De drie steden: Parijs

Part 20

Chapter 204,077 wordsPublic domain

Daar men niet op Gérard en Dutheil behoefde te wachten, waren alle gasten aanwezig. Eindelijk begaven zij zich naar de eetkamer, terwijl beneden de laatste hamerslagen gegeven werden. Eve zat tusschen generaal Bozonnet en Fonsègue; Duvillard tusschen madame Fonsègue en Rosemonde, terwijl Camille en Hyacinthe aan het hoofd- en benedeneinde der tafel zaten. Het déjeuner werd wat haastig en ongeregeld gebruikt, want tot driemaal toe kwamen dienstmeisjes inlichtingen en orders vragen. Deuren werden onophoudelijk open en dicht geslagen, de muren zelf schenen te dreunen onder het ongewone lawaai, waarmede de laatste voorbereidende maatregelen het huis vervulden. Allen werden door de koortsachtige opwinding medegesleept; het gesprek sprong van den hak op den tak, liep nu eens over het bal, dat den vorigen dag op het ministerie van Binnenlandsche Zaken gegeven was, dan weer over het volksfeest, dat den volgenden dag plaats hebben zou; steeds echter kwam men weer terug op den bazar, op den prijs, dien men voor de artikelen betaald had en waarvoor men ze weer verkoopen zou, op het waarschijnlijke cijfer van de totale opbrengst.

Toen generaal Bozonnet den naam van den rechter van instructie Amadieu noemde, zeide Eve, dat zij hem niet te dejeuneeren had durven vragen, omdat zij wist hoe druk hij het had, maar dat zij toch hoopte, dat hij ook zijn obool zou komen brengen. Fonsègue plaagde Rosemonde met haar japon van vuurroode zijde en beweerde, dat zij reeds in de vlammen der hel brandde, wat haar, daar het satanisme op dat oogenblik een passie van haar was, in den grond der zaak aanging. Duvillard gedroeg zich volkomen correct tegenover de stille madame Fonsègue, terwijl Hyacinthe—om zelfs de prinses te overbluffen—in uitgekozen woorden de magische operatie vertelde, waardoor men een reinen man, na hem van alle manlijkheid ontdaan te hebben, in een engel veranderde. Camille was zeer gelukkig en opgewekt en wierp nu en dan een brandenden blik op haar moeder, die steeds onrustiger werd naarmate zij voelde, dat haar dochter steeds agressiever werd en vastbesloten was tot een openlijken oorlog zonder genade.

Tegen het einde van het dessert hoorde de moeder, hoe Camille zeer luid op haar uitdagenden en doordringenden toon zeide:

“O, praat mij niet over die geschminkte, als communie-bruidjes gekleede oude dames, die nog met een pop schijnen te spelen. Ik walg ervan!”

Zenuwachtig stond Eve op en excuseerde zich.

“Neem mij niet kwalijk, dat ik u wat haast... Je weet werkelijk niet, of dit een dejeuner is... maar ik ben bang, dat men ons geen tijd zal laten een kop koffie te gebruiken.”

De koffie werd rondgediend in den blauw-zilveren salon, waarin een wondermooie mand met gele rozen geurde. Deze hartstocht voor bloemen van de barones veranderde het hôtel in een voortdurende lente. Duvillard nam dadelijk Fonsègue, terwijl zij beiden hun kopje dampende koffie nog in de hand hadden, mee naar zijn studeerkamer, om een sigaar te rooken en vrij te kunnen spreken; de deur bleef echter wijd open staan en men hoorde hun stemmen door elkaar klinken. Generaal de Bozonnet, die blij was in madame Fonsègue een ernstige en geduldige vrouw te hebben, die naar hem luisterde, zonder hem in de rede te vallen, vertelde haar de zeer lange geschiedenis van de vrouw van een officier, die haar man in 1870 in alle slagen gevolgd had. Hyacinthe dronk geen koffie; hij noemde die minachtend een drank voor conciërges. Hij maakte zich een oogenblik vrij van Rosemonde, die een glaasje kummel dronk, en ging naar zijn zuster:

“Zeg eens even, dat was ook dom wat je daarnet er voor mama uitgooide. Mij kan het niet schelen, maar ten slotte gaan de anderen het ook merken, en ik zeg je, gedistingeerd is het niet.”

