Part 7
Terwijl de jubelzang te midden der schokken opsteeg, keek Pierre naar de kleine Sophie. Het was een boerinnetje, het dochtertje van een armen landbouwer uit de omstreken van Poitiers, dat haar ouders bedierven en als een jongejuffrouw behandelden, sedert zij door een wonder begenadigd, een uitverkorene was, die de geestelijken van het heele arrondissement kwamen bezoeken. Zij had een stroohoed met rose linten, een japonnetje van grijze wol, gegarneerd met een volant. Haar rond gezichtje was niet mooi, maar vriendelijk en frisch en werd opgevroolijkt door een paar heldere, sluwe oogen, die haar iets glimlachends en bescheidens gaven.
Toen het Magnificat uitgezongen was, kon Pierre geen weerstand bieden aan zijn verlangen Sophie te ondervragen. Een kind van dien leeftijd, dat er zoo oprecht uitzag en geen leugenaarster scheen te zijn, interesseerde hem ten zeerste.
"Je hadt bijna den trein gemist, niet lieve kind?"
"O, mijnheer de abbé, dat zou verschrikkelijk geweest zijn. Ik was gisteren al aan het station. Toen zag ik mijnheer den pastoor van Sainte-Radegonde, die mij heel goed kent, en mij riep, om me een zoen te geven; hij zeide, dat het heel lief van me was weer naar Lourdes te gaan... Toen ging ineens de trein weg, ik had nog net den tijd, om hard te loopen... He, wat heb ik gevlogen!"
Zij lachte, nog een beetje buiten adem, en het speet haar tegelijk ook, dat zij uit onbedachtzaamheid bijna een zonde begaan had.
"En hoe heet je, kindlief?"
"Sophie Couteau, mijnheer de abbé."
"Je bent toch niet uit Poitiers zelf?"
"O, neen... wij zijn uit Vivonne, zeven kilometer van Poitiers. Mijn vader en mijn moeder hebben daar een klein boerderijtje, en het zou ons zoo slecht niet gaan, als we niet met ons achten thuis waren. Ik ben de vijfde. Gelukkig, dat de vier oudsten langzamerhand kunnen gaan medewerken."
"En wat doe jij, kind?"
"Ik ben niet van heel veel nut, mijnheer de abbé... Sedert ik verleden jaar genezen thuis gekomen ben, heeft men mij geen oogenblik met rust gelaten, omdat ze, zooals u begrijpen kunt, naar mij zijn komen kijken; ook hebben ze mij meegenomen naar monseigneur en naar de kloosters en zoo wat overal naar toe... En voor dien tijd ben ik lang ziek geweest; ik kon niet loopen zonder stok, en bij iederen stap, dien ik deed, gilde ik het uit van de pijn aan mijn voet."
"Dus heeft de Heilige Maagd je van die pijn aan je voet genezen?"
Sophie kreeg geen gelegenheid om te antwoorden. Zuster Hyacinthe, die naar het verhaal geluisterd had, mengde zich in het gesprek.
"Ja, van een beeneter in de linkerhiel, die al drie jaar oud was. De voet was opgezwollen en misvormd, terwijl er zich ook fistels gevormd hadden, die steeds door etterden."
Plotseling waren alle zieken in den wagon één en al belangstelling. Zij hadden geen blik af van het wondermeisje, zij zochten in haar het mirakel. Zij, die staan konden, stonden op, om haar beter te kunnen zien; de anderen, de zieken, die op hun matrassen lagen, trachtten zich op te richten. In hun lijden, dat hen, angstig als zij opzagen tegen de vijftien uur, die zij nog hadden te rijden, bij het vertrek uit Poitiers opnieuw aangegrepen had, was de plotselinge komst van dit, door den hemel uitverkoren kind als een goddelijke troost, als een straal van hoop, waaruit zij de kracht zouden putten om de reis moedig vol te houden. Reeds hield het jammeren wat op, kwam er in de vurige begeerte om te gelooven, een ontspanning op aller gelaat.
Marie vooral was als door nieuwe krachten bezield; half opzittend vouwde zij haar bevende handen en vroeg fluisterend aan Pierre:
"Vraag haar meer, laat haar alles vertellen... Genezen, goede God! Genezen van een zoo afschuwlijke kwaal!"
Ontroerd had madame de Jonquière zich over het beschot gebogen, om het kind een zoen te geven.
