De drie steden: Lourdes

Part 9

Chapter 93,930 wordsPublic domain

De priester begreep haar en geraakte geheel van streek door de oogen vol goddelijk licht, die zij op de zijne richtte. Zij had zichzelf vergeten, zij had zijn bekeering gevraagd, en dit gebed om geloof, dat zoo rein uit dit lijdende en hem zoo dierbare wezen opgestegen was, roerde hem tot in het diepst van zijn ziel. De verstikkende hitte van den wagon had hem verdoofd, het zien van die daarin opgehoopte ellende deed zijn medelijdend hart bloeden. En de besmetting liet haar werking gevoelen; hij wist niet meer, waar het werkelijke en het mogelijke ophielden, was niet in staat te midden van die opeenhooping van verbijsterende feiten, de ware keuze te doen, sommige te verklaren, andere te verwerpen. Een oogenblik, juist toen weer een gezang hemelwaarts steeg, sleepte zijn obsessie hem mede, hij behoorde zichzelf niet meer toe, verbeeldde zich, in de duizelingwekkende vaart van dit onder vollen stoom rollende, steeds voortrollende hospitaal, weer geloovig te zijn.

V.

Na een oponthoud van enkele minuten, gedurende welke zij, die nog niet gegeten hadden, zich haastten om wat te koopen, verliet de trein Bordeaux. De zieken kregen telkens wat melk en hielden, evenals kleine kinderen, niet op steeds weer om melk te vragen. Zoodra de trein zich weer in beweging gezet had, klapte zuster Hyacinthe in haar handen.

"Kom, kinderen, voortgemaakt! Het avondgebed!"

Toen volgde bijna een kwartier lang een verward geprevel van Pater's en Ave's, een zelfonderzoek, een boetedoening, een algeheele overgave van zichzelf aan God, aan de Heilige Maagd en aan de Heiligen, een vurige dankzegging voor den gelukkig doorgebrachten dag, die met een gebed voor de levenden en gestorven geloovigen eindigde.

"In den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes... Amen!"

Het was tien minuten over achten, de avondschemering daalde reeds over het land, een uitgestrekte vlakte, die door de avondnevels nog grooter scheen en waarin in de verspreid staande huizen heldere vonkjes vriendelijk òplichtten. De pitten in den wagon flikkerden en wierpen een geel schijnsel op de stapels bagage en de pelgrims, die door de aanhoudende zigzagbeweging heen en weer geschud werden.

"Denkt eraan, kinderen," begon zuster Hyacinthe, die was blijven staan, weer, "dat ik te Lamothe, ongeveer een uur verder, de nachtrust zal laten ingaan. Je hebt dus nog een uur om je aangenaam bezig te houden, maar weest verstandig en windt je niet te veel op. Maar goed begrepen, nietwaar? na Lamothe geen woord meer; ik wil, dat jullie allemaal slaapt."

Zij moesten om die woorden lachen.

"Ja, dat is de regel, en jullie bent veel te verstandig, om niet te gehoorzamen!"

Werkelijk hadden zij vanaf den vroegen ochtend stipt het programma der godsdienstige oefeningen, die voor ieder uur vastgesteld waren, gevolgd. Nu alle gebeden opgezegd, de rozenkransen afgebeden, de liederen gezongen waren, was de dag geëindigd, bleef er nog een korte tijd van verpoozing voor de nachtrust. Maar zij wisten niet, wat zij doen moesten.

"Zuster," zeide Marie, "zoudt u mijnheer den abbé niet willen toestaan ons wat voor te lezen. Hij leest prachtig, en ik heb toevallig een klein boekje bij mij, een mooi verhaal over Bernadette..."

Maar men liet haar niet uitspreken; allen schreeuwden door elkaar, onstuimig als kinderen, aan wie je belooft een mooi sprookje te vertellen.

"Hè ja, zuster! Hè ja, zuster!"

"Natuurlijk vind ik het goed," zeide zuster Hyacinthe, "nu het een goed boek is."

Pierre moest toestemmen, of hij wilde of niet. Maar hij wilde onder de lamp zitten en moest daarom van plaats omwisselen met mijnheer de Guersaint, die door de belofte van een verhaal al even verrukt was als de zieken. En toen de jonge priester eindelijk zat en het boekje opende, rekten aller halzen zich uit en spitsten zich aller ooren. Gelukkig had hij een duidelijke, heldere stem, kon hij boven het gedreun der wielen uitkomen, dat trouwens in deze eindelooze vlakte niet zoo hinderlijk meer was.

