Part 1
DE DRIE STEDEN
PARIJS
ROMAN
DOOR EMILE ZOLA
VERTALING VAN W. J. A. ROLDANUS Jr.
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88
EERSTE BOEK
I.
Op een ochtend in het eind van Januari stond abbé Pierre Froment, die in den Sacré-Cœur van Montmartre een mis moest lezen, reeds voor acht uur voor de basilica. Alvorens naar binnen te gaan, keek hij een oogenblik naar Parijs, welks grenzenlooze zee zich aan zijn voeten ontrolde.
Na twee maanden van vreeselijke koude, sneeuw en ijs lag Parijs nu als het ware gedompeld in een somberen, huiverenden dooi. Uit den wijden, loodkleurigen hemel hing een dichte nevel als een rouwsluier. Het geheele Oosten der stad, de wijken van armoede en werk, schenen in rosachtige dampen, waarin men den adem van werkplaatsen en fabrieken vermoedde, gehuld, terwijl naar het Westen, naar de wijken van rijkdom en genot, de mist òplichtte, niet meer dan een fijne, onbeweeglijke nevelsluier was. Nauwlijks kon men raden, waar de ronde lijn van den horizont was, het onmetelijke huizenveld geleek een chaos van steenen, bezaaid met stilstaande poelen, die de inzinkingen met een valen waterdamp vulden, en waartegen de muurkappen der gebouwen en de hoog gelegen straten roetachtig zwart afstaken. Het was een mysterievol, door wolken omsluierd Parijs, als begraven onder de asch van een ramp, reeds half verdwenen onder het lijden en de schande van wat zijn onmetelijkheid verborg.
Mager en droefgeestig in zijn dunne soutane stond Pierre nog te kijken, toen abbé Rose, die zich blijkbaar achter een pilaar verscholen had, om hem op te wachten, op hem toetrad.
“Zoo, ben jij daar eindelijk, beste jongen? Ik heb je wat te vragen.”
Hij scheen verlegen, zenuwachtig. Wantrouwend keek hij om zich heen, of er niemand was; dan nam hij hem, alsof de eenzaamheid hem niet voldoende gerust stelde, een paar passen mede in den ijzigen Noordenwind, dien hij blijkbaar niet eens voelde.
“Luister eens, het betreft een armen man, over wien ze me gesproken hebben, een ouden man van zeventig jaar, die niet meer werken kan en in een krot in de rue des Saules van honger omkomt... En nou had ik gedacht, beste jongen, dat jij die drie francs uit mijn naam moest gaan brengen, dan heeft hij tenminste nog voor een paar dagen brood.”
“Maar waarom gaat u zelf uw aalmoes niet brengen?”
Weer werd abbé Rose zenuwachtig en keek met verschrikte, schuwe blikken om zich heen.
“Neen, neen, dat kan ik niet na al die onaangenaamheden, die ik ondervonden heb. Je weet heel goed, dat ze op me letten en dat ik weer een standje krijgen zou, als ze merkten, dat ik zoo maar gaf, zonder te weten aan wien ik geef. Ja, ik heb, om die drie francs te krijgen, wat moeten verkoopen... Ik smeek je, beste jongen, bewijs mij dezen dienst.”
Diep ontroerd keek Pierre naar den goeden, reeds geheel grijzen priester met zijn dikken, goedigen mond, zijn heldere kinderoogen in het ronde, glimlachende gezicht. In een opwelling van bitterheid herinnerde Pierre zich de geschiedenis, van dezen vriend der armen, de ongenade, waarin deze vrome, menschlievende man door zijn verheven rechtschapenheid gevallen was. Zijn kleine rez-de-chaussée in de rue de Charonne, waarvan hij een asyl gemaakt had, waarin hij alle ellende der straat opnam, was ten slotte de oorzaak van een schandaal geworden. Men maakte er misbruik van zijn goedgeloovigheid en van zijn onschuld; zonder dat hij er ook maar iets van vermoedde, gebeurden er de schandelijkste dingen. Snollen, die geen man gevonden hadden, om haar mede te nemen, zochten hier haar onderkomen. De gemeenste rendez-vous werden er gegeven, het was een afschuwelijke vermenging van geslachten. Op een goeden nacht had de politie een inval gedaan, om een wegens kindermoord verdacht meisje van dertien jaar te arresteeren. De kerkelijke autoriteit had daarop abbé Rose gedwongen zijn asyl te sluiten door hem over te plaatsen naar de St. Pierre de Montmartre, waar hij zijn vicariaat terugkreeg. Het was geen ongenade, maar een eenvoudige overplaatsing. Men had hem verwijten gedaan, terwijl men nu, zooals hij zeide, zijn gangen naging; hij schaamde zich en voelde zich ongelukkig, omdat hij nu slechts in het geheim geven kon, als een dwaze verkwister, die bloost over zijn fouten.