"Zeker, ons klein vriendinnetje zal ons alles zeggen... Niet waar, schat, je wilt ons toch wel vertellen, wat de Heilige Maagd voor je gedaan heeft."
"Natuurlijk, madame... Zooveel als u zelf maar wilt!"
Zij glimlachte vriendelijk en bescheiden, terwijl uit haar stralende oogen een helder verstand sprak. Onmiddellijk wilde zij reeds beginnen, stak haar rechterhand in de hoogte met een lief gebaar, dat aandacht scheen te vragen. Blijkbaar was zij er al heelemaal aan gewend in het openbaar te spreken.
Maar men kon haar niet overal in den wagon zien, waarom zuster Hyacinthe op het denkbeeld kwam te zeggen:
"Ga op de bank staan, Sophie, en spreek een beetje hard, anders kunnen ze je met dat lawaai niet verstaan."
Daar had de kleine veel schik in; zij moest eerst weer ernstig worden, voor zij beginnen kon.
"Nu dan, mijn voet was zoo ziek, dat ik niet eens meer naar de kerk kon gaan, en ik moest hem altijd in een verband hebben, omdat er iets, dat minder frisch was, uit vloeide... Dokter Rivoire, die erin gesneden had, om beter te kunnen zien wat het was, zeide, dat hij genoodzaakt zou zijn een stuk van het been weg te nemen, waardoor ik heelemaal kreupel geworden zou zijn... En toen heb ik de Heilige Maagd vurig gebeden en heb ik mijn voet in het water gestoken met zoo'n innig verlangen om beter te worden, dat ik zelfs den tijd niet genomen heb, om het verband eraf te doen... En toen is alles in het water gebleven, mijn voet had niets meer, toen ik hem eruit haalde."
Een gemompel van verrassing, verwondering en begeerte ontstond en plantte zich bij dit prachtige wonderverhaal, dat den wanhopigen zoo zoet in de ooren klonk, voort. Maar de kleine was nog niet klaar. Zij wachtte even en begon dan weer, nadat zij met een nieuw gebaar stilte verzocht had.
"Toen dokter Rivoire te Vivonne mijn voet weer zag, zeide hij: "Of het de goede God of de duivel is, die dit kind genezen heeft, laat mij koud, maar genezen is zij.""
Ditmaal volgde er gelach op haar woorden. Zij declameerde te veel, daar zij het verhaal al zoo dikwijls gedaan had, dat zij het uit haar hoofd leerde. De woorden van den dokter misten hun uitwerking nooit; zij lachte, zeker als zij was, dat de anderen ook lachen zouden, er bij voorbaat zelf al om. Maar toch bleef zij naïef en ontroerend.
Toch scheen zij een bijzonderheid vergeten te hebben, want zuster Hyacinthe, die met een blik de toehoorders op het woord van den dokter opmerkzaam gemaakt had, fluisterde haar zachtjes in:
"En wat je tegen de gravin, de directrice van de zaal, gezegd hebt, Sophie?"
"O ja, dat is waar ook! Ik had niet veel linnen voor mijn voet meegebracht en toen heb ik tegen haar gezegd: "De Heilige Maagd is wel goed geweest, om mij dadelijk den eersten dag te genezen, want morgen zou mijn voorraad al op geweest zijn.""
Weer volgde een blij gelach. Men vond haar zoo schattig, dat zij op die manier genezen was! Op een vraag van madame de Jonquière moest zij nog het verhaal doen van de schoenen, mooie, splinternieuwe schoenen, die mevrouw de gravin haar gegeven had en waarin zij, in haar zalige verrukking, dadelijk geloopen, gesprongen en gedanst had. Stel je voor, schoenen, zij, die in geen drie jaar een pantoffel aan had kunnen hebben!
Pierre, van wien zich een onbehaaglijk gevoel meester gemaakt had, was ernstig geworden en bleef haar aankijken. Hij deed haar nog een paar andere vragen. Het kind loog beslist niet, doch wel vermoedde hij, dat zij langzamerhand de waarheid een beetje gewijzigd had, een zeer begrijpelijke opsiering bij haar vreugde, dat zij genezen en daardoor een persoon van gewicht geworden was. Wie kon nu met zekerheid zeggen, of er voor het volkomen toetrekken van de wond, wat volgens haar beweren in enkele seconden geschied was, niet dagen noodig geweest waren. Waar waren de getuigen?
