De drie steden: Parijs

Part 14

Chapter 143,993 wordsPublic domain

Maar die moed, die regelmaat, die waardigheid verwonderden Pierre slechts, zonder hem te ontroeren. Hij had geen reden om zich te beklagen: de ontvangst was correct, zooal niet hartelijk, want hij was daar toch nog slechts een vreemdeling, een priester. En toch bleef zijn stemming vijandig. Hem hinderde het gevoel, dat hij zich in een omgeving bevond, waar geen enkele van zijn kwellingen gedeeld, ja zelfs niet vermoed kon worden. Hoe was het mogelijk, dat deze menschen in hun godsdienstig ongeloof, in hun eenig geloof aan de wetenschap, zoo rustig, zoo kalm waren bij het zien tegenover zich van dat vreeselijke Parijs, dat voor hen de gruwelen van zijn ongerechtigheid en van zijn lijden uitstrekte? Hij zag om en keek ernaar door het groote raam; daar lag het in zijne oneindigheid, steeds tegenwoordig, steeds zijn reusachtig leven levend. Op dit uur scheen Parijs onder de schuine stralen van de winterzon door een lichtend stof bedekt, alsof een onzichtbare zaaier, die zich in den stralenkrans der dagvorstin verborg, met volle handen dat zaad, welks gouden vloed overal neerviel, uitwierp. Het reusachtige ontgonnen veld was ermede bedekt, de eindelooze chaos van daken en monumenten was niets meer dan een groot bouwland, waardoor een reuzenploeg voren getrokken had. En ondanks zijn onbehaaglijk gevoel door een onbedwingbare behoefte aan hoop bewogen, vroeg Pierre zich af, of dit door de goddelijke zon met licht bezaaide Parijs niet het goede zaad voor den oogst der toekomst was, dien oogst van waarheid en gerechtigheid, waaraan hij wanhoopte.

Eindelijk stond Pierre op en ging weg, terwijl hij beloofde dadelijk terug te zullen komen, als er slechte tijding te melden viel. Marie liet hem uit. Bij de voordeur kreeg zij plotseling weer zoo’n blos, waaraan zij zich zoo ergerde. Zij werd vuurrood, toen zij ook van haar kant een liefdevollen groet aan den gewonde wilde laten overbrengen. Maar dapper sprak zij hem toch uit, terwijl haar blikken zich vroolijk en helder op die van den priester richtten.

“Tot weerziens, mijnheer de abbé.... Zeg aan Guillaume, dat ik hem liefheb en op hem wacht.”

III.

Drie dagen verliepen. In het kleine huisje van Neuilly voelde Guillaume, die, brandend van koorts en ongeduld, aan zijn bed gebonden was, zich door een nieuwen angst aangegrepen, wanneer de couranten aankwamen. Pierre had wel getracht die te doen verdwijnen, maar hij zag, dat zijn broer zich dan nog meer opwond, en zoo moest hij zelf wel alles voorlezen wat over den aanslag geschreven werd: een buitengewonen vloed, die niet ophield in de kolommen te blijven vloeien.