Maar alvorens te beginnen, keek Pierre het boekje in. Het was een van die kleine colportageboekjes, die door de Katholieke pers gedrukt en in grooten getale over de geheele Christenheid verspreid werden. Het was slecht gedrukt op goedkoop papier en had op den blauwen omslag een Notre-Dame de Lourdes, een naïef plaatje van stijve, onbeholpen gratie. Hij zou het, zonder zich te overhaasten, in een half uur kunnen uitlezen.

En Pierre begon met zijn mooie heldere stem, die een prettigen, doordringenden klank had:

"Het was te Lourdes, een klein stadje in de Pyrenaeën, op Donderdag 11 Februari 1858. Het weer was koud, de lucht lichtbewolkt. In het huis van den armen, maar fatsoenlijken molenaar François Soubirous hadden ze geen hout meer om het eten op te koken. Zijn vrouw Louise zeide tegen haar tweede dochter, Marie: "Ga wat hout halen aan den Gave of in het bosch." De Gave is een bergriviertje, dat door Lourdes stroomt.

"Marie had een oudere zuster, Bernadette geheeten, die pas van het land teruggekomen was, waar zij als herderin bij brave boerenlieden gediend had. Het was een zwak, teer, heel onschuldig kind, wier geheele wetenschap hierin bestond, dat zij den rozenkrans af kon bidden. Louise was wegens de koude bang haar met haar zuster naar het bosch te zenden, maar op aandrang van Marie en een buurmeisje, Jeanne Abadie, liet zij haar toch gaan.

"De drie vriendinnetjes, die langs het beekje liepen, om dor hout te sprokkelen, kwamen bij een grot, die uitgehold was in een groote rots, die de bewoners van die streek Massabielle noemen..."

Hier gekomen hield Pierre op en liet het boekje op zijn knieën vallen. De kinderlijkheid van het verhaal, de conventioneele, nietszeggende zinnen hinderden hem, hem, die het volledige dossier van deze buitengewone geschiedenis in handen gehad, die hartstochtelijk de kleinste bijzonderheden ervan bestudeerd had, en die in zijn hart een innige liefde, een grenzenloos medelijden voor Bernadette koesterde. Hij had zooeven nog tegen zichzelf gezegd, dat hij de enquête, waarvoor hij vroeger zoo graag naar Lourdes had willen gaan, morgen aan den dag zou kunnen beginnen. Het was een van de redenen, die hem tot de reis hadden doen besluiten. En opnieuw ontwaakte zijn nieuwsgierigheid met betrekking tot de helderziende, die hij liefhad, omdat hij voelde, dat zij oprecht, waarheidlievend en ongelukkig was, maar wier geval hij had willen analyseeren en verklaren. Zeker, zij loog niet, zij had haar visioen gehad, zij had stemmen gehoord evenals Jeanne d'Arc, en evenals Jeanne d'Arc bevrijdde zij, volgens het zeggen der Katholieken, Frankrijk. Welke kracht was het nu, die haar en haar werk voortgebracht had? Hoe had het visioen bij dit ongelukkige kind kunnen ontstaan, hoe had zij alle geloovige zielen in zoo'n opwinding kunnen brengen, dat de wonderen der primitieve tijden zich hernieuwden en men bijna een nieuwen godsdienst stichtte in een heilige stad, plotseling met millioenen opgebouwd en overstroomd door menschenmassa's, zóó in extase en zóó talrijk als men ze sedert de Kruistochten niet gezien had?

Toen hield hij op met lezen en vertelde hij, wat hij wist, wat hij geraden en opnieuw vastgesteld had van deze geschiedenis, nog altijd zoo duister ondanks de stroomen inkt, die zij reeds had doen vloeien. Hij kende het land, de zeden, de gewoonten door de lange gesprekken, die hij met zijn vriend, dr. Chassaigne gehad had. Hij bezat een prettige manier van vertellen, een heilige bezieling, opmerkelijke gaven van een gewijd redenaar, die hij in zijn seminarietijd al in zich gevoeld, maar nooit gebruikt had. Toen men in den wagon merkte, dat hij de geschiedenis heel wat beter en uitvoeriger kende dan het kleine boekje en dat hij haar op een zoo aandoenlijken en bezielden toon vertelde, steeg de aandacht nog meer, gaven die aan smart zoo rijke zielen zich, in haar honger naar geluk, geheel aan hem.

