De drie steden: Parijs

Part 2

Chapter 24,015 wordsPublic domain

De man antwoordde niet, zette slechts een paar verwonderde, verschrikte idiotenoogen op. Ongetwijfeld zou de conciërge wel in de buurt zijn. De priester bleef even wachten, maar ging, toen hij achter op de binnenplaats een klein meisje zag, op zijn teenen door het riool loopend, naar haar toe.

“Ken jij in het huis ook een ouden werkman, die Laveuve heet, beste meid?”

Het kleine meisje, dat slechts in een verfomfaaid rose linnen jurkje gekleed was, rilde van de koude, haar handen waren met kloven overdekt. Zij keek met haar, ondanks de winterwonden, aardig gezichtje naar hem op.

“Laveuve, weet niet, weet niet!”

En met haar onbewust bedelaarsgebaar stak zij een van haar arme, verkleumde en gezwollen handjes uit. Toen hij haar een klein geldstukje gegeven had, begon zij, als een uitgelaten geit door de modder te hollen en met een schel stemmetje te zingen:

“Weet niet, weet niet, weet niet!”

Hij besloot haar te volgen. Zij was in een der gapende vestibules verdwenen en hij klom achter haar een donkere, stinkende trap op. De treden waren half gebroken en zoo glibberig door den hier neergeworpen groentenafval, dat hij zich aan het vettige touw, waarmede men zich naar boven heesch, moest vasthouden. Maar alle deuren waren gesloten; hij klopte vergeefs aan de meeste en kreeg bij de laatste niets dan een dof gebrom te hooren, als was er een dier in opgesloten. Toen hij weer op de binnenplaats was, aarzelde hij even, doch ging toen een andere trap op. Ditmaal werd hij bijna verdoofd door een doordringend geschreeuw, het geschreeuw van een kind, dat vermoord wordt. Hij liep in de richting van dat geluid en kwam eindelijk terecht voor een groote, openstaande kamer, waarin een alleen gelaten kind, dat, blijkbaar om niet te vallen, op zijn klein stoeltje vastgebonden was, aan één stuk door zat te huilen. Hij wilde weer naar beneden gaan, verstard door zooveel gebrek en verwaarloozing.

Maar op dat oogenblik kwam een vrouw, die een paar aardappelen in haar schort had, thuis; toen hij haar naar Laveuve vroeg, keek zij wantrouwend naar zijn soutane.

“Laveuve, Laveuve, ik weet het waarachtig niet. Als de conciërge er was, zou zij het u misschien wel kunnen zeggen... Er zijn hier zooveel trappen, dat je elkaar niet kent, en bovendien wisselt het ieder oogenblik... Maar kijk eens achterin.”

De achtertrap was nog erger dan de andere, de treden waren weggerot, de muren kleefden als sijpelde er angstzweet door. Op ieder portaal wasemden de goten en bestekamers een verpestenden stank uit; uit iedere kamer klonk gejammer en getwist. Een deur ging open, en op den drempel verscheen een man, die een vrouw aan haar haren voortsleepte, terwijl drie kleine kinderen huilden. Op de bovenste verdieping zag hij in een kamer een ziekelijk, hoestend meisje met een reeds verlepte borst, dat, wanhopig omdat zij geen melk meer had, door op en neer te loopen een zuigeling tot rust trachtte te brengen. In een kamer ernaast werd hij pijnlijk getroffen door den hartverscheurenden aanblik van drie in lompen gekleede wezens, aan wie geen leeftijd of geslacht meer te onderscheiden was en die midden in de kale kamer gulzig uit denzelfden schotel een voer aten, waar honden hun neus voor opgetrokken zouden hebben. Zij lichtten nauwelijks hun hoofd op, bromden iets, maar gaven geen antwoord op zijn vragen.

Pierre wilde weer naar beneden gaan, toen hij heelemaal in de hoogte bij het begin van een gang, een laatste poging waagde en aan een deur klopte. Een vrouw deed open; haar ongekamd haar werd al grijs, hoewel zij niet ouder dan veertig was; haar bleeke lippen, haar omkringde oogen en haar geel gelaat drukten een groote moeheid uit, iets als voortdurende, aanhoudende vrees onder de steeds blijvende ellende. Bij het zien van de soutane werd zij verlegen en stamelde:

“Kom binnen, mijnheer de abbé, kom binnen!”