"Ik was erbij," vertelde juist madame de Jonquière. "Zij behoorde niet tot mijn zaal, maar ik had haar dien ochtend nog gezien; zij hinkte..."
"Ah! Hebt u haar voet vóór en na de indompeling gezien?"
"Neen, dat niet, ik geloof niet, dat iemand dien heeft kunnen zien, want hij was heelemaal in verband... Zij heeft u toch zelf verteld, dat het verband in het water gevallen is."
En zich tot het meisje wendend:
"Maar zij zal u haar voet laten zien, niet waar, Sophie?... Trek je laars uit."
Sophie maakte haar schoen reeds los en trok haar kous uit met een handigheid en een gemak, die duidelijk bewezen, hoe gewend zij al was dat te doen. Zij stak haar heel zindelijken, blanken, ja zelfs gesoigneerden voet met de roze, zorgvuldig geknipte nagels uit en draaide hem met een zeker welbehagen om, opdat de jonge priester hem makkelijk zou kunnen onderzoeken. Boven den enkel was een groot litteeken, welks witachtige, duidelijk zichtbare naad heel duidelijk bewees, hoe ernstig de ziekte geweest was.
"O, mijnheer de abbé, u kunt den hiel gerust in uw handen nemen en er met alle kracht op drukken: ik voel niets meer!"
Pierre maakte een gebaar met zijn hand, waaruit men zou kunnen opmaken, dat hij verrukt was over de macht der Heilige Maagd. Maar twijfel bleef hem kwellen. Welke onbekende kracht was hier werkzaam geweest? Of liever, welke verkeerde geneeskundige diagnose, welke samenloop van dwalingen en overdrijvingen hadden tot dit mooie sprookje geleid?
Maar de zieken wilden allen den wondervoet zien, dit zichtbaar bewijs van goddelijke genezing, die zij allen gingen zoeken. Marie, die nu geheel rechtop zat en al minder pijn voelde, raakte hem het eerst aan. Dan gaf madame Maze, uit haar melancholie weggerukt, hem over aan madame Vincent, die hem had willen kussen voor de hoop, die hij haar teruggaf. Mijnheer Sabathier had met een van geluk stralend gezicht geluisterd; madame Vêtu, la Grivotte, ja zelfs broeder Isidore sloegen hun oogen weer open en toonden belangstelling; het gezicht van Elise Roquet had door haar geloof en vertrouwen een wonderbare verandering ondergaan, was bijna mooi geworden: wanneer een wond zoo verdwenen was, zou dan haar wond zich ook niet sluiten, zou haar gezicht dan ook niet een klein litteeken behouden en niet als het gezicht van alle menschen worden? Sophie, nog steeds op de bank staande, moest zich aan een der ijzeren stangen vasthouden en haar voet op den rand van het beschot leggen, nu rechts, dan links; zij werd niet moede, integendeel zij was blij en trotsch over de uitroepen, die zij hoorde, over de sidderende bewondering, over den vromen eerbied, dien men bewees aan dat kleine stukje van haar persoon, aan dien kleinen voet, welke nu als gewijd en heilig was.
"Er is ongetwijfeld een groot geloof voor noodig," dacht Marie hardop; "je moet er een volkomen reine ziel voor hebben..."
En zich tot mijnheer de Guersaint wendend:
"Vader, ik voel, dat ik genezen zou, als ik tien jaar was, als ik de volkomen reine ziel van een klein meisje had."
"Maar je bent tien jaar, lieveling. Zeg zelf eens, Pierre, kunnen meisjes van tien jaar een reinere ziel hebben dan zij?"
Hij met zijn levendige verbeeldingskracht en zijn phantastischen geest, was dol op die wonderverhalen. En de priester, diep bewogen door de innige reinheid van het jonge meisje, ging er niet verder op in, liet haar zich geheel overgeven aan den ademtocht van de troostrijke illusie, die door den wagon ging.
Sedert het vertrek uit Poitiers was de temperatuur nog drukkender geworden; een onweer kwam op aan den koperkleurigen hemel; het was alsof de trein door een hoogoven reed. Droefgeestig en als uitgestorven onder de brandende zon, snelden de dorpen voorbij. Te Couhé-Verac werd de rozenkrans weer gebeden en een lied gezongen. Maar de geestelijke oefeningen verslapten eenigszins. Zuster Hyacinthe, die nog niet ontbeten had, was er eindelijk toe gekomen gauw een stukje brood en een paar vruchten te eten, zonder echter op te houden te letten op den man, wiens moeilijke ademhaling de laatste oogenblikken iets regelmatiger scheen te worden. En eerst te Ruffec, dat men om drie uur passeerde, werden de avondmetten van de Heilige Maagd gebeden.