Pierre nam de drie francs.
“Ik beloof u, dat ik heel graag doen zal wat u vraagt.”
“Je gaat toch zeker na je mis? Hij heet Laveuve en woont in de rue des Saules in een huis met een binnenplaats, even voor je in de rue Marcadet komt. Je zult het makkelijk vinden... En als je zoo goed wilt zijn me vanavond om vijf uur in de Madeleine, waar ik naar een lezing van monseigneur Martha ga luisteren, te komen vertellen hoe het afgeloopen is, dan zou je me een heel groot plezier doen. Monseigneur Martha is altijd zoo hartelijk voor me geweest. Kom jij ook niet luisteren?”
Pierre antwoordde met een ontwijkend gebaar. Monseigneur Martha, bisschop van Persepolis, die in het aartsbisschoppelijk paleis veel invloed had, sedert hij als werkelijk geniaal propagandist de inkomsten voor den Sacré-Cœur vertienvoudigde, had inderdaad abbé Rose onder zijn bescherming genomen en doorgezet, dat men hem in Parijs liet en weer naar de Saint-Pierre de Montmartre Verplaatst had.
“Ik weet niet of ik zal kunnen blijven,” zeide Pierre. “Maar in ieder geval kom ik u mijn bevindingen vertellen.”
De Noordenwind en de grimmige koude doordrong hen beiden op den eenzamen top, in den mist, welke de groote stad in een oceaan van nevels veranderde. Maar stappen deden zich hooren; en dadelijk weer vol wantrouwen, zag abbé Rose een zeer grooten en krachtigen man voorbijgaan. Hij droeg overschoenen en liep blootshoofds met zijn dik, grijs, kortgeknipt haar.
“Is dat je broer niet?” vroeg de priester.
“Ja,” antwoordde Pierre kalm; “het is mijn broer Guillaume. Nu ik in den laatsten tijd nog al eens in den Sacré-Cœur kom, zie ik hem vrij dikwijls. Hij woont hier nu al vijf-en-twintig jaar in de buurt, geloof ik. Als we elkaar tegenkomen, geven we elkaar een hand. Maar ik ben nog niet bij hem geweest... Och, tusschen ons is alles dood, we hebben niets gemeenschappelijks meer, werelden scheiden ons...”
Het liefdevolle glimlachje van abbé Rose kwam weer terug en hij maakte een gebaar, als wilde hij te kennen geven, dat men nooit aan de liefde moet wanhopen. Guillaume Froment, een geleerde met een helder hoofd, een chemicus, een afvallige, die geheel afgezonderd leefde, was nu een van z’n parochianen geworden, en wanneer de abbé langs het huis, waarin hij met zijn drie volwassen zonen steeds aan het werk was, kwam, voelde hij het als een ideaal om hem voor God te heroveren.
“Maar ik laat je hier maar in dit akelige, koude weer staan, en zoo warm ben jij ook niet gekleed... Ga je mis lezen. Tot vanavond in de Madeleine.”
En weer rondkijkend, of niemand hem hooren kon, voegde hij er smeekend, met zijn gezicht van een kind, dat altijd doet wat het niet doen mag, aan toe:
“En spreek er met niemand over. Anders zeggen ze weer, dat ik me niet goed gedraag.”