Maar een man, die Pierre eerst niet gezien had, een werkman van een jaar of veertig, groot, mager, kaal met enkele verkleurde baard- en snorharen, maakte een heftig, dreigend gebaar, als wilde hij den priester de deur uitgooien. Maar hij hield zich in, ging naast de wankele tafel zitten en deed, alsof hij de aanwezigheid van den geestelijke negeerde. In de kamer was verder nog een blond meisje van een jaar of elf, twaalf, met een lang, zacht gezichtje en de intelligente, eenigszins ouwelijke uitdrukking, die de ellende en groote armoede aan kinderen geeft; hij riep het en hield het tusschen zijn knieën, als om het tegen de aanraking met de soutane te beschermen.

Ofschoon de ontvangst Pierre allesbehalve aanmoedigde en hij uit het kale, onverwarmde vertrek en de terneergeslagenheid van deze drie wezens de diepe ellende der familie begreep, besloot hij toch zijn vraag te herhalen.

“Kent u ook een ouden werkman Laveuve in dit huis?”

De vrouw, die, nu zij zag, dat haar man er boos om was, beefde, omdat zij hem had laten binnenkomen, trachtte schuchter de zaak goed te maken.

“Laveuve, Laveuve, neen... Ken jij hem soms, Salvat?”

Salvat haalde zijn schouders op maar het kleine meisje kon niet zwijgen.

“Zeg moeder Théodore, misschien is het de philosoof wel.”

“Een vroegere schilder,” ging Pierre voort: “een oude, zieke man, die niet meer kan werken.”

Nu begreep madame Théodore dadelijk alles.

“Ja, dat is hij, dat is hij... Wij noemen hem den philosoof, een bijnaam, dien zij hem gegeven hebben, maar daarom kan hij best Laveuve heeten.”

Salvat, die een van zijn vuisten naar den hemel balde, scheen te protesteeren tegen de gruwelen van een wereld en van een God, die de oude werklieden als afgejakkerde paarden van honger liet crepeeren. Maar hij zeide geen woord; hij verviel weer in een woest, diep zwijgen, in die soort van pijnlijk peinzen, waarin hij verzonken was, toen de priester binnenkwam. Hij was een werktuigkundige. Zijn oog rustte voortdurend op een zak met gereedschappen, een kleine, lederen zak, waarin iets òpbultte, waarschijnlijk het een of ander voorwerp, dat hij moest terugbrengen. Blijkbaar dacht hij aan het lange stilliggen van het werk, hoe hij gedurende de twee laatste maanden van den verschrikkelijken winter vergeefs naar het een of ander karweitje gezocht had. Of misschien dacht hij in het brandstichtende gepeins, dat zijn groote, vreemde, onvaste en brandende blauwe oogen in vlam zette, aan de nabije en bloedige vergeldingsmaatregelen der hongerlijders. Plotseling zag hij, dat zijn dochter den zak genomen had en dien trachtte open te maken, om te zien wat erin zat. Hij rilde, een plotselinge ontroering maakte hem bleek en met een bitter vertrokken mond zeide hij:

“Wil je dat wel eens laten, Céline? Ik heb je al zoo dikwijls verboden aan de gereedschappen te komen.”

Hij nam den zak en zette dien heel voorzichtig achter zich tegen den muur.

“Nu, woont Laveuve op deze verdieping?” vroeg Pierre.

Madame Théodore raadpleegde met een schuwen blik Salvat. Zij vond het niet goed grof te zijn tegenover priesters, wanneer zij zich de moeite gaven te komen, want dikwijls kon je een paar sous van hen los krijgen. Toen zij uit Salvat’s zwijgen opmaakte, dat hij haar haar gang liet gaan, bood zij Pierre dadelijk aan hem den weg te wijzen.

“Als mijnheer de abbé het goed vindt, ga ik wel even mede. Het is juist aan het einde van de gang. Maar je moet den weg weten, want je moet nog een paar treden op.”

Céline, die een tijdverdrijf zag, ontsnapte aan de knieën van haar vader en ging ook met den priester mede. Salvat bleef alleen achter in het vertrek van armoede en lijden, van ongerechtigheid en toorn; hij had geen vuur, geen brood, en hield, door zijn vurige droomen vervolgd, zijn blikken gevestigd op den zak, alsof daarin met de gereedschappen het heil der wereld lag.

