, maar juist dat leven van niets-doen maakt mij zoo bang. Daarin verliest hij al het goede en gezonde, dat hij nog heeft... Ik zeg dat niet alleen voor al de liaisons, die wij dulden moeten. De laatste, waarbij ik me zoo moeilijk kon neerleggen, omdat mijn denkbeelden en mijn geloof er zich zoo tegen verzetten, heeft, naar het mij voorkomt, een goeden invloed op hem gehad... Maar nu is hij bijna zes-en-dertig en hij kan toch niet op die wijze, zonder doel, verder blijven leven. Misschien is hij alleen maar ziek, omdat hij niets doet, niets is en voor niets deugt.”

Weer begaf haar stem haar even.

“En bovendien, beste vriend... nu je mij dwingt, alles te zeggen, ik zelf voel me ook niet erg goed... Ik heb in den laatsten tijd flauwtes gehad, den dokter daarover geraadpleegd... In het kort, iedere dag kan de laatste zijn.”

Bevend boog Morigny zich naar haar toe en wilde in de steeds toenemende duisternis haar handen in de zijne nemen.

“Wat, lieve vriendin, jou zou ik moeten verliezen, mijn laatsten afgod! Ik, die de oude wereld, waartoe ik behoor, ineen heb zien storten en nog slechts leef in de hoop, dat jij tenminste blijven zoudt om mij de oogen toe te drukken.”

Zij smeekte hem haar onrust nog niet grooter te maken.

“Neen, neen, kus mijn handen niet; blijf daar in het halfdonker zitten, waarin ik je nauwlijks zien kan... Dat wij elkander zoo lang zonder schande en wroeging lief gehad hebben, moet tot aan het graf onze goddelijke sterkte blijven... En als je me aanraakte, als ik je te dicht bij mij voelde, zou ik niet tot het einde toe kunnen spreken, want ik heb nog niet alles gezegd.”

En toen hij weer in zijn zwijgen en roerloosheid teruggevallen was, ging zij voort:

“Als ik morgen stierf, zou Gérard niet eens het kleine vermogen vinden, dat hij denkt, dat ik bezit. De lieve jongen heeft mij veel gekost, zonder dat hij het ooit vermoed heeft. Zeker, ik had strenger en verstandiger moeten zijn, maar mijn ongeluk is altijd geweest, dat ik een te zwakke moeder was... Begrijp je nu den angst, waarin ik leef, zoodra ik eraan denk, dat Gérard, als ik sterf, niet genoeg zal hebben, daar hij niet in staat is het wonder, dat ik iederen dag herhaal, te doen, om den bedriegelijken schijn van ons huis op te houden... Ik ken hem, ik weet hoe zwak en ziekelijk hij ondanks zijn gezond uiterlijk is. Wat moet er van hem worden? Zal hij niet tot de grootste armoede vervallen?”

Zij liet nu haar tranen den vrijen loop, haar verscheurd hart bloedde, als zij zich voor den geest riep wat er van haar aangebeden kind, waarin hun geslacht en een geheele wereld ineenstortten, na haar dood worden moest. Onbeweeglijk en diep ontroerd bleef de markies zitten; hij voelde wel, dat hij geen recht had zijn vermogen aan te bieden, en begreep op welk een nieuwen val dat ongeluk uitloopen zou.

“Arme vriendin,” zeide hij eindelijk met een van verzet en smart bevende stem; “is het al zoover gekomen, dat je aan dat huwelijk, aan dat afschuwelijke huwelijk met de dochter van die vrouw denkt? Nooit zou het gebeuren, heb je indertijd gezworen. Liever zou je alles dood zien gaan. En nu stem je toe, ik voel het!”

Nog steeds weende zij in den donkeren salon voor het uitgegane vuur. Was dat huwelijk van Gérard en Camille voor haar niet de gelukkige oplossing, de zekerheid, dat zij haar zoon rijk en gelukkig en voor haar geheele leven verzekerd achterliet? Maar een laatste verzet rees in haar op.

“Neen, neen, ik stem niet toe; ik zweer je, dat ik nog niet toestem. Ik strijd met al mijn krachten... een vreeselijken strijd, waarvan je de marteling niet begrijpen kunt.”

Maar oprecht voorzag zij haar nederlaag.

“Geloof mij, waarde vriend, dat ik, wanneer ik eenmaal toegeven mocht, het afschuwelijke van zoo’n huwelijk even goed voel als jij. Het is het einde van ons geslacht en van onze eer.”

Deze kreet ontroerde hem diep. Ook hij verwachtte in zijn intransigentie van Katholiek en hoogmoedigen royalist niets anders dan een laatste instorting. Maar welk een smartvolle gedachte was het voor hem, dat deze edele, zoo innig en zoo rein beminde vrouw het jammerlijkste slachtoffer in die catastrophe zijn zou! Nu de duisternis hen omgaf, waagde hij het voor haar neer te knielen, haar hand te nemen en te kussen.

Toen de dienstbode eindelijk een brandende lamp binnenbracht, kwam ook Gérard. De oude salon Louis XVI met het doffe beeldhouwwerk kreeg in het zwakke licht zijn ouderwetsche bekoring terug. De jonge man huichelde een groote opgewektheid, om zijn moeder gerust te stellen en niet al te bedroefd achter te laten, nu hij niet bij haar kon blijven dineeren. Toen hij haar uitgelegd had, dat een paar vrienden hem verwachtten, ontsloeg zij hem dadelijk van zijn belofte, blij hem zoo vroolijk te zien.

“Ga maar jongen, doch vermoei je niet te veel... Morigny zal nu blijven dineeren en om negen uur komen de generaal en Larombardière. Ik zal mij heusch niet vervelen.”

En zoo kon Gérard, na nog een oogenblik met den markies gepraat te hebben, naar het Café Anglais gaan.