De drie steden: Lourdes

Part 8

Chapter 83,725 wordsPublic domain

Deze anecdote had nog meer uitwerking dan de wonderen der groote genezingen. Een naald, die wandelde, alsof iemand hem voortgeduwd had. Dat bevolkte het onzienlijke, bewees, dat iedere zieke zijn eigen schutsengel achter zich had, bereid hem op een teeken des hemels te helpen. En dan, hoe aardig en kinderlijk was het, die naald, die, na zeven jaar te zijn blijven zitten, in het wonderwater wegging. En allen lachten van pleizier, straalden van geluk, dat voor den hemel niets onmogelijk was, dat zij allen, wanneer de hemel het wilde, weer gezond, jong en krachtig zouden worden. Geloof en vurige gebeden waren voldoende om de natuur het zwijgen op te leggen en het ongelooflijke werkelijkheid te doen worden. Ten slotte hing het dus eigenlijk van het geluk af, want de hemel scheen te kiezen.

"O, vader, wat is dat alles mooi!" fluisterde Marie, die tot nog toe stom van aandoening geluisterd had. "Herinnert u zich nog, wat u mij zelf verteld hebt van die Joachine Dehaut, die uit België gekomen was en met haar lam en met zweren bedekt been, dat zoo kwalijk riekte, dat niemand het uithouden kon, heel Frankrijk doorgeloopen had... Eerst werden de zweren genezen: je kon in haar knie knijpen, zonder dat ze iets voelde, er bleef alleen maar een roode vlek achter. Dan kwam de ontwrichting aan de beurt. In het water gilde zij, het scheen haar toe, alsof men haar beenderen brak, haar been afrukte; en te zelfder tijd zagen zij en de vrouw, die haar baadde, den misvormden voet zich weer recht uitstrekken met de regelmaat van een wijzer, die over een wijzerplaat loopt. Het been stond weer goed, de spieren ontspanden zich, de knie strekte zich weer, en dat alles onder zoo hevige pijnen, dat Joachine in zwijm gevallen was. Maar toen zij weer tot zichzelf kwam, sprong zij recht en flink op, om haar krukken naar de Grot te brengen."

Ook mijnheer de Guersaint lachte verrukt over het wonder en bevestigde met een gebaar dit verhaal, dat hij van een pater van Maria Hemelvaart had gehoord. Hij zou, zeide hij, twintig dergelijke gevallen, het een al treffender en wonderbaarlijker dan het andere, kunnen vertellen. Hij riep daarbij Pierre tot getuige, en deze, die niet geloofde, schudde alleen maar zijn hoofd. In den beginne had hij, daar hij Marie geen verdriet wilde doen, getracht afleiding te zoeken door te kijken naar de landerijen, de boomen en de huizen, die voorbij vlogen. Zij waren nu Angoulême voorbij, weiden en lange rijen populieren gleden in razende vaart langs hem heen. Ongetwijfeld had men geen vertraging, want de trein, die met volle stoom reed, verslond onder het onweer in den in vuur staanden hemel den eenen kilometer na den anderen. En ondanks zichzelf hoorde Pierre telkens brokstukken van een verhaal en interesseerde hij zich voor die extravagante geschiedenissen, die de harde schokken der wielen in slaap wiegden, alsof de locomotief, aan zichzelf overgelaten, hen allen gevoerd had naar het goddelijke land der droomen. Ze rolden voort, rolden steeds maar voort, en ten slotte keek hij niet meer naar buiten, maar gaf hij zich geheel over aan den invloed van de zware, slaapwekkende atmosfeer in den wagon, waarin de extase, die ver weg was van de werkelijke wereld, die zij in zoo snelle vaart doorijlden, steeds grooter werd. Het met nieuw leven bezielde gezicht van Marie vervulde hem met groote vreugde. Hij liet zijn hand, die zij genomen had, om hem door een innigen druk al het vertrouwen, dat in haar herleefde, te zeggen, in de hare. Waarom zou hij, die toch haar genezing wilde, haar ontmoedigd hebben door zijn twijfel? Dan hield hij met eindelooze liefde de kleine klamme ziekenhand in de zijne; vervuld met broederlijk medelijden, wilde hij aan erbarming, aan een hoogere genade, die den radeloozen smarten bespaart, gelooven.

