De drie steden: Parijs

Part 12

Chapter 123,755 wordsPublic domain

Nu begon onder het slapende licht der lamp een op fluisterenden toon gevoerd gesprek. De oude Barthès sprak naar aanleiding van dien aanslag, welken hij schandelijk en idioot vond, met de verbazing van een dier legendarische strijders voor de vrijheid, die van de nieuwere tijden niets begrijpen. Zou de eindelijk veroverde vrijheid niet voor allen voldoende zijn? Bestond er een ander probleem dan de stichting der ware Republiek? Toen het gesprek op Mège en diens redevoering van dien middag in de Kamer kwam, viel hij heftig het collectivisme aan, dat hij een der democratische vormen van het despotisme noemde. Théophile Morin verklaarde zich ook tegen de collectivistische inlijving der sociale krachten, maar zijn haat richtte zich toch nog meer tegen de verfoeielijke gewelddaden der anarchisten, want hij verwachtte slechts vooruitgang van de evolutie en toonde zich vrij onverschillig voor de politieke middelen, die de toekomstige wetenschappelijke maatschappij moesten verwezenlijken. Ook Bache scheen met de anarchisten niet veel op te hebben; toch voelde hij iets voor hun idyllischen droom, voor de humanitaire hoop, die op den bodem van hun vernielingswoede kiemde. Ook hij ging heftig te keer tegen Mège, dien hij beschuldigde na zijn intrede in de Kamer een rhetor, een van de dictatuur droomende theoreticus geworden te zijn. Janzen was nog steeds blijven staan en luisterde naar hem met zijn ironisch vertrokken mond in zijn ijskoud gezicht; slechts nu en dan sprak hij een kort woord, dat sneed als een vlijmscherp lemmet, om zijn anarchistische meeningen te verdedigen: alles moest verwoest worden, om alles weer te kunnen opbouwen.

Pierre, die naast het bed was blijven zitten, luisterde eveneens met hartstochtelijke aandacht. In de instorting van al zijn overtuigingen, in het Niet, waartoe hij gekomen was, roerden deze mannen, die uit alle vier punten der denkbeelden van de eeuw gekomen waren, het verschrikkelijke probleem, waaronder hij leed, van het probleem van het nieuwe, door de democratie van de komende eeuw verwachte geloof. Welke onophoudelijke ideeëngolven volgden elkander op, stootten tegen elkaar aan sedert de onmiddellijke voorgangers, sedert Voltaire, sedert Diderot, sedert Rousseau! De eene verwekte de andere en alle braken in een storm, waarin het moeilijk was helder te zien. Vanwaar woei de wind? Waarheen ging het scheepje des heils, naar welke haven moest men zich inschepen? Reeds had hij tot zichzelf gezegd, dat hij de balans der eeuw opmaken, dat hij, nadat hij de erfenis van Rousseau en andere voorloopers aanvaard had, de denkbeelden van Saint-Simon, Fourier, van Cabet zelfs, van Auguste Comte, van Proudhon en ook van Karl Marx, bestudeeren moest, om zich ten minste rekenschap te geven van den doorloopen weg, van het kruispunt, dat men bereikt had. Bood zich niet een prachtige gelegenheid aan, nu een toeval in zijn huis deze mannen, deze vertegenwoordigers der levende, tegengestelde doctrines, die hij wilde onderzoeken, samenbracht?

Maar toen Pierre zich omkeerde, zag hij, dat Guillaume zeer bleek was en zijn oogen gesloten hield. Had hij zelf, in zijn geloof in de wetenschap, den twijfel der elkaar tegensprekende theorieën, de wanhoop te zien, dat de strijd voor de waarheid de dwaling deed toenemen, langs zich voelen gaan?

“Heb je pijn?” vroeg de priester ongerust.

“Ja, een beetje. Ik wil probeeren te slapen.”

Allen gingen weg met een zwijgenden handdruk. Alleen Nicolas Barthès bleef; hij sliep in een kamer op de eerste verdieping, die Pierre voor hem klaar gemaakt had. Om bij zijn broer te kunnen blijven, ging Pierre op een canapé liggen. En het kleine huis verviel weer in zijn grooten vrede, in de stilte van de eenzaamheid van den winter, waarin de zwaarmoedige huiveringen der jeugdherinneringen beefde.

