Part 10
Pierre rilde onder die opstapeling van ongerechtigheden en smarten, onder alles wat beneden in ellende en misdaad, boven in rijkdom en ontucht geschiedde. De tot macht gekomen bourgeoisie wilde niets van haar veroverde, geheel en al gestolen heerschappij loslaten, terwijl het eeuwig bedrogen volk, de groote Zwijgende, zijn vuisten balde en grommend zijn wettelijk aandeel opeischte. En deze vreeselijke ongerechtigheid vervulde de toornende duisternis met woede. Uit welke wolk zou de donderslag weerklinken? Dezen wrekenden donderslag, die zich door dof gerommel aan alle punten van den horizont aankondigde, verwachtte hij reeds jaren. Slechts om het vreeselijke losbarsten ervan te bezweren, had hij een boek van reinheid en hoop geschreven, was hij in zijn onschuld naar Rome gegaan. Maar alle hoop was nu in zijn hart gestorven; hij voelde, dat de donderslag onvermijdelijk was, niets kon meer de catastrophe tegenhouden. Nooit nog had hij haar bij het onbeschaamd geluk van sommigen, bij de wanhopige ellende van anderen zoo nabij gevoeld. Zij hoopte zich op, zij zou ongetwijfeld boven dit bronstige en pralende Parijs, dat, zoodra de avond kwam, zijn vurigen oven deed opvlammen, losbarsten.
Toen Pierre, gebroken van moeheid en diep terneergeslagen op de place de l’Opéra kwam, keek hij op. Waar was hij toch? Hier op dit breede kruispunt van wegen en straten scheen het hart van de groote stad te kloppen, als stroomde het bloed der verre stadsdeelen van alle kanten langs triomphantelijke avenues erheen. Waarom was hij toch hier? Pierre vroeg het zich geprikkeld en verwonderd af. Nu Laveuve gestorven was, behoefde hij slechts naar huis terug te gaan, met gesloten deuren en ramen in zijn hoek weg te kruipen als een voortaan nutteloos wezen zonder geloof en zonder hoop, dat alleen nog maar op de definitieve vernietiging wachtte. Van de place de l’Opéra naar zijn huisje in Neuilly was het een heele weg. Hoewel hij als het ware geradbraakt van vermoeidheid was, wilde hij geen rijtuig nemen; hij keerde op zijn schreden terug, liep in de richting van de Madeleine en stortte zich, met de grimmige begeerte zijn wond nog grooter te maken en zich als het ware te drenken in woede en toorn, weer midden in het gedrang der trottoirs en het oorverdoovend lawaai van den rijweg. Was niet op den hoek van die straat, aan het einde van dien boulevard de afgrond, waarin deze verrotte wereld, deze oude maatschappij, die hij bij iederen stap hoorde kraken, neerstorten moest?
Toen hij de rue Scribe wilde oversteken, werd hij tegengehouden door een oploop. Voor een der weelderige restaurants ventten twee groote, slecht gekleede, vuil uitziende mannen beurtelings de Voix du Peuple, de schandalen en de verkochten met zulke luide stemmen, dat de voorbijgangers bleven staan en een oploopje vormden. En hier herkende Pierre opnieuw tot zijn verbazing in een aarzelend heen en weer loopend man, die, na geluisterd te hebben, door de ramen van het groote café ging kijken, Salvat. Ditmaal frappeerde de ontmoeting hem nog meer en vervulde hem zoodanig met argwaan, dat hij eveneens staan bleef en besloot zijn doen en laten te volgen. Hij kon niet aannemen, dat deze man, die er zoo jammerlijk uitzag en met het stuk brood, dat een bult vormde onder zijn reeds in flarden hangende boezeroen, binnen gaan en plaats nemen zou aan een der tafeltjes onder het warme licht der lampen. Een oogenblik wachtte hij, dan zag hij hem met een slependen en vermoeiden pas verder gaan, alsof het bijna ledige restaurant niet in zijn smaak viel. Wat zocht hij toch? Waarheen liep hij toch sedert den vroegen morgen op deze eenzame, wilde jacht dwars door het rijke, vroolijke Parijs, terwijl de honger hem overal op de hielen volgde. Hij sleepte zich slechts met moeite voort en scheen aan het eind van zijn wilskracht en energie. Uitgeput ging hij een oogenblik tegen een kiosk staan leunen, dan richtte hij zich weer op en liep, altijd zoekend, verder.