Eerst kwam de jeugd van Bernadette, te Bartrès, aan de beurt. Zij groeide daar op bij haar zoogmoeder, vrouw Lagües, die, toen zij een pas geboren kind verloren had, den armen Soubirous den dienst bewees hun kind te voeden en bij zich te houden. Dit gehucht van vierhonderd zielen lag, op ongeveer een mijl afstands van Lourdes, als in een woestijn, ver van alle verkeerswegen, verscholen tusschen het groen. De weg loopt steil naar beneden, de enkele huizen staan vrij ver uit elkaar op door hagen gescheiden grasvelden, die met note- en kastanjeboomen beplant zijn, terwijl heldere beekjes, die nooit zwijgen, de voetpaden der hellingen volgen; alleen de oude, kleine Romaansche kerk steekt omhoog op een heuveltje, dat verder door de graven van het kerkhof ingenomen wordt. Aan alle kanten rijzen boschrijke hellingen golvend op: het dorpje is als een gat in het heerlijke diep-groene grastapijt. Bernadette, die, sedert zij een groot meisje was, haar kostgeld verdiende met het hoeden van schapen, weidde haar dieren maanden lang in dat groen, waarin zij nooit een levende ziel ontmoette. Een enkele maal echter zag zij van den top van een helling in de verte de bergen, den Pic du Midi, den Pic de Viscos, stralende of donkere rotsmassa's al naar de kleur, die het weer hun gaf, en waarachter zich verder in nevelen gehulde Pics verhieven, onduidelijke verschijningen, zooals men die in een droom pleegt te zien. Het huisje der Laqûes, waar haar wieg nog steeds stond, lag eenzaam en was het laatste van het dorp. Er voor strekte zich een weide uit, beplant met appel- en pereboomen en van het vrije veld slechts gescheiden door een smal beekje, waar je makkelijk overheen kon springen. In het lage huisje waren rechts en links van de houten trap, die naar den zolder leidde, slechts twee groote met steenen tegels bedekte vertrekken, in elk waarvan vier of vijf bedden stonden. De meisjes sliepen bij elkaar en sluimerden iederen avond in onder het kijken naar de mooie platen aan den muur, terwijl te midden der diepe stilte de groote klok in zijn kast van dennenhout de uren aangaf.

O, in welk een zalige heerlijkheid had Bernadette die jaren in Bartrès geleefd! Zij groeide slechts langzaam op, altijd ziek, lijdend aan een nerveus asthma, dat haar bij den minsten wind dreigde te doen stikken; toen zij twaalf jaar was, kon zij nog niet lezen of schrijven, sprak slechts het patois van die streken, was nog een echt kind gebleven, zoowel geestelijk als lichamelijk haar leeftijd ver ten achter. Het was een lief, zacht, gehoorzaam meisje, maar verder een kind als ieder ander kind, alleen niet erg spraakzaam: zij luisterde liever dan dat zij sprak. Hoewel zij weinig geleerd had, bewees zij nu en dan gezond verstand te bezitten, had zelfs dikwijls een goed antwoord bij de hand, een aardig, schertsend woord, waarom men moest lachen. Het kostte daarentegen weer veel moeite haar den rozenkrans te leeren. Toen zij hem eindelijk uit haar hoofd opzeggen kon, scheen zij daartoe haar geheele kennis te willen beperken; zij bad hem van den vroegen ochtend tot den laten avond, zoodat men haar ten slotte bij haar schapen nog slechts zag met den rozenkrans in haar handen, de Pater's en Ave's afbiddend. Hoeveel uren had zij daar zoo doorgebracht op de groene helling van den heuvel, gewiegd door het geheimzinnig ruischen der bladeren, terwijl zij bij oogenblikken niets van de wereld zag dan de toppen der verre bergen, ijl als een droom wegdoezelend in het licht. De dagen verliepen, en steeds vergezelde haar bij het rondzwerven die nauw-begrensde droom, het eenige gebed, dat zij telkens weer herhaalde en dat haar in die frissche, kinderlijk-naïeve eenzaamheid geen andere metgezelle en vriendin gaf dan de Heilige Maagd. En wat een heerlijke avonden bracht zij 's winters door in het vertrek links, waar een groot vuur brandde! Haar zoogmoeder had een broer, die priester was en soms zulke prachtige verhalen voorlas, geschiedenissen van heilige mannen en vrouwen, wonder-heerlijke avonturen, die je deden beven van angst en pleizier, verschijningen uit het paradijs op de aarde, terwijl de half-geopende hemel den glans der engelen zien liet.

