Part 15
“Ik heb het geprobeerd, maar het wou niet lukken.”
Langzamerhand kwam madame Toussaint’s goed hart weer boven en werd bij het zien van die groote ellende geroerd. Zij vroeg haar te gaan zitten en zeide, dat zij haar wat geven zou, als Toussaint een voorschot meebracht. Dan begon zij haar geschiedenissen te vertellen, want zoodra er iemand was om te luisteren, kon zij haar kletszucht niet bedwingen. Het onvermijdelijke verhaal, waarop zij weer terugkwam, dat zij steeds opnieuw begon, waarbij zij altijd weer in geestdrift geraakte, was de geschiedenis van haar zoon Charles, van het dienstmeisje van den wijnhandelaar, waarmede hij zoo dom geweest was naar bed te gaan, en van het kind, dat hij bij haar had. Voor Charles soldaat werd, was hij een heel ijverig werkman en een goed zoon geweest, die altijd zijn geheele loon thuis bracht. Zeker hij was een goed werkman gebleven, maar de lust tot werken was toch wel eenigszins verdwenen door den dienst. Niet dat hij ernaar terug verlangde, want hij sprak over de kazerne als over een gevangenis, maar de gereedschappen wogen nu eenmaal zwaarder in zijn hand, toen hij ze weer moest opnemen.
“Ach ja, Charles mag zoo aardig en lief voor ons zijn, als hij wil, maar financieel kan hij niets meer voor ons doen. Ik wist, dat hij volstrekt geen zin had om zoo gauw te trouwen om de lasten, die het meebrengt. En bovendien is hij zeer voorzichtig met meisjes. En nu moest die stommiteit gebeuren—die Eugénie, die hem bediende, wanneer hij aan den overkant een borrel ging drinken. Natuurlijk deed hij het niet, om met haar te trouwen, maar toch bracht hij haar sinaasappelen, toen zij in het ziekenhuis bevallen is. Een echte slet, die er al eens met een anderen man van door geweest is... Maar het kind is en blijft er. Charles heeft het bij een min op het land gedaan en betaalt het kostgeld. Een echte ruïne voor ons, telkens weer nieuwe onkosten. In het kort, alle ongelukken zijn tegelijk op ons hoofd neergekomen.”
Madame Toussaint was zoo al een half uur aan het spreken, toen zij plotseling ophield, want zij zag madame Théodore bleek worden van het wachten.
“Begin je ongeduldig te worden? Toussaint zal wel dadelijk thuis zijn. Willen we misschien naar de fabriek gaan?”
Zij besloten te gaan, maar zij bleven onder aan de trap nog wel een kwartier staan praten met een buurvrouw, die pas een kind verloren had. Eindelijk verlieten zij het huis, toen een stem haar terugriep.
Het was Céline, die nieuwe schoenen aan had en gulzig in een broodje hapte.
“Moeder, moeder, dat is de abbé van den laatsten keer... Kijk eens wat hij voor mij gekocht heeft!”
Toen madame Théodore de schoenen en het broodje zag, begreep zij alles. Zij begon te beven en dank te stamelen, toen Pierre, die de kleine volgde, haar aansprak. Madame Toussaint kwam ook dadelijk naderbij, stelde zich voor, maar vroeg toch niets voor zichzelf, blij als zij was om het buitenkansje van haar schoonzuster, die het nog zooveel moeilijker had dan zij. Toen zij zag, hoe de priester deze laatste tien francs in haar hand drukte, zeide zij, dat zij graag wat geleend zou hebben, maar dat zij het onmogelijk kon, en begon dan weer het verhaal over de beroerte van Toussaint en Charles’ ongeluk.
“Zeg moeder,” viel Céline haar in de rede, “de fabriek, waar vader gewerkt heeft, is immers hier in de straat. Mijnheer de abbé moet er een boodschap doen.”
“De fabriek van Grandidier?” vroeg madame Toussaint. “Daar gaan we juist naar toe, we zullen mijnheer den abbé den weg wel wijzen.”
Het was een honderd pas verder. Pierre liep met de twee vrouwen en het kind wat langzaam, daar hij trachten wilde madame Théodore over Salvat aan het praten te krijgen.
Maar dadelijk werd zij voorzichtig. Zij had hem niet meer teruggezien, hij moest met een kameraad voor werk naar België gegaan zijn. De priester meende daaruit te moeten opmaken, dat Salvat het niet gewaagd had naar de rue des Saules terug te komen; zijn aanslag deed alles ten gronde gaan: het verleden vol werk en hoop, het heden met vrouw en kind.