Doch nu gebeurde er iets, dat Pierre’s verbazing tot het uiterste bracht. Een groote en sterke man, die uit de rue Caumartin kwam, had Salvat opgemerkt en sprak hem aan. Na een korte weifeling herkende de priester zijn broer Guillaume, die nu zonder eenige schaamte den werkman een hand gaf. Ja hij was het met zijn dik, kortgeknipt, ondanks zijn zeven-en-veertig jaar reeds geheel grijs haar. De dikke snor was nog donkerbruin, wat aan zijn gelaat met het hooge, torenvormige voorhoofd iets energieks gaf. Dat voorhoofd, vol onoverwinnelijke logica en verstand, dat Pierre ook bezat, had hij van zijn vader, maar het onderste gedeelte van het gezicht van den ouderen broeder was krachtiger met den grooten neus, de vierkante kin en den breeden, scherp geteekenden mond. Een litteeken van een oude wond liep over de linkerslaap. Maar wanneer een glimlachje de nog zeer witte tanden ontblootte, helderde dit op den eersten aanblik ernstige, harde en gesloten gezicht door een uitdrukking van manlijke goedheid op.
Pierre herinnerde zich wat madame Théodore hem dien ochtend verteld had. Zijn broeder Guillaume had, door zooveel ellende getroffen, Salvat voor een paar dagen werk gegeven. Dat verklaarde de belangstelling, waarmede hij hem uitvroeg, terwijl Salvat, die blijkbaar verlegen was, heen en weer trippelde, als wilde hij zijn smartelijke wandeling weer zoo gauw mogelijk voortzetten. Een oogenblik scheen Guillaume die verlegenheid door de blijkbaar verwarde antwoorden, die hij kreeg, te merken. Toch nam hij afscheid van den werkman. Maar bijna onmiddellijk daarna keerde hij zich om en keek Salvat, die moe door de menigte verder liep, na. De gedachten, die toen in hem opkwamen, moesten wel ernstig en dringend zijn, want plotseling keerde hij op zijn schreden terug en volgde Salvat op een afstand als wilde hij zich vergewissen welke richting hij uitging.
Door een steeds grooter wordende onrust aangegrepen, had Pierre dit tooneel gadegeslagen. De zenuwachtige verwachting van een groot onbestemd ongeluk, de argwaan, die door deze op elkaar volgende, onverklaarbare ontmoetingen met Salvat in hem gewerkt werd, de verbazing zijn broer nu ook in dit avontuur gewikkeld te zien, dat alles dreef hem er toe aan meer te willen weten, erbij te zijn, te verhinderen misschien. Hij aarzelde niet langer en volgde nu zelf voorzichtig de beide mannen.
Een nieuwe verbazing greep hem aan, toen Salvat en daarna zijn broer Guillaume plotseling de rue Godot-de-Mauroy insloegen. Welk noodlot bracht hem terug naar deze straat, waarheen hij met koortsachtige haast had willen gaan en waarvan de dood van Laveuve hem slechts verwijderd gehouden had. En zijn ontsteltenis werd nog grooter, toen hij Salvat, dien hij een oogenblik uit het oog verloren had, weer terug vond op het trottoir vlak tegenover het hôtel Duvillard, precies op dezelfde plek, waar hij hem ’s ochtends had meenen te zien. Wegens een reparatie aan het plaveisel onder de koetspoort stond de groote deur juist wijd open. De smalle straat leek naast den hel verlichten boulevard als weggezonken in een blauwen nevel, waarin de enkele gasvlammetjes der lantaarns als sterren plekten. Een paar vrouwen kwamen voorbij, zoodat Salvat even van het trottoir af moest. Maar dadelijk ging hij er weer op staan, stak een eindje sigaar aan, dat hij waarschijnlijk onder een tafeltje van een café opgeraapt had, en betrok dan weer onbeweeglijk en geduldig de wacht tegenover het hôtel.
Pierre schrok en vroeg, door sombere voorgevoelens gekweld, zich af, of hij dezen man niet aanspreken moest. De tegenwoordigheid van zijn broer, die zich, zooals hij zag, loerend onder de deur van een huis ernaast verborg en eveneens gereed stond tusschenbeide te komen, hield hem ervan terug. Dus vergenoegde hij er zich mede Salvat niet uit het oog te verliezen, die, steeds op de loer, zijn blik op de deur gericht hield, terwijl hij slechts nu en dan in de richting van den boulevard keek, als verwachtte hij iets of iemand, die daarvandaan moest komen. Inderdaad kwam eindelijk de landauer der familie Duvillard met den koetsier en den palfrenier in donkergroene livrei met gouden tressen.