De boeken, die hij medebracht, stonden dikwijls vol mooie platen: den goeden God in zijn volle heerlijkheid en glorie, de zoo teere en vriendelijke gestalte van Jezus met zijn door licht omstraald gezicht, en vooral de Heilige Maagd, schitterend in het wit, azuur en goud gekleed en zoo liefderijk, dat zij haar dikwijls in haar droomen terugzag. Maar de Bijbel was toch het boek, dat men het meest las, een oude, door het gebruik vergeelde Bijbel, die reeds meer dan een eeuw in de familie was; iederen langen winteravond, dat er bezoek was, nam de pleegvader, de eenige, die had leeren lezen, een speld, stak die op goed geluk ergens in den Bijbel en begon dan boven aan de rechterbladzijde te lezen onder de diepe stilte van de vrouwen en de kinderen, die ten slotte den tekst van buiten kenden en, zonder zich in één woord te vergissen, door hadden kunnen gaan.

Bernadette gaf de voorkeur aan vrome boeken, waarin de Heilige Maagd met haar vriendelijk glimlachje voorkwam. Doch ook een ander verhaal vond zij erg mooi, de wonderlijke geschiedenis van de vier Heemskinderen. Op den gelen omslag van het kleine boekje, dat hier toevallig achter gelaten was door een rondreizend koopman, zag men op een kinderlijk plaatje de vier koene ridders, Reinoud en zijn broeders, alle vier op Bayard, hun beroemd strijdros dat de fee Orlanda hun ten geschenke gegeven had. Het waren die bloedige gevechten, belegeringen van vestingen, vreeselijke duels op den degen tusschen Roland en Reinoud, die ten slotte het Heilige Land ging bevrijden, den toovenaar Maugis met zijn wonderbaarlijke tooverkunsten niet te vergeten en prinses Clarisse, de zuster van den koning van Aquitanië, die mooier was dan de dag. Wanneer haar phantasie zoo opgewekt was, kon Bernadette 's nachts den slaap niet vatten vooral niet na avonden, waarop niet voorgelezen werd, maar iemand uit het gezelschap een heksengeschiedenis verteld had. Zij was zeer bijgeloovig, nooit zou men haar na zonsondergang langs een toren gekregen hebben, die door den duivel bezocht werd. Trouwens de geheele streek was heel eenvoudig van geest, was als bevolkt met geheimzinnigheden; boomen, die zongen, steenen, waar bloed uit parelde, kruiswegen, waarbij je drie Pater's en drie Ave's moest bidden, als je het woeste beest met de zeven hoorns niet wilde tegenkomen, dat de meisjes in het verderf sleepte. En welk een rijkdom van schrikaanjagende sprookjes! Er waren er honderden, je zoudt er op één avond niet mee klaar komen om ze te vertellen.

In de eerste plaats kwamen de avonturen van weerwolven, welke ongelukkige menschen, die door den duivel gedwongen werden in de huid van een van de groote witte berghonden te kruipen: wanneer je op den hond schiet en de eerste kogel hem raakt, dan is de mensch verlost; doch wanneer de kogel slechts de schaduw raakt, sterft de mensch onmiddellijk.

Dan volgden in een eindelooze rij de toovenaars en tooverheksen. Een van die verhalen viel bijzonder in Bernadette's smaak, dat van een griffier te Lourdes, die den duivel wilde zien en daarom op Goeden Vrijdag om middernacht door een heks naar een eenzaam veld gebracht werd. De duivel kwam, prachtig in het rood gekleed.

Onmiddellijk stelde hij den griffier voor zijn ziel te koopen, op welk voorstel deze schijnbaar inging. Toevallig had de duivel onder zijn arm het register, waarin de menschen uit de stad, die zich reeds verkocht hadden, hun handteekening hadden gezet. Maar de sluwe griffier haalde uit zijn zak een fleschje, waarin volgens zijn zeggen inkt was, doch waarin zich in werkelijkheid wijwater bevond; hij besprenkelde den duivel daarmede, die verschrikkelijk begon te gillen, terwijl hij zelf op de vlucht ging en het register meenam. Toen begon er een dolle jacht, die den heelen avond kon duren, door bergen en dalen, door bosschen en over bergstroomen.

"Geef me mijn register!"

"Neen, je krijgt het niet!"

En telkens begon het weer opnieuw:

"Geef me mijn register!"

"Neen, je krijgt het niet!"

