Part 19
“O Guillaume, jij mag je droom hebben, ik heb mijn wond in mijn borst, die mij weggevreten en bijna leeggehaald heeft. Maar zie je dan niet in, dat je anarchie, dat je droom naar een rechtvaardig geluk, waaraan Salvat met bomaanslagen werkt, de finale waanzin is, die alles wegvagen zal? De eeuw eindigt te midden van puinhoopen. Nu reeds meer dan een maand luister ik naar jullie. Fourier heeft Saint-Simon ten gronde gericht, Proudhon en Comte rukken Fourier om; allen hoopen contradicties en onsamenhangendheden op, laten niets achter dan een chaos, waarin men geen keuze durft doen. Socialistische secten schieten als paddestoelen op; de verstandigste daarvan voeren tot een dictatuur, de andere zijn slechts gevaarlijke hersenschimmen. En aan het einde van zulk een ideeënstorm staat niets dan anarchie, jouw aanslagen, die de oude wereld den genadeslag geven en haar in stof veranderen willen.
“... O, ik heb deze laatste catastrophe, dezen broedermoordwaanzin, den onvermijdelijken klassenstrijd, waarin onze beschaving ten ondergaan moest, voorzien en verwacht. Alles wees erop: de ellende in de laagste, de zelfzucht in de hoogste klassen, het kraken van het oude menschelijke gebouw, dat op het punt staat onder te veel misdaden en al te veel lijden in te storten. Toen ik naar Lourdes ging, wilde ik zien, of de God der eenvoudigen het verwachte wonder wrochten, het geloof der eerste tijden aan het volk, dat door zooveel lijden in opstand kwam, teruggeven zou. En naar Rome ben ik gegaan in de naïeve hoop, daar den nieuwen, voor onze democratieën noodigen godsdienst te vinden, den eenigen godsdienst, die de wereld vrede geven kan door haar terug te brengen tot de broederschap der gouden eeuw. Maar hoe onnoozel was dat van mij! Zoowel hier als daar raakte ik slechts den bodem van het Niets aan.
“Daar, waar ik zoo vurig het heil der anderen hoopte te vinden, verloor ik mijzelf slechts—als een schip, dat recht in het water zinkt, en waarvan nooit meer een wrak teruggevonden wordt. Eén band slechts verbond mij nog met de menschen, de naastenliefde, die op den langen duur misschien de wonden verbinden, heelen en genezen kon; maar dat laatste ankertouw is nu ook doorgesneden: de naastenliefde staat nutteloos en belachelijk tegenover de hooge, verheven gerechtigheid, die zich opdringt, die voortaan niemand meer tegenhouden kan. Het is uit—ik ben in mijn afschuwelijke innerlijke troosteloosheid niets meer dan asch, dan een ledig graf. Ik geloof aan niets, niets, aan niets meer.”
Pierre had zich hoog opgericht en breidde zijn beide armen uit, als wilde hij het Niet van zijn hart en van zijn brein daaruit laten vallen. En tot in het diepst van zijn hart geschokt bij het zien van dezen woesten loochenaar, van dezen wanhopigen nihilist, die zich aan hem openbaarde, ging Guillaume huiverend naar hem toe.
“Wat zeg je daar, Pierre? Jij, dien ik voor zoo vast en zoo rustig in je geloof hield! Jij, de bewonderenswaardige priester, de heilige, dien deze heele parochie vereert? Ik wilde niet met jou over je geloof spreken—en jij loochent alles, gelooft aan niets!”
Weer breidde Pierre langzaam zijn armen in het ledige uit.
“Er bestaat niets—ik heb getracht alles te weten en niets anders gevonden dan de vreeselijke smart over dit Niet, dat mij verplettert.”
“O, Pierre, wat heb je moeten lijden! Droogt de godsdienst dan nog meer uit dan de wetenschap, dat ze je zoo verwoest, terwijl ik nog een oude dwaas vol hersenschimmen gebleven ben!”