Pierre keek abbé Rose na, die zich verwijderde in de richting van de rue Cortot, waar de oude priester op een vochtigen rez-de-chaussée, die door het uitzicht op een tuintje opgevroolijkt werd, woonde. De asch, waaronder Parijs begraven lag, scheen onder de vlagen van den ijzigen Noordenwind dikker te worden. Eindelijk ging Pierre de basilica binnen. Zijn hart weende, was vol van de bitterheid, welke dit bankroet der naastenliefde in hem opgewoeld had. Welk een verschrikkelijke ironie, dat deze vrome man gestraft was omdat hij gegeven had, dat hij zich achter een pilaar verbergen moest, om te blijven geven! Niets verzachtte het branden van deze weer open gegane wond, noch den lauw-warmen vrede, dien hij binnentrad, noch de zwijgende plechtigheid van het breede, diepe schip met zijn kale, nieuwe steenen. Er waren nog geen schilderijen, geen versieringen in; de stelling, die opgericht was voor den in aanbouw zijnden koepel, versperde half den weg. Op dit vroege ochtenduur, in het grijze licht, dat door de hooge, smalle vensters binnenviel, waren aan verscheidene altaren reeds verscheidene stille missen gelezen, brandden achter in de apsis gewijde kaarsen. Vlug liep Pierre naar de sacristie, om daar de heilige gewaden aan te trekken en dan in de kapel Saint-Vincent-de-Paul zijn mis te lezen.
Maar nu de herinneringen eenmaal in hem teruggekomen waren, dacht Pierre, terwijl hij machinaal de voorgeschreven gebaren maakte, slechts aan zijn wanhoop. Sedert zijn terugkomst uit Rome—drie jaar geleden nu—leefde hij in den vreeselijksten ziele-angst, waarin een mensch geraken kan. Om zijn verloren geloof terug te vinden, had hij een eerste proef genomen, was hij naar Lourdes gegaan, om daar het naïeve kindergeloof te zoeken, dat nederknielt en bidt, het primitieve geloof der jonge volkeren, die gebogen zijn onder het juk van hun onwetendheid. Maar bij het zien van de verheerlijking van het absurde en van het verval van het gezonde menschenverstand was hij nog meer in verzet gekomen en had de overtuiging gekregen, dat het heil, de vrede der hedendaagsche menschen en volkeren niet liggen kan in het kinderlijk opgeven van de rede. Vervolgens had hij, weer aangegrepen door den drang, om lief te hebben, met een tweede proef zijn laatsten vrede op het spel gezet en was naar Rome gegaan, om te zien, of het Katholicisme zich vernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijk Christendom terugkeeren, de godsdienst van de democratie, het geloof zijn kon, dat de moderne in doodsgevaar verkeerende wereld verwachtte, om verder in vrede te kunnen leven; maar hij had daar niets gevonden dan puinhoopen, dan den verrotten stam van een boom, die geen nieuwe vruchten meer dragen kan; had er niets gehoord dan het laatste kraken van het oude, maatschappelijke gebouw, dat op het punt stond in te storten. Weer aangegrepen door zijn grooten twijfel, waarin hij bijna alles ontkende, was hij toen, uit naam van hun armen door abbé Rose teruggeroepen, weer naar Parijs teruggegaan, om daar te vergeten, zich op te offeren, te gelooven in hen, omdat zij met hun vreeselijke lijden alleen voor hem bestonden. En van af dat oogenblik, sedert die drie jaar was hij gestooten op dit bankroet der goedheid zelve, op de belachelijke, nuttelooze, gehoonde naastenliefde.
Deze drie laatste jaren had Pierre in een onophoudelijk toegenomen marteling doorleefd, waarin ten slotte zijn geheele wezen onderging. Zijn geloof was voor altijd gestorven, ja zelfs zijn hoop, om het geloof der menigte voor het gemeenschappelijk heil te benutten, was geheel vervlogen. Hij loochende alles, verwachtte niets meer dan de onvermijdelijke slotcatastrophe, opstand, moordpartijen en brandstichting, die een schuldige en tot ondergang gedoemde wereld moesten wegvagen. Als ongeloovig priester wakend over het geloof van anderen, kuisch en fatsoenlijk zijn beroep vervullend, vol trotsche droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn vleesch en van zijn droom om redder der volkeren te zijn, hield hij zich toch staande in een eenzame en wilde grootschheid. Deze wanhopige loochenaar, die de diepte van het Niet gepeild en aangeraakt had, behield een zoo trotsche en ernstige, door zoo reine goedheid doorgeurde houding, dat hij in zijn parochie Neuilly de reputatie van een door God beminden, jongen heilige gekregen had, wiens gebed wonderen werkte. Hij was de orderegel zelf; hij bezat niet meer dan het priesterlijk gebaar zonder de onsterfelijke ziel: hij was niet meer dan een ledig graf, waarin zelfs de asch van de hoop niet meer overbleef—en door smart gemartelde vrouwen, in tranen badende parochianen aanbaden hem, kusten zijn soutane; ja, een vrouw, wier kind thuis op sterven lag, was hem in wanhoop komen smeeken aan Jezus genezing te vragen, zeker als zij was, dat Jezus die hem in het heiligdom van Montmartre, waar het wonder van zijn van liefde brandend hart vlamde, toestaan zou.