"O Pierre," herhaalde zij, "wat is het mooi! En welk een glorie, als de Heilige Maagd zich verwaardigt zich over mij te ontfermen... Geloof je heusch, dat ik dat waardig ben?"

"Zeker," riep hij uit, "jij bent de beste en de reinste, een sneeuwwitte ziel, zooals je vader daareven ook zeide, er zijn in het paradijs geen goede engelen genoeg, om je als eerewacht te dienen."

Maar de verhalen waren nog niet ten einde. Zuster Hyacinthe en madame de Jonquière vertelden nu al de wonderen, die zij kenden, de lange reeks wonderen, die sedert meer dan dertig jaar te Lourdes opbloeiden als de ononderbroken rijkdom van rozen aan den mystieken rozenstruik. Men telde ze bij duizenden en ieder jaar ontloken er nieuwe in het weelderige groen van een wonderbaarlijken wasdom. De zieken, die in een toenemende koortsachtige opwinding naar die wonderen luisterden, waren de kleine kinderen, die, na het hooren van een mooi sprookje, er nog een willen, en nog een en nog een. Ja, nog meer, steeds meer verhalen, waarin de booze werkelijkheid bespot, de onrechtvaardige natuur afgeranseld wordt, waarin de goede God optreedt als de laatste en grootste genezer, die lacht om de wetenschap en naar zijn willekeur geluk geeft.

Eerst waren het de dooven en stommen, die weer hoorden en spraken: Aurélie Bruneau, die, daar haar trommelvlies gescheurd was, ongeneeslijk was, en plotseling verrukt werd door de hemelsche klanken van een harmonium; Louise Pourchet, die na vijf-en-twintig jaar stom geweest te zijn, plotseling, terwijl zij vóór de Grot bidt, uitroept: "Wees gegroet, Maria!"; en anderen, honderden anderen, die radicaal genezen werden, allen door een paar druppels water in hun oor of op hun tong te druppelen. Dan kwamen de blinden: pater Hermann, die voelde, hoe de zachte hand der Heilige Maagd den sluier, dien hij voor zijn oogen had, wegnam; mademoiselle de Pontbriant, die beide oogen zoo goed als verloren had en die, ten gevolge van een eenvoudig gebed een beter gezichtsvermogen dan ooit krijgt; een ander nog, een jongen van tien jaar, wiens pupillen op marmeren knikkers geleken, en die in drie seconden weer heldere en diepe oogen kreeg, waarin de engelen schenen te glimlachen. Maar het meest kwamen toch lammen voor, de ongelukkigen, die het gebruik van hun beide beenen moesten missen en op hun ziekbed lagen, en tegen wie de Heer zeide: "Sta op en wandel!" Delaunoy, kreupel, geschroeid, gebrand, vijftien maal opgenomen in de Parijsche hospitalen, waaruit hij de overeenstemmende diagnosen van twaalf doktoren medebrengt, voelt, wanneer het Heilige Sacrament voorbijgedragen wordt, een kracht in zich, die hem opricht, en begint met gezonde beenen de processie te volgen. De veertienjarige Marie-Louise Delpon, wier verlamming haar beenen stijf gemaakt, haar handen krampachtig samengetrokken, haar mond misvormd had, ziet haar ledematen zich ontspannen, de misvorming van haar mond verdwijnen, alsof een onzichtbare hand de verschrikkelijke banden, die haar misvormden, doorsneed. Marie Vachier, die zeventien jaar lang door paraplegie [9] aan haar fauteuil gekluisterd, loopt en springt niet alleen, als zij uit den vijver komt, maar ziet zelfs geen spoor meer van de wonden, waarmede haar lichaam door het lange, onbeweeglijke liggen overdekt was. Georges Hanquet, die aan ruggemergverweeking leed en totaal gevoelloos was, wordt plotseling van een met den dood worstelende een gezond man. Léonie Charton, die aan dezelfde ziekte leed en wier wervels een grooten vooruitspringenden hoek vormden, voelt de verlamming van haar ruggegraat als bij tooverslag verdwijnen, terwijl haar beenen, nieuwe en krachtige beenen, zich weer recht strekken.