Tegen de gewoonte in zaten in het rijtuig, dat op dit uur den vader of de moeder thuis placht te brengen, dezen avond slechts de beide kinderen Camille en Hyacinthe. Zij kwamen terug van de matinée van prinses de Hardt en praatten ongedwongen met de brutale schaamteloosheid, waarmede zij elkaar trachtten te imponeeren.
“Ik heb een walg van de vrouwen... En haar geur, ajakkes! En dan dat afschuwelijke kinderen krijgen, waaraan je bij haar altijd bloot staat.”
“Och, zij zijn allicht nog zooveel waard als jouw George Elson, dat mislukte meisje. Trouwens het is heel dom van je het niet met de prinses aan te leggen, want zij is dol op je.”
“O, die prinses hangt me de keel uit!”
Hyacinthe was tegenwoordig tot de negatie der sekten, tot de kwijnende pose van algeheele wereldverzaking gekomen. Maar Camille beefde van heftige en boosaardige opwinding en sprak op geprikkelden toon. Na een kort zwijgen begon zij weer.
“Zeg, mama is weer bij hem.”
Zij behoefde geen nadere aanduiding te geven, haar broeder begreep haar, want zij praatten dikwijls ongedwongen over die dingen.
“Passen bij Salmon, hé?... Zij is de andere deur doorgegaan en is nu bij hem.”
“Wat kan jou het eigenlijk schelen, of zij met Gérard is of niet?” vroeg Hyacinthe kalm.
En toen hij voelde, hoe zij opsprong:
“Houdt je dan nog altijd van hem—wil je hem nog altijd hebben?”
“Ja, ik wil hem, en ik zal hem hebben!”
En in dien kreet legde zij haar geheel ijverzuchtige woede van leelijk meisje, al het leed over haar verlaten zijn, over het bewustzijn, dat haar nog zoo mooie moeder bezig was haar haar genot te ontrooven.
“Je zult hem hebben, je zult hem hebben,” begon Hyacinthe, die blij was, dat hij zijn zuster, voor wie hij bang was, een beetje treiteren kon; “je zult hem hebben, als hij zich maar geven wil... Hij houdt niet van je.”
“Hij houdt wel van me!” riep Camille woedend. “Hij is lief voor mij, en daar heb ik genoeg aan.”
Hij werd bang voor haar dreigenden blik, voor haar kleine handjes, die zich als klauwen kromden. Dan, na een stilte:
“En wat zegt papa ervan?”
“O papa, als die maar van vier tot zes bij de andere zijn kan.”
Hyacinthe begon te lachen. Dat was wat zij onder elkaar het snoepuurtje van papa noemden, en Camille maakte zich daar ook altijd vroolijk over, behalve op de dagen, dat mama ook buitenshuis snoepte.
De gesloten landauer was de straat ingereden en naderde nu met de luide hoefslagen van de twee groote paarden. Op dat oogenblik stak een kleine blondine van zestien of achttien jaar, een loopmeisje van een modiste, dat een groote hoedendoos onder haar arm had, vlug de straat over, om vóór het rijtuig onder de koetspoort te komen. Zij bracht een hoed voor de barones en had met haar viooltjes-blauwe oogen, haar rose neusje en haar altijd lachend mondje in het aardigste gezichtje, dat men zich denken kan, langs den geheelen boulevard loopen slenteren. Op dat oogenblik sprong Salvat, na een laatsten blik op den landauer geworpen te hebben, onder de koetspoort. Bijna onmiddellijk daarna kwam hij weer te voorschijn, wierp zijn eindje sigaar in de goot, verwijderde zich langzaam en verdween in de vage schemering der straat.
Wat gebeurde er nu? Later herinnerde Pierre zich dat een bestelwagen van de Westerspoorwegmaatschappij den landauer een minuut ophield, terwijl het loopmeisje onder de poort verdween. Dan zag hij, terwijl zijn keel als het ware door angst toegesnoerd werd, hoe zijn broer, als onder den invloed van een openbaring, van een plotselinge zekerheid, het hôtel binnenvloog. Zonder het juiste te begrijpen, voelde Pierre de nadering van het ontzettende. Maar hoewel hij ook naar binnen vliegen en schreeuwen wilde, bleef hij als aan den grond genageld staan: hij had het gevoel, alsof een looden hand zich om zijn keel klemde. Plotseling was het als het rommelen van den donder, een vreeselijke ontploffing, als opende zich de aarde en als zonk het door den bliksem getroffen hôtel in de diepte. Alle ramen der naburige huizen sprongen en vielen met het kletterend geluid van hagel op den grond. Een hellevlam hulde de straat voor een oogenblik in vuur; het stof en de rook waren zóó, dat de enkele voorbijgangers verblind werden en van schrik over dien vurigen oven, waarin zij meenden te verzinken, begonnen te gillen.
