Part 11
“Maar natuurlijk, beste jongen,” riep Bertheroy uit, “bewaar jij je geheim maar! Wanneer je een ontdekking gedaan hebt, behoort die aan jou toe, en ik weet dat je het beste gebruik daarvan zult maken. Bovendien weet je heel goed, dat ik te zeer bezield ben door den hartstocht voor de waarheid en het mijn principe is nooit de daden van anderen—waarin zij ook bestaan mogen—te beoordeelen, voordat ik alle gronden daarvoor ken.”
Een breed gebaar gaf zijn groote verdraagzaamheid, zijn verheven, van onwetendheid en bijgeloovigheid bevrijden geest te kennen, die van hem, ondanks de vele ordeteekenen, welke zijn borst versierden, ondanks de universitaire en academische titels als officieel geleerde, tot den vermetelsten, meest vrijen, en zooals hij zeide, alleen door waarheidsliefde bezielden mensch maakte.
Hij had de noodige instrumenten niet bij zich en stelde er zich mede tevreden de wond zorgvuldig te verbinden, nadat hij zich vergewist had, dat er geen stukje scherf in het vleesch was blijven steken. Eindelijk ging hij weg met de belofte den volgenden ochtend vroeg terug te komen, en toen de priester hem uitliet, stelde hij hem gerust: als het been niet te diep beleedigd was, zou alles wel goed afloopen.
Toen Pierre weer bij het bed terugkwam, vond hij zijn broer nog in zittende houding; uit zijn verlangen aan de zijnen te schrijven, teneinde hen gerust te stellen, putte hij nog eenige kracht. De priester moest, nadat hij hem papier en potlood gegeven had, de lamp weer nemen en hem bijlichten. Gelukkig kon Guillaume zijn rechterhand gebruiken en aan madame Leroi, zijn schoonmoeder, die na den dood van zijn vrouw bij hem gebleven was en haar drie kleinzoons opgevoed had, schrijven, dat hij niet thuis komen zou. Bovendien woonde, zooals Pierre wist, in het huis, een jong meisje van vijf of zes-en-twintig jaar, de dochter van een vroegeren vriend van Guillaume, die haar na den dood van haar vader opgenomen had en, ondanks het groote verschil van leeftijd, binnenkort met haar trouwen wilde. Doch dit waren voor den priester allemaal onduidelijke, verwarde zaken, en hij had zich steeds gehouden, alsof hij van die verhouding niets wist.
“Wou je, dat die brief dadelijk naar Montmartre werd gebracht?”
“Ja, dadelijk. Het is nou even zeven uur, dan kunnen ze hem vóór achten hebben... Je stuurt toch zeker een vertrouwd man?”
“Het beste zal zijn, dat Sophie met een rijtuig gaat. Met haar kan je gerust zijn, zij zal niet praten... Ik zal het dadelijk even in orde maken.”
Sophie werd geroepen en begreep dadelijk alles; zij beloofde, als men haar uitvroeg, te zullen zeggen, dat mijnheer Guillaume dien nacht bij zijn broer zou slapen, maar dat zij niet wist waarom. En zonder zelfs een opmerking te maken, ging zij weg met de woorden:
“Het eten is klaar, mijnheer de abbé; u behoeft de soep en den ragout maar van het vuur te nemen.”
Maar toen Pierre ditmaal weer naast het bed van zijn broer kwam zitten, lag Guillaume, met twee kussens onder zijn hoofd, zeer moe en bleek op zijn rug. Hij had koorts. Op den hoek van een tafel brandde de lamp met een zacht licht; de stilte was zóó diep, dat men de groote klok in de eetkamer ernaast kon hooren tikken. Een oogenblik omhulde die groote vrede de beide broeders, die na een scheiding van zoovele jaren, eindelijk weer vereenigd en alleen waren. Dan strekte de gewonde zijn gezonde hand uit de dekens; de priester nam die en drukte haar liefdevol in de zijne. En deze druk hield aan; de beide handen bleven broederlijk in elkaar rusten.
“Neem me niet kwalijk, beste Pierre, dat ik hier zoo binnen kom vallen,” prevelde Guillaume zacht. “Ik leg beslag op je huis, neem je bed in beslag, belet je te eten.”
“Kom, praat nu niet meer en vermoei je niet verder,” viel Pierre hem in de rede. “Waar wil je anders naar toe dan naar hier, wanneer je in moeilijkheden bent?”