Den volgenden ochtend om zeven uur moest Pierre de couranten gaan halen. Guillaume had slecht geslapen, er was een zware koorts opgekomen. Maar toch moest Pierre hem de eindelooze artikelen over den aanslag voorlezen. Het was een buitengewone dooreenhaspeling van waarheid en verzinsels, van juiste berichten, die verdronken in de meest onverwachte uitspattingen der phantasie. De Voix du Peuple, het blad van Sanier, vooral onderscheidde zich door zijn hoofdjes en onderhoofdjes in groote letters. Plotseling had het de beruchte lijst der twee-en-dertig in de zaak der Afrikaansche sporen gecompromitteerde Kamer- en Senaatsleden tot later uitgesteld; daarentegen hielden de bijzonderheden over den aanblik der koetspoort van het hôtel Duvillard, van het weggeslagen plaveisel, van het uit elkaar gesprongen plafond der eerste verdieping en van de uit haar hengsels gerukte deur niet op. Dan kwam het verhaal der twee als door een wonder gespaard gebleven kinderen van den baron, van den intact gebleven landauer, terwijl de ouders, naar men beweerde, zich verlaat hadden bij de zoo interessante conférence van monseigneur Martha. Een geheele kolom was gewijd aan het eenige slachtoffer, het blonde, knappe loopmeisje van de modiste, welks identiteit nog niet vastgesteld was, hoewel een zwerm reporters naar haar patrones op de avenue de l’Opera en daarna naar den faubourg Saint-Denis, waar men meende, dat de grootmoeder van het ongelukkige schepseltje woonde, gevlogen was. In een ernstig, blijkbaar door Fonsègue geïnspireerd artikel, werd een beroep gedaan op het patriotisme der Kamer, om te midden van de smartelijke gebeurtenissen, die het land doormaakte, iedere ministerieele crisis te vermijden. Het ministerie zou nog enkele weken rustig voortleven.

Maar Guillaume werd slechts door één bijzonderheid getroffen: de dader van den aanslag bleef onbekend: Salvat was blijkbaar niet gearresteerd en werd evenmin verdacht. Integendeel scheen men juist op een verkeerd spoor te zijn: een buurman beweerde een goedgekleed heer met handschoenen aan op het oogenblik van de ontploffing het hôtel te hebben zien binnengaan. En Guillaume scheen een weinig gerust gesteld te worden, toen zijn broer hem een andere courant voorlas, waarin bijzonderheden gegeven werden over de helsche machine, die blijkbaar gebruikt was: een betrekkelijk klein conservenbusje, waarvan men de overblijfselen gevonden had. Doch de angst kwam weer boven, toen hij hoorde, dat men zich erover verwonderde, dat een zoo kleine helsche machine zulke geweldige verwoestingen had kunnen veroorzaken, en dat men vermoedde hier met een nieuwe onberekenbaar krachtige springstof te doen te hebben.

Om acht uur kwam Bertheroy weer. Hij was ondanks zijn zeventig jaar frisch en opgewekt als een jong student in de medicijnen, die een vriend den dienst bewijst een kleine operatie te doen. Hij had een verbandtasch, linnen en pluksel bij zich. Maar hij werd boos, toen hij den gewonde zoo rood, zenuwachtig en koortsachtig vond.

“Ik zie wel, beste jongen, dat je niet verstandig geweest bent. Je hebt natuurlijk veel te veel gepraat en je opgewonden.”

Nadat hij de wond onderzocht en zorgvuldig gesondeerd had, zeide hij onder het verbinden:

“Het been is beleedigd en ik sta voor niets in, als je niet verstandig bent. Iedere complicatie zou een amputatie noodzakelijk maken.”

Pierre rilde, terwijl Guillaume eenvoudig zijn schouders optrok, als wilde hij zeggen, dat hij zich gaarne liet amputeeren, als alles om hem heen instortte. Bertheroy was gaan zitten en keek hen beiden scherp onderzoekend aan. Nu wist hij alles van den aanslag, dacht daar het zijne over.

“Beste jongen,” begon hij plotseling op zijn kort-aangebonden manier, “ik ben overtuigd, dat jij die afschuwelijke stommiteit in de rue Godot-de-Mauroy niet uitgehaald hebt. Maar ik geloof wel, dat je in de buurt geweest bent... Neen, je behoeft je niet te verdedigen. Ik weet niets en wil niets weten, zelfs niet de formule van die verdomde springstof, waarvan jouw hemdsmouw de sporen droeg en die zulk verschrikkelijk werk gedaan heeft.”