Hij nam Pierre’s beide handen en drukte die. Een angstig makend medelijden greep hem aan bij het zien van deze groote, vreeselijke gestalte—deze gestalte van den ongeloovigen priester, die over het geloof van anderen waakte, die in de hautaine droefheid over zijn leugen kuisch en eerlijk zijn dienst waarnam. Hoe moest die leugen op zijn geweten drukken, dat hij op die wijze, in zoo’n débâcle van zijn geheele wezen biechtte! Een maand geleden zou hij het in de dorheid van zijn hoogmoedige eenzaamheid nooit gedaan hebben! Heel veel dingen moesten hem door zijn ziel gegaan zijn, dat hij zoo spreken kon: zijn verzoening met zijn broeder, de gesprekken, die hij iederen avond hoorde, het vreeselijke drama, waarin hij betrokken was, zijn gedachte over den met de ellende strijdenden arbeid, de onbewuste hoop, die de intellectueele jeugd van morgen weer in zijn hart opwekte. Huiverde in zijn overdreven loochening niet een nieuw geloof?
Guillaume begreep hem; hij voelde, dat in zijn broeder, nu hij zijn lang volgehouden, grimmig zwijgen varen liet, een onbevredigde teederheid trilde. Hij liet hem dicht bij het raam op een stoel plaats nemen en ging dan, zonder zijn handen los te laten, naast hem zitten.
“Maar ik wil niet, dat je lijdt, beste jongen. Ik laat je niet meer alleen, ik zal voor je zorgen. Want ik ken je veel beter dan jij jezelf kent. Jij hebt nooit anders geleden dan door den strijd van je hart tegen je rede, en op den dag, dat tusschen deze beide vrede zal zijn, dat je liefhebben zult wat je begrijpt, zal je lijden ophouden.”
En zachter ging hij met een oneindige teederheid voort:
“Kijk eens, onze arme moeder en onze arme vader zetten hun verschrikkelijken strijd in jou voort. Jij was nog te jong, je kon niet alles weten. Ik, ik wist hoe ellendig zij waren—hij ongelukkig door haar, die hem voor een verdoemde hield—zij ongelukkig door hem, wiens ongeloof haar kwelde. Toen een ontploffing hem in deze kamer zelf doodde, heeft zij daarin een straf Gods gezien, is hij het zondige, door het huis ronddwalende spook gebleven! En toch, welk een edel man was hij, welk een goed en groot hart had hij, welk een naar waarheid dorstende arbeider was hij! Hij wilde niets dan liefde en het geluk van allen!... Sedert wij hier ’s avonds zitten, heb ik een gevoel, alsof hij terugkeert; zijn schim omgeeft ons, hij is om en in ons opnieuw ontwaakt. Maar ook zij, de vrome, aan smarten zoo rijke vrouw, herleeft, is steeds om ons, baadt ons in haar liefde, weent en wil ons maar niet begrijpen. Misschien zijn zij het, die mij zoo lang hier gehouden hebben, die ook op dit oogenblik aanwezig zijn, om jouw handen in de mijne te leggen.”
Inderdaad meende Pierre den ademtocht van waakzame teederheid, die Guillaume voor hem opriep, over hen beiden te voelen strijken. Het verleden, hun jeugd herleefde.
“Jij moet ze verzoenen, Pierre, want zij kunnen zich slechts verzoenen in jou. Jij hebt zijn voorhoofd, dat sterk is als een niet in te nemen toren, en je hebt haar mond, haar oogen, vol niet te verwezenlijken teederheid. Tracht ze tot overeenstemming te brengen door dezen eeuwigen honger naar liefde, overgave en leven, waaraan je ten gronde gaat, omdat je hem niet hebt kunnen stillen, eenmaal overeenkomstig je verstand te bevredigen. Jouw vreeselijke ellende heeft geen andere oorzaak. Keer tot het leven terug, heb lief, geef je geheel, wees een man!”
“Neen, neen,” riep Pierre wanhopig uit. “De dood van den twijfel is over mij heen gestreken en heeft alles verdroogd en vernietigd; in dit koude stof kan niets meer herleven. Het is de totale onmacht!”
“Maar zoover, tot zoo’n absolute verloochening kan het toch niet met je gekomen zijn,” ging Guillaume, wiens broederhart bloedde, voort. “Niemand komt zoover, zelfs de meest gedesillussionneerde heeft nog zijn hoekje van chimères en hoop. De naastenliefde, de barmhartigheid, het van de liefde te verwachten wonder loochenen, neen zoover ga ik niet! Maar waarom zou ik, nu je jouw wond voor mij bloot gelegd hebt, jou mijn droom, mijn wanhoopswaanzin, die mij in het leven houdt, niet vertellen? Zullen de geleerden dan de laatste droomende groote kinderen zijn? Zal het geloof weldra alleen nog maar in de laboratoria der chemici opgroeien?”