"Ora pro nobis, sancta Dei Genitrix."
"Ut digni efficiamur promissionibus Christi" [7].
Toen het gebed geëindigd was, zeide mijnheer Sabathier, die naar de kleine Sophie gekeken had, toen zij haar schoenen en kousen weer aantrok, tegen mijnheer de Guersaint:
"Het geval van dit kind is buiten eenigen twijfel zeer interessant. Maar het is eigenlijk nog niets, er zijn nog veel sterker gevallen... Kent u het verhaal van Pierre de Rudder, een Belgisch werkman?"
Allen waren weer gaan zitten om te luisteren.
"Die man had door een val zijn been gebroken. Na acht jaar waren de twee deelen van het been nog niet samengegroeid; je zag de beide einden diep in een open, steeds etterende wonde; het been hing slap en krachteloos en kon in alle richtingen gedraaid en gekeerd worden... Welnu, bij hem was het voldoende om een glas van het wonderdoende water te drinken en zijn been was plotseling genezen. Hij kon weer zonder krukken loopen en de dokter heeft tegen hem gezegd: "Je been is als dat van een pasgeboren kind!" Precies! Een heel nieuw been!"
Niemand sprak een woord; er werden slechts blikken van verrukking gewisseld.
"En zoo," ging mijnheer Sabathier voort, "zoo is het ook met het verhaal van Louis Rouriette, een steenhouwer, een der eerste wonderen van Lourdes. Kennen jullie het niet?... Hij was bij een mijnontploffing gewond. Zijn rechteroog was heelemaal verloren, terwijl het linker ook die kans liep... Welnu, op een goeden dag laat hij zijn dochter een flesch van het modderige water uit de bron, die toen nog nauwlijks sprong, halen. Met dat modderige water waschte hij zijn oog en bad daarbij vurig. Hij stiet een gil uit, hij zag, mijnheer, hij zag even goed als u en ik... De dokter, die hem behandelde, heeft er een zeer uitvoerige verhandeling over geschreven, er is geen twijfel mogelijk."
"Het is wonderbaar," mompelde mijnheer de Guersaint in extase.
"Wilt u nog een ander voorbeeld, mijnheer? Ik bedoel dat heel bekende van François Macary, den schrijnwerker uit Lavaur. Achttien jaar lang had hij in het binnengedeelte van zijn linkerbeen een diep aderspatachtig gezwel met een belangrijke verstopping van het cellenweefsel. Hij kon zich niet meer bewegen, de wetenschap had hem geheel en al opgegeven... Daar sluit hij zich op een goeden avond op met een flesch water uit Lourdes. Hij neemt het verband weg, wascht zijn beide beenen en drinkt de rest van de flesch leeg. Dan gaat hij naar bed en valt in slaap; en wanneer hij wakker wordt, bevoelt hij zich, kijkt: niets meer! De aderspat, de gezwellen, alles verdwenen... De huid van de knie was zoo zacht en frisch geworden, als zij met twintig jaar zijn moet."
Ditmaal volgde er een uitbarsting van verbazing en bewondering. De zieken en de pelgrims betraden het tooverland van het wonder, waar het onmogelijke bij iedere kromming van den weg zich voltrekt, waar men van wonder tot wonder schrijdt. En ieder van hen had een geschiedenis te vertellen, brandde van verlangen zijn bewijs te geven, zijn hoop te rechtvaardigen door een voorbeeld.
Madame Maze, die tot nog toe geen woord gezegd had, geraakte zoo in geestdrift, dat zij het eerst vertelde.