Inderdaad moesten zij nog eenige treden op en dan stond Pierre achter madame Théodore en Céline in een soort smal dakkamertje van een paar meter in het vierkant, waarin men niet rechtop kon staan. Het licht viel slechts door een klapvenster binnen, maar daar de sneeuw hoog tegen het raam lag, moest men, om wat te kunnen zien, de deur wijd open laten. In plaats van het daglicht kwam de dooi naar binnen, smolt de sneeuw, die droppel voor droppel naar beneden viel en den vloer overstroomde. Na die lange weken van bittere koude doordrong de vochtigheid nu alles met een rilling. En daar nu lag, zonder een stoel, zonder een stuk plank zelfs, in een hoek van den kalen vloer op een hoop smerige lompen Laveuve als een half gecrepeerd dier tusschen een stapel vuil.

“Dat is hij,” zeide Céline met haar zingende stem, “dat is de philosoof.”

Madame Théodore had zich over hem heen gebogen, om te hooren of hij nog leefde.

“Ja, hij ademt, ik geloof, dat hij slaapt. Als hij alle dagen maar wat at, zou hij wel gezond zijn. Maar wat zal ik u zeggen? Hij heeft niemand meer, en wanneer je naar de zeventig loopt, zou het het beste zijn je maar in het water te gooien. Schildersknechts kunnen op hun vijftigste jaar dikwijls al niet meer op ladders staan. Eerst heeft hij nog werk op den beganen grond gevonden. Daarna heeft hij nog geluk gehad werkplaatsen te mogen bewaken. Maar nu is het uit: hij heeft overal gedaan gekregen en nu is hij twee maanden geleden hier in dezen hoek komen neervallen, om er te sterven. De huisbaas heeft hem nog niet op straat durven zetten, ofschoon hij er wel zin in heeft. Wij hier op dezelfde verdieping brengen hem nu en dan wat wijn en een paar korsten brood. Maar hoe kan je, wanneer je zelf niets hebt, aan een ander wat geven?”

Vol ontzetting keek Pierre naar de ruïne, die vijftig jaar van hard werken, armoede en sociale onrechtvaardigheid van een mensch gemaakt hadden. Eindelijk kon hij het witte, afgejakkerde, platgedrukte, misvormde hoofd onderscheiden, den onverzorgden baard, die de gelaatstrekken bedekte, het gezicht als van een oud paard, dat niet meer geroskamd wordt, de wangen, die scheefgetrokken waren, sedert de tanden waren uitgevallen, de glazige oogen, den neus, die over den mond hing, en vooral de uitdrukking van een door het zware werk uitgeput, verlamd en gebroken dier, dat alleen nog maar goed was voor het abattoir.

“De arme kerel!” prevelde de priester rillend. “En men laat hem hier maar alleen en hulpeloos van honger omkomen! Geen hospitaal, geen asyl heeft hem opgenomen!”

“Ach,” antwoordde madame Théodore met haar klagend-berustende stem; “de hospitalen zijn er voor zieken, en hij is niet ziek, hij lijdt alleen maar aan verval van krachten. En bovendien is hij allesbehalve makkelijk, laatst hebben ze hem nog in een asyl willen opnemen, maar hij wil zich niet laten opsluiten, geeft onbeschofte antwoorden aan de personen, die hem wat vragen, afgezien nog van het feit, dat hij den naam heeft te drinken en kwaad te spreken van de bourgeois... Maar Goddank, hij zal spoedig uit zijn lijden verlost zijn!”

Pierre had, toen hij zag, dat Laveuve zijn oogen opende, zich over hem heen gebogen, sprak liefdevol tegen hem, vertelde hem, dat hij hem uit naam van een vriend wat geld brengen kwam om te koopen wat hij het meest noodig had. Bij het zien van de soutane had de oude man eerst scheldwoorden gebromd, maar ondanks zijn groote zwakheid behield hij de spotzucht van den Parijschen arbeider.

“Dan zou ik graag een glas wijn drinken,” zeide hij met een duidelijke stem, “en wanneer er dan genoeg overblijft, een stuk brood, want dat heb ik in geen twee dagen geproefd.”

Céline bood aan het te gaan halen en madame Théodore zond haar uit om voor het geld van abbé Rose een brood en een liter wijn te koopen. Intusschen vertelde zij aan Pierre, dat Laveuve opgenomen had moeten worden in het Asile des Invalides du Travail, een liefdadigheidsinstelling, aan het hoofd waarvan baronesse Duvillard stond; maar het voorgeschreven onderzoek was blijkbaar zoo uitgevallen, dat men de zaak verder had laten rusten.

“Baronesse Duvillard, maar die ken ik,” riep Pierre, wiens hart bloedde, uit. “Ik zal vandaag nog naar haar toe gaan. Men mag een mensch niet langer in een dergelijken toestand laten.”

