De drie steden: Parijs

Part 17

Chapter 173,895 wordsPublic domain

“Zij vonden mijn engel te menschelijk. En waarachtig, zij hadden gelijk... Een engel is het moeilijkste wat men zich denken kan. Je weifelt reeds omtrent het geslacht—is het een jongen of een meisje? Wanneer bovendien het geloof ontbreekt, dan moet men wel het eerste het beste model nemen en copieeren... Toen ik dezen maakte, trachtte ik mij een mooi kind voor te stellen, waaraan vleugels groeiden en dat door de bedwelming der vlucht in de vreugde der zon omhoog gedragen wordt. Dat heeft hun aanstoot gegeven, zij hebben iets godsdienstigers gewild en toen heb ik dat prutswerk daar gemaakt. Je moet toch leven.”

Met een handgebaar wees hij op een andere maquette, aan de uitvoering waarvan zijn helpers juist begonnen waren: een correcten engel met symmetrischen ganzevleugels, een lichaam, dat noch op een jongen, noch op een meisje geleek, en een banalen kop, welke de door de traditie voorgeschreven onnoozele uitdrukking toonde.

“Wat zal ik je zeggen?” ging hij voort. “Die geheele kerkelijke kunst is tot de afschuwelijkste banaliteit vervallen. Men gelooft niet meer, men bouwt kerken als kazernes, men versiert ze met Onze Lieve Heeren en Madonna’s, waar je bij zoudt kunnen huilen. Het genie kan slechts opbloeien uit den socialen bodem; de groote kunstenaar kan slechts voortkomen uit het geloof van zijn eeuw... Zoo ben ik bijvoorbeeld de kleinzoon van een boer uit Beauce en opgegroeid bij mijn vader, die naar Parijs gekomen is, om zich in de rue de la Roquette als marmerbewerker te vestigen. Ik zelf ben ook als werkman begonnen, mijn geheele jeugd heb ik onder het volk doorgebracht, zonder dat ook maar het denkbeeld bij mij opgekomen is een voet in de kerk te zetten... Wat moet er van de kunst worden in een tijd, die niet meer aan God noch aan de schoonheid gelooft? Men moet wel overgaan tot het nieuwe geloof, en dat is het geloof in het leven, in den arbeid, in de vruchtbaarheid, aan alles wat werk en leven schept...”

Hij viel zich plotseling in de rede, om uit te roepen:

“Zeg, ik heb weer aan mijn beeld der Vruchtbaarheid gewerkt en ik ben er aardig tevreden over... Ga eens mee kijken!”

Hij stond er op hen mede te nemen naar zijn eigen atelier, dat hij dicht bij het huisje van Guillaume had. Men kwam er door de rue du Calvaire, die straat, welke eigenlijk niet meer dan een als een ladder zoo steile, eindelooze trap is. De deur kwam uit op een der kleine portalen en na eenige treden bevond men zich in een groot, met maquetten, pleisterbeelden, schetsen overvuld vertrek. Op een voetstuk stond het beeld der Vruchtbaarheid, waaraan hij bezig was, in vochtige doeken gewikkeld. Toen hij deze eraf genomen had, kwam zij te voorschijn met haar krachtig ontwikkelde heupen, haar buik, waaruit een nieuwe wereld ontstaan zou, haar door de voedende en verlossende gezwollen boezem van echtgenoote en moeder.

“Nou,” riep hij met een gelukkig lachje; “ik zou zoo denken, dat het kind van deze niet zoo’n uitgemergeld en verpieterde jongen zal zijn als de bleeke aesthetici van tegenwoordig en dat hij ook niet bang zal zijn eveneens kinderen te maken!”

Maar terwijl Antoine en François het beeld bewonderden, werd Pierre’s aandacht voornamelijk in beslag genomen door een jong meisje, dat de deur van het atelier voor hen geopend had en dadelijk daarna weer met een vermoeid uiterlijk aan een klein tafeltje in een boek was gaan zitten lezen. Het was Lise, Jahan’s twintig jaar jonger zusje, dat na den dood van haar ouders bij haar broer was komen inwonen. Teer en zwak van gezondheid, had zij een zeer zacht gezicht, dat door prachtig aschblond haar omlijst was. Zij kon zich slechts met moeite voortbewegen en ook haar geest was achterlijk en kinderlijk naïef gebleven. In den beginne had haar broeder er veel verdriet over gehad, maar thans was hij aan haar onnoozelheid gewend geraakt, en daar hij zelf steeds druk in de weer en vol nieuwe plannen was, moest hij haar wel wat verwaarloozen, liet hij haar als een vleiend kind in zijn huis leven, zooals zij dat zelf verkoos.

