De drie steden: Parijs

Part 18

Chapter 183,838 wordsPublic domain

Na het echec, dat hij bij zijn onderzoekingen in Lourdes en Rome en bij zijn derde poging in Parijs geleden had begreep hij heel goed, dat het ging om den geest der eeuw, om de nieuwe waarheden, om het onverwachte Evangelie, welks prediking het aangezicht der aarde veranderen zou. Van te veel ijver gloeiend, ging hij van de eene overtuiging over tot de andere en verwierp deze weer, om een derde te omhelzen. In den beginne had hij zich met Théophile Morin positivist, met zijn broer Guillaume evolutionnist en determinist, met Bache humanitair communist gevoeld. Zelfs Janzen, die met een zoo woesten trots aan zijn theoretischen droom van een onbeperkt individualisme geloofde, had hem een oogenblik aangetrokken. Maar dan verloor hij den vasten grond onder zijn voeten, had hij nog slechts de tegenspraken, de chaotische onsamenhangendheid van de voorwaarts schrijdende menschheid gezien. Het was niets meer dan een hoop slakken, waarin hij verdwaalde. Het had niets te beteekenen, dat Fourier uitgegaan was van Saint-Simon: hij verloochende hem toch gedeeltelijk, en terwijl de leer van den laatste zich verstarde tot een soort mystiek sensualisme, scheen de leer van den eerste op een niet te aanvaarden inlijvingscodex uit te loopen.

Proudhon haalde alles neer zonder iets op te bouwen. Comte, die de methode schiep en de wetenschap haar plaats aanwees door haar tot de eenige heerscheres te verklaren, had zelfs geen vermoeden van de sociale crisis, welker vloed alles dreigde mede te sleuren, en stierf, door de vrouw ter aarde geworpen, als een illuminaat [9] der liefde. Ook deze beiden traden in den strijd en vochten met de beide anderen; het algemeene conflict en de verblinding waren zóó groot geworden, dat de door hen gemeenschappelijk aangebrachte waarheden erdoor verduisterd, misvormd, onherkenbaar werden. Vandaar de buitengewone verwarring van het oogenblik: Bache met Saint-Simon en Fourier, Théophile Morin met Proudhon en Comte, begrepen niets meer van Mège, den collectivistischen afgevaardigde, vervloekten hem, gingen te keer tegen hem en het staatscollectivisme, zooals zij trouwens tegen alle socialistische secten te keer gingen, zonder er zich rekenschap van te geven, dat deze toch ook van hun meesters uitgegaan waren, wat den verschrikkelijken, ijskouden Janzen in het gelijk scheen te stellen, wanneer hij verklaarde, dat het huis niet meer te herstellen viel, dat het in verrotting en waanzin instortte en met den grond gelijk gemaakt worden moest.

Op een avond dat Pierre, na het vertrek der drie bezoekers, met Guillaume alleen bleef, zag hij, dat deze met een somber gezicht en langzame passen op en neer liep. Hij bleef spreken zonder er zich rekenschap van te geven, dat zijn broeder alleen nog maar naar hem luisterde. Hij betuigde zijn afkeer tegen den collectivistischen Staat van Mège, tegen den dictatuurstaat, die de oude dienstbaarheid nog strenger invoerde. Alle elkaar wederkeerig verslindende socialistische secten zondigden door de willekeurige organisatie van den arbeid, knechtten den individu ten voordeele van de gemeenschap. Daarom was hij er, daar hij de beide groote stroomingen—de rechten der gemeenschap en de rechten van den individu—in één bedding leiden moest, ten slotte toe gekomen, al zijn vertrouwen in het libertaire communisme, in de anarchie te stellen, de anarchie, waarin, zooals hij droomde, de individu bevrijd worden en zich zonder eenigen dwang tot zijn eigen welzijn en dat van anderen ontwikkelen zou. Bestond de eenige wetenschappelijke theorie niet daarin, dat de eenheden de wereld scheppen, dat de atomen door de aantrekkingskracht, de vurige, vrije liefde, het leven verwekken? De onderdrukkende minderheden verdwenen—niets bleef meer over dan het bevrijde spel der capaciteiten en krachten van ieder afzonderlijk, wat op zijn beurt weer leidde tot de harmonie in het al naar gelang van de behoeften en van de werkzaam zijnde krachten der voorwaarts schrijdende menschheid steeds wisselend evenwicht.