"Ik heb een vriendin, die de weduwe Rezan gekend heeft, de vrouw, wier genezing indertijd zooveel opzien gewekt heeft... Sedert vier-en-twintig jaar was haar geheele linkerzijde verlamd. Alles wat zij at, gaf zij weer terug, zij was niet veel meer dan een levenlooze massa, die je in haar bed omkeeren moest, en langzamerhand had het wrijven van de lakens haar huid afgescheurd... Op een avond zeide de dokter, dat zij den volgenden ochtend niet meer halen zou. Twee uur later ontwaakt zij uit haar verdooving en vraagt zij met een zwakke stem aan haar dochter, voor haar een glas water uit Lourdes bij een buurvrouw te gaan halen. Maar eerst den volgenden ochtend kon zij het krijgen en riep: "Lief kind, ik drink het leven! Wasch mijn gezicht, mijn arm, mijn been, mijn heele lichaam!" En naar mate het kind dat deed, zag zij de groote gezwellen slinken, de verlamde ledematen hun lenigheid en hun natuurlijk aanzien terugkrijgen... Dat is echter niet alles: madame Rezan riep, dat zij genezen was, dat zij honger had, dat zij brood en vleesch wilde, zij, die in geen vier-en-twintig jaar gegeten had. En zij stond op en kleedde zich aan, terwijl haar dochter aan de buurvrouwen, die, toen zij haar zoo van streek zagen, dachten, dat zij een wees was, riep: "Neen, neen, moeder is niet dood, moeder is weer opgestaan!""
Tranen waren madame Vincent in de oogen gekomen. Lieve God! Als zij ook Rose zoo kon zien opstaan en eten en loopen! Een ander geval van een jong meisje, dat zij te Parijs gehoord had en dat veel bijgedragen had tot haar besluit, om met de kleine zieke naar Lourdes te gaan, kwam weer bij haar op.
"Ik ken ook de geschiedenis van een verlamde, Lucie Druon, die in een weeshuis was en zelfs in haar jeugd al niet meer kon knielen. Haar ledematen waren tot hoepels vergroeid; haar rechterbeen was veel korter en had zich ten slotte over het linker gerold; en wanneer een van haar vriendinnetjes haar droeg, zag men haar voeten als dood in de lucht slingeren... En het mooie van het geval is, dat zij niet eens naar Lourdes geweest is. Zij heeft alleen een novene [8] gehouden; maar zij heeft gedurende die negen dagen gevast en haar begeerte om beter te worden was zoo vurig, dat zij zelfs de nachten in gebed doorbracht... Toen zij eindelijk den negenden dag een weinig water uit Lourdes dronk, voelde zij eensklaps in haar beenen een hevigen schok. Zij stond op, viel neer, stond weer op en liep. Al haar vriendinnetjes riepen verbaasd, verschrikt bijna: "Lucie loopt! Lucie loopt!" En het was waar, haar beenen waren in enkele seconden recht, gezond en sterk geworden. Zij ging de binnenplaats over, toen naar de kapel, waar de geheele gemeente in dankbare geestdrift het Magnificat zong... Het lieve kind, wat zal zij gelukkig geweest zijn!"
Nu stroomden de tranen van haar wangen op het bleeke gezicht van haar dochtertje, dat zij met hartstochtelijke kussen bedekte.
De geestdrift nam nog steeds toe, de verrukte vreugde over deze mooie verhalen, waarin de hemel telkens weer over de menschelijke realiteit triompheerde, bracht die kinderzielen in zulk een extase, dat zelfs de ergste zieken zich op hun beurt oprichtten, om wat te vertellen. En achter ieder verhaal verborg zich het voortdurend bezig zijn met zijn eigen kwaal, het vertrouwen, dat die genezen zou, omdat een dergelijke ziekte door den goddelijken adem als een booze droom verdreven was.
"O," stamelde madame Vêtu met een van pijn vertrokken mond; "er was er een, Antoinette Thardivail, wier maag evenals de mijne door kanker weggevreten werd. Je zoudt gedacht hebben, dat honden haar wegvraten en soms werd zij nog dikker dan een kinderhoofd. Gezwellen zoo groot als kippeneieren groeiden er in, zoodat zij acht maanden lang bloed gespuwd had... Zij was, omdat zij niets meer eten kon, gewoon vel over been, en zij was op het punt te sterven, toen zij water uit Lourdes dronk en zich daarmede de maagholte liet wasschen. Drie minuten later vond de dokter, die haar den vorigen avond stervend en bijna geen adem meer halend verlaten had, haar bij het vuur zitten, juist toen zij zich trakteerde op een malsch kippenvleugeltje. Zij had geen gezwellen meer, zij lachte als op haar twintigste jaar, haar gezicht had weer den stralenden glans der jeugd... O, te kunnen eten waar je trek in hebt, weer jong te worden en geen pijn meer!"