Pierre had opgemerkt met welk een zusterlijke geestdrift Lise Antoine ontving. En onmiddellijk zag hij, hoe deze, toen hij Jahan met zijn Vruchtbaarheid geluk gewenscht had, naast het jonge meisje ging zitten, zich met haar bezig hield, haar allerlei dingen vroeg en naar het boek, dat zij las, keek. Sedert een half jaar was er tusschen hen een reine, teere band ontstaan. Hij kon haar van uit den tuin van zijn vader op de place du Tertre zien door het groote glazen dak van het atelier, waarin zij haar onschuldig meisjesleven leefde. In den beginne had zij zijn belangstelling opgewekt, omdat hij haar daar altijd alleen, bijna verlaten zag; later, toen hij kennis gemaakt had en haar tot zijn verrukking zoo eenvoudig en bekoorlijk gevonden had, was het hartstochtelijke verlangen in hem opgekomen haar door liefde tot begrip en leven te wekken; hij wilde de geest en het hart zijn, die bevruchten. Wat de broeder niet had kunnen zijn, werd hij voor de teere plant, die zoozeer een zorgvuldige verpleging, zon en liefde noodig had. Reeds was hij erin geslaagd haar te leeren lezen, een taak, waarvoor alle onderwijzeressen teruggeschrikt waren. Zij luisterde naar hem, begreep hem. Haar mooie heldere oogen in haar onregelmatig gelaat werden langzamerhand door een vlam van geluk verlevendigd. Dit was het wonder der liefde: de adem van den jongen geliefde, die zijn geheele wezen gaf, schiep de vrouw. Weliswaar bleef haar gezondheid zoo teer, dat men altijd bang was haar in een zachten zucht te zien verscheiden, ook kon zij nog niet loopen, daar haar voeten te zwak waren, maar zij was niet meer de kleine wilde, het kwijnende bloempje van de vorige lente.

Jahan, vol verbazing over het wonder, was naar de jonge lui gekomen.

“Nu, doet je leerling je geen eer aan? Ze leest al heel vloeiend en begrijpt de mooie boeken, die je voor haar medebrengt, heel goed. Waarachtig, ze leest me tegenwoordig iederen avond voor.”

Zij sloeg haar reine oogen op en keek Antoine met een glimlach van oneindige dankbaarheid aan.

“O, ik zal alles kunnen en alles doen, wat hij mij leert.”

Allen begonnen zachtjes te lachen. Toen de drie bezoekers eindelijk afscheid namen, bleef François voor een maquette, die tijdens het drogen gesprongen was, staan.

“Een mislukt ontwerp,” zeide de beeldhouwer. “Ik wou een Barmhartigheid maken, een bestelling voor de een of andere instelling. Maar al mijn zoeken hielp niets—wat ik vond was zoo banaal, dat ik de klei heb laten barsten. Maar toch zal ik er weer aan dienen te beginnen.”

Weer buiten kwam Pierre op het denkbeeld naar de basilica van den Sacré-Cœur te gaan in de hoop daar abbé Rose te zullen aantreffen. Hij ging dus met de twee broers de rue Gabrielle op en kwam weer op de trappen van de rue Chappe, die zij opliepen. Toen zij boven voor de met haar woud van stellingen in den helderen hemel oprijzende kerk kwamen, vonden zij daar Thomas, die door de rue Lamarck, waar hij aan een gieter een opdracht wou gaan geven, van de fabriek huiswaarts ging.

“Wat ben ik blij,” riep hij, die gewoonlijk zoo stil en in zichzelf gekeerd was, stralend van geluk uit. “Ik geloof, dat ik voor onzen kleinen motor... Zeg aan vader, dat alles goed gaat en dat hij gauw beter worden moet.”

Bij den blijden uitroep hadden François en Antoine zich in een plotselinge, gelijktijdige opwelling tegen hun broeder aangedrukt. Zoo stonden zij daar alle drie tot één dappere groep vereenigd; zij hadden slechts één hart, dat bij de gedachte, dat de vader zich verheugen, dat een goede tijding van hen hem helpen zou weer gauw beter te worden, van één vreugde klopte. Pierre, die ze nu kende, ze op hun waarde schatte en van hen begon te houden, werd diep getroffen door deze drie zoo sprekend op elkander gelijkende kolossen, die zoodra hun kinderliefde opvlamde, zich dadelijk nauwer verwant gevoelden en zoo tot een heldhaftige phalanx vereenigd werden.