Maar bij dien bliksemstraal ging voor Pierre een licht op. Hij zag weer de bom voor zich, die de door het gebrek aan werk leeg en overbodig geworden gereedschappenzak rond maakte. Hij zag weer den bult onder den boezeroen, dien hij voor een stuk brood gehouden had, dat hij vrouw en kind mee naar huis wilde nemen. Nadat de bom het gelukkige Parijs doorgetrokken was en bedreigd had, was zij hier, op den drempel der heerschende bourgeoisie, die de meesteres is van het goud, ontvlamd en met een donderend geweld ontploft. Maar Pierre dacht op dat oogenblik slechts aan zijn broer Guillaume en vloog naar de poort, waarin zich een krater geopend scheen te hebben. Maar in den beginne onderscheidde hij niets, de bijtende en scherpe rook verduisterde alles. Dan zag hij, dat de muren gespleten, de bovenverdieping opengescheurd, het plaveisel weggeslagen en met puinhoopen bezaaid was. De landauer, die juist binnen zou rijden, was niet getroffen, had zelfs geen schram gekregen van een projectiel. Maar het meisje, het kleine, blonde, knappe loopmeisje, lag, door den bliksemstraal der catastrophe getroffen, met een opengescheurden buik op haar rug. Het fijne gezichtje was ongeschonden, de oogen helder, zij lachte als verwonderd, en uit de naast haar neergevallen doos, waarvan de deksel opengegaan was, was de hoed, een heel teere, rose hoed, gerold.
Door een wonder leefde Guillaume nog, stond reeds weer op zijn voeten. Alleen zijn linkerhand bloedde: scherven hadden den pols opengescheurd. Zijn snor was verbrand, en de ontploffing, die hem tegen den grond geworpen had, had hem zoo van streek gebracht, dat hij over zijn geheele lichaam beefde. Toch herkende hij zijn broeder, en als na een groot ongeluk, waarin het onverklaarde als het ware een voorziening wordt, verwonderde het hem in het geheel niet hem daar te zien. Deze broeder, dien hij zoo lang uit het oog verloren had, was er natuurlijk, omdat hij er zijn moest. En in het als waanzinnig huiveren, dat hem doortrilde, riep hij hem dadelijk toe:
“Neem me mee, neem me mee... naar jou, naar Neuilly!”
Dan voegde hij eraan toe, sprekend over Salvat:
“Ik vermoedde wel, dat hij een patroon van me gestolen had... Goddank maar één, anders zou de geheele wijk in de lucht gevlogen zijn... De ongelukkige! Ik ben niet gauw genoeg kunnen komen, om de lont uit te trappen.”
Met een volkomen helderheid van geest, zooals het gevaar die soms geeft, herinnerde Pierre zich, zonder een woord te zeggen en zonder een minuut te verliezen, dat het hôtel een achteruitgang in de rue Vignon had. Hij had onmiddellijk het ernstige gevaar, waarin zijn broer zich bevinden zou, wanneer hij in dit voorval betrokken werd, begrepen. Nadat hij hem in de donkere rue Vignon gebracht had, wond hij vlug zijn zakdoek om zijn pols en zeide hem dan die onder zijn vest tegen zijn borst te houden.
“Neem me met je mee naar Neuilly,” herhaalde Guillaume bevend. “Niet naar mijn huis!”
“Ja, ja, wees maar gerust. Wacht even hier, dan haal ik een rijtuig.”
Hij had hem, in zijn haast, om een rijtuig te vinden, weer op den boulevard gebracht; maar de donderende ontploffing had de geheele wijk in rep en roer gebracht: de paarden steigerden en de menschen vlogen in een waanzinnige opwinding op goed geluk af de een of andere richting in. Politie-agenten waren toegesneld, een groote menigte versperde reeds den ingang van de rue Godot-de-Mauroy, die door het uitgaan van alle lichten zwart als een afgrond gaapte, terwijl op den boulevard een couranten-jongen van de Voix du Peuple het nieuwe schandaal der Afrikaansche sporen, de twee-en-dertig omgekochte Kamer- en Senaatsleden, den aanstaanden val van het ministerie uit bleef schreeuwen.