Nog nooit had zoo’n overstrooming de pers onder water gezet. De anders zoo voorzichtige, zoo ernstige Globe werd niet gespaard en bezweek eveneens onder dezen aanval van reporterswaanzin. Maar vreeselijk om te zien was het hoe de gewetenlooze bladen, zooals de Voix du Peuple, de algemeene koorts exploiteerden, de openbare meening schrik aanjoegen, en het hoofd op hol brachten, alleen maar om een grootere oplaag te kunnen geven en meer te verkoopen. Iederen ochtend was het een nieuwe sensatie, een nieuw verhaal, om de menschen te doen rillen en beven. Er werd verteld, dat baron Duvillard iederen avond dreigbrieven kreeg, dat men zijn vrouw, zijn dochter, zijn zoon vermoorden, hem zelf worgen, zijn hôtel in de lucht zou laten springen, zoodat het hôtel dag en nacht door een schaar agenten in burgerkleeding bewaakt werd. Een andermaal was er sprake van een buitengewone ontdekking: naast de Madeleine was een riool, waarin anarchisten waren afgedaald. Zij hadden de geheele kerk ondermijnd en er vaten met buskruit onder gebracht—het was een ware vulkaan, waarin de helft van Parijs zou verslonden worden. Nog een derden keer werd beweerd, dat men het spoor van een ontzaglijke samenzwering ontdekt had, die geheel Europa van af het binnenland van Rusland tot achter in Spanje omvatte. Het signaal zou van Frankrijk uitgaan, er zou drie dagen lang een bloedbad aangericht worden, de straten van Parijs zouden door geweervuur leeggevaagd worden, de Seine rood zien. En dank zij dat prachtige en verstandige werk der pers heerschte overal schrik en ontsteltenis, verlieten de vreemdelingen bij massa’s hun hôtels. Parijs was nog slechts een krankzinnigengesticht, waarin zelfs de meest idiote schrikbeelden geloof vonden.

Maar niet dat was het wat Guillaume zoo angstig maakte. Hij maakte zich slechts ongerust ten opzichte van Salvat, van de nieuwe sporen, waarop de couranten zich wierpen. Salvat was nog niet gearresteerd, ja zelfs was er geen enkele aanwijzing, dat men hem op het spoor was. Dan las plotseling Pierre een berichtje, dat den gewonde deed verbleeken.

“Zoo, het schijnt dat ze tusschen de puinhoopen onder de koetspoort van het hôtel Duvillard een stuk gereedschap, een priem gevonden hebben, op het handvat waarvan de naam van Grandidier, een bekend fabrikant, stond. Die Grandidier moet vandaag voor den rechter van instructie verschijnen.”

Guillaume maakte een wanhopig gebaar.

“Nu zijn zij op het goede spoor. Salvat heeft natuurlijk dat gereedschap laten vallen. Hij heeft bij Grandidier gewerkt voor hij een paar dagen bij mij geweest is.... Door Grandidier zullen zij alles te weten komen; zij behoeven den draad slechts te volgen.”

Pierre herinnerde zich nu die fabriek, waarover hij in Montmartre had hooren spreken en waar Thomas, de oudste zoon, die er zijn opleiding ontvangen had, soms nog ging werken. Maar nog steeds durfde hij niets verder vragen aan zijn broer, want hij voelde, hoe ernstig, voornaam en vrij van lage vrees voor zijn eigen persoon diens angst was.

“Je hebt mij juist verteld, dat Thomas gedurende mijn afwezigheid in de fabriek zou gaan werken voor den nieuwen motor, dien hij zocht en bijna gevonden heeft,” ging Guillaume voort. “Stel je voor, dat er een huiszoeking gehouden wordt, dat men hem ondervraagt en dat hij niet antwoorden wil, om zijn geheim te verdedigen... Hij moet gewaarschuwd, dadelijk gewaarschuwd worden!”

Zonder hem tijd te laten zijn wensch nader te formuleeren, bood Pierre aan dat te doen.

“Als je dat wilt, zal ik vanmiddag Thomas in de fabriek opzoeken. Misschien tref ik dan tevens mijnheer Grandidier en kan ik hooren wat er bij den rechter van instructie gezegd is en hoe het met de zaak staat.”

Met tranen in zijn oogen en een warmen handdruk dankte Guillaume hem.

“Ja, ja, Pierre, doe dat, dat is goed en braaf van je.”

“Ik had vandaag nog naar Montmartre willen gaan,” ging Pierre voort. “Ik heb je er niets van gezegd, maar ik heb een gedachte, die me niet loslaten wil. Wanneer die Salvat gevlucht is, dan heeft hij daar zijn vrouw en zijn dochter alleen achter moeten laten. Ik heb ze den ochtend van den aanslag in zulk een ellendigen toestand aangetroffen, dat ik niet, zonder dat mijn hart verscheurd wordt, aan die arme, verlaten, misschien van honger stervende schepsels denken kan. Wanneer de man er niet meer is, moeten vrouw en kind omkomen.”