Camille keek hem met haar donkere oogen strak aan:

“Wees zoo goed je niet met mijn zaken te bemoeien!”

Hij schrok, voelde, dat er een onweer op til was en ging met Rosemonde naar den grooten rooden salon ernaast, om haar een nieuwe schilderij te laten zien, die zijn vader den vorigen dag gekocht had. De generaal, dien hij riep, volgde met madame Fonsègue.

Moeder en dochter waren nu een oogenblik alleen. Als gebroken leunde Eve tegen een wandtafeltje. Het geringste verdriet maakte haar moe en mat en in haar naïef en volmaakt egoïsme kon zij bij de minste aanleiding in tranen uitbarsten. Waarom haatte haar dochter haar zoo? Waarom trachtte zij met zooveel hardnekkigheid haar laatste liefdesgeluk, waaraan zij met haar geheele hart hing, te vernietigen? Diep bedroefd en meer wanhopig dan verbitterd keek zij haar aan, en op het oogenblik, dat het jonge meisje ook naar den rooden salon wilde gaan, kwam zij op het ongelukkige denkbeeld haar terug te houden, om een opmerking over haar toilet te maken.

“Maar beste kind, waarom kleedt je je toch zoo hardnekkig als een oude vrouw? Je ziet er heusch niet voordeelig door uit.”

In haar teedere oogen van gevierde en aangebeden mooie vrouw was duidelijk het medelijden met dit leelijke en mismaakte schepseltje, dat zij nooit goed als haar dochter had kunnen erkennen, te lezen. De eene schouder hooger dan de andere, de lange armen van een bultenaar, een profiel van een zwarte geit—hoe was het mogelijk, dat zoo iets monsterachtigs voortgekomen was uit haar koninklijke schoonheid, de schoonheid, die zij haar geheele leven lang zelf lief gehad, met eerbiedige vroomheid verzorgd had, die de eenige godsdienst was, voor welken zij ooit iets gevoeld had. Haar verdriet en haar schaamte, dat zij zoo’n kind had, beefden in haar stem.

Camille bleef plotseling stokstijf staan, als had een zweepslag haar midden in haar gezicht gestriemd. Dan kwam zij naar haar moeder toe, en nu begon de vreeselijke verklaring tusschen die beiden met deze eenvoudige, halfgefluisterde woorden:

“U vindt, dat ik mij slecht kleed... Dan moet u zich eens wat meer met mij bemoeien, ervoor zorgen, dat mijn toiletten naar uw smaak zijn en mij uw geheim om mooi te zijn, leeren.”

Reeds had Eve spijt over haar uitval; zij had een afschuw van disputen met beleedigende woorden. Zij wilde er zich aan onttrekken, vooral op dit oogenblik, nu men haar beneden voor den bazar wachtte.

“Kom beste meid, maak geen scène, nu allen het kunnen hooren... Ik heb je lief gehad...”

Met een ingehouden, maar vreeselijk lachje viel Camille haar in de rede:

“U hebt mij lief gehad... Maar, arme mama, zeg toch niet zulke komische dingen! Hebt u ooit iemand lief gehad? U wilt, dat men u lief heeft; maar dat is heel wat anders. Maar uw kind, een kind... Weet u eigenlijk wel hoe men een kind lief heeft?... U hebt mij altijd aan mijn lot overgelaten, omdat u mij te leelijk vondt en bovendien geen dagen en nachten genoeg hadt om u zelf lief te hebben... Neen, moeder, lieg maar niet; u beschouwt me ook nu nog altijd als een monster, dat u afkeer inboezemt en u hindert.”

Nu was het uit, nu moest de scène ten einde gespeeld worden, in een koortsachtig fluisteren, van aangezicht tot aangezicht, met op elkaar geklemde tanden.