“Kijk, mijnheer, daar hebt u de fabriek,” zeide madame Toussaint. “Mijn schoonzuster behoeft niet meer te wachten, nu u haar zoo flink geholpen hebt... Ik dank u uit haar en uit onzen naam.”
Madame Théodore en Céline bedankten ook en bleven kijken hoe Pierre de fabriek binnenging. Er waren toch ook wel aardige en goede priesters, vonden zij.
De fabriek Grandidier besloeg een groote ruimte. Aan de straatzijde zag men slechts een gebouw van baksteen met smalle vensters en een groote deur, waardoor men op een diepe binnenplaats keek. Dan volgde een rij afzonderlijke gebouwen, werkplaatsen, loodsen en tallooze daken, waarboven twee groote schoorsteenen uitstaken. Dadelijk bij het binnenkomen hoorde men het trillen van de machines, het doffe lawaai van den arbeid, de geheele ijverige, onrustige oorverdoovende bezigheid, waaronder de grond zelfs beefde.
Thans vervaardigde de fabriek voornamelijk rijwielen. Toen Grandidier, die leerling van de École des arts et des métiers te Châlons geweest was, haar overnam, stond de fabriek heel wankel; zij werd slecht bestuurd en was stil blijven staan bij het maken van motoren met behulp van verouderde machines. Grandidier, een man met een vooruitzienden blik, had zijn ouderen broeder, die administrateur aan den Bon Marché was, als vennoot genomen en nam aan dezen uitstekende rijwielen voor honderdvijftig francs te leveren. Op die wijze ontstond er een levendige handel: de Bon Marché lanceerde het populaire rijwiel de Lisette, het “rijwiel voor allen”, zooals de annonces zeiden. Maar Grandidier streed nog steeds, hij had de overwinning nog niet behaald, want door de geheel nieuwe inrichting der fabriek had hij zich diep in de schuld moeten steken. Iedere maand kwam er een vernieuwing, een vereenvoudiging, die groote bezuinigingen aanbracht. Voortdurend hield hij zijn oogen open en hij droomde er nu van weer tot de kleine motoren terug te keeren, daar hij den nabijen triomf der automobielen voorzag.
Pierre, die Thomas Froment te spreken gevraagd had, werd door een ouden werkman naar een kleine, houten werkplaats gebracht, waar hij den jongen man in werktenue en met door ijzervijlsel zwart geworden handen vond. Hij was bezig een machinedeel pasklaar te maken en niemand zou in dezen zoo aandachtig en dapper zijn zwaar werk verrichtenden kolos den schitterenden leerling van het lycée Condorcet vermoed hebben, waar de drie broeders den naam Froment beroemd gemaakt hadden. Maar als vertrouwde medewerker van zijn vader wilde hij niets anders zijn dan de hamerende arm, de uitvoerende kracht. Hij was sober, geduldig, stil, had zelfs geen maîtresse, zeide, dat hij later, wanneer hij een goede vrouw ontmoette, wel trouwen zou.
Toen hij Pierre zag, werd hij ongerust, liet hij zijn werk in den steek, vloog naar hem toe.
“Vader is toch niet erger?”
“Neen, neen... Hij heeft in de courant gelezen van de priem, die gevonden is in de rue Godot-de-Mauroy en heeft zich toen ongerust gemaakt bij de gedachte, dat er hier een huiszoeking zou kunnen plaats vinden.”
Gerustgesteld, glimlachte Thomas.
“Zeg maar aan vader, dat hij gerust kan slapen. In de eerste plaats ben ik nog niet zoo ver als ik wel graag willen zou. En bovendien is hij nog niet gemonteerd. De afzonderlijke deelen heb ik thuis en eigenlijk weet niemand precies wat ik hier doen kom. De politie mag komen zoeken, zij zal niets zien, ons geheim loopt geen gevaar.”
Pierre beloofde die woorden letterlijk aan Guillaume over te brengen, om hem van iedere vrees te bevrijden. Toen hij echter Thomas trachtte uit te hooren, om te weten hoe het met de zaak stond, wat men in de fabriek over den gevonden priem dacht en of men al vermoeden begon te krijgen op Salvat, werd Thomas weer gesloten en gaf slechts eenlettergrepige antwoorden. Was de politie nog niet geweest? Neen. Maar de werklui hadden toch zeker wel den naam van Salvat genoemd? Dat natuurlijk wel, want iedereen kende zijn anarchistische denkbeelden. En wat had Grandidier gezegd, toen hij van den rechter van instructie terugkwam? Hij wist het niet, had hem nog niet gezien.