Toen Céline met het brood en den wijn terugkwam, richtten zij met hun drieën Laveuve op zijn hoop lompen op, hielpen hem met eten en drinken en lieten het overschot van den wijn en het brood—een groot brood van vier pond—bij hem staan met den raad het niet dadelijk op te eten, als hij niet wilde stikken.

“Mijnheer de abbé moest zijn adres maar geven voor het geval ik hem iets moet laten weten,” zeide madame Théodore, toen zij weer voor haar eigen deur stond.

Daar Pierre geen kaartje bij zich had, gingen zij alle drie weer naar binnen. Maar Salvat was daar niet meer alleen. Hij stond heel zacht en heel vlug te praten met een jongen, ongeveer twintigjarigen man. Deze was slank en donkerbruin, had rondgeknipte haren, het begin van een baard, heldere oogen, een rechten neus en magere lippen in een bleek, intelligent en eenigszins sproetig gelaat en een hard, eigenzinnig voorhoofd. Hij rilde van de koude in zijn versleten jasje.

“Mijnheer de abbé wil zijn adres achter laten met het oog op den philosoof,” legde madame Théodore, die het onaangenaam vond hier menschen aan te treffen, uit.

De twee mannen keek eerst den priester en dan elkaar met een vreeselijken blik aan. Plotseling spraken zij geen woord meer. Heel voorzichtig nam Salvat zijn zak met gereedschappen op.

“Ga je weer werk zoeken?”

Hij antwoordde niet, maakte slechts een toornig gebaar, als om te kennen te geven, dat hij niets meer van werk wilde weten, nu het werk zoo lang niets van hem had willen weten.

“Tracht in ieder geval wat mede te brengen, want je weet, dat er niets meer in huis is... Hoe laat ben je terug?”

Met een tweede gebaar antwoordde hij, dat hij terug zou komen als hij kon, misschien heelemaal niet. Ondanks zijn heldhaftige pogingen waren er tranen in zijn blauwe oogen, waarin een vlam brandde. Hij nam zijn dochter Céline op, gaf haar een zoen en ging dan, gevolgd door zijn jongen vriend, met zijn zak onder zijn arm weg.

“Céline,” begon madame Théodore weer; “geef je potlood aan mijnheer den abbé, en ga u hier zitten, mijnheer, dan kunt u makkelijker schrijven.”

Toen, Pierre op Salvat’s stoel voor de tafel was gaan zitten, ging zij, om de onbeleefdheid van haar man te verontschuldigen, voort:

“Hij is niet kwaad, maar hij heeft in zijn leven allerlei beroerdigheden aan zijn kop gehad, en daardoor is hij wat stuursch geworden. Het gaat hem net zoo als den jongen man, dien u daarnet gezien hebt, Victor Mathis. Dat is er ook een, die niet gelukkig is. Het is een zeer goed opgevoede, heel beschaafde man, wiens moeder, een weduwe, net genoeg bezat om droog brood te eten. Enfin, u kunt wel begrijpen, dat dat hun hoofd op hol brengt en zij de heele wereld in de lucht willen laten vliegen. Ik ben het er niet mede eens, maar ik vergeef het hun heel graag!”

Door al het onbekende en vreeselijke, dat hij om zich heen voelde, verontrust en tevens geïnteresseerd, haastte Pierre zich niet om het adres te schrijven en trachtte haar tot verdere vertrouwelijke mededeelingen te verlokken.

“Als u alles eens wist, mijnheer de abbé! Die arme Salvat is een vondeling, zonder vader of moeder; in den beginne heeft hij alles moeten aanpakken, om zijn brood te verdienen. Daarna is hij werktuigkundige geworden en nu is hij, daar sta ik voor in, een knappe, flinke werkman. Maar toen reeds had hij zijn eigen denkbeelden, maakte ruzie, wilde zijn kameraads tot staking aanzetten, zoodat hij nergens kon blijven. Toen hij dertig was, heeft hij de stommiteit uitgehaald met een uitvinder naar Amerika te gaan, die hem daar zoo uitgebuit heeft, dat hij zes jaar later ziek en zonder een sou terugkwam... Nu moet ik u nog vertellen, dat hij met mijn jongste zuster Léonie getrouwd was, die vóór zijn vertrek naar Amerika stierf en hem met de kleine eenjarige Céline achterliet. Ik leefde toen met mijn man Théodore Labitte, een metselaar; en niet om mijzelf te prijzen—maar het hielp niets of ik mij al half blind naaide, hij sloeg me zóó, dat ik voor dood op den vloer liggen bleef. Ten slotte heeft hij mij laten zitten en is er met een jonge meid van twintig jaar van door gegaan, wat me, eerlijk gezegd, meer pleizier dan verdriet deed... En toen Salvat bij zijn terugkomst uit Amerika mij met zijn kleine Céline, die hij mij voor zijn vertrek had toevertrouwd en die mij moeder noemde, alleen terug vond, zijn we als van zelf ook samen gaan leven. Wij zijn niet getrouwd, maar dat komt op hetzelfde neer, niet waar, mijnheer de abbé?”