Dan kwamen nog allerlei andere kwalen aan de beurt. In de eerste plaats ziekten van klierachtigen aard, waarbij eveneens beenen, die hun dienst geweigerd hadden, tot nieuw leven gewekt worden. Marguérite Géhier, die zeventien jaar lang aan heupjicht geleden had, wier heup door de ziekte geheel was weggevreten en wier rechterknie verlamd was, valt plotseling op haar knieën, om de Heilige Maagd voor haar genezing te danken; Philomène Simonneau, een jong meisje uit de Vendée, wier linkerbeen drie verschrikkelijke open wonden had, waarin de aangevreten beenderen, die bloot lagen, splinters lieten vallen, zag plotseling haar beenderen, haar vleesch en haar huid als nieuw worden. Dan volgden de waterzuchtigen: madame Ancelin, wier voeten, handen en heele lichaam plotseling geslonken waren, zonder dat men wist waarheen dit water weggevloeid was; mademoiselle Montagnon, wie men meermalen twee-en-twintig liter water had afgetapt, en die, toen zij opnieuw opgezwollen was, weer slonk, door het aanbrengen van een in de wonderbron nat gemaakt compres, zonder dat men in het bed of op den grond water terugvond. Eveneens houdt geen enkele maagziekte stand, alle verdwijnen bij het eerste glas. Zoo kreeg Marie Souchet, die zwart bloed spuwde en die zoo uitteerde, dat zij ten slotte niet meer dan een geraamte was, in twee dagen haar vorig gewicht terug. Marie Jarland, die door het bij vergissing drinken van loog haar maag verbrand had, voelde de tumoren, die daar het gevolg van geweest waren, verdwijnen. Trouwens de grootste tumoren gaan in den vijver weg, zonder het minste spoor achter te laten. Maar wat nog wonderbaarlijker is: zweren, kankergezwellen, de meest afzichtelijke wonden worden door een ademtocht van boven genezen. Een Jood, een tooneelspeler, wiens hand door een zweer weggevreten werd, behoefde die slechts in het water te steken, om genezen te worden. Een jonge, schatrijke vreemdeling, aan wiens rechter polsgewricht zich een lupus, zoo groot als een kippenei, gevormd had, zag die verdwijnen. Rose Duval, die ten gevolge van een etterbuil in haar linkerelleboog een groot gat had, waarin men een noot kon leggen, zag het nieuwe vleesch, dat die wond heelde, aangroeien. De weduwe Fromond, wier lip half weggevreten was door een kankergezwel, behoefde zich slechts te laten afwasschen, en er was zelfs geen naad van het litteeken te zien. Marie Moreau, die vreeselijk leed door borstkanker, ging, nadat zij op de wond een in Lourdes-water gedrenkt compres gelegd had, slapen; en toen zij twee uur later wakker werd, was de pijn verdwenen, de wond toegetrokken.

Ten slotte vertelde zuster Hyacinthe de radicale genezingen van tering. Dat zette de kroon op het werk. De vreeselijke ziekte, die verwoestingen aanrichtte onder de menschheid, die de ongeloovigen de Heilige Maagd tartten om te genezen, genas zij toch, zeide men, door één enkele beweging van haar pink. Honderden gevallen, het eene al wonderbaarlijker dan het andere, volgden elkaar op. Marguerite Coupel, die drie jaar aan tering leed, en wier longtoppen door de tuberkels waren weggevreten, staat op en gaat, stralend van gezondheid, weg. Madame de la Rivière, die bloed spuwt, steeds met koud zweet overdekt is, en wier nagels reeds een blauwe kleur aangenomen hebben, behoeft, wanneer zij op het punt staat haar laatsten adem uit te blazen, slechts een lepel vol water, dat men haar tusschen de tanden giet, te drinken, en onmiddellijk houdt het rochelen op; zij gaat zitten, bidt de litanieën mede en vraagt om bouillon. Julie Jadot had vier lepels noodig, maar zij kon haar hoofd ook niet meer recht houden, terwijl zij bovendien zoo'n zwak gestel had, dat de ziekte haar opgelost scheen te hebben; binnen enkele dagen was zij heel dik. Anna Catry, die tering in den ergsten graad had en wier linkerlong reeds half weggeteerd was, wordt, tegen alle regelen der kunst in, vijfmaal ondergedompeld in het koude water, en zij is genezen, de long weer gezond. Een andere, een jonge teringlijdster, die door vijftien geneesheeren was opgegeven, was toevallig in de Grot neergeknield en ten hoogste verbaasd zoo door een gelukkig toeval genezen te zijn; zij was ongetwijfeld juist gekomen op het oogenblik, dat de Heilige Maagd in haar erbarming het wonder uit hare onzichtbare handen vallen laat.