“Maar daar is hij juist... De arme man, zijn vrouw heeft vanmorgen weer een aanval gehad!”
Dat was een treurige geschiedenis, die Pierre reeds van Guillaume gehoord had. Grandidier had uit liefde een buitengewoon mooi meisje getrouwd, dat tengevolge van het verlies van een jongetje en kraamvrouwenkoorts sedert vijf jaar krankzinnig was. Hij had er niet toe kunnen overgaan haar in een gesticht te doen, maar was met haar blijven wonen in een paviljoen, waarin de ramen, die op de binnenplaats uitzagen, steeds gesloten bleven. Nooit zag men haar, nooit sprak hij met iemand over haar. Men vertelde, dat zij als een zacht, meegaand kind en nog heel mooi was met haar prachtig blond haar. Doch meermalen had zij vreeselijke aanvallen, moest hij met haar worstelen, haar urenlang in zijn beide armen houden, opdat zij haar hoofd niet tegen de muren te pletter loopen zou. Men hoorde dan vreeselijk gegil, waarna even later alles weer in een doodelijke stilte terugviel.
Op dat oogenblik kwam Grandidier, een knappe veertiger met een energiek gezicht, een dikke snor en heldere oogen, de kleine werkplaats, waar Thomas bezig was, binnen. Hij hield veel van dezen laatste en had hem zijn leertijd verlicht door hem als zijn zoon te behandelen. Thomas mocht komen werken als hij lust had en zooveel gebruik maken van de machines als hij zelf wilde. En hoewel Grandidier heel goed wist, dat hij zich voornamelijk bezighield met kleine motoren, waarin hij zelf ook zoo’n groote belangstelling toonde, legde hij de grootste discretie aan den dag en wachtte rustig zonder te vragen.
Thomas stelde den priester voor.
“Mijn oom, abbé Pierre Froment, die eens naar me komt kijken.”
De gewone beleefdheidsphrases volgden.
“Zeg eens, Thomas,” zeide hij dan; “ik heb je mijn onderhoud met den rechter van instructie nog niet verteld. Wij staan daar goed aangeschreven, anders hadden we al de smerissen van de prefectuur al op ons dak gehad. Ik moest hem verklaren, hoe die met mijn naam gemerkte priem in de rue Godot-de-Mauroy gevonden kon zijn. En ik heb heel goed begrepen, dat hij dacht, dat de dader van den aanslag hier had moeten werken... Ik heb dadelijk aan Salvat gedacht. Maar ik verklik niemand. Hij heeft mijn werkboekje. Ik heb hem over Salvat alleen verteld, dat hij verleden jaar herfst drie maanden in de fabriek gewerkt heeft en zich daarna niet meer heeft laten zien. Laat hij hem nu maar gaan zoeken!... O, die rechter! Een blond, zeer gesoigneerd, mondain mannetje, dat met kattenoogen in deze geschiedenis speurt.”
“Is dat niet mijnheer Amadieu?” vroeg Pierre.
“Precies. De man schijnt erg in zijn nopjes over het geschenk, dat die anarchistische bandieten hem met hun aanslag gegeven hebben.”
Angstig luisterde de priester. Dat was het, waar zijn broeder zoo bang voor geweest was; dat was het eindelijk gevonden goede spoor, de eerste goede draad. Hij keek Thomas aan om te zien, of die ook ongerust was. Maar hetzij, dat de jonge man niets wist van den band, die Salvat aan zijn vader bond, hetzij dat hij een groote zelfbeheersching bezat, de jonge man lachte eenvoudig om het portret van den rechter.
Terwijl Grandidier naar het machinedeel, waarmede Thomas bijna klaar was, keek en zij er samen lang over praatten, ging Pierre naar een openstaande deur, om een blik te werpen in de groote machinekamer ernaast. De priester hoorde drie arbeiders, die aan een fonteintje hun handen kwamen wasschen, praten. Zijn aandacht werd onmiddellijk geboeid, toen hij een van hen een ander Toussaint en den derde Charles hoorde noemen. Dat waren vader en zoon. Toussaint was een gezette man met breede schouders en pezige armen, wien men zijn vijftig jaar pas aanzag, wanneer men naar zijn rond, gerimpeld, gegroefd en door het werk weggevreten gezicht zag, dat omgeven was door een grijzenden baard, dien hij alleen Zondags kamde. Zijn rechterarm was door de verlamming reeds aangetast en maakte veel langzamere bewegingen. Charles, het sprekend evenbeeld van zijn vader, had een dikke zwarte snor en was met zijn sterke spieren, die duidelijk onder de blanke huid te zien waren, in de volle kracht van zijn zes-en-twintig jaren. Ook zij spraken over de bom van hôtel Duvillard, over den gevonden priem en over Salvat, die nu door allen verdacht werd.