“Ik beveel je te zwijgen, Camille! Ik kan een dergelijke taal niet dulden!”

“Ik behoef niet te zwijgen, wanneer u tracht mij te kwetsen. Als ik er verkeerd aan doe mij als een oude vrouw te kleeden, dan komt dat misschien, omdat een ander zoo belachelijk is zich als een jong meisje, als een bruid te kleeden.”

“Als een bruid, ik begrijp je niet.”

“O, u begrijpt mij heel goed... Maar ik wil toch, dat u het weet: iedereen vindt mij niet zoo leelijk als u, naar het schijnt, mij wil laten gelooven.”

“Als je leelijk bent, dan komt dat, omdat je je slecht kleedt. Iets anders heb ik niet gezegd.”

“Ik kleed mij zooals ik wil, en ongetwijfeld goed, daar men van mij houdt zooals ik ben.”

“Zoo, houdt iemand van je? Dan moet hij het maar zeggen en met je trouwen.”

“Dat gebeurt ook, dat gebeurt ook! Dat zal een heele opluchting voor u zijn! En dan kunt u me nog als bruid zien ook!”

Haar stemmen werden onwillekeurig luider. Camille hield even op, haalde adem en ging dan weer met een fluisterende, fluitende stem door.

“Gérard zal u dezer dagen om mijn hand komen vragen.”

Bleek en met strakke oogen keek Eve haar aan; zij scheen het niet begrepen te hebben.

“Gérard... Waarom zeg je me dat?”

“Natuurlijk omdat Gérard mij liefheeft en met mij trouwen zal... U drijft mij tot het uiterste, u zegt steeds weer, dat ik leelijk ben, u behandelt mij als een monster, waarvan niemand iets weten wil. Dan moet ik mij toch verdedigen, moet ik u de waarheid zeggen, om u te bewijzen, dat niet iedereen uw smaak heeft.”

Er volgde een stilte; de strijd scheen door dat vreeselijke, dat plotseling tusschen haar oprees, geëindigd te zijn. Maar nu stonden niet meer moeder en dochter tegenover elkaar, doch twee mededingsters, die leden en streden.

Eve haalde diep adem en keek angstig rond, of niemand binnenkwam, die haar zou kunnen zien of hooren. Dan vastberaden:

“Je kan niet met Gérard trouwen.”

“En waarom niet?”

“Omdat ik het niet wil, omdat het onmogelijk is.”

“Dat is geen reden. Zeg me de reden.”

“De reden is, dat het huwelijk onmogelijk is. Dat is alles.”

“Neen, de reden zal ik u zeggen, omdat u mij ertoe dwingt... De reden is, dat Gérard uw minnaar is... Maar wat beteekent dat, daar ik het weet en hem toch hebben wil?”

En haar vlammende oogen voegden er aan toe: “En juist daarom wil ik hem hebben!” Haar lange marteling mismaakt te zijn, haar woede, dat zij van haar kinderjaren af haar mooie moeder zoo gevierd en aangebeden gezien had, doorschokte haar en wreekte zich in een boosaardigen triomf. Eindelijk ontroofde zij haar dan toch den minnaar, dien zij haar zoo lang benijd had.

“Ongelukkige,” stamelde Eve zwak en in haar hart getroffen. “Je weet niet wat je zegt en wat je me doet lijden.”

Maar zij moest weer zwijgen en glimlachen, want Rosemonde kwam zeggen, dat men beneden naar haar vroeg. De deuren van het hôtel zouden geopend worden en zij moest in haar “stand” zijn. Ja, zij kwam dadelijk naar beneden... Zij hield zich vast aan een wandtafeltje, dat achter haar stond, om niet te vallen.

“Zeg,” ging Hyacinthe tegen zijn zuster zeggen, “het is idioot, om zoo’n ruzie te maken. Je zoudt beter doen naar beneden te gaan.”

Camille zond hem ruw weg.