De koortsachtige hand van den gewonde drukte die van Pierre nog warmer, terwijl zijn oogen vochtig werden.
“Ik dank je Pierre. Je bent nog precies de oude, wees zacht en liefderijk als vroeger. Je weet niet hoe goed me dat op dit oogenblik doet.”
Nu kwam ook voor de oogen van den priester een tranensluier. Te midden van deze groote kalmte, van deze op zoovele heftige opwindingen volgende stilte, was het voor die beide broeders een onuitsprekelijke bekoring zoo in het huis van hun jeugd terug te zijn. Hier waren hun vader en moeder gestorven—hun vader op tragische wijze door een ontploffing in zijn laboratorium, hun moeder vroom als een echte heilige. Hier in dit zelfde bed had Guillaume Pierre verpleegd, toen deze, na den dood van zijn moeder zelf bijna gestorven was; en nu verpleegde Pierre Guillaume. Alles, de onvoorziene omstandigheden van hun ontmoeting, de vreeselijke catastrophe, waardoor zij geschokt waren, de geheimzinnige kant van de zaak, die onopgehelderd bleef tusschen hen; dit alles vervulde hen met een diepe ontroering. En bij deze na een zoo langen tijd van scheiding gevolgde toenadering ontwaakten hun gemeenschappelijke herinneringen, sprak het oude huis van hun jeugd, van hun overleden ouders, van de verre dagen, waarin zij lief gehad en geleden hadden. Daar, onder het raam, lag de tuin, de nu door de vorst verstarde tuin, die vroeger in het vroolijke zonlicht van hun spelen weerklonk. Links bevond zich het laboratorium, het groote vertrek, waarin hun vader hun had leeren lezen. In de eetkamer rechts zagen zij hun moeder weer boterhammen snijden. En het gevoel, dat zij op dit oogenblik alleen waren, dit bleeke, rustige licht der lamp, de diepe, zwijgende eenzaamheid van den tuin, van het huis, van het geheele verleden vervulde hen met een vreemden, zachten weemoed, waaraan zich een eindelooze bitterheid paarde.
Zij hadden willen praten, hun hart voor elkaar uitstorten. Maar wat moesten zij elkander zeggen? Scheidde hen, niettegenstaande hun handen nauw ineengestrengeld waren, niet een onoverbrugbare afgrond? Dat geloofden zij tenminste. Guillaume had de overtuiging, dat Pierre een vrome, vurig-geloovige priester was, die geen twijfel kende, die noch in gedachte, noch in de praktijk des levens iets met hem gemeen had. Een bijlslag had hen gescheiden—zij bewoonden twee verschillende werelden. En evenzoo hield Pierre Guillaume voor een gedeclasseerde, voor een man van verdachten levenswandel, die met de vrouw, bij wie hij drie kinderen had, niet eens getrouwd was en nu op het punt stond met dat veel te jonge meisje, dat God weet waarvandaan kwam, in het huwelijk te treden. Bovendien schrikten hem de geëxalteerde denkbeelden van den geleerde en van den revolutionnair, zijn ontkenning van alles, zijn aanvaarding, ja zelfs de provocatie van de ergste gewelddaden en het onduidelijk zich op den achtergrond vertoonende monster van het anarchisme hem af. Op welk terrein zou de overeenstemming, de eensgezindheid bereikt moeten worden, daar ieder van de beide broeders zijn vooroordeel tegen den ander behield en hem aan de tegenovergestelde zijde van den afgrond zag, zonder dat een plank dien kon overbruggen? En hun arme harten snikten in hartstochtelijke, broederlijke liefde.
Pierre wist, dat Guillaume indertijd reeds bijna in een anarchistisch complot betrokken was geweest. Hij vroeg hem niets, maar als van zelf kwam de gedachte bij hem op, dat hij zich niet zoo verbergen zou, als hij niet bang was als medeplichtige gearresteerd te worden. Was hij inderdaad een medeplichtige van Salvat? En Pierre beefde; want, om zich een meening te kunnen vormen, had hij nog steeds geen ander materiaal dan de woorden, die zijn broeder na den aanslag ontsnapt waren, den kreet, waarmede hij Salvat beschuldigde hem een bom ontstolen te hebben, alsmede het feit, dat hij zoo heldhaftig onder de koetspoort van het hôtel Duvillard gevlogen was, om de lont uit te trappen. Doch welk een duisterheden heerschten er nog! Maar wanneer men hem een patroon van een zoo vreeselijke springstof ontstolen had, dan moest hij ze toch fabriceeren en hebben! Zeker, zelfs wanneer hij geen medeplichtige was, kon hij met zijn gewonde hand niets beters doen dan verdwijnen; want wanneer men hem, die zich reeds eenmaal bloot gegeven had, daar met zijn bloedende hand had aangetroffen, dan zou het hem nooit gelukt zijn de wereld van zijn onschuld te overtuigen. Maar toch bleef er nog een dichte duisternis heerschen, bleef de mogelijkheid van een misdaad bestaan. Het was vreeselijk.