En toen de twee broers verrast en ondanks zijn verzekeringen van angst verstijvend zwegen, voegde hij er met een breed gebaar aan toe:

“Ach, beste jongens, als je eens wist, hoe nutteloos zoo’n daad mij toeschijnt—nog meer nutteloos dan misdadig. Ik heb een souvereine minachting voor het ijdele drijven van de politiek, zoowel van de revolutionnaire als van de conservatieve. Is de wetenschap niet voldoende? Waartoe dient het den tijd te willen verhaasten, terwijl een schrede der wetenschap de menschheid veel nader brengt tot de stad van gerechtigheid en waarheid dan honderd jaar politiek en sociaal verzet? Kom, alleen de wetenschap vaagt de dogma’s weg, stoot de goden van hun voetstuk, brengt licht en geluk... Ik, lid van het Institut, rentenier, gedecoreerde, ik ben de eenige revolutionnair.”

Hij begon te lachen en Guillaume begreep de vriendelijke ironie van dat lachje. Ook al bewonderde hij in hem den grooten geleerde, toch had het hem pijn gedaan te zien, dat hij als een bourgeois door het leven ging, dat hij hooge betrekkingen en eerbewijzen aanvaardde, dat hij onder de republiek republikein was, maar steeds bereid onder onverschillig welken meester de wetenschap te dienen. En nu ontpopte zich deze opportunist, deze gehiërarchiseerde geleerde, deze arbeider, die uit alle handen rijkdom en roem aannam, zich als een kalme, besliste revolutionnair, die zich bewust was, dat zijn werk ondanks alles de wereld verwoesten en weer hernieuwen zou.

Hij stond op en ging weg.

“Ik kom nog terug. Weest verstandig en houdt veel van elkaar!”

Toen zij weer alleen waren en Pierre naast het bed zat, zochten hun handen elkaar weer en bleven ineengestrengeld in een druk, waarin al hun angst brandde. Hoeveel onbekends, hoeveel dreigende wanhoop was er om en in hen! De sombere winterdag viel binnen, ze zagen de zwarte boomen van den tuin, terwijl het kleine huisje van stilte huiverde. Een dof geluid van stappen liet zich slechts boven hun hoofden hooren, de stap van Nicolas Barthès, den heldhaftigen vriend van den vrede, die, nadat hij hier geslapen had, bij het aanbreken van den dag weer begonnen was als een leeuw in zijn kooi te loopen, het gewone heen-en-weer-loopen van den eeuwigen gevangene. Op dat oogenblik vielen de blikken der twee broeders op een courant, die opengeslagen op het bed was blijven liggen en bezoedeld was met een potloodteekening, die de pretentie had het doode loopmeisje met haar opengereten buik, naast de doos en den hoed, voor te stellen. En het was zoo vreeselijk, zoo ontzettend van leelijkheid, dat weer twee dikke tranen uit Pierre’s oogen rolden, terwijl de omsluierde, wanhopige en in de verte starende blikken van Guillaume de toekomst zochten.

II.

Het kleine, zoo kalme en arbeidzame huisje boven op Montmartre, dat Guillaume reeds sedert zoovele jaren met de zijnen bewoonde, stond in den bleeken winterdag rustig te wachten.

Na het ontbijt kwam Guillaume, die zeer terneergeslagen was en bedacht, dat hij misschien in geen drie weken naar huis zou kunnen gaan, op het denkbeeld Pierre er heen te zenden, om alles te vertellen en uit te leggen.

“Luister eens, Pierre, je moet mij dien dienst bewijzen. Ga hun de waarheid vertellen. Zeg, dat ik hier niet ernstig gewond lig en dat ik ze dringend verzoek niet naar mij te komen kijken, omdat ik bang ben, dat men hen volgen en mijn schuilplaats ontdekken zal. Door mijn brief van gisteravond zouden zij misschien ongerust worden, als ik hun geen bericht gaf.”

Dan kwam de eenige angst, die sedert den vorigen dag zijn helderen blik benevelde:

“Voel eens in den rechterzak van mijn vest... Daar zit een kleine sleutel in... Geef dien aan madame Leroi, mijn schoonmoeder, en zeg haar, dat zij, wanneer mij een ongeluk overkomt, doen moet wat zij te doen heeft. Dat is al voldoende; zij zal het begrijpen.”