“Ga zelf en neem de anderen mede. Het is beter, wanneer wij geen last van hen hebben.”

Hyacinthe keek zijn moeder aan als een zoon, die wist en het belachelijk vond. Dan haalde hij, geërgerd haar zoo weinig krachtig te zien tegen zijn heks van een zuster, zooals hij haar noemde, zijn schouders op, liet haar beiden aan haar dwaasheid over en nam de anderen mede naar beneden. Men hoorde Rosemonde lachend weggaan, terwijl de generaal, die een nieuw verhaal begonnen was, madame Fonsègue begeleidde. Maar toen moeder en dochter zich alleen waanden, drongen andermaal stemmen tot haar ooren door, de stemmen van Duvillard en Fonsègue. De vader was er altijd nog, die haar kon hooren.

Eve voelde, dat zij weg had moeten gaan. Maar zij vond er de kracht niet toe; na het woord, dat haar als een zweepslag getroffen had, en in de wanhoop, waarin de vrees haar minnaar te verliezen, haar wierp, was haar dat onmogelijk.

“Gérard kan niet met je trouwen, hij heeft je niet lief.”

“Hij heeft me wel lief.”

“Je verbeeldt je, dat hij je lief heeft, omdat hij uit medelijden vriendelijk voor je geweest is... Hij heeft je niet lief.”

“Hij heeft mij lief... Hij heeft mij lief, in de eerste plaats, omdat ik niet dom ben, zooals zooveel anderen, en vooral heeft hij mij lief, omdat ik jong ben.”

Dat was een nieuwe wonde, en uit den wreeden spot, waarmede zij toegebracht werd, klonk de triompheerende vreugde eindelijk deze schoonheid, waaronder zij zoo geleden had, te zien verwelken.

“Jeugd, moeder, ja, u weet niet meer wat dat is... Al mag ik niet mooi zijn, jong ben ik; ik ruik nog lekker, heb heldere oogen, frissche lippen. Bovendien heb ik zooveel en zoo lang haar, dat ik me daarmede zou kunnen kleeden, als ik dat wilde... Kom, je bent nooit leelijk, wanneer je jong bent, maar wanneer je niet jong meer bent, arme mama, dan is het uit. Het helpt niet of je al mooi geweest bent, alles in het werk stelt, om het nog te zijn... er blijft niets over dan puinhoopen, schande en walging.”

Zij zeide het zoo scherp, dat iedere zin als een messteek in het hart van haar moeder drong. Tranen kwamen in de oogen van de ongelukkige, zoo diep gewonde vrouw. Ja, het was waar, zij stond machteloos tegenover de jeugd, zij leed slechts, omdat zij ouder werd, omdat zij voelde, hoe de liefde haar verliet, nu zij gelijk was aan een te rijpe, van haar tak gevallen vrucht.

“Nooit zal de moeder van Gérard haar toestemming tot een huwelijk met jou geven.”

“Hij zal haar overreden, dat is zijn zaak... Ik heb twee millioen, en met twee millioen doe je heel wat.”

“Wil je hem dan bezoedelen, zeggen, dat hij je om je geld trouwt?”

“Neen, neen, Gérard is een heel fatsoenlijke en nette jongen. Hij heeft mij lief, hij trouwt met me om me zelf... Maar hij is nu eenmaal niet rijk, heeft ondanks zijn zes-en-dertig jaar geen gevestigde positie, en dan is het zoo gek niet om een vrouw te nemen, die je met het geluk rijkdom brengt... Want, versta me goed, mama, ik breng hem het geluk, de wederkeerige, van de toekomst zekere liefde.”

Nogmaals stonden zij oog in oog tegenover elkaar. De verschrikkelijke scène, telkens onderbroken en weer opgevat, scheen geen einde te kunnen nemen; het was een drama van moorddadige heftigheid, maar gedempt, zonder lawaai, gesproken met verstikte stemmen. Geen van beiden wilde wijken, hoewel zij met al die open deuren ieder oogenblik overvallen konden worden, hoewel het personeel steeds binnen kon komen en de stem van den vader vroolijk naast haar klinken bleef.