Guillaume, die Pierre’s hand in de zijne gehouden had, drukte die nog inniger en met een bevende stem zeide hij:

“Ja, dat zou goed en braaf zijn... Doe dat, Pierre.”

Dat huis in de rue des Saules, dat vreeselijke huis van lijden en ellende, was Pierre steeds in de gedachte gebleven als een afschuwelijk riool, waarin het oude Parijs met den dood worstelde. En toen hij er in dien middag weer naar toeging, vond hij dezelfde kleverige vuiligheid terug, de donkere vochtige trappen in denzelfden verwaarloosden, troosteloozen en stinkenden toestand. Terwijl ’s winters de mooie wijken van het centrum droog waren en gereinigd werden, bleven de wijken der armen somber en vuil onder het voortdurend heen en weer trappelen der jammerlijke kudde.

Pierre, die de trap der Salvats kende, klom die dadelijk op te midden van het luide geschreeuw van kinderen, die huilden en plotseling weer zwegen, om het huis in een doodelijke stilte te doen verzinken. De gedachte aan den ouden Laveuve, die hier als een hond in een goot gestorven was, kwam weer in zijn herinnering terug en deed hem verstijven. Hij rilde, toen hij, boven gekomen, aan de deur klopte en slechts een diepe stilte antwoordde. Geen geluid, geen ziel...

Toen klopte hij nogmaals en daar er nog geen antwoord volgde, dacht hij, dat er niemand was. Misschien was Salvat vrouw en kind komen halen, misschien hadden zij hem naar een ander gat in den vreemde gevolgd. Doch dat kon hij niet goed gelooven: de armen veranderen niet gauw van woonplaats, sterven waar zij lijden. En hij klopte voor de derde maal.

Eindelijk liet zich in de stilte een zacht geluid hooren, het geluid van kleine voetjes.

“Wie is daar?” vroeg een fijn kinderstemmetje.

“Mijnheer de abbé.”

Weer een stilte. Besluiteloosheid, aarzeling.

“Mijnheer de abbé, die laatst ook geweest is.”

Dat maakte een einde aan de onzekerheid; de deur ging op een kiertje open en Céline, het kleine meisje, liet den priester binnen.

“Neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé; moeder Théodore is uit en zij heeft mij op het hart gedrukt niemand open te doen.”

Een oogenblik had Pierre zich ingebeeld, dat Salvat zeker hier was. Maar met één blik had hij vlug het eenige vertrek, waarin de familie samenhokte, overzien. Madame Théodore was blijkbaar bang voor een bezoek der politie. Had zij haar vader teruggezien? Wist zij, waar hij zich schuil hield? Was hij haar beiden komen geruststellen?

“En is je vader er ook niet, beste meid?”

“O neen, mijnheer, hij heeft zaken en is weg.”

“Hoe bedoel je dat?”

“Ja, hij is niet meer komen slapen, wij weten niet waar hij is.”

“Heeft hij werk?”

“Neen, dan zou hij ons geld zenden.”

“Is hij dan op reis?”

“Ik weet het niet.”

“Maar hij heeft toch zeker wel aan moeder Théodore geschreven?”

“Ik weet het niet.”

Pierre vroeg niet verder door; hij schaamde zich een beetje dat kind van elf jaar zoo uit te hooren. Het was mogelijk, dat zij niets wist, dat Salvat uit voorzichtigheid niets van zich liet hooren. Haar blond, zacht en intelligent gezichtje zag er waarheidlievend uit; het bezat reeds de ernstige uitdrukking, welke bittere ellende aan kinderen geeft.

“Het spijt mij, dat madame Théodore niet thuis is, ik had haar graag willen spreken.”