Hij stelde zich een volk voor, dat, beschermd tegen de voogdijschap van den Staat, geen meester en bijna geen wet kende—een gelukkig volk, waarin iedere burger afzonderlijk, nadat hij door de vrijheid de volkomen ontwikkeling van zijn wezen verkregen had, het met zijn buurlieden eens werd over de duizenderlei noodzakelijkheden van het leven. Daaruit ontstond de maatschappij, de in vrijheid samenwerkende associatie, ontstonden honderden verschillende associaties, die het sociale leven regelden, maar overigens steeds veranderlijk waren, tegenstrijdige belangen hadden, ja zelfs vijandig tegenover elkander stonden, want vooruitgang kon slechts geboren worden uit conflict en strijd: de wereld was slechts geschapen door den strijd van tegenover elkaar staande krachten. Dat was alles: geen onderdrukkers, geen rijken en armen meer; het gemeenschappelijke gebied der aarde met haar gereedschappen en haar natuurlijke schatten was aan het volk, den rechtmatigen eigenaar, teruggegeven, die er, wanneer niets abnormaals meer zijn ontwikkeling tegenhield, op gezonde en logische wijze van genieten zou.

Dan eerst zou de wet der liefde werken, zou de menschelijke solidariteit, die onder de menschen de levende vorm van de universeele aantrekkingskracht is, haar geheele kracht ontplooien, hen nader tot elkaar brengen en tot een liefderijke familie vereenigen zien. Het was een mooie, zeer edele en zeer reine droom van de volkomen vrijheid, van den vrijen mensch in de vrije maatschappij, waartoe een hoogstaande geest wel komen moest, wanneer hij de andere, geheel door de tyrannie bevlekte, socialistische secten bestudeerd had. De anarchistische droom is ongetwijfeld de hoogste en verhevenste. Welk een zaligheid zich aan de hoop op deze harmonie van het leven over te geven, dat, aan zijn natuurlijke krachten overgelaten, uit zichzelf het geluk scheppen zou!

Toen Guillaume zweeg, scheen hij als uit een droom te ontwaken. Hij keek Pierre eenigszins angstig aan, want hij was bang te veel gezegd en hem gegriefd te hebben. Pierre was ontroerd en een oogenblik als door hem overwonnen; maar dadelijk daarop voelde hij de tegenspraak, de vreeselijke, alle hoop doodende, praktische tegenspraak in zich oprijzen. Waarom had de harmonie niet in de eerste dagen der wereld, bij de geboorte der maatschappij gewerkt? Hoe had de tyrannie, door de volkeren aan de onderdrukkers over te leveren, kunnen triompheeren? En zelfs wanneer men ooit dat onoplosbare probleem alles te verwoesten, om alles opnieuw te beginnen, verwezenlijken kon—wie kon beloven, dat de aan dezelfde wetten gehoorzamende menschheid niet weer denzelfden weg inslaan zou. Per slot van rekening was zij thans dat, wat het leven van haar gemaakt had, en niets bewees, dat het leven haar niet weer tot hetzelfde maken zou. Opnieuw beginnen, o ja! Maar dan voor iets anders! En was dat andere werkelijk in den mensch—moest men den mensch zelf niet veranderen? Ongetwijfeld gaat het langzaam, moet men lang wachten, wanneer men weer uitging van het punt waar men was, om de begonnen evolutie voort te zetten, maar welk een gevaar schuilt erin, welk een vertraging zal het geven, wanneer men terug gaat, zonder te weten langs welken weg men te midden van den chaos der puinhoopen der verloren tijd inhalen moet!

“Laten we naar bed gaan,” zeide Guillaume glimlachend. “Ik lijk wel dwaas, om je lastig te vallen met al die dingen, welke je niets interesseeren.”

Pierre wilde zijn hart voor zijn broeder openen, den vreeselijken strijd, die daarin gevoerd werd, laten zien, maar nog hield een gevoel van schaamte hem ervan terug: zijn broeder kende van hem niets dan de leugen van den geloovigen, aan zijn geloof trouwen priester. En zonder te antwoorden ging hij naar zijn kamer.

Toen Guillaume en Pierre den volgenden avond in de groote studeerkamer zaten te lezen, kwam tegen tien uur de oude dienstbode zeggen, dat Janzen er met een vriend was. Het was Salvat. Alles ging eenvoudig in zijn werk.