Guillaume moest aan het beven van de vochtig-klamme hand, die nog altijd in de zijne rustte, iets van de neerslachtigheid merken, waarin dit door den twijfel reeds verpletterde en nu door de catastrophe geheel tegen den grond geworpen arme wezen gevallen was. Het graf was ledig, zelfs de asch was er uitgeveegd.
“Mijn arme Pierre,” begon hij weer langzaam; “neem me niet kwalijk, als ik je niets zeg. Ik kan je niets zeggen.... En bovendien, waartoe dient dat? Wij zouden elkaar toch zeker niet begrijpen.... Laten we niets zeggen, laten we slechts genieten van de vreugde samen te zijn, en ondanks alles elkaar liefhebben.”
Pierre keek naar hem op, en lang rustten hun blikken in elkaar.
“Hoe vreeselijk is dat alles!” stamelde hij.
Maar Guillaume had de stomme vraag goed begrepen. Zijn oogen gaven er het antwoord op, terwijl zij zich niet afwendden en een zeer reine, hooge vlam erin òplichtte.
“Ik kan je niets zeggen,” antwoordde hij. “Maar laten we elkaar toch blijven liefhebben, Pierre!”
Toen voelde Pierre een oogenblik, dat zijn broeder boven alle lage ongerustheid, boven de vrees van den schuldige, die voor zichzelf siddert, verheven was; integendeel, de hartstocht voor een groot doel, de edele bezorgdheid, om zijn verheven idée, het geheim te bewaren, hief hem boven de gewone stervelingen op. Maar ongelukkigerwijze was dat slechts het vluchtige visioen van een vage hoop op overwinning en verlossing; want reeds zonk alles weer weg in den twijfel, in het wantrouwen van den mensch, die zichzelf niet kent.
Plotseling rees de herinnering aan een ontzettend schouwspel in Pierre op en dreigde hem krankzinnig te maken.
“Broeder,” stamelde hij, “heb je onder de deur dat blonde kind, dat met haar opengereten buik en haar aardig verwonderd glimlachje op den rug lag, gezien?”
Op zijn beurt rilde Guillaume nu ook. En zacht en moeilijk zeide hij:
“Ja, ja, ik heb haar gezien. Het ongelukkige kind! O, die verschrikkelijke noodzakelijkheden, de verschrikkelijke dwalingen der gerechtigheid!”
Toen viel Pierre in een vreeselijke rilling over het voorgevallene, in zijn verbijstering over de gewelddaad aan den rand van het bed op zijn knieën. Hij snikte wanhopig en liet zijn hoofd op de dekens vallen. Zwak als een kind lag hij daar in deze plotselinge crisis, die zijn oogen met tranen overstroomde. Alles, wat hem sedert den ochtend zoo had doen lijden, brak als het ware samen; de vreeselijke smart over de ongerechtigheid, het leed over de wereld barstte los in dien tranenvloed, welken niets scheen te kunnen tegenhouden. Guillaume, die eveneens zijn ontroering niet bedwingen kon, had met het gebaar, waarmede hij vroeger het haar van het kind gestreeld had, zijn hand gelegd op het hoofd van zijn broeder, om hem te kalmeeren, en zweeg, daar hij geen troost wist. Hij legde zich neer bij de ieder oogenblik mogelijke uitbarsting, die de langzame evolutie in de natuur altijd verhaasten kan. Maar welk een lot voor de ongelukkige schepsels, voor de levens, die de lava met milliarden medesleept! Te midden van de diepe stilte begonnen ook zijn tranen te stroomen.
“Pierre,” zeide hij eindelijk zacht, “ik wil datje eet... Kom, ga eten. Bedek het licht wat en laat mij alleen. Dat zal mij goed doen.”
Pierre moest hem zijn zin geven. Maar hij sloot de deur van de eetkamer niet, en geheel krachteloos van den honger, dien hij tot dusver niet eens opgemerkt had, at hij staande, steeds scherp toeluisterend, of zijn broer niet steunde of hem niet riep. De stilte scheen nog grooter te worden, het kleine huis scheen geheel in de zachte melancholie van het verleden weg te zinken.