“Hij heeft je lief, hij heeft je lief... Dat zeg jij... Hij heeft het je nooit gezegd.”

“Hij heeft het me wel twintigmaal gezegd. Hij zegt het telkens, als we alleen zijn.”

“Ja, zooals aan een klein meisje, dat men een plezier wil doen... Nooit heeft hij tegen je gezegd, dat hij met je trouwen wil.”

“Hij heeft het me den laatsten keer, dat hij hier was, nog gezegd. De zaak is beklonken—ik verwacht, dat hij eerstdaags mijn hand zal vragen.”

“Je liegt, je liegt, ongelukkige. Je wilt me pijnigen. Je liegt, je liegt!”

Eindelijk barstte haar smart in dezen kreet van protest uit; zij wist niet meer, dat zij moeder was, dat zij tot haar dochter sprak... alleen de verliefde, beleedigde, door een mededingster geprikkelde vrouw bleef nog over.

“Mij, mij heeft hij lief,” bekende zij snikkend. “Den laatsten keer heeft hij het mij gezworen, gezworen, versta je, dat hij je niet lief had en nooit met je trouwen zou.”

Camille begon scherp te lachen en nam een spottend-medelijdende houding aan.

“Mama, ik heb heusch met je te doen. Je bent nog zoo’n echt kind... Ja heusch, u bent het kind. Laat u, die toch zooveel ervaring heeft, u nog beetnemen door de verzekeringen van een man? Gérard is de kwaadste niet en daarom zweert hij u alles wat u wilt.”

“Je liegt! Je liegt!”

“Kom, wees nou verstandig. Dat hij niet meer komt, dat hij vandaag niet op het déjeuner verschenen is, vindt alleen zijn oorzaak hierin, dat u hem de keel uithangt. Hij laat u zitten, mama, u moet den moed hebben u dat goed voor te houden. Hij blijft vriendelijk, omdat hij goed opgevoed is en niet weet hoe hij met u breken moet. In het kort, hij heeft medelijden met u.”

“Je liegt! Je liegt!”

“Vraag het hem dan zelf als een goede moeder, die u zijn moest. Spreek openlijk met hem, vraag hem vriendschappelijk wat hij van plan is te doen. En wees u op uw beurt ook vriendelijk. Begrijp toch, dat, wanneer je hem lief hebt, je hem mij dadelijk zoudt moeten geven in zijn belang. Geef hem zijn vrijheid terug en je zult zien, dat hij slechts mij lief heeft!”

“Je liegt, ongelukkig kind. Je wilt me martelen en dooden.”

In haar woedende radeloosheid herinnerde Eve zich, dat zij de moeder was, dat zij deze onwaardige dochter een bestraffing toedienen moest. Zij vond geen stok en rukte nu uit de mand gele rozen, die haar beiden met haar sterken geur bedwelmden, een handvol van de langgesteelde, doornige rozen en sloeg daarmede Camille in haar gezicht. Een droppel bloed kwam te voorschijn op de linkerslaap, dicht bij het ooglid.

Onder dien slag sprong het jonge meisje, vuurrood en als krankzinnig, met haar hand omhoog als gereed, om ook te slaan, naar voren.

“Moeder, pas op... Ik zweer je, dat ik je als de eerste de beste deerne zal afranselen... En begrijp mij goed, ik wil Gérard, ik zal met Gérard trouwen, ik zal hem u ontnemen door een schandaal te maken, als u hem niet goedschiks geeft.”

Na haar woede-daad was Eve als gebroken en wanhopig op een fauteuil neergevallen. In haar drang naar een gelukkig leven en een egoïstisch genot om geliefkoosd, gevleid en aangebeden te worden, kwam al haar afschuw voor scènes terug. Camille daarentegen toonde, dronken door haar wreedheid, dreigend, verslindend, meedoogenloos eindelijk haar hardvochtige en zwarte ziel in haar volle naaktheid. Er ontstond een angstaanjagend zwijgen, waarin men opnieuw de vroolijke stem van Duvillard uit de studeerkamer hoorde komen.