Een tot het uiterste gespannen ontroering doorschokte hem: een heftige strijd werd in zijn brein en in zijn hart gevoerd; dan overwon de innige liefde voor zijn broeder: hij gaf aan het groote medelijden, dat zich van hem meester gemaakt had, toe en begon te spreken. Maar hij was nog dichter bij Pierre komen zitten, sloeg zijn arm om zijn middel, drukte hem tegen zich aan; en in deze omarming biechtte hij op zijn beurt, terwijl hij zijn stem liet dalen als was hij bang, dat iemand zijn geheim afluisteren zou.
“Waarom zou jij het niet mogen weten? Zelfs mijn zoons weten er niets van, maar jij bent een man, jij bent mijn broeder, en daar je geen priester meer bent, biecht ik aan mijn broer. Daardoor zal ik nog meer van je gaan houden en misschien zal het jou goed doen.”
Toen vertelde hij hem zijn uitvinding, een nieuwe springstof, een kruit van een zóó buitengewone kracht, dat de uitwerking ervan onberekenbaar was. En voor dat kruit had hij een bijzonder oorlogswerktuig, bommen, die door een speciaal vervaardigd kanon weggeslingerd werden en aan het leger, dat er gebruik van zou maken, een verpletterende overwinning verzekerden. Het vijandelijke leger zou in enkele uren totaal vernietigd zijn, de belegerde steden bij het geringste bombardement in stof vallen. Lang had hij gezocht, getwijfeld, berekeningen gemaakt en proeven genomen; maar thans was alles gereed: de juiste formule van het kruit, de teekeningen voor het kanon en de bommen, een kostbaar dossier, dat op een veilige plaats verborgen was. En na maanden van pijnlijk nadenken had hij besloten zijn uitvinding aan Frankrijk te geven, om het de overwinning in den komenden oorlog met Duitschland te verzekeren. Toch voelde hij geen enghartige vaderlandsliefde in zich, integendeel, hij had een zeer breede, internationale opvatting omtrent de toekomstige libertaire beschaving. Maar hij geloofde in de zending van Frankrijk, hij geloofde vooral in Parijs, het brein van de hedendaagsche en toekomstige wereld, waaruit alle wetenschap, alle gerechtigheid ontspruiten zouden. Reeds was bij den sterken adem der Revolutie de idee van vrijheid en gelijkheid uit de wereldstad opgestegen, en ook van haar genie, van haar moed zou de finale bevrijding uit moeten gaan. Parijs moest overwinnen, wilde de wereld gered worden.
Dank zij Bertheroy’s voordracht over de springstoffen had Pierre alles begrepen. De matelooze grootschheid van dit plan, van dezen droom greep hem aan. In het bliksemen en donderen der bommen zou zich voor het overwinnende Parijs een buitengewoon lot openen. Maar ook was hij getroffen door den adel, dien de nu reeds een maand durende angst van zijn broeder in zijn oogen aannam. Deze had slechts gebeefd uit vrees, dat zijn uitvinding door den aanslag van Salvat wereldkundig zou worden. De kleinste indiscretie kon alles in gevaar brengen; zou dat kleine gestolen bommetje, waarover de geleerden zich verbaasden, zijn geheim niet openbaar maken? Hij wilde zijn eigen weg kiezen, want hij voelde de noodzakelijkheid in het geheim te handelen, totdat de dag zou komen. Tot op dat oogenblik zou het geheim rusten in de aan de hoede van Grootmoeder toevertrouwde schuilplaats, van Grootmoeder, die de noodige orders had en wist wat zij te doen had, wanneer hij zelf door een plotseling ongeval verdwijnen zou. Hij verliet zich op haar als op zijn eigen moed, en niemand zou de hand erop leggen, zoolang zij er als zwijgende hoedster over waken zou.