Inmiddels was Pierre in zijn heilige gewaden de kapel van Saint-Vincent-de-Paul binnengegaan. Hij ging de trede van het altaar op en begon de mis; en toen hij zich met zijn tot zegenen uitgebreide handen omkeerde, zag men zijn ingevallen gezicht, zijn door bitterheid smaller geworden, zachten mond, zijn door lijden donker geworden, liefdevolle oogen. Het was niet meer de jonge priester met het door liefdevuur verteerde gelaat, die naar Lourdes—niet meer de jonge priester met het stralende apostelgelaat, die naar Rome gegaan was. Zijn beide in eeuwigen strijd verkeerende erfdeelen—zijn vader, van wien hij den oninneembaren toren van zijn voorhoofd had; zijn moeder, die hem haar naar liefde dorstende lippen gegeven had, zetten op dit nu verwoeste gelaat, waarop in oogenblikken van vergetelheid de chaos van zijn troostelooze wanhoop oprees, hun strijd voort, den eeuwigen menschelijken strijd tusschen gevoel en rede. De lippen bekenden nog den ongestilden dorst om lief te hebben, om zich voor de menschheid te geven en te leven, een dorst, dien hij meende nooit meer te zullen kunnen lesschen, terwijl het krachtige voorhoofd daarentegen, de citadel, waardoor hij leed, hardnekkig weigerde zich over te geven aan de aanvallen van de dwaling. Maar hij bleef standvastig, verborg het verschrikkelijke van het Niet, waarin hij streed, maakte trotsch de gebaren, sprak verheven de voorgeschreven woorden uit; en de moeder, die daar tusschen de andere vrouwen neergeknield lag, de moeder, die van hem een laatste tusschenkomst verwachtte, die geloofde, dat hij sprak met God voor de redding van haar kind, zag hem door haar tranen in een engelachtige schoonheid als een bode van goddelijke genade stralen.
Toen Pierre na het offertorium den kelk ontblootte, werd hij door een groote minachting voor zichzelf aangegrepen. De schok was te heftig geweest; hij moest steeds weer aan die dingen denken. Welk een kinderachtigheid, welk een naïveteit van een arm, wanhopig, door de behoefte om lief te hebben en te gelooven gemarteld wezen lag er in die beide experimenten te Lourdes en te Rome! Hoe had hij zich kunnen inbeelden, dat de tegenwoordige wetenschap zich zou aanpassen aan het geloof van eeuwen her; hoe had hij zoo dwaas kunnen zijn, om te gelooven, dat hij, de eenvoudige priester, den paus tot andere gedachten brengen, hem bewegen kon een heilige te zijn en de wereld te veranderen. Hij voelde zich diep beschaamd; wat zou men hem uitgelachen hebben! Ook de gedachte aan een schisma joeg hem het schaamrood naar de wangen. Hij zag zich weer in Rome terug, vervuld van den droom, om een boek te schrijven, waarin hij zich van het Katholicisme afscheiden zou, om den nieuwen godsdienst der democratieën, het gelouterde, menschelijke en levende Evangelie te prediken! Welk een belachelijke dwaasheid! Een schisma!
Hij had te Parijs een edel voelenden en edel denkenden abbé gekend, die dat beroemde, aangekondigde en verwachte schisma tot stand had trachten te brengen! De arme kerel! Welk een treurige, belachelijke arbeid was dat te midden van de algemeene ongeloovigheid, van de ijzige onverschilligheid van sommigen, van de spotternijen en beleedigingen van anderen! Wanneer Luther thans terugkeerde, zou hij, vergeten en omkomend van honger op een vijfde verdieping in Batignolles sterven. Een schisma kan niet slagen bij een volk, dat niet meer gelooft, dat onverschillig geworden is voor de Kerk, dat zijn heil van elders verwacht. Het geheele Christendom, ja, het geheele Christendom zou weggevaagd worden, want het Evangelie is, afgezien van enkele moreele principes, als een sociale codex niet meer bruikbaar. De dagen, dat de soutane zwaarder op zijn schouders drukte, dat hij een minachting voor zichzelf gevoelde, nu hij aldus het goddelijke mysterie der mis celebreerde, die voor hem het gebaar van een dooden godsdienst geworden was, kwelde die zekerheid hem nog meer.