“U moet tegen hem zeggen, dat wij op hem wachten en dat wij op het eerste teeken bij hem zullen zijn.”

Alle drie drukten den priester krachtig de hand. En toen hij hen nakeek, terwijl zij zich verwijderden in de richting van het huisje, waarvan de tuin boven den muur van de rue Saint-Eleuthère zichtbaar was, meende hij een fijne silhouette, een blank, door de zon bestraald gezichtje onder een zwarte haarkroon te onderscheiden, ongetwijfeld Marie, die naar het uitloopen der seringen keek.

Onbeweeglijk bleef Pierre op dezelfde plaats staan. De meest tegenstrijdige gevoelens en gedachten maakten zich van hem meester en maakten hem zoo verward, dat het hem onmogelijk was duidelijk in zichzelf te lezen. Nu wendde hij zijn blikken naar de stad. Het onmetelijke Parijs ontrolde zich aan zijn voeten, een in het helder rose van den lenteavond teer en doorzichtig Parijs. De eindelooze huizenzee teekende zich heel duidelijk af, zoodat men de schoorsteenen en de kleine, zwarte strepen der ramen bijna bij millioenen tellen kon. In de stille lucht deden de monumenten aan voor anker liggende schepen denken, aan een op zijn vaart tegengehouden eskader, welks lange masten in de afscheid nemende zon glansden. Nooit nog had Pierre de groote afdeelingen van dezen menschelijken oceaan zoo duidelijk onderscheiden: daar beneden in het Oosten en Noorden de werkstad met de snuivende rookende fabrieken; in het Zuiden, aan de overzijde der rivier, de stille, rustige stad der studie en van den geestelijken arbeid. Daarentegen heerschte de hartstocht van den handel overal, voornamelijk echter in het centrum, terwijl in het Westen, in den langzamerhand bloedrooden brand der ondergaande zon, de stad der gelukkigen en der machtigen haar ophooping van paleizen uitbreidde.

Toen voelde Pierre uit de diepte van het Niet, waarin hij door het verlies van zijn geloof gevallen was, de heerlijke frischheid, de nog onduidelijke komst van een nieuw geloof opstijgen. Zelfs zijn verwachtingen zou hij niet onder woorden hebben kunnen brengen, maar reeds te midden van de ruwe fabrieksarbeiders was het handwerk hem ondanks de ellende en de vreeselijke onrechtvaardigheid, waartoe het leidde, als iets noodzakelijks en verlossends toegeschenen. En zie, nu had de intellectueele jeugd, die hij opgegeven had, die generatie van morgen, welke naar zijn meening verdorven in de dwaling en in de vroegere verrotting teruggevallen was, zich vol mannelijke beloften aan hem geopenbaard, vast besloten het werk der ouderen voort te zetten en door de wetenschap de waarheid en de gerechtigheid te veroveren.

V.

Het was nu reeds ruim een groote maand geleden, dat Guillaume naar zijn broer in het kleine huisje van Neuilly gevlucht was. Daar zijn pols zoo goed als genezen was, kon hij al geruimen tijd opstaan en uren lang in den tuin zitten. Maar hoe graag hij ook naar Montmartre terug wilde, om de zijnen weer te zien en zijn werk weer te hervatten, toch deden de berichten uit de couranten hem iederen ochtend zijn vertrek weer uitstellen. De toestand bleef altijd en eeuwig dezelfde: de politie verdacht nu Salvat, had hem een avond bij de Halles gezien, maar dan weer uit het oog verloren: ieder oogenblik kon hij echter gearresteerd worden. Wat zou er gebeuren; zou hij spreken, zouden nieuwe huiszoekingen volgen?

Een week lang hadden de couranten zich met niets anders bezig gehouden dan met de onder de koetspoort van het hôtel Duvillard gevonden priem. Alle Parijsche reporters hadden de fabriek Grandidier bezocht, de arbeiders en den patroon ondervraagd, teekeningen gegeven. Sommigen gingen zelfs zoover persoonlijk op onderzoek uit te gaan, om zelf de hand op den schuldige te leggen. Men maakte grappen over de onmacht der politie; er was een heele hartstocht ontstaan voor deze jacht op dien man; de dagbladen stonden vol van de meest ongerijmde phantasieën, de schrik verdubbelde zich, want er was met nieuwe bommen gedreigd; Parijs zou zeker op een goeden dag in de lucht vliegen. De Voix du Peuple verzon iederen dag een nieuw sensatieverhaal; dreigbrieven, bedreigingen met brandstichting, wijdvertakte en duistere samenzweringen. Nog nooit was een zoo belachelijke besmetting van waanzin over een stad gestreken.