Toen Pierre eindelijk een rijtuig vond, hoorde hij een voorbijganger tot een ander zeggen:
“Het ministerie vallen, dat kan je denken. Deze bom lapt het weer heelemaal op!”
De twee broeders stapten in en reden weg. Boven het bruisende Parijs was het nacht geworden, een zwarte nacht zonder erbarmen, waarin de sterren in den van de daken opstijgenden nevel van misdaden en woede verdwenen. En met het angstaanjagende vleugelgeklep, dat Sodom en Gomorrha hadden hooren komen, weerklonk de luide kreet om gerechtigheid van alle zijden van den horizont.
TWEEDE BOEK
I.
Het huisje in de afgelegen straat van Neuilly, waar na het invallen van de schemering niemand meer door kwam, sliep op dat uur in den donkeren nacht. De luiken waren gesloten, geen lichtstraal drong naar buiten door en het was als voelde men den diepen vrede van den daarachter gelegen ledigen, dooden, door de winterkoude verstarden tuin.
Terwijl Pierre in het rijtuig met zijn gewonden broeder naar huis reed, was hij meermalen bang Guillaume in onmacht te zien vallen. In elkaar gedoken leunde hij achterover en sprak geen woord. Het was een vreeselijke stilte, zoo vol vragen en antwoorden, dat zij het nutteloos en pijnlijk vonden ze te stellen of te geven. Toch maakte de priester zich ongerust over de wond en vroeg hij zich af welken dokter hij zou moeten halen; hij kon slechts een vertrouwbaren man in het geheim nemen, daar hij zag hoe gaarne de gewonde verdwijnen wilde en zich verborg.
Tot den Arc de Triomphe werd geen woord gesproken. Toen eerst scheen Guillaume uit zijn verdooving te ontwaken en zeide:
“En denk erom, Pierre, geen dokter. Wij zullen dat samen wel in orde brengen.”
Pierre wilde zich daartegen verzetten, doch hij maakte slechts een eenvoudig gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij het wel zou doen, als hij het noodig achtte. Waartoe diende het op dat oogenblik te gaan redetwisten? Maar zijn ongerustheid was toegenomen, en het was een groote verlichting voor hem toen het rijtuig eindelijk voor het huisje stilhield en hij zijn broer zonder bijzondere zwakheid zag uitstappen. Vlug betaalde hij den koetsier en was erg blij, dat niemand, zelfs niet een van zijn buurlieden, op straat was. Dan maakte hij de deur met zijn sleutel open en steunde den gewonde, om hem de drie treden van het bordes op te helpen.
In de vestibule brandde een klein nachtlichtje. Onmiddellijk was, bij het opengaan van de deur, de oude dienstbode Sophie uit de keuken gekomen. Thans zestig jaar, mager en gerimpeld, was zij reeds meer dan dertig jaar in het huis, daar zij eerst in dienst geweest was bij de moeder, alvorens in dien van den zoon over te gaan. Zij kende Guillaume, dien zij als jongen man gezien had. Ongetwijfeld herkende zij hem, hoewel hij in geen tien jaar den drempel overschreden had. Maar zij toonde geen enkele verbazing, scheen dien plotselingen terugkeer heel natuurlijk te vinden in het gewone discrete zwijgen, dat zij zich eigen gemaakt had. Zij leefde geheel in afzondering en sprak slechts, wanneer de dienst dat noodzakelijk maakte. En ook nu zeide zij slechts:
“Mijnheer de abbé, mijnheer Bertheroy zit al een kwartier in uw studeerkamer op u te wachten.”
“Zoo, komt Bertheroy nog altijd hier?” vroeg Guillaume, wiens gezicht weer opklaarde. “Nu, hem wil ik wel zien; hij is een van de beste en meest vrijzinnige geesten van den tegenwoordigen tijd. Hij is mijn meester gebleven.”
Bertheroy, vroeger de vriend van hun vader, den beroemden scheikundige Michel Froment, was nu op zijn beurt een der corypheeën van Frankrijk, aan wien de scheikunde den buitengewonen vooruitgang te danken had, welke haar tot de moederwetenschap, die bezig is het aangezicht der aarde te hernieuwen, gemaakt hebben. Hoewel lid van het Institut en overladen met allerlei eere-ambten, had hij toch voor Pierre een groote genegenheid behouden en kwam hij hem dikwijls voor het diner opzoeken, om, zooals hij zeide, wat afleiding te hebben.