Toch scheen zij zich er eenigszins over te geneeren, en om te laten zien, dat zij heele nette bloedverwanten had, vertelde zij verder:

“Ik heb niet veel geluk gehad, maar ik heb een andere zuster, Hortense, die met een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot getrouwd is en prachtig op den boulevard Rochechouart woont. We waren met ons drieën uit een tweede huwelijk, Hortense, de jongste, Léonie, die gestorven is, en ik, Pauline, de oudste... Verder heb ik nog een halfbroer Eugène Toussaint, die tien jaar ouder is; ook een werktuigkundige, die nu na den oorlog bij dezelfde firma werkt, in de fabriek van Grandidier, honderd pas verder in de rue Marcadet. Jammer genoeg heeft hij laatst een beroerte gehad... Ik heb heele zwakke oogen, die ik bedorven heb met het tien uur per dag naaien. Nu kan ik zelfs geen verstelwerk meer doen, zonder dat mijn oogen dadelijk beginnen te tranen. Daarom heb ik geprobeerd werkhuizen te vinden, maar dat lukt ook al niet, alles loopt ons tegen. Zoo komt het, dat we aan alles gebrek hebben, dikwijls krijgen we twee of drie dagen niets te eten; neen, we leiden echt het leven van een hond, die zich voedt met wat hij toevallig vindt, en in de twee laatste maanden hebben we met die hevige koude dikwijls gedacht, dat we ’s morgens niet meer wakker zouden worden... Wat zal ik u zeggen? Gelukkig ben ik nooit geweest, eerst mishandeld en geslagen, en nu weggeveegd in een hoek, terwijl ik zelf niet weet waarom ik eigenlijk leef.”

Haar stem was treurig geworden; in haar roode oogen kwamen tranen, en Pierre voelde, dat de brave, willooze, uit het leven eigenlijk reeds verdwenen vrouw haar geheele bestaan beweende.

“O, ik heb heelemaal niet over Salvat te klagen,” zeide zij nog. “Het is een brave kerel; hij droomt er slechts van iedereen gelukkig te maken; hij drinkt niet en hij werkt, wanneer hij kan... Maar dat is zeker, als hij zich minder met politiek bemoeide, zou hij nog meer werk vinden. Je kan niet met je kameraads disputeeren, naar vergaderingen gaan en in de werkplaats zijn. Dat is een gebrek van hem, dat is niet tegen te spreken... Maar dat neemt niet weg, dat hij gelijk heeft als hij klaagt; je kan je zoo’n voortdurenden tegenslag niet voorstellen. Een heilige zou er dol om worden en het is heel goed te begrijpen, dat een arme pechvogel ten slotte er de brui aan geeft... In twee maanden heeft hij nu net één goed mensch getroffen, een geleerde, die daarboven op den heuvel woont, mijnheer Guillaume Froment, die hem wat werk gegeven heeft, zoodat we nu en dan wat soep konden maken.”

Verbaasd den naam van zijn broer te hooren, wilde Pierre nog het een en ander vragen, maar een vreemd gevoel deed hem zwijgen. Hij keek Céline, die met haar ernstig, ziekelijk gezichtje voor hem had staan luisteren, aan, en toen madame Théodore zag, dat hij tegen het kind glimlachte, zeide zij nog:

“Ja ziet u, de gedachte aan de kleine brengt hem buiten zich zelf van woede. Hij aanbidt haar, hij zou iedereen kunnen dooden, wanneer hij haar zonder avondeten naar bed ziet gaan. Zij is zoo lief en ze leert zoo goed op school! Maar nu heeft zij zelfs geen hemd meer, om erheen te gaan!”