Wonderen, wonderen, steeds meer! Als droombloemen regenen zij uit een helderen, zachten hemel. Er waren er treffende, er waren er kinderlijke onder. Een oude vrouw, die haar verlamde hand in geen dertig jaar had kunnen bewegen, wascht zich en maakte het teeken des kruises. Zuster Sophie, die blafte als een hond, springt in het water en komt er uit, terwijl zij met een heldere stem een loflied zingt. Mustapha, een Turk, roept de Witte Vrouw aan en krijgt het gebruik van zijn linkeroog terug door er een compres op te leggen. Een officier der Turco's werd bij Sedan beschermd, een kurassier uit Reichshoffen zou gesneuveld zijn door een kogel in zijn hart, als die kogel, welke zijn portefeuille reeds doorboord had, niet afgestuit was op een beeltenis van Notre-Dame de Lourdes. En de kinderen, de arme kleinen, die lijden, vinden ook genade in haar oogen; een jongetje van vijf jaar, dat lam was, werd ontkleed en vijf minuten onder den kouden straal der fontein gehouden; hij staat op en loopt; een ander van vijftien jaar, die in zijn bed slechts dierlijke kreten uitstiet, springt uit den vijver en roept uit, dat hij genezen is; nog een ander van twee jaar, die nog nooit geloopen had, bleef een kwartier in het koude water, en doet dan vroolijk en glimlachend zijn eerste stappen. En allen, zoowel de grooten als de kleinen, leden hevige pijnen, terwijl het wonder zich voltrok, want het herstel kan niet geschieden zonder een geweldigen schok van de geheele menschelijke machine: de beenderen vernieuwden zich, het vleesch groeide aan, de kwaal werd in een laatste stuiptrekking uitgedreven. Maar welk een gevoel van welbehagen daarna! De geneesheeren geloofden hun oogen niet, de verwondering werd bij iedere genezing grooter, wanneer zij hun zieken zagen loopen, en met een waren geeuwhonger eten. Al die uitverkoren, al die genezen vrouwen liepen drie kilometer ver, zetten zich voor een kip aan tafel en sliepen dan twaalf uur aan één stuk door. Van een gewoon herstel geen sprake; het was een plotselinge sprong van den doodsstrijd in de volle gezondheid met nieuw gevormde ledematen, dichtgetrokken wonden, op hun plaats teruggebrachte organen, en dat alles met de snelheid van een bliksemstraal. Met de wetenschap werd gelachen, men nam zelfs de meest eenvoudige voorzichtigheidsmaatregelen niet in acht: vrouwen baadden in ieder gedeelte der maand, teringlijders werden, al waren zij met zweet bedekt, ondergedompeld in het ijskoude water, wonden liet men gewoon veretteren zonder eenige antiseptische behandeling. En welk een jubelgezang steeg op bij ieder wonder, welke kreten van dankbaarheid en liefde! De door het wonder geredde valt op haar knieën, alle omstanders weenen, bekeeringen vinden plaats, protestanten en joden omhelzen het Katholicisme, als nieuwe wonderen van het geloof, waarbij de hemel triompheert. De inwoners van het dorp wachtten in menigte de door het wonder geredde bij haar terugkomst op, terwijl de klokken haar jubeltoon doen hooren; en wanneer men haar lenig uit het rijtuig ziet springen, klinken luide vreugdekreten en vreugdesnikken, wordt het Magnificat aangeheven. Eer aan de Heilige Maagd! Eeuwige dankbaarheid en liefde aan de Moeder Gods!