Even had Pierre geaarzeld, maar hij zag, dat Guillaume door die lichte inspanning zóó uitgeput was, dat hij hem vroeg te zwijgen.

“Spreek niet verder, blijf rustig liggen. Ik zal ze bij je thuis gaan geruststellen, daar je wilt, dat ik me daarmede belast.”

Deze stap viel hem zóó zwaar, dat hij het eerste oogenblik overwogen had, of hij Sophie niet zou kunnen laten gaan. Al zijn oude vooroordeelen ontwaakten; hij had een gevoel, alsof hij naar het huis van den weerwolf ging. Hoe dikwijls had hij zijn moeder niet “dat schepsel” hooren zeggen, wanneer zij sprak over de vrouw, met wie haar oudste zoon leefde. Nooit had zij de drie uit dit vrije huwelijk geboren zoons willen zien, maar vooral hinderde het haar, dat de grootmoeder, die madame Leroi, daar in huis was gebleven, om de kinderen op te voeden. En de kracht van die herinnering was zoo groot, dat hij nu nog, wanneer hij naar den Sacré-Cœur ging, in het voorbijgaan met een schuwen blik naar het huisje keek en het vermeed als een verdacht huis, waarin zonde en ontucht woonden. Zeker, de moeder der drie groote zoons was nu reeds tien jaar dood, maar bevond zich er thans niet een ander “schepsel” in het huis, die jonge wees, die zijn broeder opgenomen had en met wie hij, niettegenstaande hij twintig jaar ouder was, wilde trouwen? In zijn oogen was dat alles tegen de zeden, abnormaal, aanstootgevend; hij stelde zich een met alle zeden spottend huishouden voor, waarin het ongeregelde, gedeclasseerde leven op een moreelen en materieelen ondergang, waarvoor hij terugschrok, uitloopen moest.

Guillaume riep hem terug.

“En zeg aan madame Leroi ook, dat gij, voor het geval ik mocht sterven, het haar zult komen zeggen en dat zij dan onmiddellijk doet, wat zij doen moet.”

“Ja, ja, wees nou maar kalm, ik zal alles wel zeggen... Sophie zal bij je in de kamer blijven voor het geval je haar noodig hebben mocht.”

En nadat hij de dienstbode zijn laatste bevelen gegeven had, ging Pierre weg en stapte in de tram met de bedoeling tot den boulevard Rochechouart te rijden en dan te voet den heuvel op te gaan.

En onderweg, tijdens het in slaap wiegende voortglijden van de zware tram, herinnerde hij zich die hem slechts gedeeltelijk bekende geschiedenissen, waarvan hij de bijzonderheden eerst later te weten kwam. In 1850 was Leroi, een jonge aan het lyceum te Montauban terechtgekomen Parijsche professor met hartstochtelijk republikeinsche denkbeelden, getrouwd met Agathe Dagnan, de jongste der vijf dochters van een Protestantsche familie uit de Cevennes. De jonge mevrouw Leroi was zwanger, toen haar man na den Staatsgreep ten gevolge van heftige artikelen, die hij in een plaatselijk blad geschreven had, uit vrees voor een arrestatie naar Genève had moeten vluchten; daar was in 1852 hun dochter Marguerite, een teer kind, geboren. Gedurende zeven jaar, tot 1859, had het jonge huishouden met de grootste armoede te kampen, daar de vader slechts weinige en dan nog slecht betaalde lessen vond, terwijl de moeder door de voortdurende zorgen, die het kind eischte, aan huis gebonden was. Na hun terugkeer in Parijs scheen het ongeluk hen nog meer te vervolgen: de vroegere professor klopte vergeefs aan alle deuren, werd overal wegens zijn denkbeelden afgewezen en was wel verplicht particuliere lessen te geven. En juist kon hij weer tot de universiteit terugkeeren, toen een laatste bliksemstraal hem tegen den grond wierp: hij kreeg een beroerte, zijn beide beenen waren verlamd en voor zijn verdere leven was hij aan zijn stoel vastgenageld. Nu kwam de bitterste armoede; hij moest allerlei minderwaardig werk—artikelen voor dictionnaires, copieën van manuscripten, bandjes voor couranten schrijven—doen, waarvan het huishouden in een klein woninkje in de rue Monsieur-le-Prince nauwlijks leven kon.