“Heb je hem in mijn studeerkamer gelaten? Prachtig! We zullen naar hem toegaan,” zeide Pierre tegen de dienstbode. “Breng een lamp in mijn slaapkamer en maak mijn bed op, dan kan mijn broeder dadelijk gaan liggen.”
Terwijl Sophie, zonder eenige verbazing te toonen of een woord te zeggen, het bevel uitvoerde, gingen de twee broeders naar het vroegere laboratorium van hun vader, waarvan Pierre een groote studeerkamer gemaakt had. Toen de geleerde hen samen, de een steunend op den ander, binnenkomen zag, ontving hij hen met een uitroep van blijde verbazing.
“Wat, samen!... Beste jongens, jullie kondt me geen grooter pleizier doen. Ik heb zoo dikwijls dat nare misverstand tusschen jullie betreurd!”
Hij was een groote, magere zeventiger met hoekige trekken. De geelachtig geworden huid kleefde als een stuk perkament op de vooruitspringende juk- en wangbeenderen. Hij had absoluut niets imponeerends, zag er eerder als een oude kruidenhandelaar uit. Maar zijn voorhoofd was mooi, breed en glad en onder zijn grijs verwilderd haar brandden nog een paar vlammenoogen.
Toen hij de verbonden hand zag, riep hij uit:
“Wat, ben je gewond, Guillaume?”
Pierre bleef zwijgen en liet het aan zijn broer over de geschiedenis te vertellen, zooals hij dat zelf wilde. Maar deze had begrepen, dat hij, eenvoudig, de waarheid bekennen moest, met weglating van de bijzondere omstandigheden.
“Ja, bij een ontploffing. Ik geloof, dat ik mijn pols gebroken heb.”
Bertheroy keek hem aan, zag, dat zijn snor verbrand was, dat zijn oogen verschrikt stonden. Hij werd ernstig, maar trachtte toch niet door vragen tot vertrouwelijkheden te dwingen.
“Kom, kom, een ontploffing... Mag ik de wond eens zien? Zooals je weet, heb ik, voor ik mij door de scheikunde verleiden liet, in de medicijnen gestudeerd en ben ik nog zoo’n beetje chirurg.”
“Ja, ja, kijk u eens naar de wond!” riep Pierre, niet in staat dien uitroep te bedwingen. “Ik maak me zoo ongerust... Het is een onverhoopt geluk, dat u hier bent.”
De geleerde keek hem aan en voelde den ernst der omstandigheden, die men voor hem verborgen hield. En toen Guillaume glimlachend, maar verbleekend van zwakheid, toestemde, wilde hij eerst, dat hij naar bed ging. De dienstbode kwam zeggen, dat het bed opgemaakt was, en allen gingen in de kamer ernaast, waar de gewonde ontkleed en op bed gelegd werd.
“Licht mij wat bij, Pierre, en laat Sophie een kom met water en wat linnen halen!”
En nadat hij zacht de wond gewasschen had:
“Alle duivels!... De pols is niet gebroken, maar het ziet er toch leelijk uit. Ik ben bang, dat het been gekwetst is. Er zijn spijkers doorgegaan, niet waar.”
Daar hij geen antwoord kreeg, zweeg hij verder. Zijn verwondering werd grooter, hij begon aandachtig de hand, die zwart geworden was door de vlam, te onderzoeken, en rook zelfs ten slotte aan de mouw van zijn hemd, om zich beter rekenschap te kunnen geven. Blijkbaar herkende hij de uitwerking van een dier nieuwe ontploffingsmiddelen, die hij zelf zoo grondig bestudeerd en, om zoo te zeggen, geschapen had. Maar toch moest deze hem op een dwaalspoor brengen, want er waren sporen voorhanden, die hem onbekend waren.
“Heb je je,” vroeg hij eindelijk, medegesleept door zijn geleerdennieuwsgierigheid, “in een laboratorium-ontploffing zoo mooi toegetakeld?... Wat voor een gevaarlijke springstof was je aan het fabriceeren?”
Sedert Guillaume hem zijn wond zoo zag bestudeeren, voelde hij, ondanks zijn pijn, een toenemende onrust, alsof het echte geheim, dat hij bewaren wilde, gelegen was in die springstof, de eerste proef waarmede hem zoo wreed getroffen had.
“Ik verzoek u dringend, meester, mij niets verder te vragen. Ik kan u toch niet antwoorden... Ik weet, dat u edel genoeg bent, om mij te verplegen en toch nog van mij te houden, zonder mij de biecht af te nemen.”