Want van al die verwezenlijkte verwachtingen, van al die vurige dankzeggingen was de dankbaarheid jegens de zeer kuische Moeder, de bewonderenswaardige Moeder het voornaamste. Zij was de groote hartstocht van alle zieken, de genadige Maagd, de Spiegel der rechtvaardigheid, de Troon der wijsheid. Aller handen strekten zich uit naar haar, de mystieke Roos in de schaduw der kapellen, den ivoren Toren aan den horizont der droom, de Poort des hemels, die uitkomt in de eeuwigheid. Van af het aanbreken van iederen nieuwen dag straalt zij, als de heldere Ster van den morgen, blijde door jonge hoop. En is zij niet de Gezondheid der zieken, de Toevlucht der zondaren, de Troosteresse der bedroefden? Frankrijk was steeds haar lievelingsland geweest, waar men haar vurig vereerde als vrouw en moeder en zij zich zoo gaarne openbaarde aan jonge herderinnetjes. Zij was zoo lief voor de kleinen! Zij hield zich voortdurend met hen bezig, men wendde zich daarom zoo graag tot haar, omdat men wist, dat zij de bemiddelaarster tusschen hemel en aarde was. Iederen avond weende zij gouden tranen voor de voeten van haar goddelijken Zoon, om van hem genade te verwerven; dat waren de wonderen, die Hij haar toestond te wrochten, dat mooie, in bloei staande veld van wonderen, welriekend als de rozen van het paradijs, zoo heerlijk van kleurenpracht en geur.

De trein rolde voort. Ze waren nu--het was zes uur--Coutras voorbij. Zuster Hyacinthe stond op, klapte in de handen en riep:

"Het Angelus, kinderen!"

Nooit waren de Ave's in een vuriger geloof, dat nog aangewakkerd werd door de brandende begeerte om door den hemel vertroost te worden, opgestegen. En toen kreeg Pierre plotseling het ware inzicht in deze bedevaarten, in deze treinen, die door de geheele wereld rolden, in al die samenstroomende menschenmassa's, in Lourdes, dat daar in de verte straalde als het heil voor lichaam en ziel. O, de jammerlijke ongelukkigen, die hij nu sedert van ochtend zag reutelen en steunen van pijn, hun armzalige lichamen zag blootstellen aan de vermoeienis van zoo'n reis. Zij waren allen veroordeeld en opgegeven door de wetenschap, waren het moede nog langer geneesheeren te raadplegen en zich te laten kwellen door niets uitwerkende geneesmiddelen! En hoe begrijpelijk was het, dat zij in hun vurige begeerte om nog verder te leven en zich niet kunnende onderwerpen aan de onrechtvaardige en voor hun lijden onverschillige natuur, zich overgaven aan den droom van een bovenaardsche macht, van een almachtige godheid, die misschien in hun belang de vastgestelde wetten zou opheffen, den loop der sterren veranderen, terugkomen op zijn schepping. Hadden zij dan God niet, wanneer de aarde hen in den steek liet? De werkelijkheid was voor hen te vreeselijk, een oneindig verlangen naar illusie en leugen werd in hen wakker. O, te kunnen gelooven, dat er ergens een opperste gerechtsheer is, die de ongerechtigheden van menschen en dingen herstelt; te kunnen gelooven, dat er een verlosser bestaat, een trooster, die de heer en meester is, die de stroomen naar hun bron kan doen terugvloeien, jeugd kan teruggeven aan grijsaards, dooden kan opwekken! Te kunnen gelooven, wanneer je overdekt bent met wonden, je beenen verlamd zijn, je buik opgezwollen van tumoren, je longen door tuberkels weggevreten zijn, dan te kunnen gelooven, dat dat er niet op aan komt, dat dat alles kan verdwijnen en opnieuw ontstaan kan op een teeken der Heilige Maagd, en dat het voldoende is te bidden, haar te ontroeren, om van haar de genade te verkrijgen uitverkoren te worden. En dan, welk een hemelsche springbron van heerlijke verwachtingen, wanneer de wonderbare stroom begint te vloeien van die prachtige genezingsverhalen, van die bekoorlijke feeënsprookjes, die de koortsachtig opgewonden verbeeldingskracht van zieken en zwakken in slaap wiegen en bedwelmen. Hoe begreep men, sedert de kleine Sophie Couteau met haar blank, genezen voetje in dien wagon gekomen was en den grenzenloozen hemel van het goddelijke en bovennatuurlijke geopend had, hoe begreep men nu den ademtocht van wonderbare opstanding, die langzamerhand de meest radeloozen van hun jammerbed oprichtte, aller oogen deed stralen, daar het leven voor hen nog mogelijk was en zij het misschien opnieuw zouden beginnen!