Daar groeide Marguerite op. Leroi, door de onrechtvaardigheid en het lijden verbitterd, voorspelde de Republiek, die de dwaasheden van het Keizerrijk wreken, en de heerschappij der wetenschap, die den ouden valschen en wreeden God der dogma’s wegvagen zou. In Agathe, wier Protestantsch geloof te Genève geheel ten gronde gegaan was, bleef slechts de giststof van vroegeren opstand achter. Zij was nu geheel het hoofd van het gezin geworden, ging het werk halen en weer terugbrengen, maakte het zelf grootendeels, zorgde voor het huishouden en voor de opvoeding van het kind, dat niet naar school ging, alles wat zij wist van haar moeder en vader geleerd had, zonder dat er ooit sprake van godsdienstonderwijs geweest was. Door den geestelijken omgang met haar man had madame Leroi, die zich in haar Protestantsch atavisme van vrij onderzoek van alle geloof bevrijd had, zich een soort rustig atheïsme, een voorstelling van plicht, van menschelijke en verheven gerechtigheid geschapen, die zij dapper boven alle maatschappelijke conventies uit, verwezenlijkte. De langdurige ongerechtigheid, waaronder haar man leed, het onverdiende ongeluk, dat haar in hem en in haar dochter trof, schonk haar op den langen duur een buitengewoon weerstandsvermogen, een opofferingskracht, die van haar een leidster en troosteresse van een onvergelijkelijke energie en adel maakten.

Daar, in dat huis, leerde na den oorlog Guillaume de Leroi’s kennen. Hij had op hetzelfde portaal tegenover hun klein woninkje een groote kamer, waarin hij hartstochtelijk werkte. In den beginne groette men elkaar nauwlijks; de buren waren heel trotsch, heel ernstig en leidden hun armoedig bestaan in een soort schuwe teruggetrokkenheid. Dan volgden eenige vriendschappelijke aanrakingen: de jonge man bezorgde den voormaligen professor enkele artikelen, die voor een nieuwe encyclopedie bewerkt moesten worden. Plotseling kwam de catastrophe. Leroi stierf op een avond in zijn fauteuil, toen zijn dochter hem van de tafel naar het bed reed. De twee wanhopig bedroefde vrouwen hadden geen geld voor de begrafenis. Het geheele geheim van haar bittere ellende openbaarde zich in haar tranen; zij moesten Guillaume, die van af dat oogenblik haar raadsman en vertrouwde werd, voor haar laten handelen. Dat, wat gebeuren moest, gebeurde op de meest eenvoudige en teedere wijze onder de stilzwijgende goedkeuring der moeder, die in haar minachting voor een maatschappij, waarin de goeden van honger stierven, de noodzakelijkheid van maatschappelijke banden weigerde te erkennen. Er was geen sprake van een huwelijk. Op een goeden dag was de twintigjarige Marguerite de vrouw van den drie-en-twintigjarigen Guillaume. Beiden waren mooi, gezond en krachtig; ze aanbaden elkaar en werkten vol hoop op de toekomst.

Van af dien dag begon een nieuw leven. Guillaume, die geheel met zijn broeder gebroken had, was na den dood van zijn vader in het bezit van een rente van tweehonderd francs per maand gekomen. Het dagelijksch brood was daardoor verzekerd; en hij verdubbelde die som reeds door zijn chemische analyses, onderzoekingen en toepassingen op de industrie. Het jonge huishouden ging zich boven op den heuvel in een klein huisje van achthonderd francs vestigen, dat een klein tuintje had, waarin zij later een houten laboratorium zouden kunnen maken. Madame Leroi was bij hen komen inwonen, hielp hen, spaarde een tweede dienstbode uit en wachtte, zooals zij zeide, op haar kleinkinderen, om ze op te voeden. En zij waren gekomen, telkens met twee jaar tusschenruimte: drie zoons, drie kleine, flinke kereltjes, Thomas, François en Antoine. En zooals zij zich geheel gegeven had aan haar man en aan haar dochter, zooals zij zich geheel gaf aan haar schoonzoon, gaf zij zich aan de drie kinderen, die uit deze gelukkige verbintenis geboren waren; zij werd Grootmoeder zooals men haar noemde, Grootmoeder voor het geheele huis, zoowel voor de jongen als voor de ouden. Zij was het verstand, de wijsheid, de dapperheid—zij waakte onophoudelijk over alles, bestuurde alles, haar raadpleegde men over alles, haar raad volgde men steeds op; en zoo heerschte zij daar onbeperkt, als almachtige koningin-moeder.