Pierre, die den kelk half met den wijn uit de miskan gevuld had, waschte zijn handen en zag opnieuw het innig smeekende gezicht der moeder. Toen geloofde hij in een liefdevolle gedachte van een door zijn eed gebonden man, dat hij voor haar priester gebleven was—een priester zonder geloof, die het geloof der anderen met het brood der illusie voedt. Maar deze heldhaftige houding, deze trotsche plichtsvervulling, waarin hij zich opsloot, was voor hem niet zonder een steeds grooter wordenden angst. Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane af te werpen en onder de menschen terug te keeren? Zijn valsche positie vervulde hem op sommige oogenblikken met een walging voor zijn nutteloos heroïsme, en hij vroeg zich opnieuw af of het niet laf en gevaarlijk was de menschen in hun bijgeloof te laten verder leven.
Zeker de leugen van een God van gerechtigheid en waakzaamheid, van een toekomstparadijs, waar al het aardsche lijden weer goed gemaakt worden zou, was voor de arme menschheid met haar lijden lang een noodzakelijkheid geweest; maar welk een bedrog, welk een tyrannieke exploitatie der volkeren was het geweest, hoeveel manlijker zou het zijn de volkeren brutaalweg te opereeren, door hun den moed te geven het leven, al was het dan onder tranen, te leven! Keerden zij zich niet van het Christendom af, omdat zij een behoefte gevoelden aan een menschelijker ideaal, aan een godsdienst van gezondheid en vreugde, die geen religie des doods zijn zou? Den dag, waarop de idee der naastenliefde ineenstorten zou, zou ook het Christendom ineenstorten, want het was gebouwd op de goddelijke barmhartigheid, die als het ware een correctie is van de noodlottige ongerechtigheid en voor hem, die in dit leven leed, het uitzicht op een toekomstige belooning opende. En de naastenliefde stortte in, de armen gelooven er niet aan, maken zich boos over het leugenachtige paradijs, de belofte waarvan zoo lang hun geduld gestaald had, eischen, dat men hen voor de regeling van hun aandeel in het geluk niet naar het hiernamaals verwees. Een kreet naar gerechtigheid stijgt van aller lippen op: gerechtigheid op deze aarde, gerechtigheid voor allen, die honger hebben, die de aalmoes na achttien eeuwen moede is nog langer te helpen en die nog altijd geen brood hebben om te eten!
Toen Pierre, met zijn ellebogen op de altaartafel geleund, den kelk, na er eerst de hostie in gebroken te hebben, geledigd had, voelde hij een nog grootere troosteloosheid over zich komen. Deze laatste strijd van de gerechtigheid tegen de barmhartigheid in dit groote, door asch omsluierde, met het vreeselijke Onbekende gevulde Parijs—deze strijd, waarin zijn hart en zijn rede slag leveren zouden—was dus het laatste experiment, dat thans begon. De behoefte aan het goddelijke worstelde in hem nog tegen het alles overheerschende verstand. Hoe zou men ooit den dorst der menigten naar het mysterie kunnen lesschen? Zou, uitgezonderd dan de elite, de wetenschap voldoende zijn de begeerte te bevredigen, het lijden in slaap te wiegen, de droomen te verwezenlijken? En wat zou er van hem zelf worden in het bankroet der naastenliefde, die alleen hem in de drie laatste jaren staande gehouden, al zijn tijd in beslag genomen, hem de illusie, dat hij voor anderen nuttig was, gegeven had?