Ja, zoo was het. Dat deze jammervolle trein voortrolde, steeds voortrolde, dat deze wagon vol was, dat de andere vol waren; dat Frankrijk en de wereld, van uit de verste hoeken der aarde, door dergelijke treinen doorstoomd werd; dat scharen van driehonderd duizend geloovigen, duizenden zieken met zich voerend, het eene jaar in, het andere uit zich in beweging zetten; dat alles geschiedde, omdat daar in de verte de Grot in haar glorie straalde als een vuurtoren van hoop en illusie, als de opstand en de triomf van het onmogelijk geachte over de onverbiddelijke materie. Nooit was een meer passionneerende roman geschreven om de zieken te verheffen boven den harden en wreeden levensstrijd. Dien droom te droomen was het groote, onuitsprekelijke geluk. De paters van Maria Hemelvaart hadden slechts daarom jaarlijks het succes van hun bedevaarten grooter zien worden, omdat zij aan de toegestroomde volkeren troost en leugen verkochten, dat heerlijke brood der hoop, waarnaar de lijdende menschheid eeuwig hongert, een honger, dien nooit iets stillen kan. En niet alleen de lichamelijke wonden, die om genezing riepen, neen het geheele moreele en intellectueele zijn schreeuwde zijn leed uit in een onverzadigbare dorst naar genezing. Gelukkig zijn, de zekerheid van zijn leven stellen in het geloof, tot aan zijn dood steunen op dien krachtigen en betrouwbaren reisstaf, dat was de wensch, die uit aller harten opsteeg, die alle moreele smarten deed nederknielen in een smeeken om voortzetting der genade, om bekeering der dierbaren, om het geestelijk heil van zichzelf en van hen, die men liefheeft. De luide kreet plantte zich voort, rees op, vulde de ruimte: gelukkig zijn voor eeuwig, in het leven en in den dood.

En Pierre had wel gezien, hoe al die lijdenden, die hem omringden, het schokken van de wielen niet meer voelden, hun krachten terugvonden bij iederen verslonden kilometer, die hen dichter bij het wonder bracht. Madame Maze zelfs werd spraakzaam in de zekerheid, dat de Heilige Maagd haar haar man zou teruggeven. Madame Vincent wiegde glimlachend de kleine Rose, die zij heel wat minder ziek vond dan die half doode kinderen, welke men in het ijskoude water dompelde en die dan speelden. Mijnheer Sabathier schertste met mijnheer de Guersaint en zeide, dat hij in October, wanneer hij zijn beenen weer zou kunnen gebruiken, naar Rome zou gaan, een reis, die hij al vijftien jaar uitgesteld had. Madame Vêtu, die eveneens kalmer geworden was, ook al deed haar maag nog wat pijn, dacht, dat zij honger had en vroeg aan madame de Jonquière een paar beschuitjes voor haar in een glas melk te doopen, terwijl Elise Rouquet, haar open wond vergetend, haar sluier weggeslagen had en een tros druiven at. La Grivotte, die op was gaan zitten, en broeder Isidore, die niet langer kreunde, waren ten gevolge van die mooie verhalen nog zoo opgewonden, dat zij in hun ongeduldig verlangen naar genezing zich over ieder uur uitstel ongerust maakten. Zelfs de onbekende keerde, al was het dan ook maar voor één minuut, tot het leven terug. Toen zuster Hyacinthe weer eens het koude zweet van zijn voorhoofd veegde, sloeg hij zijn oogen op, terwijl een glimlach zijn gelaat deed oplichten. Nog eenmaal had hij gehoopt.

Marie hield nog steeds in haar kleine klamme hand de hand van Pierre. Het was zeven uur, eerst om half acht zouden ze in Bordeaux zijn; en de trein, die te laat was, verhaastte, om de verloren minuten in te halen, meer en meer zijn vaart in een dolzinnige snelheid. Het onweer had uitgewoed, een zuivere, reine koelheid viel uit den wijden, helderen hemel.

"O, Pierre, wat is het mooi, wat is het mooi," herhaalde Marie weer, terwijl zij vol teederheid en liefde zijn hand drukte.

En zich naar hem vooroverbuigend, fluisterde zij:

"Pierre, ik heb daareven de Heilige Maagd gezien en toen heb ik jouw genezing gevraagd en verkregen."