Zoo duurde in het kleine bescheiden huisje, waarin de meest strikte spaarzaamheid de uitgaven regelde en in alle behoeften voorzag, dit leven van ingespannen arbeid en vreedzame liefde. Dan verloor Guillaume zijn moeder, erfde en kon eindelijk zijn oude begeerte verwezenlijken: het huis koopen en in den hoek van den tuin een ruim, zelfs uit steen opgetrokken laboratorium bouwen. Nauwlijks was men daarmede klaar en scheen het leven voor hen allen een beteren keer te nemen, of het ongeluk kwam terug en rukte ruw Marguerite weg, die binnen een week aan typheuze koortsen stierf. Zij was pas vijf-en-dertig jaar, haar oudste zoon Thomas veertien en Guillaume bleef op zijn acht-en-dertigste jaar als weduwnaar met drie zoons achter, wanhopig over het verlies, dat hij had geleden. Het denkbeeld, om in dit van de wereld als afgestorven huis, waarin de harten zoo nauw verbonden waren, een vreemde vrouw te brengen, scheen hem zoo laag en onverdragelijk, dat hij besloot niet te hertrouwen. Het werk nam hem geheel in beslag; hij bracht zijn hart en zijn zinnen tot zwijgen. Gelukkig bleef Grootmoeder gezond en krachtig; het huis behield zijn koningin en de kinderen vonden in haar de leidster en opvoedster terug, die opgevoed was in de school van de heldhaftig gedragen armoede.

Twee jaren verliepen. Dan werd het huishouden plotseling grooter door een jong meisje, Marie Couturier, de dochter van een vriend van Guillaume. Deze Couturier was een uitvinder, een geniale krankzinnige, die een tamelijk groot vermogen in de allerdwaaste phantasieën en hersenschimmen verspild had. Zijn zeer vrome vrouw was van verdriet gestorven, en hoewel hij zijn dochter aanbad en de enkele malen, dat hij haar zag, met liefkoozingen en geschenken overlaadde, had hij haar eerst op een lyceum gedaan en later, zonder zich verder om haar te bekommeren, ondergebracht bij een verre bloedverwante. Op zijn sterfbed dacht hij slechts aan haar door Guillaume te smeeken haar bij zich te nemen en met haar te trouwen. De verre bloedverwante was juist failliet gegaan. De toenmaals negentienjarige Marie stond zonder een sou op straat; zij bezat niets dan haar groote kennis, haar gezondheid en haar moed. Nooit had Guillaume toegestaan, dat zij thuis of buitenshuis lessen gaf; zij moest alleen Grootmoeder, die niet meer zoo vlug ter been was, in het huishouden helpen. Deze gaf daarvoor gaarne haar toestemming, blijde over de komst van deze jeugd en deze vroolijkheid, die wat opgewektheid brengen zou in het sedert Marguerite’s dood sombere huis. Marie zou de oudste zuster zijn, te oud reeds dan dat den jongens, die nog op het gymnasium waren, het hoofd op hol gebracht zou worden. Zij zou in dit huis, waar ieder werkte, eveneens werken en medewerken aan het gemeenschappelijk geluk, totdat zij een fatsoenlijken jongen ontmoeten en met hem trouwen zou.

Weer vijf jaar verliepen, zonder dat Marie het gelukkige huis verlaten wilde. Het uitstekende onderwijs, dat zij genoten had, was in een flink hoofd gevallen; zij was blijde alles te weten, hoewel zij zeer rein, zeer gezond, ja zelfs naïef gebleven was. Daarbij was zij echt vrouwlijk, maakte zich met niets mooi, amuseerde zich met niets, was altijd vroolijk en tevreden; zeer practisch en volstrekt niet droomerig aangelegd, was zij steeds met het een of ander bezig, verlangde van het leven niets anders dan wat het geven kon, zonder zich in het minst om het hiernamaals te bekommeren. Met groote liefde dacht zij terug aan haar zoo vrome moeder, die haar onder tranen haar eerste communie had laten doen; maar toen zij alleen overgebleven was, was zij als van zelf opgehouden met naar de kerk te gaan, want haar gezond verstand kwam tegen al die dingen op. Om braaf te blijven, had zij de moreele politie niet noodig; integendeel zij vond het absurde gevaarlijk, beschouwde het als den verwoester van de ware gezondheid.