Toen Sophie tegen half negen van Montmartre terugkwam, hoorde Guillaume haar ondanks haar zachte loopen. Hij begon te woelen, wilde weten hoe het daar was. Pierre ging het hem onmiddellijk zeggen.
“Maak je maar niet ongerust. Sophie is ontvangen door een oude dame, die, na den brief gelezen te hebben, eenvoudig tegen haar gezegd heeft, dat het goed was. Zij heeft haar niets gevraagd en scheen heelemaal niet nieuwsgierig te zijn.”
Guillaume, die voelde, dat zijn broer zich over die kalmte verwonderde, zeide eveneens heel kalm:
“O, het is voldoende als grootmoeder gewaarschuwd is. Zij weet, dat ik, als ik niet thuis kom, dat ook niet kan.”
Maar hij kon den slaap niet vatten. Het hielp niet, of het licht van de lamp bedekt werd, steeds weer opende hij zijn oogen, keek rond en scheen door de muren heen in de richting van Parijs te luisteren. De priester moest de dienstbode laten komen en haar vragen, of zij, toen zij naar Montmartre ging, niets buitengewoons opgemerkt had. Zij scheen verbaasd over die vraag; neen, zij had niets opgemerkt. Trouwens het rijtuig had over de bijna verlaten buitenboulevards gereden.
Om negen uur begreep Pierre, dat zijn broer niet slapen zou, als hij hem zonder nieuws liet. In zijn opkomende koorts begon de gewonde angstig te worden, liet het verlangen om te weten, of Salvat gearresteerd was en hij gesproken had, hem niet meer los. Hij bekende dat niet en scheen niet ongerust voor zijn eigen persoon, en dat was ongetwijfeld waar ook, maar zijn groot geheim verstikte hem, hij rilde bij de gedachte, dat een zoo hoog doel, zooveel werk en zooveel verwachtingen afhingen van dezen door de ellende verblinden ongelukkige, die de gerechtigheid met het werpen van bommen herstellen wilde. Vergeefs trachtte de priester hem aan zijn verstand te brengen, dat men op dit oogenblik nog niets weten kon, maar Guillaume werd van minuut tot minuut onrustiger, zoodat hij eindelijk besloot ten minste een poging te wagen, om hem gerust te kunnen stellen.
Maar waar moest hij heengaan? Waar aankloppen? In den loop van het gesprek noemde Guillaume, die naging aan wien Salvat onderdak had kunnen vragen, den naam Janzen, en een oogenblik dacht hij erover daar te laten informeeren. Doch dan bedacht hij, dat Janzen, als hij den aanslag vernomen had, er niet de man naar was om de politie bij zich thuis af te wachten.
“Ik zou de avondbladen wel voor je willen gaan koopen,” zeide Pierre, “maar daar staat natuurlijk toch niets in. In Neuilly ken ik bijna iedereen, maar ik weet niemand, die... ja toch misschien Bache...”
“Ken je Bache, het lid van den gemeenteraad?” viel Guillaume hem in de rede.
“Ja, we hebben samen voor liefdadigheidsinstellingen gewerkt.”
“O, Bache is een van mijn oude vrienden. Ik ken geen vertrouwder man. Ga hem halen, als je wilt!”
Een kwartier later kwam Pierre met Bache, die in een naburige straat woonde, terug. Maar hij bracht niet alleen hem mede, maar ook Janzen, dien hij tot zijn groote verbazing bij Bache aangetroffen had. Zooals Guillaume vermoedde, was Janzen, die aan het diner bij prinses de Hardt den aanslag gehoord had, zoo voorzichtig geweest niet naar zijn kleine woning in de rue des Martyrs, waar de politie wel eens een val voor hem opengezet kon hebben, terug te gaan. Zijn betrekkingen tot de anarchisten waren bekend, hij wist, dat hij nagegaan werd en dat hij, als buitenlandsch anarchist ieder oogenblik gearresteerd en uitgewezen kon worden. Hij had het dan ook verstandiger geoordeeld voor enkele dagen gastvrijheid te gaan vragen aan Bache, een zeer dienstvaardig en behulpzaam man, aan wiens handen hij zich zonder vrees toevertrouwde. Nooit zou hij bij Rosemonde gebleven zijn, dat bekoorlijke, maar half onwijze vrouwtje, dat hem in haar razende begeerte naar sensaties nu reeds een maand lang in opspraak bracht.