Plotseling voelde hij den grond onder zijn voeten wegzinken; hij hoorde nog slechts den kreet van het volk, dien grooten Zwijgende, die gerechtigheid eischte, gromde en bromde en dreigde het hem door geweld en list ontnomen deel terug te nemen. Niets meer kon de onvermijdelijke catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de oude, onder haar opstapeling van misdaden tot verdwijnen gedoemde wereld zou wegvagen, tegenhouden. Ieder uur verwachtte hij de instorting, Parijs in bloed en vlammen onder te zien gaan. Zijn afgrijzen voor gewelddaden deed hem huiveren; hij wist niet waar hij het nieuwe geloof moest zoeken, dat het gevaar bezweren kon, want hij was zich zeer goed bewust, dat het sociale en religieuze probleem één waren, dat het in den vreeselijken en dagelijkschen arbeid van Parijs daarom alleen ging; maar hij zelf was nog te verward van begrip, stond door zijn priester zijn te veel buiten het werkelijke leven, werd te zeer door twijfel en het gevoel van zijn machteloosheid verscheurd dan dat hij zou kunnen zeggen, waar waarheid, gezondheid en leven te vinden waren. O, gezond zijn, leven, eindelijk zijn hart en zijn rede bevredigen in vrede, in den zekeren, eerlijken arbeid, dien de mensch op aarde te verrichten heeft.
De mis was ten einde en Pierre verliet het altaar, toen de in tranen badende moeder, langs wie hij kwam, met bevende handen zijn misgewaad greep en het vurig kuste, zooals men de reliquie van een heilige kust, waarvan men heil verwacht. Zij dankte hem voor het wonder, dat hij bewerkt hebben moest, overtuigd als zij was thuis haar kind genezen te zullen vinden. Deze liefde, dat vurige geloof troffen hem diep ondanks de pijnlijke troosteloosheid, die zich van hem meester maakte, dat hij niet de verheven priester was, voor wien zij hem hield, dien zij in staat achtte een uitstel van den dood te verkrijgen. Maar hij liet haar getroost en versterkt gaan en smeekte de ongekende, bewuste kracht, indien er tenminste een bestond, vurig het arme schepsel te hulp te komen. Toen hij zich in de sacristie verkleed had en, gezweept door den winterstorm, weder voor de basilica stond, werd hij opnieuw door een rilling doorhuiverd en verstijfd, terwijl hij door den nevel heen trachtte te zien of de orkaan van toorn en gerechtigheid Parijs niet had weggevaagd, de verwachte catastrophe, die het eenmaal verwoesten zou, zoodat onder den loodgrijzen hemel niets over blijven zou dan een verpeste poel van zijn puinhoopen.
Pierre wilde zich onmiddellijk van de opdracht van abbé Rose kwijten. Hij volgde op den kam van Montmartre de rue du Norvins, kwam in de rue des Saules en liep tusschen bemoste muren de sterk hellende straat af. De drie francs, die hij in den zak van zijn soutane in zijn hand hield, vervulde hem met een diepe ontroering en tevens met een woede tegen de nuttelooze barmhartigheid. Maar naarmate hij verder in de hoeken der ellende afdaalde, snoerde het zien daarvan steeds meer zijn keel dicht, maakte een eindeloos medelijden zich van hem meester. Langs de sedert de groote werken aan den Sacré-Cœur aangelegde groote straten was een geheele nieuwe wijk in aanbouw. Te midden van de omvergewoelde tuinen, tusschen de nog door staketsel omgeven bouwterreinen verhieven zich reeds burgerhuizen, die met hun royale, glanzend witte gevels de oude, wankele gebouwen—verdachte kroegen met bloedroode muren, lijdensplekken met zwarte, bezoedelde krotten, waarin het menschelijke vee zich ophoopte—nog somberder en bouwvalliger maakten. Dien dag stroomde onder den lagen hemel de modder over het door de wagens stukgereden plaveisel, deed het dooiweer de muren een koud vocht uitsijpelen, terwijl uit al die vuilheid en al dat lijden een vreeselijke triestheid opsteeg.
Pierre, die tot de rue Marcadet geloopen was, keerde weer om en ging, zeker als hij was zich niet te vergissen, de binnenplaats van een soort kazerne of hospitaal binnen, die door drie onregelmatige gebouwen omgeven was. Deze binnenplaats was een soort riool, waarin zich gedurende de twee maanden van hevige vorst het vuil blijkbaar opgehoopt had; nu smolt dit alles en een afschuwelijke stank steeg uit het moddermeer op. De gebouwen waren half ingevallen; de vestibules gaapten als kelderholen; vuile ramen waren met bonte papieren bedekt, smerige lampen hingen overal als doodenvanen. Achter in het pothuis, dat als portiersloge dienst deed, zag Pierre slechts een ziekelijken man, die in de flarden van een voormalige paardendeken gewikkeld was.
“Er moet hier een oude werkman, Laveuve, wonen. Welke trap? Welke verdieping?”