De griffier, die reeds buiten adem was en op het punt stond neer te vallen, kreeg plotseling een ingeving: hij sprong op het kerkhof in gewijde aarde en lachte vandaar den duivel uit, terwijl hij spottend met het register heen en weer zwaaide; op die manier had hij de zielen van alle ongelukkigen, die geteekend hadden, gered.

Op zulke avonden bad Bernadette, voor zij slapen ging, een rozenkrans af, blij te zien, dat de hel zoo gehoond werd, maar toch rillend bij de gedachte, dat de duivel, zoodra men de lamp uitgeblazen had, zeker om haar zou komen rondsluipen.

Een heele winter lang hadden de gezellige avondbijeenkomsten in de kerk plaats. Pastoor Ader had er toestemming voor gegeven, en er kwamen veel families, om licht uit te sparen, terwijl je het bovendien veel warmer hadt, wanneer je met zoovelen bij elkaar zat. Men las uit den Bijbel voor en er werd gezamenlijk gebeden. De kinderen vielen er ten slotte bij in slaap. Alleen Bernadette streed er tot het einde tegen, gelukkig als ze zich gevoelde bij den goeden God te mogen zijn in het kleine schip der kerk, welks muren rood en blauw geverfd waren. Op den achtergrond verhief zich, eveneens geschilderd en verguld het altaar met zijn spiraalvormig gewonden zuilen en zijn altaarstukken, die Maria bij Anna en de onthoofding van den H. Johannes voorstelden. In de slaperigheid, die zich steeds meer van haar meester maakte, zag het kind het mystieke visioen van die schreeuwend gekleurde beelden oprijzen, het bloed uit de wonden vloeien, de aureolen stralen, de Heilige Maagd steeds weer terugkomen en haar aankijken met haar levende, hemelsblauwe oogen, terwijl het haar toescheen, alsof zij haar vermillioen-roode lippen wilde openen, om haar toe te spreken. Maandenlang bracht zij op die wijze haar avonden door, tegenover het half in schemer gehulde altaar, in dien halven slaap, waarin reeds de goddelijke droom begon, dien zij medenam naar huis, om hem in bed verder te droomen, terwijl zij rustig onder de bescherming van haar schutsengel sliep.

In diezelfde oude kerk, zoo nederig en zoo vol vurig geloof, ging Bernadette ter leering. Zij was toen bijna veertien jaar, zoodat het hoog tijd werd, dat zij haar eerste communie deed. Haar zoogmoeder, die voor gierig doorging, liet haar niet school gaan, maar haar van 's morgens tot 's avonds in het huishouden helpen. Mijnheer Barbet, de onderwijzer, zag haar nooit in zijn klas. Maar op een dag, dat hij in plaats van pastoor Ader, die ziek was, catechesatie gaf, viel zij hem dadelijk op door haar vroomheid en haar bescheidenheid. De priester hield veel van Bernadette en sprak dikwijls met den onderwijzer over haar en zeide dan, dat hij haar nooit kon aankijken zonder aan de kinderen van la Salette denken, want die kinderen moesten eenvoudig, goed en vroom geweest zijn als zij, anders zou de Heilige Maagd hun niet verschenen zijn.

Op een morgen, dat de beide mannen haar buiten het dorp in de verte met haar kudde tusschen de groote boomen zagen, keerde de priester zich meermalen om en zeide:

"Ik weet niet, wat het is in mij, maar iederen keer, dat ik het kind zie, denk ik Mélanie, het kleine herderinnetje, de metgezellin van den kleinen Maximin te zien."

Ongetwijfeld was hij als het ware bezeten door deze gedachte, die later een voorspelling zou blijken te zijn. En had hij niet op een dag na de catechesatie, of misschien op een avondbijeenkomst in de kerk, het wonderbaarlijke, nu reeds twaalf jaar oude verhaal verteld van de in schitterend en verblindend wit gekleede Vrouw, die over het gras liep, zonder het plat te trappen, van de Heilige Maagd, die op den berg aan den oever van een beekje aan Mélanie en Maximin verschenen was, om hun een groot geheim toe te vertrouwen en hun de toorn van haar zoon aan te kondigen?