“Maar kunt u niet even op haar wachten, mijnheer?... Zij is naar oom Toussaint in de rue Marcadet; zij zal wel gauw terug zijn, zij is al een uur weg.”

Zij maakte een van de stoelen leeg, waarop wat hout lag.

In het onverwarmde, akelig kale vertrek was blijkbaar geen brood voorhanden. Men voelde de afwezigheid van den man, het verdwijnen van hem, die de wil en de kracht is, op wien men zelfs na weken van werkeloosheid rekent. De man gaat uit, trekt de stad door, brengt ten slotte nog altijd het onmisbare, de broodkorst, terug, die dan gedeeld wordt en het sterven belet. Maar is de man weg, dan zijn vrouw en kind geheel verlaten, zonder hulp of steun.

Pierre ging zitten en keek naar dat arme, kleine schepseltje met haar heldere, blauwe oogen en haar grooten mond, die ten slotte ondanks alles glimlachte. Hij kon het niet nalaten haar nog verder uit te hooren.

“En ga je niet naar school, beste meid?”

“Ik heb geen schoenen,” antwoordde zij, ietwat blozend.

Inderdaad zag hij, dat zij oude, aan flarden hangende schoenen had, waaruit haar kleine, roode teentjes gluren kwamen.

“En bovendien,” ging zij voort, “moeder Théodore zegt, dat je niet naar school gaat, als je niets te eten hebt.—Moeder Théodore heeft willen werken, maar zij kon niet door haar oogen, die dadelijk begonnen te steken en te tranen... Wij weten niet wat wij beginnen moeten; sinds gisteren hebben we niets meer, en wanneer oom Toussaint ons geen twintig sous geven kan, is het uit.”

Zij glimlachte nog steeds onbewust, terwijl twee dikke tranen in haar oogen kwamen. Dit in deze ledige kamer opgesloten, van de gelukkigen als afgesneden meisje was een zoo hartverscheurende aanblik, dat de priester zijn woedend verzet tegen de ellende, zijn vurig verlangen naar sociale rechtvaardigheid weer in zich boven voelde opkomen.

Na een minuut of tien begon hij ongeduldig te worden, want hij bedacht, dat hij ook naar de fabriek Grandidier moest.

“Ik begrijp niet, dat moeder Théodore nog niet terug is,” zeide Céline. “Zij praat zeker weer.”

Daar viel haar iets in.

“Als u het goed vindt, mijnheer de abbé, dan zal ik u bij oom Toussaint brengen. Het is hier vlak bij, alleen even den hoek om.”

“Maar je hebt geen schoenen, kindlief.”

“O, dat hindert niet, ik kan zoo best loopen.”

“Wijs mij dan den weg maar even,” zeide hij opstaande. “Dan kan ik gelijk een paar schoenen voor je koopen.”

Céline kreeg een vuurroode kleur en volgde hem gauw, nadat zij als goed, klein huisvrouwtje zorgvuldig de deur gesloten had.

Voor madame Théodore bij haar broer Toussaint aanklopte om twintig sous, was zij op het denkbeeld gekomen eerst haar geluk te beproeven bij haar zuster Hortense, die met een ambtenaar, den kleinen Chrétiennot, getrouwd was en op den boulevard Rochechouart vier kamers had. Maar dat was een pijnlijke stap, waartoe zij eerst bevend besloten had bij de gedachte, dat Céline sinds den vorigen dag niets gegeten had.