De moeder was zacht begonnen te huilen, toen Hyacinthe den kleinen salon kwam binnen vliegen. Toen hij de beide vrouwen zag, haalde hij medelijdend-minachtend zijn schouders op.

“Zoo, hebben jullie nu je zin? Hadt je niet beter gedaan dadelijk naar beneden te gaan? Je weet toch, dat iedereen naar jullie vraagt. Het wordt te gek. Ga nou gauw mee.”

Misschien zouden Eve en Camille, in haar behoefte om elkaar nog meer te kwetsen en nog meer te lijden, hem nog niet gevolgd hebben, als Duvillard en Fonsègue, die hun sigaar gerookt hadden, niet uit de studeerkamer gekomen waren, om ook naar beneden te gaan. Eve moest opstaan en met droge oogen glimlachen, terwijl Camille voor den spiegel haar haar in orde bracht en met de punt van haar zakdoek den kleinen rooden droppel, die aan haar slaap parelde, afveegde.

In de drie reusachtige, met tapijten en groene planten versierde salons beneden verdrong zich reeds een dichte menigte. De “stands” waren met roode zijde gedrapeerd, wat aan de verschillende artikelen een schitterende omlijsting gaf. Geen bazar had met de duizenderlei hier opgehoopte voorwerpen kunnen wedijveren, want men vond er van alles: van schetsen van meesters en autographen van beroemde schrijvers tot schoentjes en kammen toe. Dit pêle-mêle op zichzelf was reeds een aantrekkelijkheid, geheel afgezien van het buffet, waar mooie, blanke handen champagne schonken, van de twee loterijen, een orgel en een met een pony bespannen Engelsch wagentje. Een zwerm van bekoorlijke jonge meisjes, die zich midden in het gewoel bewogen, verkocht de loten. Maar zooals Duvillard wel voorzien had, werd het groote succes van den bazar voornamelijk gevormd door de verrukkelijke rilling, welke de dames kregen bij het gaan onder de koetspoort, waar de bom gesprongen was. De toegebrachte schade was reeds grootendeels hersteld, maar de schilders waren nog bezig.

Toen barones Eve eindelijk met haar dochter Camille naar beneden ging, om haar plaats in haar “stand” in te nemen, vond zij de verkoopsters reeds koortsachtig bezig, onder leiding van prinses Rosemonde, die bij dergelijke gelegenheden buitengewoon listig en roofzuchtig was. Zij bestal de koopers met de grootste onbeschaamdheid.

“Ben je daar eindelijk!” riep zij. “Pas maar goed op, want er zijn hier een boel koopsters, die een goeden slag trachten te slaan. Ik ken ze, zij loeren op gelegenheidskoopjes, halen de etalages door elkaar en wachten, tot men het hoofd er bij verliest, om dan minder duur te koopen dan in gewone winkels... Maar ik zal ze fatsoenlijk afzetten, wacht maar!”

Eve, die een zeer slechte verkoopster was en er zich mede vergenoegde in haar “stand” te tronen, moest met de anderen mede lachen. Dan dwong zij zich ertoe Camille een paar raadgevingen te geven, welke deze glimlachend en gehoorzaam aanhoorde, maar de ongelukkige vrouw bezweek bijna bij de angstaanjagende gedachte, dat zij daar tot zeven uur blijven en zonder haar hart lucht te geven, voor al die menschen lijden moest. Het was dan ook een groote verlichting voor haar, toen zij abbé Pierre Froment zag, die op een roodfluweel tabouretje naast den “stand” op haar zat te wachten. Doodmoe kwam zij naast hem zitten.

“O, mijnheer de abbé, u hebt mijn brief dus gekregen... Ik heb een goede tijding voor u en wilde u het genoegen laten die zelf aan uw protégé, dien Laveuve, dien u mij zoo warm aanbevolen hebt, te brengen... Alle formaliteiten zijn vervuld; u kunt hem morgen naar het Asile laten transporteeren.”