Guillaume was in de wolken, toen hij Bache en Janzen binnenkomen zag en wilde weer rechtop gaan zitten. Maar Pierre eischte, dat hij rustig met zijn hoofd op het kussen zou blijven liggen en vooral dat hij zoo weinig mogelijk sprak. Terwijl Janzen zwijgend bleef staan, nam Bache een stoel en ging onder een stortvloed van vriendschapswoorden naast het bed zitten. Het was een dikke zestiger met een breed en bol gezicht, een vollen, grijzen baard en lang grijs haar. Zijn kleine oogjes keken droomerig en om zijn dikken mond lag een vriendelijk, hoopvol glimlachje. Zijn vader, een vurig aanhanger van Saint-Simon, had hem in den eeredienst van het nieuwe geloof opgevoed, terwijl hij zelf, ofschoon hij den eerbied voor dat geloof steeds hield, door een persoonlijke behoefte aan orde en godsdienstigheid, tot de denkbeelden van Fourier overgegaan was, zoodat men in hem als het ware een opeenvolging en verkorting van die beide doctrines vond. Op dertigjarigen leeftijd had hij zich ook met spiritisme bezig gehouden. Hij bezat een klein, maar goed belegd vermogen en had in zijn leven geen ander avontuur gehad dan dat hij in 1871, zonder zelf precies te weten hoe en waarom, deel had uitgemaakt van de Commune. Hoewel hij tot de gematigden behoorde, was hij toch bij verstek ter dood veroordeeld en had hij tot de amnestie in België gewoond. Neuilly, dat zich die dingen herinnerde, had hem naar den gemeenteraad afgevaardigd—echter minder, om het slachtoffer der burgerlijke reactie te verheerlijken dan wel om den rechtschapen, in de geheele wijk populairen man te beloonen.
In zijn verlangen naar nieuws moest Guillaume den bezoeker alles wel vertellen; de geschiedenis van de bom, de vlucht van Salvat, de manier, waarop hij gewond werd, toen hij de lont wilde uittrappen. Janzen met zijn koel gezicht, zijn blonden, mageren Christuskop en zijn krullende haren, die naar hem luisterde, zeide eindelijk:
“Zoo, is het Salvat?... Ik dacht, dat het de kleine Mathis zou zijn... Salvat, dat verwondert me. Hij was het niet van plan.”
En toen Guillaume, angstig, hem vroeg, of hij dacht, dat hij spreken zou, riep hij eerst:
“O, neen, geen quaestie van!”
Doch dan, iets van minachting in zijn heldere, chimerische, harde oogen:
“En toch weet ik het zoo zeker niet... Salvat is sentimenteel.”
Bache, die door den aanslag geheel van streek was, werd ongerust en overlegde dadelijk hoe zij, in geval van verklikking, Guillaume, van wien hij heel veel hield, buiten de zaak houden zouden. En deze leed er bij het zien van Janzen’s minachtende koelheid onder, dat men hem voor vreesachtig aanzien en gelooven kon, dat het eenige, waar hij aan dacht, was zijn eigen leven te redden. Maar wat moest hij tegen hen zeggen, hoe zou hij hun de bezorgdheid, die hem rillen deed, begrijpelijk kunnen maken, zonder hun het geheim toe te vertrouwen, dat hij zelfs voor zijn broeder verborgen had?
Op dat oogenblik kwam Sophie aan haar meester zeggen, dat mijnheer Théophile Morin en een andere mijnheer hem wilden spreken. Zeer verwonderd over dat late bezoek, ging Pierre naar de kamer ernaast om ze te ontvangen. Hij had Morin na zijn terugkeer uit Italië leeren kennen en hem geholpen bij de vertaling en bewerking van zijn uitstekend résumé der tegenwoordige wetenschappen voor de Italiaansche scholen. Als zoon van Franche-Comté was hij een landsman van Proudhon, met wiens arme familie hij, de zoon van een horlogemaker, veel had omgegaan, opgegroeid in diens denkbeelden, een warm vriend der armen, en koesterde hij een instinctieven haat tegen rijkdom en bezit. Later was hij als onderwijzer naar Parijs gekomen, had daar een waren hartstocht opgevat voor de studie en zich met geheel zijn ziel aan Auguste Comte gegeven. Op die wijze zou men in hem, den vurigen positivist, den vroegeren aanhanger van Proudhon, den persoonlijken opstand van den arme, den haat tegen de ellende terug kunnen vinden. Overigens hield hij zich aan het wetenschappelijk positivisme, daar hij in zijn afkeer van alles wat naar mystiek zweefde, den in latere jaren zoo godsdienstig geworden Comte verloochend had. Zijn rechtschapen, eentonig en droefgeestig leven had slechts één roman gekend—den plotselingen koortsaanval, die hem medegesleept had om gedurende de legendarische epopee der Duizend aan de zijde van Garibaldi op Sicilië te strijden. En daarna was hij weer het Parijsche onderwijzertje geworden, dat in vergetelheid zijn droevig brood verdiende.