De oudste broer Toussaint was vijftig jaar en een zoon uit het eerste huwelijk. Later was zijn vader hertrouwd met een jong naaistertje, dat hem drie dochters, Pauline, Léonie en Hortense geschonken had. Dat gaf de verklaring waarom Pauline, de oudste, tien en Hortense, de jongste, achttien jaar jonger was dan Toussaint. Na den dood van zijn vader, had Toussaint korten tijd voor zijn stiefmoeder en zijn drie zusters moeten zorgen. Het ergste daarbij was, dat hij, hoe jong ook nog, zelf reeds een vrouw en een kind had. Gelukkigerwijze echter wist de ijverige en intelligente schoonmoeder zich te redden. Zij ging weer als arbeidster terug naar het atelier, waar Pauline reeds als leerlinge was, en bracht daar ook Léonie. Maar Hortense, die bedorven, mooier en fijner was, liet zij langer op school. Later, toen Pauline met den metselaar Labitte en Léonie met den werktuigkundige Salvat getrouwd was, maakte Hortense, die als winkeljuffrouw bij een confiseur in de rue des Martyrs in dienst was, kennis met den ambtenaar Chrétiennot, die, daar zij weigerde zijn maîtresse te worden, met haar trouwde. Léonie was enkele weken na haar moeder aan typhus gestorven. Pauline, door haar man verlaten, leefde met haar zwager Salvat, wiens dochtertje haar “moeder” noemde, en stierf bijna van honger. Alleen Hortense droeg ’s Zondags een lichte zijden japon, woonde in een nieuw huis en was een bourgeoise—maar ten koste van een helleleven en vreeselijke ontberingen.

Madame Théodore kende heel goed de moeilijkheden, waarin haar zuster verkeerde, wanneer het einde der maand naderde, zoodat zij dan ook met vreezen en beven een poging, om iets van haar te leenen, waagde. Bovendien verweet Chrétiennot, die langzamerhand door zijn eigen middelmatigheid verbitterd was, zijn vrouw, sedert haar schoonheid verwelkte, de oorzaak te zijn van zijn mislukt bestaan, en wilde haar familie, voor wie hij zich schaamde, niet meer zien. Toussaint was nog een fatsoenlijk werkman, maar die Pauline, die madame Théodore, welke onder de oogen van het kind met haar zwager Salvat leefde, die van de eene werkplaats naar de andere ging, die dolleman, van wien geen enkele patroon iets wilde weten—al die ongeregelde verhoudingen, al die ellende waren den correcten, ijdelen, door de levensomstandigheden verbitterden kleinen ambtenaar een doorn in het oog. Hij had dan ook Hortense verboden haar zuster te ontvangen.

Toch voelde madame Théodore, toen zij de met een looper belegde trap van het huis op den boulevard Rochechouart opging, een zekeren trots in zich opkomen bij de gedachte, dat een zuster van haar in al die luxe woonde. De kamers, die zevenhonderd franc kostten en op de binnenplaats uitzagen, lagen op de derde verdieping. De meid, die altijd tegen vier uur terug kwam, om voor het middageten te zorgen, was er reeds. Zij liet de bezoekster, die zij kende, doorloopen, hoewel het haar wel eenigszins verbaasde, dat zij het waagde zoo slecht gekleed te verschijnen. Maar reeds op den drempel van den kleinen salon bleef madame Théodore verwonderd staan, toen zij haar zuster Hortense snikkend en terneergeslagen zitten zag in een der blauwe rips-fauteuils, waarop zij zoo trotsch was.

“Wat heb je? Wat is er?”

Hoewel pas twee-en-dertig jaar was zij reeds lang de mooie Hortense niet meer. Zij zag er nog steeds uit als een blonde, groote, slanke pop met aardige oogen en mooi haar. Maar zij, die vroeger zoo netjes en proper was, begon zich te verwaarloozen, droeg peignoirs, die twijfelachtig zindelijk waren, haar oogen kregen roode randen, haar huid verlepte. Twee op elkaar volgende bevallingen—twee meisjes, waarvan de oudste negen en de jongste zeven was—hadden haar schoonheid ten gronde gericht. Bovendien betreurde de hoogmoedige en trotsche vrouw eveneens haar huwelijk, want zij had vroeger zichzelf voor een schoonheid gehouden, die het paleis en de karossen van een sprookjesprins waardig was.

Haar wanhoop was zóó groot, dat zij er zich zelf niet over verwonderde haar zuster te zien binnenkomen.