Van af dien dag genas een bron, die uit de tranen der Heilige Maagd ontstaan was, alle ziekten, terwijl het geheim, dat aan een met drie waszegels gesloten perkament toevertrouwd was, te Rome rustte. Zeker had Bernadette in koortsachtige opwinding met haar zwijgend gezichtje van wakend droomstertje naar dit wonderbare verhaal geluisterd en het medegenomen naar de eenzaamheid der bosschen, waarin zij haar dagen doorbracht, om het achter haar schapen nog eens te herlezen, terwijl de kralen van haar rozenkrans één voor één tusschen haar teere vingertjes gleden.

Zoo verstreek haar jeugd te Bartrès. Wat in die tengere en achterlijke Bernadette vooral verrukte, dat waren haar dweepzieke oogen, de mooie oogen van een helderziende, waarin de vlucht der droomen, als vogels in een helderen hemel, voorbij streek. Haar mond was groot en sterk ontwikkeld en wees op goedheid; haar vierkant hoofd met het rechte voorhoofd en de dikke zwarte haren zou zonder de uitdrukking van beminlijke eigenzinnigheid niets bijzonders gehad hebben. Maar wie haar niet in de oogen zag, merkte haar niet op; zij was dan niets meer dan een arm straatkind, dat lichamelijk en geestelijk achter was. En in die oogen had pastoor Ader ongetwijfeld alles gelezen, wat later in haar zou opbloeien: het lijden, dat haar arm lichaam in zijn ontwikkeling belemmeren zou, de eenzaamheid der bosschen, waarin zij opgegroeid was, de blatende zachtmoedigheid van haar lammeren, de engelengroet, dien zij op haar rondzwerving onder den vrijen hemel steeds weer herhaalde, de angstaanjagende verhalen, die zij bij haar zoogmoeder gehoord had, de avondbijeenkomsten, die zij voor de levende altaarstukken der kerk had medegemaakt, de geheele atmospheer van primitief geloof, die zij in dit verre, door bergen afgesloten land had ingeademd.

Den 7den Januari was Bernadette veertien geworden, en haar ouders, de Soubirous, die zagen, dat zij te Bartrès niets leerde, besloten haar weer voor goed thuis te Lourdes te nemen, waar zij de catechesatie geregeld volgen en zich ernstig voorbereiden moest voor haar eerste communie. En zoo was zij twee à drie weken te Lourdes, toen op 11 Febr. een Donderdag, bij koud weer en een bedekte lucht...

Maar hier moest Pierre ophouden, want zuster Hyacinthe was opgestaan en klapte hard in haar handen:

"Kinderen, het is al over negenen... Stilte! Stilte!"

Ze waren inderdaad Lamothe voorbij; de trein rolde met dof gesnor in een zee van donkerte door de eindelooze vlakten der Landes, die ondergedompeld lagen in den nacht. Eigenlijk had men de laatste tien minuten geen woord meer mogen hooren in den wagon, had men moeten slapen of rustig zijn pijnen verdragen. Maar toch kwam er verzet.

"Hè, lieve zuster!" riep Marie, wier oogen schitterden, uit; "een klein kwartiertje nog! We zijn nu juist bij het interessantste gedeelte."

Tien, twintig stemmen vielen haar bij.

"Ja, als het u blieft, een kwartiertje nog!"

Allen wilden het vervolg hooren; zij brandden van nieuwsgierigheid, als hadden zij het verhaal nooit gehoord, zoo werden zij medegesleept door de bijzonderheden van ontroerende en vriendelijk glimlachende menschelijkheid, die Pierre gaf. Hun blikken waren niet van hem af; vreemd belicht door de walmende lampen, strekten hun hoofden zich naar hem uit. En het waren niet alleen de zieken, die in koortsachtige spanning luisterden, maar ook de tien vrouwen van het achterste compartiment wendden haar arme, leelijke gezichten, die mooi werden door het naïeve geloof, naar Pierre, om toch maar geen woord te verliezen.

"Neen, ik mag niet," zeide eerst zuster Hyacinthe. "Het programma zegt het duidelijk. Er moet nu rust zijn."

Maar toch aarzelde zij al, zelf had zij in zoo groote spanning geluisterd, dat zij haar hart onder haar witte schort voelde kloppen. Op smeekenden toon drong Marie nog eens aan, terwijl mijnheer de Guersaint, die eveneens met aandacht geluisterd had, beweerde, dat ze ziek zouden worden, wanneer de geestelijke niet verder vertelde; en toen ook madame de Jonquière toegevend glimlachte, gaf de zuster ten slotte toe.

"Nu goed dan, een kwartiertje nog, maar ook niet meer dan een klein kwartiertje! Anders zou ik me aan plichts-verzuim schuldig maken."