“Alleen een bandiet kon zoo’n streek uithalen,” zeide Toussaint. “Ik wil met die anarchie niets te maken hebben. Maar de bourgeois mogen wel oppassen, anders laat men ze gewoon in de lucht vliegen. Dat gaat hen aan; zij hebben het zelf gewild.”
Op den bodem van die onverschilligheid lag een lang verleden van ellende en onrechtvaardigheid. De oude man had alle hoop opgegeven, was het strijden moede; wat hem betrof, mocht de wereld, waarin honger den ouden, lam geworden werkman dreigde, ten gronde gaan.
“Ik heb die anarchisten nog al eens hooren praten,” zeide Charles; “en ze zeggen waarachtig dikwijls zeer ware en verstandige dingen... Kijk eens vader, jij werkt nu al meer dan dertig jaar—en is het nu niet afschuwelijk, dat het heel goed mogelijk is, dat je, zoodra je ziek bent, als een uitgeknepen citroen weggegooid wordt. En wanneer ik bedenk, dat het met mij precies eender gaan kan... Verdomme, als dat alle menschen gelukkig maken kan, dan heb ik bliksems veel lust met hun omverwerpen van de maatschappij mede te doen.”
Uit zijn woorden sprak niet de heilige hartstocht, maar slechts de zucht om een beter leven te hebben; de kazerne had hem reeds gedeclasseerd en uit zijn verplichten diensttijd had hij een voorstelling van gelijkheid, van den strijd om het bestaan, een drang om het hem wettig toekomend deel van het genot te nemen, medegebracht. Het was de onvermijdelijke stap van de eene generatie naar de andere: de vader, teleurgesteld in zijn verwachting van de broederrepubliek, was sceptisch en vol minachting voor alles geworden; de zoon, na het schijnbare bankroet der vrijheid voor het geweld gewonnen, stond op het punt zich bij het nieuwe geloof aan te sluiten.
Maar toen de derde, een brave kerel, boos werd en schreeuwde, dat men Salvat, als hij het gedaan had, onmiddellijk zonder vorm van proces naar de guillotine moest sturen, gaf Toussaint hem ten slotte gelijk.
“Ja zeker, ik vind het ook, ook al is hij met een zuster van me getrouwd... Maar toch zou het me sterk verwonderen, als hij het gedaan had... Hij is niet slecht, hij zou geen vlieg kwaad doen.”
“Wat zal ik je zeggen?” merkte Charles op. “Wanneer ze je tot het uiterste drijven, dan wordt je woedend.”
Alle drie hadden zich flink gewasschen; Toussaint, die den patroon gezien had, bleef op hem wachten, om hem een voorschot te vragen. Toevallig ging Grandidier, na Pierre hartelijk de hand gedrukt te hebben, zelf naar den ouden werkman, dien hij hoogachtte, toe. Hij luisterde naar hem en gaf hem op een kaartje een paar woorden voor den kassier mede, hoewel hij zeer sterk tegen het voorschotsysteem gekant was. De arbeiders voelden geen sympathie voor hem; hielden hem, ondanks zijn werkelijke goedheid, voor hardvochtig, omdat hij meende zijn positie als patroon krachtig te moeten verdedigen en in niets toe te kunnen geven, als hij zichzelf niet ten gronde wilde richten. Hoe kan men, waar de concurrentie zoo fel is en het kapitalistische stelsel een zoo vreeselijken strijd noodzakelijk maakt, zelfs de gerechtvaardigde eischen van den arbeider inwilligen?
Een diep medelijden greep Pierre aan, toen hij, na met Thomas eerst nog precies afgesproken te hebben, wat hij zijn vader antwoorden zou, Grandidier in de richting zag gaan van het gesloten paviljoen, waar hem het vreeselijke drama van zijn hart wachtte. Was er onder de armen, die van honger stierven, onder de arbeiders, onder de door den arbeid overwonnenen, die hem vervloekten en benijdden, één, die ongelukkiger en beklagenswaardiger was?