Van af zijn wakker worden wachtte Guillaume met een koortsachtig ongeduld op de couranten en beefde ieder oogenblik bij de gedachte, dat hij de arrestatie van Salvat zou lezen. De heftige campagne, die de bladen voerden, de domheden en de wreedheden, die hij erin vond, brachten hem buiten zichzelf, het wachten maakte hem zenuwachtig-overspannen. Men had het net op goed geluk af over de geheele in den reuk van anarchie staande schaar dichtgetrokken en verdachten gearresteerd—fatsoenlijke arbeiders en bandieten, dwepers en nietsdoeners. Het was het vreemdsoortigste samenraapsel, dat de rechter van instructie Amadieu in een reusachtigen bond van misdadigers trachtte te veranderen. Op een ochtend las Guillaume zelfs zijn naam, die genoemd werd naar aanleiding van een huiszoeking bij een talentvol revolutionnair journalist, met wien hij bevriend was. Zijn hart klopte van woede, maar was het niet voorzichtiger nog wat geduldig in het kleine asyl te Neuilly te blijven, daar de politie ieder uur het huisje in Montmartre kon binnenvallen en hem daar, als zij hem er vond, arresteeren?

In dezen voortdurenden angst leidden de beide broers een stil en eenzaam leven. Ook Pierre vermeed het nu uit te gaan en bleef geheele dagen thuis. Men was nu in het begin Mei; de vroeg ingevallen lente gaf aan den tuin een jeugdige bekoring en een heerlijke warmte. Maar bij voorkeur had Guillaume, zoodra hij op mocht staan, zijn tenten opgeslagen in het vroegere, thans als een groote studeerkamer ingerichte laboratorium van hun vader. Alle papieren en alle boeken van den beroemden scheikundige bevonden zich daar nog, en de zoon had er pas begonnen studies ontdekt, waarvan de opwindende lezing hem van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat boeide; en zonder dat hij het zich bewust was, verdroeg hij alleen door dat werken geduldig zijn vrijwillige opsluiting. Ook Pierre las het grootste gedeelte van den tijd; maar hoe dikwijls sloeg hij zijn oogen van het boek op en ging hij geheel op in zijn overpeinzingen, in het Niet, waarin hij steeds weer terugviel. Uren lang konden de twee broers zonder een woord te zeggen en gehuld in een diepe stilte zoo tegenover elkaar zitten. Toch bezaten zij het bewustzijn, de gelukkige en vertrouwen gevende zekerheid, dat zij samen waren. Dikwijls ontmoetten hun blikken elkaar, wisselden zij een glimlach, zonder er behoefte aan te gevoelen op een andere wijze tegen elkaar te zeggen hoe zij weer van elkaar begonnen te houden. De innige en warme toegenegenheid van vroeger bloeide weer in hen op, zij voelden het oude huis van hun kindsheid, hun vader en hun moeder in de rustige lucht, die zij inademden, herleven. De groote glazen deur zag uit op den tuin en op Parijs, en zij ontwaakten slechts uit hun lezen en hun lang gepeins, om, dikwijls ongerust, te luisteren naar het verre gerommel of het luidere lawaai van de groote stad.

Menigmaal braken zij midden in hun gesprek af, wanneer zij iemand boven hun hoofden heen en weer hoorden loopen. Het was Nicolas Barthès, die, sedert Théophile Morin hem op den avond van den aanslag had medegebracht, zijn onderdak niet meer verlaten had. Hij kwam zelden beneden, waagde zich nauwlijks in den tuin, uit vrees, naar hij zeide, dat men hem uit een huis in de verte, waarvan de ramen door een boomgroep gemaskeerd werden, zien en herkennen zou. Deze angst van den ouden samenzweerder voor de politie kon een glimlachje verwekken, terwijl dat als een ijsbeer heen en weer loopen, dat hardnekkige wandelen van den eeuwige gevangene, die voor de vrijheid van anderen twee derden van zijn leven in alle kerkers van Frankrijk doorgebracht had, aan het kleine huisje iets roerends melancholiek gaf: het was als het ware het rhythme van het goede en mooie, van alles, waarop men hoopte en wat ongetwijfeld nooit komen zou.