Verbijsterd keek Pierre haar aan.

“Laveuve—maar die is dood!”

Nu verwonderde zij zich op haar beurt.

“Wat, is hij dood?... Maar waarom hebt u ons dat niet laten weten? Als u eens wist wat voor moeite we ons gegeven hebben, wat we er allemaal voor hebben moeten doen!... Weet u zeker, dat hij dood is?”

“Hij is dood, mevrouw... Een maand geleden is hij gestorven.”

“Al een maand! Maar dat konden wij niet weten. U hebt niets van u laten hooren... Lieve hemel, hoe vervelend, dat hij dood is... nu moeten we alles weer ongedaan maken.”

“Hij is dood, mevrouw. Het is waar, ik had u moeten waarschuwen... Maar wat is er aan te doen? Hij is dood.”

Dat steeds weer terugkomende woord “dood”, de geschiedenis van dezen “doode”, met wien zij zich nu sedert een maand bezig hield, deed haar rillen en bracht haar heelemaal tot wanhoop. Het klonk haar in het oor als een omen van den kouden dood, waarin zij zich in de doodswade van haar laatste liefde voelde nederdalen. Pierre moest daarentegen ondanks zichzelf bitter over zooveel wreede ironie glimlachen. O, deze hinkende naastenliefde, die altijd komt, wanneer de menschen reeds dood zijn.

De priester bleef op het bankje zitten, toen de barones opstaan moest, daar zij den rechter van instructie Amadieu komen zag. Hij was zeer gehaast, wilde maar even acte de présence geven en iets koopen, vóór hij naar het paleis van Justitie terugging. Maar de kleine Massot, de verslaggever van den Globe, die om de “stand” heen sloop, zag hem ook en vloog, tuk op inlichtingen, naar hem toe. Hij liet hem niet los en onderwierp hem aan een formeel verhoor, om te weten, hoe het stond met dien Salvat, dien men beschuldigde de bom onder de koetspoort gelegd te hebben. Was het niet een uitvinding der politie, zooals sommige bladen beweerden? Of was het werkelijk het goede spoor en zou de politie hem eindelijk arresteeren? Maar Amadieu gaf ontwijkende antwoorden en zeide terecht, dat de zaak hem nog niet aanging, dat hij er zich eerst mede te bemoeien had, wanneer die Salvat gearresteerd was en hij met de instructie belast werd. Maar in zijn sluw-gewichtige manier van doen, in zijn correcte houding van mondain magistraat waren allerlei aanduidingen te lezen, als was hij reeds op de hoogte van de kleinste bijzonderheden en als beloofde hij voor de eerstvolgende dagen de grootste gebeurtenissen. Dames vormden een kring om hem, een zwerm van knappe, van nieuwsgierigheid koortsachtige vrouwen verdrong zich om de geschiedenis van dien bandiet, welke haar het kippenvel deed krijgen. Toen Amadieu van prinses Rosemonde voor twintig francs een doosje sigaretten, dat misschien dertig sous waard was, gekocht had, maakte hij zich vlug uit de voeten.

Inmiddels was Massot, die Pierre herkend had, dezen de hand gaan drukken.

“Die Salvat zal al een heel eind weg zijn, wanneer hij goede beenen heeft, denkt u ook niet, mijnheer de abbé?... Ik moet altijd om de politie lachen.”

Maar op dat oogenblik kwam Rosemonde met Hyacinthe naar hem toe.

“Mijnheer Massot, u komt overal, u moet beslissen... Het Cabinet des Horreurs [10] in Montmartre, de kroeg, waar Legras zijn Fleurs du Pavé zingt...”

“Is een vreeselijke plaats, prinses. Ik zou er niet graag met een huzaar heengaan.”

“Maak nu geen gekheid, mijnheer Massot; ik spreek in vollen ernst. Een fatsoenlijke vrouw kan er heel goed in gezelschap van een heer heengaan, niet waar?”