Toen Pierre weer op straat kwam, zag hij daar tot zijn verwondering madame Toussaint en madame Théodore nog staan met de kleine Céline. Nog steeds wachtten zij op Toussaint, die eindelijk, gelukkig met zijn voorschot, naar buiten kwam. Dadelijk vertelde hij madame Théodore de geschiedenis van den priem en zeide, dat hij, evenals trouwens al zijn kameraden, van meening was, dat Salvat dien aanslag wel gepleegd kon hebben. Zij werd heel bleek en protesteerde er tegen, zonder te laten merken wat zij wist of wat zij vermoedde.
“Ik zeg je nogmaals, dat ik hem niet meer gezien heb. Hij moet ergens in België zijn. Hij een bom gooien? En je zegt zelf, dat hij te goed is en dat hij geen vlieg kwaad zou doen.”
Toen Pierre met de tram naar Neuilly terugging, verzonk hij in een diep gepeins. De drukte van de arbeiderswijk, het gedreun van de machine klonk nog in zijn ooren. En voor de eerste maal, sedert hij zoo door zijn zieleangst gefolterd werd, werd hem de noodzakelijkheid van den arbeid duidelijk als een noodlot, dat zich openbaarde als gezondheid en kracht. Hier ontdekte hij eindelijk een vasten bodem, dat was de kracht, die staande houdt en redt. Was dat het eerste glanzen van een nieuw geloof? Maar welk een hoon! Deze onzekere, hopelooze arbeid leidde tot de eeuwige onrechtvaardigheid! Steeds loerde de ellende op den arbeider, wurgde hem bij de minste werkeloosheid en slingerde hem, zoodra de ouderdom kwam, als een gecrepeerden hond in de goot!
Te Neuilly vond Pierre Bertheroy aan het bed van Guillaume. De oude geleerde had hem juist verbonden en scheen nog niet geheel gerust omtrent de complicaties, die de wond zou kunnen veroorzaken.
“Maar je houdt je ook niet kalm. Ik vind je altijd in een opgewonden koortsachtigen toestand, die fataal voor je is. Heusch je moet je rustig houden, jongen, en je door niets laten kwellen.”
Een paar minuten later zeide hij, voor hij wegging:
“Stel je voor, dat ze me naar aanleiding van die bom in de rue Godot-de-Mauroy zijn komen interviewen. Die journalisten verbeelden zich, dat je alles weet. Ik heb hem geantwoord, dat het heel vriendelijk van hem zou zijn als hij zelf mij een paar inlichtingen over de gebruikte springstof gaf... Dat is waar ook, ik geef morgen in mijn laboratorium een college over explosiemiddelen. Kom jij ook luisteren, Pierre, dan kon je het aan Guillaume oververtellen; hij zal het wel interessant vinden.”
Op een wenk van zijn broer nam Pierre de uitnoodiging aan. Toen zij weer alleen waren en Pierre hem verteld had, dat Salvat verdacht werd en de rechter van instructie op het goede spoor was, werd Guillaume opnieuw door een hevige koorts aangegrepen. Zijn hoofd viel op het kussen en met gesloten oogen stamelde hij als in een nachtmerrie:
“Dat is het einde... Salvat gearresteerd—Salvat ondervraagd... Zooveel werk, zooveel hooge verwachtingen... alles weg!”
IV.
Om half twee was Pierre in de rue d’Ulm, waar Bertheroy een vrij groot huis bewoonde, dat de Staat hem gegeven had, om er een laboratorium in te richten. De geheele eerste etage was verbouwd tot een groote zaal, waarin de beroemde scheikundige meermalen een beperkt aantal leerlingen en bewonderaars ontving, voor wie hij voordrachten hield, proeven deed en een uiteenzetting gaf van zijn nieuwe ontdekkingen en theorieën.
Bij zulke gelegenheden werden enkele stoelen gezet voor de lange, massieve, met flesschen en toestellen overvulde tafel. Daarachter stond de oven, terwijl met glazen fleschjes en allerlei modellen gevulde vitrines om het vertrek heen liepen. De stoelen waren reeds ingenomen, hoofdzakelijk door collega’s van den geleerde, enkele jongelieden, zelfs dames en journalisten. Er heerschte een familiare toon, er werd met den meester gesproken, als ware men bij hem thuis.