Bezoeken kwamen de eenzaamheid der beide broeders slechts weinig storen. Sedert de wond van Guillaume dichttrok, liet ook Bertheroy zich minder zien. Een geregeld bezoeker bleef Théophile Morin, wiens bescheiden belletje om den anderen dag ’s avonds op hetzelfde uur weerklonk. Hij had voor Barthès, ofschoon hij diens denkbeelden niet deelde, de vereering, die men voor een martelaar pleegt te hebben. Hij ging dan altijd een uur naar boven, maar zij praatten blijkbaar niet, want geen geluid drong uit de kamer door. Wanneer hij een oogenblik in het laboratorium kwam zitten, werd Pierre steeds getroffen door zijn uitdrukking van groote moeheid, zijn aschgrauwen baard en haar, zijn uitgeteerd gelaat. Slechts wanneer er over Italië gesproken werd, vlamden zijn oogen als gloeiende kolen op. Op een dag, dat hij den naam van Orlando Prada, den grooten patriot, zijn krijgsmakker in de legendarische expeditie der Duizend hoorde noemen, werd Pierre diep getroffen door den vurigen geestdrift, die op zijn dood gelaat verscheen. Doch dat waren slechts korte bliksemstralen van vreugde, want weldra kwam de oude professor weer te voorschijn, vond men in hem slechts den landgenoot en vriend van Proudhon terug, die later een trouwe leerling van Auguste Comte geworden was. Van Proudhon had hij den opstand van den arme tegen den rijke, den vurigen drang naar een rechtvaardiger verdeeling van den rijkdom gehouden.

Maar de nieuwere tijden vervulden hem met angst en beven; noch zijn doctrines, noch zijn temperament deden hem iets voelen voor de revolutionnaire middelen. Comte had hem een onwankelbare zekerheid in intellectueele wetten gegeven; hij hield zich aan de logica, aan de heldere, besliste methode van het positivisme, dat alle menschelijke kennis als het ware hiërarchiseert, de onnoodige metaphysische methoden verwerpt en overtuigd is, dat het menschelijke, sociale en religieuze probleem slechts door de wetenschap opgelost kan worden. Maar bij al zijn bescheidenheid, bij al zijn geresigneerdheid ontbrak aan dat steeds onwankelbaar gebleven geloof niet een zekere bitterheid, want niets scheen op redelijke wijze zijn doel tegemoet te gaan: Comte zelf was ten slotte bij de meest verwarrende mystiek terecht gekomen, de groote geleerden werden bij het zien der waarheid door angst aangegrepen, de barbaren bedreigden de wereld met een nieuwe macht, wat hem in politiek opzicht bijna reactionnair maakte; bij voorbaat legde hij zich neer bij de komst van een dictator, die wat orde in den chaos brengen zou, opdat de opvoeding der menschheid verder zou kunnen gaan.

Andere bezoekers waren nog Bache en Janzen, die steeds samen kwamen en altijd heel laat in den avond. Soms bleven zij tot twee uur in den ochtend met Guillaume in de groote studeerkamer zitten praten. De dikke, vaderlijke Bache met zijn in de sneeuw van zijn baard- en hoofdhaar schuilgaande oogen, sprak langzaam, zalvend en eindeloos, zoodra hij aan een uiteenzetting van zijn denkbeelden begon. Hij had slechts eerbied voor Saint-Simon, den baanbreker, die het eerst de wet van de noodzakelijkheid van den arbeid, al naar gelang van ieders krachten, opgesteld had. Maar zijn stem klonk ontroerd, wanneer hij sprak over Fourier. Dat was de ware verwachte Messias van den modernen tijd, de Verlosser, die het goede zaad der komende wereld uitgestrooid had, door voor de maatschappij van morgen, zooals zij zonder eenigen twijfel tot stand komen zou, regelen achter te laten. De wet der harmonie was uitgevaardigd, de eindelijk bevrijde en gezond toegepaste hartstochten zouden het raderwerk ervan, de aantrekkelijk geworden arbeid de levensfunctie worden. Niets ontmoedigde hem: indien slechts één gemeente een phalanstère [6] vormde, dan zou weldra het geheele departement, vervolgens de omliggende departementen, eindelijk geheel Frankrijk volgen. Hij aanvaardde zelfs het werk van Cabet, wiens Icaria [7] nog niet zoo heel dwaas was.