“Ben jij het? Als je eens wist wat een pech we nou weer hebben bij al die andere beroerdigheden!”

Onmiddellijk dacht madame Théodore aan de kleine, Lucienne en Marcelle.

“Zijn je dochtertjes ziek?”

“Neen, zij zijn met een buurvrouw op den boulevard aan het wandelen... Maar ik ben weer zwanger! Eerst dacht ik het, dat het een verlating was, maar het is nu de tweede maand al. Toen ik het daarnet na het dejeuner aan Chrétiennot vertelde, is hij vreeselijk woedend geworden en heeft hij mij met allerlei gemeene woorden toegeschreeuwd, dat het mijn schuld was. Alsof het alleen van mij afhangt!... Ik heb er het meeste last van!”

Weer begon ze te snikken. Zij bleef doorstamelen, vertelde van haar schrik, want zij hadden vast besloten geen derde kind meer te hebben. Goddank, dat hij wist, dat zij niet in staat was hem te bedriegen; zij was zoo slap en indolent, dacht alleen maar aan haar rust.

“Lieve Hemel, jullie zult dat kind, evenals de twee andere, wel grootbrengen,” zeide madame Théodore eindelijk.

Onmiddellijk droogde de woede de tranen van Hortense. Zij stond op en riep:

“Jij bent ook een mooie! Je kan wel zien, dat je niet met onze beurs behoeft rond te komen? Waarvan moeten wij het kind groot brengen, nu het toch al zoo moeielijk is het eind van de maand te halen?”

Zij vergat haar armzaligen bourgeois-trots, die haar er gewoonlijk toe bracht te zwijgen of zelfs te liegen, legde haar armoede, het vreeselijke geldgebrek, dat jaar in jaar uit aan haar knaagde, bloot. De huur alleen was al zevenhonderd francs. Van de drie duizend francs, die haar man verdiende, bleven dus nauwlijks tweehonderd francs per maand over. Hoe kon je daarvan met je vieren eten, je kleeden, je stand ophouden? De man moest zijn rok, mevrouw een nieuwe japon hebben, de meisjes versleten een paar schoenen per maand, waarbij nog allerlei andere uitgaven kwamen, waarop je niet bezuinigen kon. Ja, je kon eens wat minder eten of drinken, maar daartegenover stond, dat er weer avonden waren, dat je in ieder geval een rijtuig hebben moest. In het kort het waren de ondragelijke levensomstandigheden van den kleinen ambtenaar, die al even beroerd waren als de zwarte ellende van den arbeider, het was de valsche uiterlijke schijn, de leugenachtige luxe, alles, wat de intellectueele trots om niet aan een bankschroef of op een stelling te werken, aan jammer en lijden verbergt.

“Enfin, je zult de kleine niet wurgen,” herhaalde madame Théodore.

Hortense liet zich weer in haar fauteuil vallen.

“Neen, zeker niet, maar alles is nu uit. Twee waren al te veel en nu komt het derde. Lieve God, wat moet er van ons worden? Wat moet er van ons worden?”

Haar peignoir was open gegaan, en weer begonnen de tranen uit haar roode oogen te stroomen.

Madame Théodore vond het zeer onaangenaam, dat zij het met haar vraag om een leening zoo slecht trof; toch waagde zij het eindelijk en vroeg twintig sous. Maar dat bracht Hortense’s wanhoop tot het uiterste.

“Op mijn woord, ik heb geen centime in huis. Daarnet heb ik voor de kinderen tien sous van de meid geleend. Eergisteren heb ik op de bank van leening op een ringetje tien francs gekregen. En zoo is het altijd tegen het eind van de maand... Chrétiennot krijgt vandaag zijn traktement en komt vroeg thuis om mij het geld voor het middageten te brengen. Ik beloof je, dat ik je morgen wat zal sturen, als ik kan.”

Maar op dat oogenblik kwam de meid, die wist, dat mijnheer niets van de familie van zijn vrouw hebben moest, binnenvliegen.