“Nu je mijn hoop en mijn angst kent, zal je me kunnen helpen,” zoo ging Guillaume voort; “zal je mijn plaats kunnen innemen, wanneer ik mijn taak niet tot het einde zou kunnen afmaken... Tot het einde afmaken, tot het einde afmaken! Sedert ik hier opgesloten ben en nadenk en door ongerustheid en ongeduld verteerd word, zijn er uren, dat ik den weg niet duidelijk meer voor mij zie. Die Salvat, die ongelukkige, aan wiens misdaad wij allen schuld hebben en die als een wild dier vervolgd wordt! Die waanzinnige, nooit verzadigde bourgeoisie, welke zich liever zal laten verpletteren door den val van het oude, wankele huis dan de geringste reparatie erin te dulden! Die hebzuchtige, afschuwelijke, voor de kleinen zoo harde, voor de verlatenen zoo beleedigende pers, die geld slaat uit algemeene rampen en bereid is den toch al besmettelijken waanzin aan te wakkeren, ten einde haar oplaag te vertiendubbelen. Waar is de waarheid, de gerechtigheid, de logische, gezonde hand, die men met den bliksem bewapenen moet? Zal het overwinnende, de volkeren beheerschende Parijs de verwachte rechter, de verwachte redder zijn? O, deze angst, wanneer men de meester van het wereldnoodlot meent te zijn, en dan te moeten kiezen, te moeten beslissen!”
Hij was opgestaan; een hevige rilling, woede en vrees, dat zooveel menschelijke ellende de verwezenlijking van zijn droom beletten zou, doorhuiverde hem. En te midden van de diepe stilte, die nu ontstond, dreunde het kleine huisje door een regelmatigen, aanhoudenden stap.
“Ja, de menschen redden, ze liefhebben, ze allen gelijk en vrij willen,” prevelde Pierre bitter. “Hoor, daar heb je boven ons hoofd weer den stap van Barthès! Hij geeft je antwoord uit de eeuwige gevangenis, waarin zijn liefde voor de vrijheid hem geworpen heeft!”
Maar Guillaume had zijn zelfbeheersching weer teruggekregen, ging met de geestdrift van zijn geloof weer terug naar zijn broer en nam als een groote broer, die zich geheel gaf, zijn jongeren broeder in zijn liefderijke, redding brengende armen.
Tranen rezen weer op in de oogen van Pierre; die innige liefde doordrong hem en hief hem op.
“O, wat zou ik je graag gelooven, een genezing beproeven! Het is waar, dat er reeds een onbestemd ontwaken in mij plaats gegrepen heeft. Maar herleven, neen! Dat zou ik niet kunnen; de priester in mij is dood, een ledig graf!”
Een zoo hevig snikken doorschokte hem, dat ook Guillaume’s oogen zich met tranen vulden. Arm in arm, dicht tegen elkaar aangedrukt, weenden de beide broeders lang in dit huis, waarin de vader en de moeder terugkeerden en wederom rondspookten, in afwachting, dat hunne schimmen weer verzoend en aan den vrede der aarde teruggegeven zouden worden. Door de openstaande deur drong het zachte donker van den tuin, terwijl daar in de verte, aan den horizont, Parijs ingeslapen was in de vreeselijke, onbekende duisternis, onder den rustigen, met sterren bezaaiden hemel.
DERDE BOEK
I.
Den Woensdag voor Halfvasten-Donderdag werd er in het hôtel Duvillard ten voordeele van het Oeuvre des Invalides du Travail een groote weldadigheidsbazar gegeven. De receptievertrekken op de rez-de-chaussée, drie groote salons in Louis XIV-stijl, die op de kale, vierkante binnenplaats uitzagen, zouden aan het gewoel der koopers prijsgegeven worden, want er waren, naar men beweerde, vijf duizend kaarten aan alle Parijsche kringen verzonden. Het was een groote gebeurtenis, ja als het ware een manifestatie, dat dit gebombardeerde hôtel de menigte tot binnentreden uitnoodigde, zijn beide deurvleugels wijd openzette, de koetspoort aan voetgangers en equipages prijs gaf. Wel werd er verteld, dat een zwerm politie-agenten de rue Godot-de-Mauroy en naburige straten bewaakte.
Duvillard was op deze grootsche gedachte gekomen en tegenover zijn formeelen wensch had zijn vrouw zich bij al de drukte neergelegd ter wille van de stichting, die zij zoo nonchalant en voornaam presideerde. Den vorigen dag had de Globe in een mooi, door den directeur Fonsègue, den administrateur der stichting, geïnspireerd artikel, den bazar aangekondigd en daarin doen uitkomen hoe edel en edelmoedig dit initiatief der barones was, die haar tijd, haar geld, ja zelfs haar hôtel afstond, na de afschuwelijke misdaad, die het paleis bijna in stof veranderd had. Was dat niet het grootmoedige antwoord van de hoogere klasse op de vloekwaardige hartstochten der lagere? En welk een afdoend antwoord was het voor hen, die de kapitalistische bourgeoisie beschuldigden niets voor de arbeiders, de gewonden en verlamden van de loonklasse te doen!