Hij herinnerde dan aan de motie, die hij in 1871, toen hij in de Commune zat, voorgesteld had, om de denkbeelden van Fourier toe te passen op de Fransche Republiek, en hij scheen overtuigd te zijn, dat de troepen van Versailles, door de communistische gedachte in het bloed te verstikken, den triomf van het communisme een halve eeuw vertraagd hadden. Wanneer er tegenwoordig sprake was van dansende tafels, dwong hij zich tot een lachje, wat niet belette dat hij in den grond der zaak een verstokte spiritist gebleven was. Sedert hij lid van den gemeenteraad was, zwenkte hij van de eene socialistische secte naar de andere, al naar mate zij min of meer zijn oude overtuiging naderden. Hij ging geheel op in dien drang naar geloof, in die kwellende begeerte naar het goddelijke, die hem, nadat zij hem eerst God uit de kerken hadden doen verjagen, dezen nu in den poot van het een of andere meubelstuk zoeken lieten.

Janzen daarentegen was even stil als zijn vriend Bache praatziek. Nu en dan liet hij een korten zin hooren, maar deze striemde als een geeselslag, was scherp als een dolk. Zijn ideeën en theorieën bleven daardoor dan ook duister, te meer daar de moeite, die het hem kostte zich in het Fransch uit te drukken, alles wat hij zeide, in een soort nevel hulde. Hij kwam uit verre streken—een Rus, een Pool, een Oostenrijker, een Duitscher misschien—niemand kon het met zekerheid zeggen. In ieder geval was hij een vaderlandslooze, die zijn droom van bloedige broederschap overal met zich ronddroeg. Wanneer hij met zijn bleeken, blonden Christuskop een van zijn verschrikkelijke woorden, met een ijzige koude en zonder een gebaar, van zijn lippen vallen liet, sprak daaruit nooit iets anders dan de noodzakelijkheid om de volkeren uit te roeien en de aarde met een jong en beter volk te bezaaien. Bij iedere meening van Bache, dat de arbeid door politieverordeningen aangenaam gemaakt, de phalanstère als een kazerne georganiseerd, de godsdienst als een pantheïstisch of spiritistisch deïsme hervormd moest worden, haalde hij medelijdend zijn schouders op.

Waartoe dergelijke beuzelarijen, dergelijke huichelachtige oplapperijen, wanneer het huis ineenstortte en de eenige eerlijke uitweg was om het naar den grond te werpen, ten einde het flinke huis met nieuw materiaal opnieuw te kunnen opbouwen? Over de propaganda door de daad, door bommen, bewaarde hij het stilzwijgen, maakte hij slechts een gebaar vol oneindige hoop. Blijkbaar keurde hij die goed. De legende, die van hem een der daders van den aanslag te Barcelona maakte, verlichtte zijn verleden met den glans van een vreeselijken roem. Toen Bache op een goeden dag over zijn vriend Bergaz, den reeds in een diefstal gecompromitteerden coulissier [8], sprak en hem eenvoudig voor een bandiet uitmaakte, glimlachte Janzen slechts even en zeide op zijn kalme manier, dat diefstal een gedwongen restitutie was. En in dien beschaafden, verfijnden man, wiens geheimzinnig leven misschien misdaden, maar geen enkele lage, gemeene handeling verborg, voelde men een onverzoenlijken, koppigen theoreticus, die vast besloten was voor den triomf der idée de wereld in brand te steken.

Wanneer op sommige avonden Théophile Morin in het huisje te Neuilly Bache en Janzen vond en zij met Guillaume tot heel laat in den nacht bleven praten, zat Pierre in zijn donker hoekje onbeweeglijk naar hen te luisteren, zonder ooit aan de discussies deel te nemen. In den beginne had hij er zich hartstochtelijk voor geïnteresseerd als iemand, die, krankzinnig gemaakt door zijn behoefte aan waarheid en gemarteld door zijn twijfel, erover dacht de balans van de denkbeelden der eeuw op te maken en alle, die tot stand gekomen waren, te bestudeeren, om daaruit den doorloopen weg, de verkregen voordeelen af te leiden. Maar dadelijk bij de eerste stappen schrikte hij terug, toen hij ze alle vier met elkander hoorde redetwisten, zonder dat een verzoening mogelijk was.