“Madame, madame, ik hoor mijnheer de trap opkomen.”

“Ga gauw weg,” riep Hortense uit. “Anders zou ik weer een scène krijgen... Als ik kan, morgen, dat beloof ik je.”

Madame Théodore moest zich in de keuken verstoppen, om niet door Chrétiennot gezien te worden. Zij keek den mageren, kleinen man met zijn ijdel, smal gezicht en zijn grooten, gesoigneerden baard na; hij was als altijd correct gekleed en droeg een nauwsluitende overjas. Zijn veertien bureaujaren hadden hem al uitgedroogd, en zijn hartstocht, om uren lang in een café in de buurt te zitten, gaf hem den genadeslag.

Langzaam en als met lood in haar schoenen ging madame Théodore terug naar de rue Marcadet, waar de Toussaint’s woonden. Ook van den kant van haar broer verwachtte zij niet veel, want zij wist in welke moeilijkheden het huisgezin gekomen was. Het vorige najaar had Toussaint een aanval van een beroerte gehad, het begin van een verlamming, die hem gedurende bijna vijf maanden aan zijn stoel gekluisterd had. Tot dat oogenblik was hij een uitstekend werkman geweest, die niet dronk en zijn drie kinderen—een dochter, die haar man, een schrijnwerker, naar Havre gevolgd was, een jongen, die in Tonkin gesneuveld was, en nog een jongen, Charles, die pas uit dienst gekomen was en zijn oud beroep van werktuigkundige uitoefende—een goede opvoeding gegeven had. Maar de ziekte van vijf maanden had het weinigje geld, dat zij op de Spaarbank geplaatst hadden, opgemaakt, en Toussaint, die weer zoo goed als beter was, moest, zonder een sou, zijn leven opnieuw beginnen, als was hij twintig jaar.

Madame Théodore vond haar schoonzuster alleen in het eenige, zeer zindelijke vertrek, dat het echtpaar bewoonde; daarnaast was een klein kabinet, waar Victor sliep. Madame Toussaint was ondanks haar zorgen en haar vasten een dikke flinke matrone met een rond gezicht met kleine, heldere oogjes. Zij was een fatsoenlijke, praatzieke, eenigszins snoepachtige vrouw, die geen ander gebrek had dan dat zij graag lekkere potjes klaar maakte. Voordat de andere haar mond open had kunnen doen, begreep zij reeds het doel van haar bezoek.

“Je komt al op een heel ongelukkig oogenblik, we hebben geen sou. Eergisteren is Toussaint pas naar de fabriek terug kunnen gaan en nu moet hij vanavond al om een voorschot vragen.”

Zij keek madame Théodore eenigszins wantrouwend en weinig sympathiek aan.

“En heeft Salvat nog steeds geen werk?”

Ongetwijfeld voorzag madame Théodore de vraag, want zij loog heel rustig.

“Hij is niet meer te Parijs; een vriend van hem heeft hem meegenomen, om in België te werken; ik verwacht, dat hij ons eerstdaags wel wat zenden zal.”

Maar madame Toussaint bleef wantrouwend.

“Des te beter, dat hij niet in Parijs is! Wij hebben met al die bommengeschiedenissen aan hem gedacht; we zien hem voor gek genoeg aan, om zich daarin te mengen.”

De ander vertrok geen spier. Al mocht zij iets vermoeden, dan hield zij het toch voor zich.

“En hebt gij heelemaal geen werk?”

“Och, wat zou ik met mijn arme oogen doen? Naaien gaat niet meer.”

“Ja, dat is zoo, wij arbeidsters raken gauw afgetakeld. Toen Toussaint hier aan zijn stoel gebonden was, heb ik mijn oude vak van linnennaaister weer willen opvatten. Maar dat kan je denken, ik bedierf alles en ik schoot niet op... Het eenige, wat ik nog doen kan, is een beetje het huishouden bij anderen te gaan doen. Waarom ga jij dat ook niet doen?”