“Hij wou je zien,” legde Janzen aan Guillaume uit. “Ik heb hem ergens ontmoet en toen hij hoorde, dat je gewond was en je ongerust maakte, heeft hij mij gesmeekt hem naar je toe te brengen. Maar voorzichtig is anders.”

“Mijnheer Froment,” zei eindelijk Salvat, die er verlegen en beschroomd bij bleef staan; “het heeft mij vreeselijk gespeten, toen ik hoorde in welke onaangenaamheden ik u gebracht heb, want ik zal nooit vergeten hoe goed u eens voor mij geweest bent, toen alle anderen mij de deur wezen.”

Hij wiegelde op zijn eene been, terwijl hij zijn ouden hoed van zijn eene hand in de andere deed.

“Daarom stond ik erop u zelf te zeggen, dat ik bij die heele geschiedenis maar van één ding berouw heb—n.l. dat ik op een avond, toen u u omkeerde, een patroon van u gestolen heb, want dat kan u in moeilijkheden brengen... En ik wil u ook zweren, dat u van mij niets te vreezen hebt, want ik zal me liever twintigmaal laten guillotineeren dan uw naam te noemen... Dat is alles wat ik u zeggen wilde.”

Hij viel weer in zijn verlegen zwijgen terug, terwijl zijn trouwe honde-oogen, zijn droomerige, liefdevolle oogen met een uitdrukking van eerbiedige vereering op Guillaume rusten bleven. Pierre keek hem nog steeds aan; zijn binnenkomen had een vreeselijk visioen voor zijn geest geroepen: het ongelukkige modiste-loopmeisje, het aardige, blonde kind, dat met een opengereten buik onder de koetspoort van het hôtel Duvillard lag. Was het mogelijk, dat die krankzinnige, die moordenaar daar stond en vochtige oogen had?

Ontroerd was Guillaume den man de hand gaan drukken.

“Ik weet heel goed, Salvat, dat je geen slecht mensch bent; maar wat voor een vreeselijke domheid heb je uitgehaald, beste kerel?”

Zacht en zonder boos te worden glimlachte Salvat.

“O mijnheer Froment, als het nog eens gedaan moest worden, zou ik het doen. U weet, dat het nu eenmaal mijn idee is. En ik zeg u nogmaals—afgezien van u is alles in orde. Ik ben tevreden.”

Hij wilde niet gaan zitten, maar bleef nog een oogenblik met Guillaume staan praten, terwijl Janzen, alsof de zaak hem absoluut niet interesseerde, in een boek met platen zat te bladeren. Hij keurde een dergelijk gevaarlijk en onnoodig bezoek af. Guillaume hoorde Salvat uit omtrent wat hij op den dag van den aanslag gedaan had: zijn dolle jacht dwars door Parijs, hoe hij als een geslagen hond rondgedwaald had met zijn bom, die hij eerst in zijn gereedschapstasch en onder zijn boezeroen gestoken had, hoe de koetspoort van het hôtel Duvillard dicht was, hoe de deurwaarders hem belet hadden de Kamer binnen te gaan, hoe hij er bij den Cirque te laat aan gedacht had een hekatombe van bourgeois te offeren, en hoe hij eindelijk, als aangetrokken door de kracht zelf van het noodlot, weer voor het hôtel Duvillard terechtgekomen was. Zijn gereedschapstasch lag op den bodem der Seine; hij had die er in een plotselingen aanval van haat tegen den arbeid, die zelfs niet in staat was hem en de zijnen te voeden, weggeworpen en alleen de bom gehouden, om tevens zijn handen vrij te hebben.

Dan schilderde hij zijn vlucht, de achter hem de geheele wijk schokkende, vreeselijke ontploffing, zijn vreugde en zijn verbazing, toen hij zich heel ver weg in de rustige straten, waar men nog van niets wist, terugvond. Sedert een maand leefde hij nu op goed geluk af, zonder te weten waar en hoe, dikwijls sliep hij onder den blooten hemel, terwijl hij niet alle dagen te eten had. Op een avond had de kleine Victor Mathis hem honderd sous gegeven. Ook andere kameraden hielpen hem, gaven hem een nacht onderdak en lieten hem bij het minste gevaar vluchten. Tot nu toe had een geheele stille medeplichtigheid hem uit de handen van de politie gehouden. Naar het buitenland vluchten? Hij had er wel een oogenblik over gedacht, maar zijn signalement zou natuurlijk overal zijn en aan de grenzen werd op hem geloerd. Zou hij niet juist door een vlucht zijn arrestatie verhaasten? Parijs was een oceaan, nergens liep hij minder gevaar. Trouwens hij bezat noch den wil noch de energie om te vluchten; hij was op zijn manier een fatalist, die niet de kracht in zich voelde Parijs te verlaten en wachtte in den wakenden droom, die hem medevoerde, tot hij gearresteerd zou worden.