Toen Pierre weer in de slaapkamer terugkwam, zeide hij met ontroerde stem tegen zijn broer:
“Morin heeft Barthès medegebracht, die in gevaar meent te zijn en mij gastvrijheid vraagt.”
“Nicolas Barthès, die held, die antieke geest!” riep Guillaume vol geestdrift uit. “Ik ken en bewonder hem... Je moet je huis wijd voor hem open zetten.”
Bache en Janzen hadden elkaar glimlachend aangekeken. Dan zeide de laatste langzaam en op zijn koud-ironischen toon:
“Waarom verstopt mijnheer Barthès zich? Velen beschouwen hem als dood, en hij is een spook, waarvoor niemand meer bang is.”
Barthès, die nu vier-en-zeventig was, had bijna vijftig jaar in de gevangenis doorgebracht. Hij was de eeuwige gevangene, de vrijheidsheld, dien alle regeeringen van de eene vesting in de andere gebracht hadden. Van af zijn jongelingsjaren leefde hij in zijn droom van broederschap, streed hij voor een ideale republiek van waarheid en gerechtigheid en kwam ten slotte steeds in de gevangenis, waar hij achter slot en grendel zijn humanitaire droomen voortzette. Als Carbonaro, als republikein, als evangelisch sectariër had hij altijd en overal samengezworen, zonder ophouden gestreden tegen iedere mogelijke macht. En toen de Republiek gekomen was, die Republiek, welke hem zooveel jaren kerkerstraf gekost had, had ook deze hem in de gevangenis gezet en nog meer donkere jaren aan de zoovele zonlooze toegevoegd. Hij bleef de martelaar der vrijheid en verlangde ondanks alles naar haar—naar haar, die nooit bestond.
“Je vergist je leelijk,” zeide Guillaume, geprikkeld door Janzen’s spottenden toon. “Men wil Barthès, wiens intransigente rechtschapenheid onze politici hindert, weer een tijdje opsluiten; hij heeft groot gelijk voorzorgsmaatregelen te nemen.”
Nicolas Barthès kwam binnen, een groote, magere, slanke grijsaard met een adelaarsneus en nog vurige oogen. De tandenlooze, maar nog fijn geteekende mond verdween bijna geheel onder zijn sneeuwwitten baard, terwijl zijn haar, dat glansde als een aureool, in dichte lokken op zijn schouders viel. Achter hem kwam bescheiden Théophile Morin met zijn grijze bakkebaarden, zijn grijze, en brosse geknipte haren, zijn bril, zijn geel, verweerd onderwijzersgezicht. Zij schenen volstrekt niet verbaasd te zijn of een verklaring te verwachten, toen zij den gewonde met zijn verbonden pols op bed zagen liggen; voorgesteld werd niemand: zij, die elkaar kenden, glimlachten elkaar toe.
Barthès boog zich over Guillaume en kuste hem op zijn beide wangen.
“O,” zeide deze laatste; “het doet me goed je te zien, dat geeft me weer moed.”
Maar de beide nieuw aangekomenen brachten eenig nieuws. Op de boulevards heerschte een buitengewone opwinding; de tijding van den aanslag had zich van café tot café verspreid, en men ontrukte elkaar de late uitgave van een courant, waarin het verhaal heel slecht en met ongelooflijke details gedaan werd. Per slot van rekening wist men niets met zekerheid.
Pierre, die Guillaume bleek zag worden, dwong hem weer te gaan liggen. Maar toen hij de heeren mede wilde nemen naar de kamer ernaast, zeide de gewonde zacht:
“Neen, neen, ik beloof je, dat ik me niet meer bewegen en geen woord meer zeggen zal. Blijf hier en praat fluisterend. Heusch het zal mij goed doen niet alleen te zijn en jullie te hooren.”