De deuren van de salons zouden om twee uur opengaan en eerst om zeven uur sluiten: vijf volle uren dus zou de verkoop duren. Maar nog om twaalf uur, toen in de rez-de-chaussée nog niets gereed was en arbeiders en vrouwen de laatste hand legden aan de versiering der “stands” en het uitstallen der artikelen, werd, evenals andere dagen, in de kleine appartementen van de eerste etage een intiem dejeuner gegeven, waaraan enkele huisvrienden genoodigd waren. De drukte had in het huis haar toppunt bereikt, doordat dienzelfden ochtend Sanier in de Voix du Peuple zijn campagne in zake de Afrikaansche sporen weer opgevat had. In venijnige zinnen vroeg hij of men van plan was het publiek nog langer bezig te houden met de geschiedenis van die bom en van dien anarchist, welken de politie niet arresteerde. Ditmaal beschuldigde hij minister Barroux openlijk tweehonderd duizend francs aangenomen te hebben, en beloofde eerstdaags de namen der twee-en-dertig omgekochte senatoren en Kamerleden te zullen publiceeren. Mège zou dus zeker zijn interpellatie, die bij de overspanning, waarin Parijs door den anarchistischen schrik verkeerde, gevaarlijk kon worden, hervatten. Anderzijds vertelde men, dat Vignon en zijn partij tot een uiterste krachtsinspanning besloten waren, om van de omstandigheden gebruik te maken om het ministerie te laten vallen. Alle teekenen voor een onvermijdelijke, vreeselijke crisis waren aanwezig. Gelukkig zat de Kamer dien Woensdag niet; zij had, daar zij de Halfvasten vieren wilde, haar zittingen tot Vrijdag verdaagd. Men had dus twee dagen om zijn maatregelen te nemen.
Eve was dien ochtend nog zachter en kwijnender dan gewoonlijk. Zij was wat bleek, een droeve onrust lag in haar diepe, mooie oogen. Zij wijtte dit aan de waarlijk bovenmatige inspanning, welke de voorbereiding van den bazar van haar gevergd had, maar de waarheid was, dat Gérard haar sedert vijf dagen vermeed en een nieuw rendez-vous ontweek. Daar zij er zeker van was, dat zij hem nu zien zou, had zij het gewaagd zich weer geheel in witte zijde te kleeden, dit jeugdige toilet maakte haar jong; maar hoe mooi zij ook nog gebleven mocht zijn met haar blanke huid, haar prachtige taille, haar edel en bekoorlijk gezicht, toch waren haar zes-en-veertig jaar duidelijk merkbaar aan haar roodachtige tint en het rimpelig worden van haar lippen, haar oogleden en haar fijne slapen. Camille was, hoewel zij natuurlijk een der meest gezochte verkoopsters zijn zou, er hardnekkig bij gebleven een donkerbruine japon aan te trekken, haar oude-vrouwentoilet, zooals zij het met haar bijtend lachje noemde. Maar haar lang, boosaardig geitengezicht straalde van heimelijke vreugde, en haar fijne lippen en groote oogen fonkelden van zooveel geest, dat zij bijna mooi leek en haar mismaakten schouder deed vergeten.
In den kleinen, blauw-zilveren salon, waar zij met haar dochter de gasten ontving, kreeg Eve de eerste teleurstelling, toen zij generaal Bozonnet, die met zijn neef Gérard komen zou, alleen binnenkomen zag. Hij vertelde, dat madame de Quinsac zich bij het opstaan minder goed gevoelde en Gérard als goed zoon bij haar had willen blijven. Maar dadelijk na het dejeuner zou hij naar den bazar komen. Terwijl Eve luisterde en haar angst, dat zij Gérard beneden niet tot een verklaring zou kunnen dwingen, trachtte te verbergen, keek Camille haar met haar verslindende oogen aan. Eve moest op dat oogenblik wel een heimelijk voorgevoel hebben, dat een ongeluk haar dreigde, want zij zag haar dochter ook bleek en onrustig worden.