Pierre, die eindelijk zijn adres geschreven had, liet een vijffrancsstuk in de hand van het kind glijden en zeide, om dankbetuigingen af te snijden, vlug:

“U weet nu waar u mij vinden kunt, als u mij voor Laveuve noodig hebt. Maar ik zal vanmiddag nog over hem spreken en hoop, dat men hem vanavond nog zal komen halen.”

Madame Théodore luisterde niet meer, maar putte zich uit in zegenwenschen, terwijl Céline, die schrok van de vijf francs in haar hand, mompelde:

“Die arme papa is nog al uitgegaan, om een paar sous te verdienen. Als ik hem eens naliep, om te zeggen, dat we voor vandaag genoeg hebben.”

En de priester, die reeds in de gang was, hoorde de vrouw antwoorden:

“Hij zal al een eind weg zijn. Misschien komt hij wel terug.”

Toen Pierre met kloppende slapen en een met droefheid vervuld hart uit het vreeselijke huis der ellende kwam, zag hij tot zijn verbazing Salvat en Victor Mathis in een hoek van de vuile, als een verpest riool stinkende binnenplaats staan. Zij waren naar beneden gegaan om het in de kamer afgebroken onderhoud voort te zetten. Weer praatten zij zacht en vlug met een vuur, dat ook in hun oogen brandde. Maar zij hoorden het geluid van voetstappen; toen zij den abbé herkenden, zwegen zij plotseling en gaven elkander een stevigen handdruk. Victor ging de richting van Montmartre uit; Salvat weifelde op de manier van iemand, die het noodlot raadpleegt. Dan sloeg hij, het grimmige toeval tegemoet gaande, de rue Marcadet in en liep, zijn mager, moe, hongerig en afgewerkt lichaam oprichtend, met zijn zak onder zijn arm naar Parijs.

Een oogenblik voelde Pierre den lust in zich opkomen hem te zeggen, dat zijn dochtertje hem terugriep. Maar hetzelfde vreemde gevoel van daareven, iets als discretie en angst tegelijk, de zekerheid, dat niets het noodlot tegenhouden kon, had zich weer van hem meester gemaakt. Hij zelf bezat niet meer de kalmte, de ijskoude en wanhopige troosteloosheid van dien ochtend. Toen hij weer in den huiverenden nevel van de straat stond, voelde hij opnieuw zijn koorts, het vuur der barmhartigheid, dat de aanblik van zooveel afschuwelijke en steeds weer nieuwe ellende in hem had doen ontbranden. Neen, neen, er bestond te veel lijden: hij wilde nog strijden, Laveuve redden, een weinig vreugde bereiden aan zooveel arme menschen. Het nieuwe experiment lag in dit Parijs, dat hij zoo mysterieus en zoo angstaanjagend onder de dreigende hand van de onvermijdelijke gerechtigheid had zien liggen. En hij droomde van een heldere, gezondheid gevende en bevruchtende zon, die van de stad het groote, vruchtbare veld zou maken, waaruit de betere wereld van morgen zou opschieten.

II.

Dien ochtend had er, zooals bijna iederen dag, een intiem dejeuner plaats bij de Duvillards: enkele vrienden, die meer zichzelf uitnoodigden dan dat zij uitgenoodigd werden. In dezen killen dooi- en mistdag was het koninklijke hôtel in de rue Godot-de-Mauroy, dicht bij den boulevard de la Madeleine, versierd met de zeldzaamste bloemen, een manie van de barones, die de hooge, weelderige en met de mooiste kunstschatten gevulde vertrekken in warme, geurige serres veranderde, waarin het trieste, vale daglicht van Parijs tot een zachte, streelende liefkoozing werd.

De groote receptiesalons op den rez-de-chaussée zagen uit op de groote binnenplaats; daarvoor lag een klein wintertuintje, waarin steeds twee lakeien in donkergroene livrei met gouden tressen wachtten. Een beroemde schilderijenverzameling, die op millioenen geschat werd, nam de geheele Noordzijde in, terwijl een eeretrap, die even beroemd en even kostbaar was, naar de gewoonlijk door de familie bewoonde vertrekken leidde: een grooten, rooden salon, een kleinen salon in blauw en zilver, een studievertrek, waarvan de muren met oud leder bekleed waren, een lichtgroene, op Engelsche wijze gemeubileerde eetkamer, afgezien nog van de talrijke slaap- en toiletkamers. Het uit den tijd van Lodewijk XIV dateerende hôtel had een voornamen adel bewaard, als had het zich aan den genotzuchtigen smaak van den triompheerenden, sedert een eeuw door de nieuwe almacht van het geld regeerenden smaak, overgegeven en onderworpen.