“En heb je het gewaagd je dochter, je kleine Céline nog eens op te zoeken?” vroeg Guillaume.

Salvat maakte een onbestemd gebaar.

“Neen, hoe zou ik? Zij is bij moeder Théodore. Vrouwen komen altijd terecht. En bovendien waarom zou ik het doen? Met mij is het uit, ik kan voor niemand iets doen. Het is alsof ik al dood ben.”

Toch kwamen er tranen in zijn oogen.

“De arme kleine! Ik heb haar, vóór ik weg ging, aan mijn hart gedrukt. Als ik haar en die vrouw niet van honger had zien krepeeren, zou ik misschien nooit op de gedachte gekomen zijn.”

Dan zeide hij eenvoudig, dat hij bereid was om te sterven. Hij had de bom bij baron Duvillard neergelegd, omdat hij hem goed kende en wist, dat hij de rijkste van de bourgeois was, wier voorvaderen bij de Revolutie het volk bedrogen hadden door alle macht en al het geld tot zich te trekken. Thans hielden zij het hardnekkig vast, wilden zelfs de kruimels ervan niet teruggeven. Van de Revolutie maakte hij zich op zijn manier een voorstelling, als ongeletterde, die zijn wijsheid uit couranten en volksvergaderingen gehaald had. Hij sprak over zijn eerlijkheid, terwijl hij met zijn vuist op zijn borst sloeg, en duldde vooral niet, dat er aan zijn moed getwijfeld werd, omdat hij ontvlucht was.

“Ik heb nooit iemand bestolen, en wanneer ik me niet bij de smerissen aangeef, dan doe ik dat alleen, omdat ze best de moeite nemen kunnen mij te zoeken en te arresteeren. Er valt aan mijn schuld niet te twijfelen, sedert ze die priem hebben en mij kennen, dat weet ik heel goed. Maar daarom behoef ik nog niet zoo dom te zijn om alles voor hen voor te kauwen. Wanneer het morgen niet is, zal het overmorgen zijn, want ik begin er genoeg van te krijgen als een dier nagezeten te worden en niet meer te weten hoe ik eigenlijk leef.”

Janzen bladerde niet langer in het plaatjesboek, maar keek hem nieuwsgierig aan. Een minachtend glimlachje speelde in zijn koude oogen.

“Je vecht, je verdedigt je, je doodt de anderen en tracht zelf niet gedood te worden. Dat is de oorlog,” zeide hij in zijn stootend Fransch.

Deze woorden vielen in een diep zwijgen. Salvat scheen het niet gehoord te hebben en stamelde in groote phrases zijn geloofsbelijdenis: hij had zijn leven geofferd, om de ellende eindelijk te doen ophouden; hij had het voorbeeld gegeven van een groote daad en was er zeker van, dat andere helden daaruit ontstaan zouden, om den strijd voort te zetten. Maar bij deze volkomen oprechte overtuiging, bij zijn verlossingsdweperij kwam ook de trots martelaar, de vreugde een der stralende en vereerde heiligen der ontstaande revolutionnaire Kerk te zijn.

Zooals hij gekomen was, ging hij weg. Toen Janzen hem medegenomen had, was het alsof de macht, die hem gebracht had, hem ook weer medevoerde in het onbekende donker. Toen eerst stond Pierre op en zette de groote glazen deur van de studeerkamer wijd open; hij had het benauwd en voelde een plotselinge behoefte aan versche lucht. Het was een zachte, maanlooze nacht, waarin slechts het wegstervend lawaai van het aan den rand van den horizont daar in de verte onzichtbaar liggende Parijs opsteeg.

Zooals hij meestal deed, begon Guillaume langzaam op en neer te loopen. Dan sprak hij weer, opnieuw vergetend, dat zijn broeder een priester was.