"En de genezing van zuster Julienne dan!" zeide la Grivotte, die zich op haar elleboog had opgericht en wier oogen gloeiden van koorts. "Net als bij mij was het bij haar met een zware kou begonnen; daarna is zij begonnen bloed te spuwen. Ieder half jaar stortte zij weer in en moest zij het bed houden. De laatste maal was het heel duidelijk te zien, dat zij niet meer op zou staan. Tevergeefs had zij allerlei middelen geprobeerd: jodium, trekpleisters, brandpiqures enz. Kort en goed, een echte teringlijdster, zooals trouwens zes doktoren verklaard hadden... Enfin, zij komt te Lourdes, maar God weet onder welke pijnen! Te Toulouse dacht men een oogenblik, dat zij sterven zou. De zusters droegen haar in haar armen. Bij den vijver wilden de dames der Hospitalité haar niet baden. Het was een doode... Maar ten slotte hebben zij haar toch uitgekleed en haar bewusteloos en met zweet bedekt ondergedompeld; zij haalden er haar zoo bleek uit, dat men haar dadelijk op den grond legde, zoo vast was men er van overtuigd, dat het nu werkelijk met haar gedaan was. Plotseling kwam er een kleur op haar wangen, haar oogen gingen open en zij haalde krachtig adem. Zij was genezen, zij heeft zich alleen aangekleed, en, na in de Grot de Heilige Maagd gedankt te hebben, flink gegeten. Nu, dat was toch een teringlijdster, en toch in een handomdraaien radicaal genezen!"
Toen wilde broeder Isidore wat vertellen, maar hij kon niet; met de grootste moeite zeide hij tegen zijn zuster:
"Marthe, vertel jij het verhaal van zuster Dorothée eens, dat de pastoor van Saint-Sauveur ons gedaan heeft."
"Zuster Dorothée," begon de boerin verlegen, "stond op een ochtend met een gezwollen been op; van af dat oogenblik kon zij het been, dat koud en zwaar als een steen werd, niet meer gebruiken. Bovendien had zij vreeselijke pijnen in haar rug. De dokters begrepen er niets van. Zij heeft er wel een stuk of zes om raad gevraagd, die met naalden diep in haar vleesch prikten en haar allerlei geneesmiddelen gaven. Maar zij hadden net zoo goed niets kunnen doen... Zuster Dorothée begreep heel goed, dat alleen de Heilige Maagd haar zou kunnen genezen, en dus gaat zij naar Lourdes en laat zich in den vijver onderdompelen. Eerst dacht zij te zullen sterven, zoo koud was het. Doch toen werd het zoo zacht, dat zij het lauwwarm begon te vinden en lekker als melk. Nooit had zij zoo iets heerlijks gevoeld; haar aderen gingen open en het water stroomde erin. U begrijpt, het leven keerde in haar terug van af het oogenblik, dat de Heilige Maagd zich over haar erbarmde... Zij had in het geheel geen pijn meer, wandelde, at 's avonds een heele duif en sliep den heelen nacht als een roos. Lof aan de Heilige Maagd! Eeuwige dankbaarheid aan de machtige Moeder en haar goddelijken Zoon!"
Ook Elise Roquet had graag een wonder, dat zij kende, verteld, maar met haar misvormden mond sprak zij zoo slecht, dat zij nog niet aan de beurt had kunnen komen. Er volgde nu echter een stilte, waarvan zij gebruik maakte; zij schoof den sluier, die haar afzichtelijke wond verborg, wat ter zijde:
"O, wat ik weet is niet zoo zeer een ernstige ziekte, maar het is zoo grappig... Het betreft een zekere Célestine Dubois, die bij het inzeepen van de wasch een naald in haar hand gekregen had. Zeven jaar had zij dat ding er al in, geen dokter kon het eruit krijgen. Haar hand was heelemaal samengetrokken, zoodat zij die niet meer open kon maken... Zij gaat naar Lourdes en steekt haar hand in het water. Maar gillend trekt zij die er dadelijk weer uit. Met geweld doet men er die hand weer in, houdt die erin, terwijl zij maar blijft gillen en met zweet overdekt is. Driemaal dompelt men haar erin, en iederen keer zíet men de naald zich voortbewegen, tot hij door den duim naar buiten komt... Dat zij zoo gilde, kwam natuurlijk omdat die naald door het vleesch wandelde, alsof iemand eraan getrokken had, om hem eruit te halen... Célestine heeft nooit pijn meer gehad, alleen bleef er aan haar hand een klein litteeken, alleen om het werk der Heilige Maagd te kunnen laten zien."