Zoodra Bertheroy Pierre zag, ging hij naar hem toe, drukte hem vriendschappelijk de hand en bracht hem naar de tafel, om hem een plaatsje te geven naast François Froment, die reeds eerder gekomen was. De jonge man was nu bijna aan het einde van het derde jaar aan de École Normale, die vlak in de buurt was, zoodat hij maar een paar stappen behoefde te doen, om bij zijn meester te komen, den man, dien hij eerbiedig als het grootste genie van dien tijd beschouwde. Pierre was zeer ingenomen met die ontmoeting, want de flinke jongen met zijn levendige oogen in zijn hoog, intellectueel gezicht had na zijn bezoek aan Montmartre een zeer prettigen indruk bij hem achtergelaten. De jonge man begroette met de oprechte expansie der jeugd zijn oom hartelijk, blij tevens weer iets van zijn vader te hooren.
Bertheroy begon. Hij sprak familiaar, heel eenvoudig en met gelukkige woordvondsten. Eerst gaf hij een résumé van de reeds door hem gedane onderzoekingen over en proeven met springstoffen. Lachend vertelde hij, dat hij meermalen bommen onder handen had, om de geheele wijk in de lucht te laten vliegen. Maar hij stelde zijn gehoor gerust; hij was voorzichtig. Ten slotte sprak hij over de bom van de rue Godot-de-Mauroy, waarover geheel Parijs sedert enkele dagen sprak. De overblijfselen waren nauwkeurig onderzocht door deskundigen, en ook hem had men een stuk gebracht, om er zijn meening over te zeggen. De bom scheen van een tamelijk slecht maaksel; zij was met stukjes ijzer geladen en met een lont van kinderlijke constructie voorzien. Het buitengewone was de vreeselijke kracht van de binnenpatroon, welke, hoe klein zij ook geweest moest zijn, die verschrikkelijke uitwerking gehad had. Men vroeg zich af welke een onberekenbare vernielingskracht men krijgen zou, als die lading vertien- of verhonderdvoudigd werd.
Hier begon de moeilijkheid: zoodra men over samenstelling van de gebruikte springstof redeneerde, werd het probleem door de discussies verward. Van de drie deskundigen beweerde de een, dat het eenvoudig dynamiet was, terwijl de beide anderen—zonder het onderling eens te zijn—aan een mengsel geloofden. Wat hem betreft, hij had, heel bescheiden, zijn meening niet willen zeggen, de brokstukken, die men hem voorgelegd had, hadden te weinig sporen behouden dan dat hij ze aan een analyse had kunnen onderwerpen. Hij wist niets, kon geen conclusie geven. Maar het was zijn overtuiging, dat men hier te doen had niet een nieuw explosiemiddel, welks kracht alles wat men tot nu toe gevonden had, overtrof. Hij vermoedde, dat de een of andere onbekende geleerde of wel een van die naïeve uitvinders, welke een gelukkige hand bezaten, in het geheim de formule van dit explosiemiddel ontdekt had. En hier wilde hij juist op neerkomen, op de talrijke, nog onbekende springstoffen, op de binnenkort te verwachten ontdekkingen, die hij voorzag. Hij wees zelfs den weg aan, dien men betreden moest. Volgens zijn oordeel lag daarin de toekomst. Dan zeide hij in een uitgewerkte, prachtige peroratie, dat men tot nog toe de explosiemiddelen onteerd had door ze te gebruiken, om op dolzinnige wijze zijn wraak te koelen en verwoestingen aan te richten, terwijl er misschien juist de door de wetenschap gezochte bevrijdende kracht in lag, de hefboom, die de wereld omhoog heffen en veranderen zou, zoodra men ze getemd en ertoe beperkt zou hebben, om niets anders te zijn dan de gehoorzame dienaren des menschen.
Gedurende deze geheele, nauwelijks anderhalf uur lange voordracht voelde Pierre, hoe François, die naast hem zat, bij het zien van de wijde horizonten, die de meester opende, beefde en in geestdrift geraakte. Hem zelf had de voordracht buitengewoon geïnteresseerd, want hij moest of hij wilde of niet sommige toespelingen begrijpen en zekere betrekkingen tusschen hetgeen hij gehoord had en dat wat de angst van Guillaume hem verraden had—het geheim, dat deze zoo bang was prijsgegeven te zien aan den rechter van instructie—voelen. Toen hij, alvorens met François weg te gaan, Bertheroy de hand ging drukken, zeide hij dan ook met een bepaalde bedoeling:
“Het zal Guillaume wel spijten, dat hij u deze wondermooie denkbeelden niet heeft hooren ontwikkelen.”