“De arme kerel! Hoe begrijpelijk is die daad van geweld en hoop. Zijn geheel verleden van nutteloozen arbeid en steeds toegenomen ellende is er een maar al te goede verklaring voor. Daarbij komt nog de besmettelijke kracht der idee, daarbij komen nog de volksvergaderingen, waarin men zich met woorden bedwelmt, de geheime onder-onsjes met kameraden, waarin het geloof versterkt en de geest verhit wordt... Dit is er een, dien ik goed meen te kennen. Hij is een goed, sober, braaf werkman. De ongerechtigheid heeft hem altijd verbitterd. Langzamerhand heeft het verlangen naar geluk hem alle begrip der werkelijkheid doen verliezen, waarvan hij ten slotte een afschuw gekregen heeft. Is het dan zoo te verwonderen, dat hij in den droom leeft, een droom van verlossing, die tot moord en brandstichting overgaat?... Toen ik hem daareven zoo voor mij zag staan, meende ik een van de eerste Christelijke slaven van het oude Rome te zien. De geheele onrechtvaardigheid van de oude heidensche maatschappij, die in doodsstrijd worstelde onder het bederf van geld en ontucht, drukte op zijn schouders, verpletterde hem. Hij keerde uit de katakomben terug, waar hij te midden van het donker met zijn ongelukkige broeders woorden van bevrijding en verlossing gefluisterd had. De dorst naar het martelaarschap verteerde hem, hij spuwde de Caesars in het gelaat, beleedigde de goden, opdat eindelijk de aëra van Jezus een einde maken zou aan de slavernij. En hij was bereid onder de tanden van de wilde dieren te sterven.”

Pierre antwoordde niet dadelijk. Reeds vroeger was het hem opgevallen, dat de geheime propaganda, het militante dogma der anarchisten een zekere overeenkomst met die van de Christelijke sectarissen in den beginne bezaten. Dezen zoowel als genen, wierpen zich in een nieuwe hoop, opdat eindelijk gerechtigheid ten deel vallen zou aan de nederigen. Het heidendom verdween ten gevolge van de uitputting der zinnen, ten gevolge van het vurige verlangen naar iets anders, naar een rein en hooger staand geloof. Deze droom van het Christelijk paradijs, dat het hiernamaals met al zijn compensaties opende, was de nieuwe hoop, die volgens de regelmaat der geschiedenis op het voor haar bestemde uur kwam. Thans, nu achttien eeuwen die hoop uitgeput hadden, nu de lange proef genomen en de eeuwige slaaf gedupeerd was, geeft de arbeider zich weer over aan een nieuwe hoop, om het geluk op deze wereld terug te brengen, want de wetenschap bewijst hem iederen dag meer, dat het geluk in het hiernamaals een leugen is. Laat dit ook weer een illusie zijn, maar moge zij jong en levend in den zin van de veroverde waarheid hernieuwd worden! Het is niets dan de eeuwige strijd van den arme en den rijke, de eeuwige strijdvraag of er meer gerechtigheid en minder lijden heerschen zal. Maar de samenzwering der ongelukkigen is nog altijd dezelfde, nog steeds is het dezelfde mystieke exaltatie, dezelfde waanzin, om een voorbeeld te geven en bloed te vergieten.

“Maar,” zeide Pierre eindelijk, “je kan het toch niet eens zijn met die bandieten, met die moordenaars, wier woeste gewelddaden mij met afgrijzen vervullen. Gisteren heb ik je laten praten, toen droomde je van een groot, gelukkig volk, van de ideale anarchie, waarin ieder wezen bij de vrijheid van alle wezens vrij zal zijn. Maar welk een gruwel, wat komen je verstand en je hart in opstand, wanneer de theorie in propaganda en praktische uitvoering overgaat. Wanneer jij het denkend brein bent—wat voor een vervloekte hand is er dan werkzaam, die kinderen doodt, deuren inslaat en laden leegt? Neem jij die verantwoordelijkheid op je? Komt de mensch, die je bent, je opvoeding, je beschaving, het geheele sociale atavisme, dat je achter je hebt, niet in verzet bij de gedachte aan stelen en moorden?”

Guillaume bleef plotseling rillend voor zijn broeder stilstaan.