Dan kwam prinses Rosemonde de Harth als een wervelwind binnenvliegen. Zij zou ook verkoopen in den “stand” van de barones, die haar om haar onstuimigheid en haar vroolijkheid, welke zij steeds met zich bracht, gaarne lijden mocht. Zij droeg een vuurrood zijden japon en zag er met haar kroeshaar en haar jongensachtige magerheid extravagant uit. Lachend, vertelde zij een ongeval, waardoor haar equipage bijna in tweeën gereden was. Toen baron Duvillard en zijn zoon Hyacinthe, zooals altijd te laat, uit hun kamers kwamen, legde zij dadelijk beslag op den jongen man en gaf hem een standje, dat hij haar den vorigen avond tot tien uur vergeefs had laten wachten, ofschoon hij haar stellig beloofd had, dat hij haar mede nemen zou naar een kroeg in Montmartre, waar, naar men beweerde, vreeselijke dingen gebeurden. Met een kwijnende uitdrukking op zijn gelaat antwoordde Hyacinthe, dat vrienden hem hadden opgehouden bij een spiritistische seance, waarop de heilige Thérèse verschenen was, om een liefdessonnet te reciteeren.
Maar Fonsègue kwam met zijn echtgenoote, een magere, stille, onbeteekenende vrouw, met wie hij niet gaarne uitging. Overal kwam hij zonder haar, maar ditmaal had hij haar moeten medenemen, want zij was bestuurslid van de instelling, en hij zelf kwam als administrateur, die zich voor den bazar interesseerde, dejeuneeren. De kleine man met zijn ondanks zijn vijftig jaar nog bruin haar trad op zijn gewone vroolijke, luidruchtige manier binnen; hij droeg zijn gekleede jas met de correctheid van een zakenman, die de zielen, den goeden naam der conservatieve republiek, waarvan de Globe het orgaan was, beschermen moest. Wie hem echter kenden, zagen, dat zijn oogleden onrustig knipten; zijn eerste vragende blik gold Duvillard, blijkbaar wilde hij gaarne weten hoe hij den nieuwen slag van dien ochtend opnam. Maar toen hij zag, dat deze heel kalm grapjes met Rosemonde stond te maken, werd hij zelf ook rustig als een speler, die nooit verloren had, daar hij zelfs in de uren van het verraad het ongeluk steeds had weten te overwinnen. En dadelijk begon hij met de barones over administratieve dingen te spreken.
“Hebt u eindelijk met abbé Froment over dien Laveuve gesproken, dien hij ons zoo warm aanbevolen heeft? Alle formaliteiten zijn nu vervuld; hij kan komen, want we hebben sedert drie dagen een bed vrij.”
“Ja, dat weet ik, maar ik weet niet, wat er van abbé Froment geworden is; in geen maand heeft hij een teeken van leven gegeven. Ik heb hem daarom gisteren geschreven en gevraagd, of hij vandaag op den bazar wil komen. Op die manier kan ik hem persoonlijk de goede tijding mededeelen.”
“Om u die vreugde te laten, heb ik het hem niet langs administratieven weg laten weten. Een charmant priester, vindt u niet?”
“O, heel charmant. Wij mogen hem graag.”
Duvillard mengde zich nu in gesprek om te zeggen, dat ze niet op Dutheil behoefden te wachten, want dat hij een telegram van den jongen afgevaardigde gekregen had, die zich wegens dringende bezigheden verontschuldigde. Fonsègue, die opnieuw een vragenden blik op den baron wierp, werd weer ongerust. Maar deze glimlachte en stelde hem gerust met de half-fluisterend gesproken woorden:
“O, niets bijzonders. Een opdracht van mij, waarover hij mij strakjes antwoord zal komen brengen.”
En hem dan wat ter zijde nemend.
“Tusschen twee haakjes, vergeet het berichtje niet, waarover ik je gesproken heb.”
“Welk berichtje? O, ja, die soirée, waarop Silviane gedeclameerd heeft... Daar wou ik juist over spreken. De lofspraak daarin is wel wat al te erg.”
Duvillard, zooeven nog zoo kalm met zijn veroverende en minachtende manieren, werd nu bleek en door wanhoop aangegrepen.
“Maar ik wil beslist, dat het erin komt, waarde vriend. Je zoudt me in de grootste ongelegenheid brengen, want ik heb het Silviane uitdrukkelijk beloofd.”
In den angstigen blik van zijn oogen en het beven van zijn lippen was de geheele angst te lezen van een ouden, verwenden man, die bereid is het genot, waarvan men hem speent, met iederen prijs te betalen.
“Goed, goed!” zeide Fonsègue, die zich inwendig vroolijk maakte. “Als het zoo ernstig is, dan zal het berichtje erin komen, dat beloof ik u!”