“Stelen, moorden! Neen, neen, dat weet ik niet! Maar we moeten alles zeggen, de geschiedenis van het vreeselijk uur, dat wij thans doormaken, vaststellen. Een waanzin waait door de wereld, maar de waarheid is, dat men al het noodige gedaan heeft, om dezen in het leven te roepen. De eerste, nog onschuldige daden der anarchisten zijn zoo gewelddadig onderdrukt, de politie heeft de enkele arme drommels, die in haar handen gevallen zijn, zóó ruw mishandeld, dat langzamerhand een ware woede ontstaan is, die tot de vreeselijke vergeldingsmaatregelen aanleiding gegeven heeft. Denk toch eens aan de vaders, die mishandeld en in de gevangenis geworpen werden, aan de moeders, aan de kinderen, die op de straat van honger crepeerden, aan de krankzinnige wrekers, die iedere op het schavot stervende anarchist achterlaat. De vrees der bourgeois heeft de woestheid der anarchisten in het leven geroepen. En weet je eigenlijk wel, waaruit de misdaad van een Salvat bestaat? Uit onze eeuwen van schaamteloosheid en zonde, uit alles, wat de volkeren geleden hebben, uit al de tegenwoordige kankergezwellen, die ons wegvreten, uit de genotzucht, uit de minachting voor den zwakke, uit het vreeselijke schouwspel, dat onze verrottende maatschappij biedt.”

Hij begon weer op en neer te loopen en ging, als dacht hij hardop, voort:

“Wat heb ik moeten denken, welk een strijd heb ik moeten voeren, om te komen waar ik nu ben! Ik was slechts een positivist, een geleerde, die geheel en al opging in waarnemingen en proeven, die niets toegaf dan het vastgestelde feit. In wetenschappelijk en sociaal opzicht aanvaardde ik de eenvoudige en langzame evolutie, die de menschheid verwekt, zooals het menschelijk leven zelf verwekt is. Toen echter moest ik—eerst in de geschiedenis van den aardbol, dan in die van de maatschappijen—aan den vulkaan, aan den plotselingen ondergang, aan de plotselinge uitbarsting, die iedere geologische phase, iedere historische periode gekenmerkt hebben, een plaats inruimen. Zoo komt men tot de meening, dat nooit een vooruitgang tot stand gekomen is zonder hulp van verschrikkelijke catastrophes. Iedere schrede voorwaarts heeft milliarden levens gekost. Onze beperkte gerechtigheid komt daartegen op; wij noemen de natuur een wreede moeder, maar indien wij den vulkaan ook al niet verontschuldigen, zoo moeten wij hem toch, wanneer hij uitbarst, als van te voren gewaarschuwde geleerden aanvaarden... En dan, en dan... Ach, misschien ben ik ook maar een dweper als de anderen... Ik heb mijn ideeën.”

En met een breed gebaar gaf hij te kennen welk een sociale droomer hij was naast den nauwgezetten, methodischen, tegenover de natuurverschijnselen zoo bescheiden geleerde. Voortdurend was zijn streven erop gericht alles tot de wetenschap terug te brengen en het was zijn grootste verdriet, dat hij niet wetenschappelijk in de natuur de gelijkheid, ja zelfs niet de rechtvaardigheid vaststellen kon, waarnaar hij in maatschappelijk opzicht zoo verlangde. Hij was er wanhopig onder, dat het hem niet gelukken mocht de logica van den man der wetenschap in overeenstemming te brengen met de liefde van den hersenschimmigen apostel. In dat dualisme speelde zijn groot verstand een rol op zichzelf, terwijl zijn kinderhart van algemeen geluk, van broederschap tusschen louter gelukkige volkeren droomde: voortaan zouden er geen misdaden, geen oorlog meer zijn, was de liefde slechts de eenige meesteres der wereld.

Maar Pierre, die naast het groote, open raam was blijven staan en zijn blik gericht hield op Parijs, waaruit het laatste grommen van Parijs opsteeg, werd door den overstroomenden vloed van zijn twijfel in zijn wanhoop medegesleept. Deze broeder, die met zijn geloof van geleerde en apostel in zijn huis gevallen was, deze mannen, die van alle einden der moderne gedachtenwereld hier samen kwamen, om te redetwisten, deze Salvat eindelijk, die de verbittering van zijn waanzinnige daad met zich bracht—dat alles was te veel. Hij, die tot dusverre zwijgend en zonder een gebaar te maken naar allen geluisterd had, die zich voor zijn broeder schuil gehouden had achter de mooie leugen van den priester, hij voelde plotseling zoo’n bitterheid in zijn hart opstijgen, dat hij niet langer liegen kon. En in een uitbarsting van woede en smart ontsnapte zijn geheim hem.